Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.288.622/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:8977
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.288.622/01

zaaknummer rechtbank: C/15/306349 / JU RK 20-1601

beschikking van de meervoudige kamer van 25 mei 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.E. Post te Heerhugowaard,

en

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Amsterdam, regio Noord-Holland,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:

- [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] );

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ).

Als informant is opgeroepen:

- [vader van kind 2] (hierna te noemen: de vader van [kind 2] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) van 22 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 20 januari 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De GI heeft op 16 februari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

De voorzitter heeft, in aanwezigheid van de griffier, voorafgaand aan de zitting met [kind 1] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanagers.

2.5

De raad is ter zitting in hoger beroep niet verschenen. In plaats daarvan heeft de raadsvertegenwoordiger, mevrouw D.M. van Dijk, op 17 maart 2021 een mail gestuurd met daarin haar advies aan het hof.

3 De feiten

3.1

Appellante is de moeder van:

- [kind 1] , geboren [in] 2007;

- [kind 2] , geboren [in] 2014 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen. De vader van [kind 2] heeft hem erkend.

3.2

De kinderen staan sinds 29 oktober 2019 onder toezicht van de GI.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met twaalf maanden, te weten tot 29 oktober 2021.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, opnieuw rechtdoende het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen, dan wel het inleidende verzoek slechts toe te wijzen voor de duur van zes maanden.

4.3

De GI verzoekt, naar het hof begrijpt, het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 260, eerste lid, in verband met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder kan zich niet verenigen met de beschikking waarvan beroep en voert daartoe het volgende aan.

Bij aanvang van de ondertoezichtstelling in 2019 stond de moeder daar achter omdat zij hoopte op verbetering van de situatie destijds. Haar vertrouwen in de GI is echter ernstig beschaamd doordat het gezin op de wachtlijst van de GI belandde en in juni 2020 pas voor het eerst een gezinsmanager betrokken raakte. Tot die tijd had de moeder het gevoel bij niemand terecht te kunnen terwijl het niet goed ging met de kinderen en zij zich in een moeilijke situatie bevonden. De kinderen hadden allebei veel moeilijkheden op hun toenmalige school. Omdat hulp via de GI niet op gang kwam is de moeder zelf op zoek gegaan naar hulpverlening en andere scholen voor de kinderen. De moeder heeft [kind 2] met ingang van januari 2020 op een school voor speciaal onderwijs kunnen plaatsen. Voor [kind 1] heeft de moeder een passende middelbare school gevonden, waar zij sinds september 2020 naar toe gaat. Sinds deze wisselingen gaat het al een stuk beter met hen, wat terug is te zien in het gedrag van de kinderen. Ook heeft de moeder zelfstandig gezocht naar psychische hulpverlening voor de kinderen voor de trauma’s die zij hebben opgelopen op hun vorige school. Voor [kind 2] is hulpverlening van Queeste ingeschakeld. [kind 1] had eerst speltherapie van [speltherapeut] , nu ontvangt zij EMDR-therapie van kinder- en jeugdpsycholoog [kinder- en jeugdpsycholoog] . Zelf ontving de moeder ouderbegeleiding van Queeste en heeft zij ingestemd met de door de GI voorgestelde thuisbegeleiding. Ook staat de moeder volledig achter de omgang tussen de kinderen en hun vaders.

Gelet op het voorgaande acht de moeder de ondertoezichtstelling niet langer nodig. Zij is zelf in staat gebleken hulpverlening in te schakelen en deze duurzaam aan te gaan. Bovendien verloopt de samenwerking met de GI niet goed waardoor de moeder zich niet gehoord voelt. Hierdoor werkt het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling averechts, aldus de moeder.

5.3

De GI verweert zich als volgt.

Het gezin heeft inderdaad tot eind mei 2020 op de wachtlijst van de GI gestaan. Tegen de tijd dat de gezinsmanagers betrokken raakten, waren de kinderen al aangemeld bij hun huidige scholen. Deze scholen zijn goed voor de kinderen. De huidige school van [kind 2] heeft echter wel ernstige zorgen over de thuissituatie, onder andere over de omgang van de moeder met [kind 2] . Volgens de moeder is zij de enige die weet hoe met [kind 2] moet worden omgegaan. [kind 2] oogt echter zeer vermoeid, luistert slecht en kan zich moeilijk concentreren. De problemen zijn volgens school grotendeels ontstaan sinds de lockdown waarin thuisonderwijs is gegeven. Voorts zijn er zorgen over de mate van vrijheid die de moeder [kind 1] geeft. Hierdoor krijgt zij te weinig grenzen en sturing vanuit de moeder terwijl zij daar op haar leeftijd behoefte aan heeft. Ook belast de moeder de kinderen met volwassenproblematiek door hen onnodig negatieve en belastende informatie te geven of hen aanwezig te laten zijn bij telefoongesprekken met de GI.

Verder wil de moeder dat [kind 2] EMDR-therapie ontvangt van [kinder- en jeugdpsycholoog] . De GI acht dit echter niet passend omdat hierdoor het overzicht en de korte lijntjes tussen de betrokkenen onnodig verdwijnen. Bij de school van [kind 2] is Buro de Beweging aangesloten. Zij kunnen hem EMDR-therapie aanbieden en staan in direct contact met de leerkracht van [kind 2] . Voorts is de ouderbegeleiding van Queeste niet van de grond gekomen. Bij afsluiting heeft Queeste zorgen geuit over de pedagogische vaardigheden van de moeder en twijfels geuit over de thuissituatie.

Gelet op het voorgaande is continuering van de ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen noodzakelijk nu zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, aldus de GI.

5.4

De raad heeft bij e-mailbericht van 17 maart 2021 het volgende geadviseerd.

De raad begrijpt dat de moeder zich alleen heeft gevoeld toen zij op de wachtlijst van de GI stond. Het is positief dat de kinderen thans beter op hun plek zitten op hun nieuwe scholen. Ook is het positief dat de moeder zelf hulpverlening heeft gezocht. Hierdoor is gestart met de hulpverlening voor de acute zorgen. Gezien wordt echter dat de moeder het contact met de hulpverlening verbreekt zodra zij het oneens is met de bevindingen van de hulpverlening of omdat zij overbelast is. Hierdoor zijn er tot op heden zorgen over het opgroeien van de kinderen. Zij hebben er belang bij dat ingezette hulpverleningstrajecten worden doorgezet en goed worden afgerond. De raad ziet dat het de moeder onvoldoende lukt om hierin de regie te voeren, zodat de raad het van belang acht dat de regievoering bij de GI belegd blijft.

Voor haarzelf heeft de moeder bovendien geen hulpvraag, terwijl er wel zorgen zijn over haar opvoedvaardigheden. Zo belast zij de kinderen tot op heden met volwassenproblematiek door haar eigen onverwerkte zaken en emoties over de problemen met de kinderen te delen. Hieraan is door de weerstand van de moeder nog onvoldoende gewerkt.

Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling tot op heden noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen verder te kunnen doen afnemen en de positieve ontwikkelingen te kunnen bestendigen, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken.

[kind 2] vertoont druk en onbegrensd gedrag en is moeilijk te sturen. Daardoor is hij een periode niet naar school geweest en is hij een periode halve dagen naar school geweest. Sinds begin 2020 gaat hij naar een school voor speciaal onderwijs. Daarnaast heeft [kind 2] moeite met duidelijk spreken waardoor hij moeilijk te verstaan is. Queeste heeft vastgesteld dat bij hem sprake is van een angst-, hechtings- en taalstoornis (diagnose 4 juli 2019). Van oktober 2019 tot september 2020 heeft hij individuele spelbegeleiding van Queeste gehad. In deze periode heeft hij geleerd om langer zijn aandacht bij een activiteit te kunnen houden en heeft nog steeds baat bij duidelijkheid en structuur. Door het sluiten van de scholen als gevolg van de uitbraak van Covid-19, is deze vooruitgang grotendeels verloren gegaan. Tijdens het online onderwijs zag de leerkracht dat [kind 2] erg onrustig werd wanneer de moeder naast hem zat. Sinds hij weer naar school gaat, ziet de school dat hij moeilijk kan omgaan met tegenslag en heeft hij onvoldoende concentratie om te kunnen werken aan schoolopdrachten.

Met [kind 1] gaat het op haar nieuwe school goed. Zij laat gedrag zien dat bij haar leeftijd past en vindt aansluiting bij haar klasgenoten. Thuis is zij betrokken bij de opvoeding van [kind 2] en is zij zich bewust van zijn problematiek. Zij heeft speltherapie ontvangen en tot op heden voert zij gesprekken met [kinder- en jeugdpsycholoog] .

Van oktober 2019 tot september 2020 heeft de moeder ouderbegeleiding gehad van Queeste. Dit is echter vroegtijdig en zonder resultaat afgesloten omdat geen overeenstemming kon worden bereikt over de behandeldoelen. Onder meer was nodig dat zicht kwam op de systeemfactoren, maar de moeder heeft slechts in beperkte mate openheid gegeven. Het is door gebrek aan vertrouwen bij de moeder niet goed gelukt om zicht te krijgen op de context thuis en een werkrelatie en samenwerking aan te gaan, aldus de afsluitbrief van Queeste van 29 september 2020. Over de problematiek van [kind 2] zegt de moeder dat hij ADHD en autisme heeft. Dit is echter nooit gediagnosticeerd. Desondanks vertelt zij dit ook aan [kind 2] en [kind 1] , die dit van haar aannemen. Sinds korte tijd ontvangt de moeder ambulante begeleiding van Koel & Co. Hierdoor ontstaat enig zicht op de thuissituatie van de moeder.

5.6

Er bestaan nog altijd grote zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Zo ziet zij de hierboven vermelde zorgen die de GI heeft, niet. Zij zoekt de oorzaken van de problemen van de kinderen niet bij zichzelf. Ook is gebleken dat de moeder de informatie van bijvoorbeeld de huisarts niet juist interpreteert. Zij verdraait de feiten en presenteert deze zoals zij dat wenst. Het hof is dan ook van oordeel dat er zorgen zijn over het realiteitsbesef van de moeder. Ook is het zorgelijk dat de moeder [kind 1] betrekt bij de problematiek van [kind 2] . Zij belast [kind 1] met deze zorgen. Dat de moeder de kinderen met volwassenproblematiek belast, blijkt eveneens uit het feit dat de moeder de kinderen in dezelfde ruimte aanwezig laat zijn wanneer zij digitaal of telefonisch overleg heeft met de GI. Dit is niet in het belang van de kinderen. Wanneer de moeder hierop wordt aangesproken ziet zij niet in waarom dit belastend is voor de kinderen. Ten aanzien van [kind 1] is de moeder zelfs van mening dat [kind 1] aanwezig dient te zijn bij deze gesprekken. Gelet hierop wordt [kind 1] onnodig betrokken bij problematiek die niet passend is bij haar leeftijd en waardoor zij mogelijk onvoldoende toekomt aan de verwerking van haar eigen problemen en haar eigen verdere ontwikkeling. Voorts is de moeder in de samenwerking met de GI zeer zelfbepalend gebleken. Zij laat zich niet sturen, waardoor zij de uitvoering van de ondertoezichtstelling ernstig bemoeilijkt. Omdat de moeder de hulp in het gedwongen kader door haar houding afhoudt, acht het hof de kans dat de moeder de (juiste) hulp in het vrijwillig kader eveneens zal afhouden aanwezig. Gelet op het voorgaande is hulp echter noodzakelijk.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat nog altijd sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij zowel [kind 2] als [kind 1] en oordeelt het hof dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog steeds aanwezig zijn. Derhalve acht het hof de noodzaak van de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig voor de door de rechtbank bepaalde periode. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 25 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.