Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1546

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
19/01598
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:9101, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV. Aftrek specifieke zorgkosten. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Voor zover belanghebbende ter zitting bij het Hof een bewijsaanbod heeft willen doen, verklaart het Hof dit bewijsaanbod in strijd met de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 9-6-2021
V-N Vandaag 2021/1368
FutD 2021-1852 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/01598

27 mei 2021

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven van [X], wonende te [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 30 oktober 2019 in de zaak met kenmerk HAA 19/1052 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 maart 2014 aan [X] (hierna: erflaatster) voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna ook: de aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.888 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.100.

1.2.

Op 1 maart 2016 is een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag gedaan. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen bij beschikking met dagtekening 9 januari 2018. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.852 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.100.

1.4.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 oktober 2019 het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 31 oktober 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft – nadat de eerder voor 14 oktober 2020 respectievelijk 18 november 2020 geplande zitting op verzoek van belanghebbende was verdaagd – aanvankelijk plaatsgevonden op 14 december 2020. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof besloten het op 13 december 2020 van belanghebbende ontvangen verzoek tot verdaging van de zaak te honoreren en het onderzoek te heropenen. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 14 april 2021. De zaak van belanghebbende (kenmerk Hof: 19/01598) is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak van [Y] inzake het verzoek tot ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslag IB/PVV 2013 (kenmerk Hof: 19/01597). Al hetgeen in de ene zaak is overgelegd of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaak. Van het verhandelde ter zitting op 14 december 2020 en 14 april 2021 zijn processen-verbaal opgemaakt die met deze uitspraak worden meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur zijn daarin aangeduid als ‘eisers’/‘erfgenaam’ respectievelijk ‘verweerder’):

“1. Erflaatster is op [datum] overleden. De enig erfgenaam van erflaatster is de [Y] (hierna: de erfgenaam).

2. Met dagtekening 28 maart 2014 is aan erflaatster onderhavige aanslag – conform de ingediende aangifte – opgelegd.

3. Op 1 maart 2016 heeft de erfgenaam bezwaar gemaakt tegen de ten name van hem opgemaakte definitieve berekening zorgtoeslag en huurtoeslag 2012. Verweerder heeft dit bezwaar aangemerkt als een bezwaar tegen de aan de erfgenaam opgelegde aanslag IB/PVV 2012. Dit bezwaar is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Deze procedure heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2017 (HAA 16/4876).

4. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2017 heeft verweerder besloten om het ontvangen bezwaarschrift van 1 maart 2016 tevens in behandeling te nemen als een verzoek om ambtshalve vermindering tegen de onderhavige aanslag ten name van erflaatster.

5. Verweerder heeft op 13 juni 2017 een verzoek om informatie gestuurd aan de erfgenaam. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“U geeft aan dat de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012 van uw moeder, mevrouw [X] (…) moet worden herzien, omdat de bewindvoerder de specifieke zorgkosten niet heeft vermeld in de aangiftebiljet.”

6. Als reactie hierop heeft de erfgenaam in september 2017 een formulier “Uitgaven specifieke zorgkosten 2012” ingevuld en opgestuurd naar verweerder. De aangegeven aftrek specifieke zorgkosten bedraagt € 15.176,14.

7. Per brief van 13 oktober 2017 heeft verweerder de erfgenaam gevraagd naar stukken (nota’s, betalingsbewijzen en correspondentie) waaruit het recht op enkele van de gevraagde aftrekposten blijkt.

8. In een e-mail van 21 december 2017 schrijft de erfgenaam:

“Doordat mijn moeder, mevrouw [X] , (…), onder bewind stond en de bewindvoerder nalatig is geweest al destijds volledige informatie aan te leveren o.a. bij uw belastingdienst. Er is aangifte gedaan eerder dit jaar door mijn advocaat en is er een civiele procedure gestart om inzage te kunnen krijgen in de stukken.

Op dit moment weet ik niet beter dan dat er aan u stukken zijn verstuurd maar moet dit zekerheidshalve natuurlijk navragen. (…). Voor mij is het van groot belang dat u zo spoedig mogelijk de stukken zult ontvangen maar dan moet wel een ieder meewerken en daar bedoel ik een bewindvoerder mee.”

9. Met dagtekening 9 januari 2018 heeft verweerder beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering van de onderhavige aanslag en het verzoek afgewezen.

10. De erfgenaam heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 8 februari 2018, ontvangen door verweerder op 9 februari 2018.

11. Aan de erfgenaam is wederom een verzoek om informatie verstuurd.

12. Op 18 mei 2018 heeft verweerder de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar aan de erfgenaam gestuurd. Daarin staat vermeld dat het voornemen van verweerder is om deels tegemoet te komen aan het bezwaar en dat een aftrek specifieke zorgkosten zal worden verleend van € 2.036.

13. Met dagtekening 14 december 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan overeenkomstig de brief van 18 mei 2018.

14. De erfgenaam heeft hiertegen op 21 januari 2019 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Amsterdam heeft het beroepschrift op 5 maart 2019 doorgestuurd naar de rechtbank omdat zij van mening is dat niet zij maar de onderhavige rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.”

2.2.

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

In zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd:

“Eiser gaat in beroep tegen de ongegrondverklaring omdat hij van mening is dat hij een en ander wel aannemelijk heeft gemaakt. Eiser wenst dan ook op een later tijdstip nadere gronden aan te voeren (…).”

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is allereerst in geschil of het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Indien het hoger beroep ontvankelijk is, is in geschil of erflaatster recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: griffierecht hoger beroep

4.1.

Bij brief van 23 december 2019 heeft de griffier belanghebbende bericht dat hij op grond van de verstrekte gegevens voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en dat daarom vooralsnog is afgezien van het heffen van griffierecht. Het Hof ziet geen aanleiding om van deze voorlopige beslissing terug te komen. Belanghebbende is daarom voor de behandeling van dit hoger beroep definitief geen griffierecht verschuldigd.

Ontvankelijkheid

4.2.1.

De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien belanghebbende geen (nadere) gronden heeft aangevoerd en evenmin nadere stukken heeft ingediend ter onderbouwing van zijn stellingen.

4.2.2.

Het Hof verwerpt dit standpunt van de inspecteur. Dat belanghebbende zijn hogerberoepschrift slechts summier heeft gemotiveerd en aanvoert dat hij nadere gronden op een later moment zal indienen, neemt niet weg dat op het moment van indiening van het hogerberoepschrift is voldaan aan het in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen motiveringsvereiste. Belanghebbende heeft met zijn mededeling dat hij hoger beroep heeft ingesteld omdat “(…) hij van mening is dat hij een en ander wel aannemelijk heeft gemaakt” laten blijken het niet eens te zijn met de beslissing van de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat erflaatster recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten dan bij uitspraak op bezwaar reeds is verleend. Dat belanghebbende heeft nagelaten op een later moment de door hem aangekondigde nadere gronden aan te leveren, doet hieraan niet af.

Inhoudelijk (aftrek specifieke zorgkosten)

4.3.1.

De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen en beslist:

“21. Artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt, voor zover hier van belang, dat uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen indien de uitgaven zijn gedaan voor de belastingplichtige. De uitgaven die in aanmerking worden genomen, staan vermeld in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Op de belastingplichtige rust de last aannemelijk te maken dat hij aan de in dit artikel per uitgave vermelde voorwaarden voldoet.

22. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat erflaatster recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten. Naast het door de erfgenaam ingevulde formulier “Uitgaven specifieke zorgkosten 2012”, waarin een totaal bedrag aan specifieke zorgkosten staat vermeld van € 15.176,14, zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt terwijl eisers meerdere malen in de gelegenheid zijn gesteld om deze te overleggen.

23. De stelling van eisers dat alleen de bewindvoerder van erflaatster over de stukken beschikt en in dit verband een civiele procedure tegen hem is gestart om de beschikking te krijgen over de stukken, brengt de rechtbank – wat hier verder ook van zij – niet tot een ander oordeel. Dit ontslaat eisers namelijk niet van de bewijslast om aannemelijk te maken dat de kosten zijn gemaakt.”

4.3.2.

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de aanslag ten onrechte niet is verminderd met het door hem opgegeven uitgaven specifieke zorgkosten. De onderliggende stukken voor die uitgaven verwacht belanghebbende in het dossier van de voormalig bewindvoerder aan te treffen zoals facturen van apotheken met hoge eigen bijdragen. Belanghebbende verwacht in juli over die stukken te kunnen beschikken; zijn advocaat [advocaat] is volgens hem bezig om die stukken te verkrijgen van de voormalig bewindvoerder.

4.3.3.

De inspecteur handhaaft zijn standpunt dat er geen recht bestaat op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten voor zover deze meer bedragen dan hetgeen reeds in bezwaar is geaccepteerd; de zorgkosten zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Het dossier loopt al heel erg lang. Hetgeen door belanghebbende ter zitting van het Hof nog is gesteld over het bijbrengen van bewijs is te laat en acht de inspecteur daarom tardief. Het blijft telkens bij stellingen zonder onderbouwing, aldus de inspecteur.

4.3.4.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen omtrent het inhoudelijke geschil. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de rechtsoverwegingen 21 tot en met 23 van de rechtbank tot de zijne. Het Hof voegt daar het volgende aan toe. Indien de verwijzing van belanghebbende naar acties van zijn advocaat en naar het mogelijk in juli 2021 toegang kunnen krijgen tot stukken die de bewindvoerder onder zich heeft, moet worden opgevat als een bewijsaanbod, verklaart het Hof dat aanbod in strijd met een goede procesorde. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende zo lang als deze zaak loopt – in mei 2017 heeft belanghebbende een opgave gedaan van de specifieke zorgkosten – niet met een begin van bewijs van zijn stellingen is gekomen, terwijl hij daartoe door de Belastingdienst in de gelegenheid is gesteld (bij het hoorgesprek is belanghebbende niet verschenen) en die mogelijkheid ook niet heeft aangegrepen bij de rechtbank waar hij zonder bericht niet ter zitting is verschenen. Eerst ter zitting van het Hof heeft hij een naam genoemd van de advocaat die hem zou bijstaan alsmede de naam van de voormalig bewindvoerder, maar documenten waaruit bijvoorbeeld de acties aan het adres van de bewindvoerder zouden kunnen blijken, zijn nooit ingebracht. Naar het oordeel van het Hof heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om ten laatste ter zitting van het Hof – buiten zijn eigen verklaring – enig nader bewijs te leveren van zijn stelling dat recht bestaat voor aftrek van specifieke zorgkosten en moet hij redelijkerwijs geacht worden daartoe in staat te zijn geweest, anders dan door middel van het hier door het Hof veronderstelde bewijsaanbod ter zitting. Daar komt bij dat geen verklaring is gegeven waarom belanghebbende pas in juli verwacht wel over de nodige stukken te kunnen beschikken. Gelet het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat het algemeen belang van een doelmatige procesgang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om alsnog stukken over te kunnen leggen die hij mogelijk in juli 2021 zal kunnen verkrijgen.

Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard moet worden.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. R.H.C.M. Lips, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.F.J.S. Molleman als griffier. De beslissing is op 27 mei 2021 uitgesproken.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).


Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.