Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1552

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
23-001221-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van ruim een halve kilo cocaïne en het witwassen van € 295.000. Het verweer dat dit geldbedrag afkomstig is van eigen misdrijf en dat verdachte niets heeft gedaan om de herkomst te verhullen, is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001221-19

Datum uitspraak: 26 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-728216-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 12 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is ten laste gelegd. Daarnaast is de verdachte vrijgesproken van het aanwezig hebben van 62,2 gram cocaïne aangetroffen in een personenauto, en 149 gram cocaïne, aangetroffen in een woning, zoals cumulatief ten laste gelegd onder feit 1, en van het witwassen van € 20.000,00 aangetroffen in een woning, zoals cumulatief ten laste gelegd onder feit 3.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, 581 gram cocaïne (in een plastic tas in een (personen)auto van het merk Citroen C3 met kenteken [kenteken]) in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
hij op of omstreeks de periode van 18 november 2015 tot en met 20 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in genoemde periode, een (contante) geldbedrag(en) en/of voorwerpen, te weten (onder meer): - (ongeveer) 295000 euro, althans een groot geldbedrag (aangetroffen een (personen)auto (merk Citroën C3 met kenteken [kenteken]) en/of één of meer andere geldbedragen en/of voorwerpen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Aangezien de verdachte het hem tenlastegelegde ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit, zal het hof volstaan met een opgave van bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 359, derde lid Sv:

  • -

    de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter zitting in hoger beroep;

  • -

    de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 3 zoals opgenomen in Bijlage II bij het vonnis waarvan beroep, genummerd 1 tot en met 7.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 19 november 2015 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 581 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

3.
hij op 19 november 2015 te Amsterdam, een contant geldbedrag, te weten 295.000 euro, aangetroffen

in een personenauto merk Citroën C3 met kenteken [kenteken], voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft het hof verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging inzake het witwassen van € 295.000 (feit 3), aangezien dit geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf en de verdachte niets heeft gedaan om het te verbergen of verhullen.

Het hof stelt voorop dat een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond inzake het witwassen van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp alleen kan slagen als de verdachte dat voorwerp slechts heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad. In dit geval heeft de verdachte het geldbedrag niet slechts verworven of voorhanden gehad, hij heeft het geldbedrag van € 295.000 op 19 november 2015 ook overgedragen en wel aan zijn broer. Reeds daarom slaagt het verweer niet.

Aan het voorgaande voegt het hof nog toe dat uit tapgesprekken volgt dat de verdachte (naar aanleiding van een aanhouding van een medeverdachte) iets moest ‘evacueren’ en dat hij dat vervolgens ook heeft gedaan. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het hier de tas met het hiervoor genoemde geldbedrag van € 295.000 betrof. De verdachte heeft deze tas daadwerkelijk opgehaald en hij heeft deze aan zijn broer overgedragen om de inhoud ervan veilig te stellen. Het hof kan deze gedragingen niet anders zien dan gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, zodat ook om deze reden het verweer niet kan slagen.

Het hof concludeert dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 277 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting

in hoger beroep verklaard dat hij de detentie als zwaar en van grote invloed op zijn leven heeft ervaren. Hij heeft nu werk waarvan hij kan rondkomen en hij heeft de zorg voor zijn vader, die ernstig ziek is.

Hij heeft geleden onder de lange periode waarin de afwikkeling van deze strafzaak, en de door de rechtbank opgelegde langdurige gevangenisstraf, hem steeds boven het hoofd hing.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en

de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ruim een halve kilo cocaïne en aan het witwassen van bijna € 300.000,00. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne betreft een handelshoeveelheid. Algemeen bekend is dat de handel in harddrugs leidt tot veel criminaliteit en overlast en een groot gevaar voor de volksgezondheid vormt. Ten aanzien van het witwassen behoeft het nauwelijks betoog dat het bewust voorhanden hebben van een zo groot uit misdrijf afkomstig geldbedrag, als ernstig feit heeft te gelden. Het hof acht beide feiten ernstig en is van oordeel dat als reactie het opleggen van een gevangenisstraf van behoorlijke duur in beginsel gerechtvaardigd is.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 april 2021 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld met betrekking tot feiten als de onderliggende. Ook is hij in de periode van vijf en een half jaar na het plegen van de feiten zoals bewezenverklaard niet meer - voor vergelijkbare misdrijven - met politie of justitie in aanraking geweest. Het hof ziet in deze omstandigheden en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding hem andere straffen op te leggen dan in eerste aanleg.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, aangezien de verdachte op 19 november 2015 in verzekering is gesteld en het hof op 26 mei 2021 arrest wijst. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling

van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie, zodat sprake is van een overschrijding van de gehele termijn met een jaar en zes maanden. Het hof zal deze overschrijding compenseren door de straf die in beginsel in dit geval passend wordt geacht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof verbindt daaraan een proeftijd van een jaar. Daarnaast zal het hof, gelet op de aard en de ernst van de feiten, de verdachte een taakstraf opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraken zoals hiervoor omschreven.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S. Clement en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
26 mei 2021.

Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.