Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1523

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
23-002093-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Mega Rochdale. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten en soortgelijke feiten. De veroordeelde is in de strafzaak veroordeeld voor – onder meer – verduistering in dienstbetrekking, oplichting van zijn werkgever en niet-ambtelijke omkoping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002093-17

datum uitspraak: 27 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2017 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge

artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 13-520094-09

tegen de veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres 1] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg (na wijziging) gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 2.325.995,97 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 maart 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en drie maanden voor, kort gezegd en voor zover hier van belang:

1. verduistering, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd;

2. omkoping, meermalen gepleegd;

3. gewoontewitwassen;

4. het opzettelijk doen van onjuist aangifte, meermalen gepleegd; en

5. medeplegen van valsheid in geschrift.

Tegen dit arrest heeft de veroordeelde cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 2 april 2019 het cassatieberoep verworpen, waardoor voornoemd arrest onherroepelijk is geworden.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 1 juni 2017 het door de veroordeelde

verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 2.191.086,48 en de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van hetzelfde bedrag aan de Staat.

De veroordeelde en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 12 juni 2019, 2 juli 2020 en 15 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen

de veroordeelde en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting vast te stellen op € 2.325.995,97.

De verdediging heeft in hoger beroep verweer gevoerd.

Oordeel van het hof

Toepasselijk recht en grondslag ontnemingsvordering

De feiten, waarvoor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gevorderd, zijn van voor 1 juli 2011. Dit betekent dat artikel 36e (oud) Sr van toepassing is. Artikel 36e (oud) Sr luidt, voor zover hier relevant:

“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van

een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”

In de onderhavige zaak is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. Daarnaast is de veroordeelde veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Dit brengt mee dat ontneming in deze zaak mogelijk is op de grondslag van het bepaalde in artikel 36e, tweede en derde lid (oud) Sr.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de bewezenverklaarde strafbare feiten (het aanvullende rapport van 10 april 2017 onderdeel 5.5.1 tot en met 5.5.4 en 5.6) en soortgelijke feiten

(het aanvullende rapport van 10 juli 2013 en het aanvullende rapport van 10 april 2017 onderdeel 5.5.6 en [onderneming 9] ) er toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.1

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 oktober 2011 (hierna: het Rapport)2, het aanvullende rapport van

10 juli 2013 (hierna: het Aanvullend Rapport 2013) 3, het aanvullende rapport van 10 april 2017

(hierna: het Aanvullend Rapport 2017)4 en het arrest in de strafzaak van 29 maart 2017.

De vordering van de advocaat-generaal is gelijk aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het Aanvullend Rapport 2017 en luidt als volgt:

Rubriek

Aanvullend Rapport 2017 en standpunt AG

5.5.1

[naam 1] en [onderneming 1] , [onderneming 2]

5.5.1.1.

Betalingen door [naam 1] , [onderneming 1] en [onderneming 2] inzake de aanschaf en de inrichting [adres 2] te [plaats 1] tbv [veroordeelde]

€ 780.111,51

5.5.1.2.

Gebruiksrecht vakantiewoning [land 1]5

€ 189.000,00

5.5.1.3

Betaling aan [onderneming 3] door [onderneming 1]

€ 300.000,00

5.5.1.4.

Schenking/ toe-eigening Volkswagen Beetle6

€ 24.272,11

5.5.1.5

Bijdrage zwembad woning [veroordeelde] in [plaats 1]7

€ 61.260,00

5.5.2

[naam 2] en [onderneming 4] , [onderneming 5] , [onderneming 6] 8

5.5.2.1.

Aankoopbedrag Mercedes Benz SL500, [kenteken]9

€ 105.771,74

5.5.2.2.

Onroerend goed transactie 1e onverdeelde helft De Nieuwe Meer10

€ 299.994,00

5.5.2.3.

Rol Rochdale bij aankoop 2e onverdeelde helft van De Nieuwe Meer door [onderneming 7] en het optreden als onderzetter door Rochdale bij hypotheek tbv [onderneming 7]11

€ 268.195,00

5.5.2.4.

Rochdale onderzetter bij hypotheek van [onderneming 7]12

€ 24.999,00

5.5.3.

[onderneming 8] 13

5.5.3.1.

Transactie Bruggebouw-Zuid - [onderneming 8] en Rochdale

€ 71.064,00

5.5.4.

Verduistering in Dienstbetrekking 14

5.5.4.1.

Gedeclareerde telefoonkosten

€ 16.598,00

5.5.4.2.

Met zakelijke creditcard gedane privé-uitgiften

€ 1.567,00

5.5.6.

Soortgelijke Transacties / zaken die niet ten laste zijn gelegd in het strafdossier Rochdale 15

5.5.6.1.

Steekpenningen in verband met [adres 3] en [adressen 4 en 5]

€ 136.134,06

5.6.

Vervolgprofijt

5.6.1.

Vervolgprofijt appartement [adres 6]

€ 25.954,88

[onderneming 9] 16

€ 21.074,67

Posten

Hierna worden de posten besproken waarover partijen van mening verschillen.

5.5.1.1, 5.5.1.3 en 5.5.1.5 - Betalingen [naam 1] (en [onderneming 1] en [onderneming 2] )

Het hof heeft de veroordeelde in de strafzaak veroordeeld voor het ontvangen van steekpenningen van [naam 1] . In het Rapport en door de rechtbank worden bedragen van € 780.111,51 en € 300.000,00 aangemerkt als verkregen steekpenningen en derhalve als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft het verweer van de verdediging verworpen, dat het bij de betalingen door [naam 1] , zowel direct als via [onderneming 1] en [onderneming 2] , met betrekking tot [adres 2] van in totaal € 780.111,51 (5.5.1.1) en de betaling van € 300.000,00 (5.5.1.3) aan [onderneming 3] gaat om leningen. De rechtbank verwijst daarbij naar het oordeel van het hof in de strafzaak dat sprake was van een gift in de zin van artikel 328ter Sr. Deze uitleg berust op een verkeerde lezing van het arrest. In de strafzaak heeft het hof overwogen dat de betalingen door [naam 1] van in totaal € 780.110,00 voor de koop en inrichting van het appartement [adres 2] zijn aan te merken als leningen. Dat deze betalingen leningen zijn, leidt het hof af uit het bij [naam 1] aangetroffen geschrift dat is opgesteld in mei 2006 -nog voor het gaan lopen van de strafzaken-, waarin [naam 1] ten aanzien van [adres 2] het volgende heeft genoteerd:

“Leningen tbv dubbel penthouse [plaats 1] , [adres 2] . Hoofdsom en rentederving € 800.000”

en

“Verstrekte leningen dubbel penthouse [adres 2] misleidend: zou voor appartementje voor dochter zijn. Later bleek, bij verstrekking 2e gedeelte van de lening (opheffing loonbeslag door onze medewerking!) het te gaan om een luxe dubbel penthouse!!”. 17

Dat het hof deze betalingen daarnaast aanmerkt als ‘“gift” als bedoeld in artikel 328ter Sr’, is hierin gelegen dat de veroordeelde door deze leningen is bevoordeeld, omdat hij voor de financiering van de aankoop van de woning geen lening bij de bank -onder zodanige condities- kon afsluiten. Dit geldt eveneens voor de afbetaling door [naam 1] van de lening van [naam 4] (de betaling van [onderneming 1] aan [onderneming 3] ), zoals het hof heeft overwogen in de strafzaak.18 Dat deze betalingen in strafrechtelijke zin als gift zijn aangemerkt betekent niet dat deze bedragen niet moesten worden terugbetaald en dat de veroordeelde het geleende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.19 Het hof wijst het deel van de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel dat ziet op de betalingen van € 780.111,52 en € 300.000,00 dan ook af.

De bijdrage aan het zwembad van € 61.260,00 (5.5.1.5) kan wel worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. Het betreft hier namelijk een bijdrage die [naam 1] levert aan het zwembad en geen lening.

Dit volgt uit de overwegingen op pagina 35 en 36 van het arrest in de strafzaak. Dit bedrag staat in het hiervoor genoemde aangetroffen geschrift vermeld als “bijdrage” en niet als “lening” zoals het geval was bij de hiervoor genoemde betalingen door [naam 1] .20

5.5.2.2., 5.5.2.3 en 5.5.2.4 – Betalingen [naam 2]

Ook ten aanzien van de drie betalingen door [naam 2] van € 299.994,00, € 268.195,00 en € 24.999,00

(in totaal € 593.188,00) verwijst het hof naar hetgeen hierover in de strafzaak is geoordeeld, namelijk dat sprake is van steekpenningen die de veroordeelde heeft ontvangen van [naam 2] .21 In de ontnemingsprocedure zijn door de verdediging geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot een ander oordeel. Ook de bedragen die [naam 2] aan de veroordeelde heeft betaald, kunnen derhalve worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en kunnen bij de veroordeelde worden ontnomen.

Het openbaar ministerie heeft met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze posten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 151.037,00 in mindering heeft gebracht op het bedrag van € 593.188,00 (5.5.2.2., 5.5.2.3 en 5.5.2.4.). Daartoe is aangevoerd dat verschillende feiten ten grondslag liggen aan het ontnemen van de bedragen bij de veroordeelde en de medeveroordeelde [medeveroordeelde] (hierna: [medeveroordeelde] ). Aangezien door het hof in de ontnemingszaak van [medeveroordeelde] ten aanzien van deze post wordt geoordeeld dat zij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, zal het hof -anders dan de rechtbank- hier geen bedrag in mindering brengen en behoeft voornoemde vraag geen beantwoording meer.

5.5.3.1. - Transactie Bruggebouw-Zuid - [onderneming 8] en Rochdale

Met betrekking tot deze transactie is de veroordeelde veroordeeld voor het aannemen van een gift van € 188.355,00 van [onderneming 8] vanwege de door de veroordeelde verrichte activiteiten gericht op het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot Bruggebouw-Zuid. Daarnaast is hij veroordeeld voor het medeplegen (met [medeveroordeelde] ) van valsheid in geschrift, te weten de factuur aan [onderneming 8] die ten grondslag lag aan deze gift.22

Dit bedrag is overgemaakt met als omschrijving [medeveroordeelde] S.L. QQ 011 naar een gezamenlijke bankrekening van de veroordeelde en [medeveroordeelde] .23 In het Rapport wordt het gehele bedrag van

€ 188.355,00 toegerekend aan de veroordeelde. In het Aanvullend Rapport 2017 wordt dit bedrag vervolgens gematigd tot € 71.064,00 (de posten A, B, C, E, en het restant).24

Het hof is van oordeel dat de bedragen die zijn overgemaakt van de ‘en/of-rekening’ naar een rekening

op naam van de veroordeelde of [medeveroordeelde] aan de desbetreffende rekeninghouder moeten worden toegerekend. Dit betekent dat de bedragen onder C en E aan de veroordeelde worden toegerekend.

Deze bedragen zijn immers overgemaakt naar een rekening op naam van de veroordeelde bij de

[bank] waarover alleen hij de beschikking had.25 Er werd slechts gebruik gemaakt van één bankpas voor deze rekening en de veroordeelde heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeveroordeelde] niet gemachtigd was over deze rekening te beschikken.26 Daartegenover staat dat de bedragen onder D en F aan [medeveroordeelde] worden toegerekend. De bedragen onder A en B worden aan de veroordeelde toegerekend. Weliswaar is het onder A genoemde bedrag overgemaakt naar de gezamenlijke Spaanse bankrekening, maar uit het verloop van de bankmutaties valt op te maken dat de € 10.000,00 is uitgegeven met een creditcard op naam van de veroordeelde.27 Het bedrag onder B is uiteindelijk overgemaakt naar een onbekende rekening met vermelding ‘ [veroordeelde] ’ en wordt gelet hierop -omdat nu verdere informatie ontbreekt- ook aan de veroordeelde toegerekend.28

Ten aanzien van het restbedrag overweegt het hof dat dit bedrag pondspondsgewijs wordt verdeeld tussen de veroordeelde en [medeveroordeelde] . Daartoe wordt het volgende overwogen. De veroordeelde is op

6 juni 2003 getrouwd met [medeveroordeelde] .29 [medeveroordeelde] heeft verklaard dat zij zich in 2004 weer definitief heeft gevestigd in Nederland en wel op het adres [adres 7] te [plaats 1] .30 De veroordeelde heeft verklaard dat [medeveroordeelde] in de loop van 2003 definitief bij hem in Nederland is komen wonen.31 Aannemelijk is dan ook geworden dat de veroordeelde en [medeveroordeelde] vanaf eind 2003 een gezamenlijke huishouding voerden. Bekend is ook dat [medeveroordeelde] geen eigen inkomsten genoot.32 Aangezien het restbedrag is besteed aan telefoonkosten, contant is opgenomen en uitgegeven met een creditcard is het hof van oordeel dat zowel de veroordeelde als [medeveroordeelde] voordeel hebben gehad van dit bedrag.33

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan

de veroordeelde wordt toegerekend voor deze transactie geschat op € 92.128,30.

A

Naar rekening op naam van [veroordeelde] en [medeveroordeelde]

€ 10.000,00

B

Restitutie [veroordeelde]

€ 20.000,00

C

SWIFT overboeking naar rekening op naam van [veroordeelde]

€ 30.096,00

E

SWIFT overboeking naar rekening op naam van [veroordeelde]

€ 12.032,40

"Restbedrag" uitgegeven met een creditcard, contant opgenomen en besteed aan tel kosten

€ 39.999,80/2= € 19.999,90

5.5.6.1. - Steekpenningen [adres 3] en [adressen 4 en 5] 34

Op 26 juni 2001 wordt het perceel [adres 3] aangekocht door [naam 3] (hierna: [naam 3] ) voor NLG 1.726.382,00. Het betreft een braakliggend perceel grond met daarop een vervallen boerderij. De percelen [adressen 4 en 5] worden door [naam 3] op 13 juli 2001 aangekocht voor NLG 900.000,00. De vorige eigenaar van de percelen aan de [adressen 4 en 5] die deze op dezelfde dag (13 juli 2001) had aangekocht, betaalde er NLG 485.000,00 voor. [naam 3] was een zakelijk contact van de veroordeelde. Na twee weken verkoopt [naam 3] het perceel [adres 3] en de percelen aan de [adressen 4 en 5] aan [onderneming 1] -waarvan [naam 1] bestuurder was- voor respectievelijk

NLG 2.400.000,00 en NLG 1.000.000,00. [naam 3] realiseert hiermee in zeer korte tijd een winst van NLG 773.618,00 (673.618,00 + 100.000,00). Uit het arrest in de strafzaak volgt dat [naam 1] en de veroordeelde zakenpartners zijn en voor vele miljoenen euro’s onroerend goed deals hebben gesloten. [onderneming 1] verkoopt op dezelfde datum als de datum van aankoop, namelijk 13 juli 2001, de percelen aan het [adres 3] en de [adressen 4 en 5] aan de Woningstichting Patrimonium voor precies hetzelfde bedrag. De veroordeelde ondertekent de desbetreffende leveringsakte als zelfstandig bevoegd bestuurder van Patrimonium. Vervolgens verkoopt Patrimonium op 27 december 2002 de percelen aan de

[adressen 4 en 5] voor NLG 749.261,00. Dit betekent een verlies van NLG 250.739,00. Dit is opmerkelijk in een periode dat de onroerend goed prijzen in Nederland en met name [adressen 4 en 5] alleen maar stegen.

Op 8 augustus 2001, ruim drie weken na de aankoop van genoemde panden in [adres 3] en [adressen 4 en 5] wordt NLG 300.000,00 bijgeschreven op een rekening op naam van de veroordeelde. Dit geld is afkomstig van [naam 3] zonder nadere omschrijving. [naam 3] is op [datum] overleden. Zijn weduwe heeft over de betaling verklaard dat zij niet weet waarom dit betaald is. [naam 1] heeft over deze transacties verklaard dat hij door de veroordeelde is gevraagd als tussenpartij op te treden in deze deal omdat [naam 3] buiten zicht moest blijven. [naam 1] heeft aan dat verzoek voldaan onder de voorwaarden dat de deal voor hem kostenneutraal moest zijn.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat Rochdale de percelen aan het [adres 3] en [adressen 4 en 5] te duur heeft aangekocht van (via [naam 1] ) [naam 3] , dat [naam 3] hierdoor voordeel heeft gehad en dat de veroordeelde hiervoor van [naam 3] een vergoeding heeft ontvangen van NLG 300.000,00, omgerekend € 136.134,06.

Nu voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde een gift heeft ontvangen in de zin van

artikel 328ter Sr (soortgelijk feit) en hij hier voordeel van heeft gehad, kan dit bedrag worden ontnomen op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr (oud).

5.6.1. – Vervolgprofijt

Zoals hiervoor is weergeven heeft [naam 1] € 300.000,00 betaald aan [onderneming 3] . Dit betrof de afbetaling van een lening van [onderneming 3] op de veroordeelde. De veroordeelde had dit bedrag van [onderneming 3] geleend voor de aankoop van een appartement voor zijn zoon aan de [adres 6] . In het Rapport wordt aangenomen dat de betaling van € 300.000,00 een gift betreft en dat deze betaling als steekpenning in de zin van artikel 328ter Sr kan worden aangemerkt. Uit het Rapport volgt voorts dat de veroordeelde een vordering heeft op zijn zoon in verband met de financiering van het appartement. Daarbij zou een rente van 2,5% zijn afgesproken die jaarlijks door de veroordeelde wordt kwijtgescholden. Deze rente wordt als vervolgprofijt van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Nu het hof echter heeft geoordeeld dat de betaling van [naam 1] een lening is en geen schenking en dus niet kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel, kan ook de rente die is afgesproken tussen de veroordeelde en zijn zoon over dit bedrag niet als zodanig worden aangemerkt. Ook dit deel van de vordering wijst het hof af.

[onderneming 9] 35

De advocaat-generaal heeft gesteld dat van het bedrag van € 69.708,95 dat op de en/of rekening van de veroordeelde en [medeveroordeelde] is ontvangen een bedrag van € 21.074,67 bij de veroordeelde kan worden ontnomen, omdat er aanwijzingen zijn dat dit bedrag een steekpenning betreft.

Uit de Aanvullende Rapporten 2013 en 2017 volgt dat de grondslag voor het ontnemen van het

bedrag dat is ontvangen van [onderneming 9] ( [naam 4] ) een soortgelijk feit is namelijk het aannemen van een steekpenning als bedoeld in artikel 328ter Sr. Voor het ontnemen van voordeel van of uit de baten van soortgelijke feiten is vereist dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan. Het hof is van oordeel dat aan dit vereiste hier is voldaan. Op 29 april 2005 is op een en/of-rekening op naam van de veroordeelde en [medeveroordeelde] € 69.708,95 gestort.36

Als begunstigde staat daarbij [medeveroordeelde] vermeld.37 Opdrachtgever van deze betaling was [onderneming 9] , een in [land 2] gevestigd bedrijf van [naam 4] , een zakenpartner en vriend van de veroordeelde. [naam 4] was met zijn bedrijf [onderneming 10] betrokken bij de aankoop door Rochdale van het Bruggebouw-Zuid in [adressen 4 en 5] . [naam 4] is in 2019 door het hof veroordeeld voor het gebruiken van een valse verklaring waarin is opgenomen dat [medeveroordeelde] benaderd is voor het verrichten van werkzaamheden en dat met haar is overeengekomen dat zij voor haar diensten

90.000 USD zou ontvangen.38 Gelet hierop en mede in ogenschouw genomen dat deze werkwijze overeenkomt met de transactie omtrent het Bruggebouw-Zuid, namelijk het betalen van steekpenningen waarbij gebruik is gemaakt van een valse factuur op naam van [medeveroordeelde] die werkzaamheden zou hebben verricht, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat bij het bedrag van € 69.708,95 gaat om een steekpenning.39

Het hof zal het gehele bedrag aanmerken als door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat [medeveroordeelde] bij het incasseren van deze steekpenning betrokken

is geweest. De enkele omstandigheid dat het geld op de en/of rekening is gestort is daartoe onvoldoende, temeer omdat [medeveroordeelde] gelet op de functie en het salaris van de veroordeelde er niet (zonder meer) van behoefde uit te gaan dat dit geld niet rechtmatig was verkregen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt het hof tot een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van

€ 1.289.628,16.

Rubriek

5.5.1

[naam 1] en [onderneming 1] , [onderneming 2]

5.5.1.1.

Betalingen door [naam 1] , [onderneming 1] en [onderneming 2] inzake de aanschaf en de inrichting [adres 2] te [plaats 1] tbv [veroordeelde]

-

5.5.1.2.

Gebruiksrecht vakantiewoning [land 1]

€ 189.000,00

5.5.1.3

Betaling aan [onderneming 3] door [onderneming 1]

-

5.5.1.4.

Schenking/ toe-eigening [land 1]

€ 24.272,11

5.5.1.5

Bijdrage zwembad woning [veroordeelde] in [plaats 1]

€ 61.260,00

5.5.2

[naam 2] en [onderneming 4] , [onderneming 5] , [onderneming 6]

5.5.2.1.

Verlening sloopcontracten en raamovereenkomst door Rochdale aan [onderneming 4]

€ 105.771,74

5.5.2.2.

Onroerend goed transactie 1e onverdeelde helft De Nieuwe Meer

€ 299.994,00

5.5.2.3.

Rol Rochdale bij aankoop 2e onverdeelde helft van De Nieuwe Meer door [onderneming 7] en het optreden als onderzetter door Rochdale bij hypotheek tbv [onderneming 7]

€ 268.195,00

5.5.2.4.

Rochdale onderzetter bij hypotheek van [onderneming 7]

€ 24.999,00

5.5.3.

[onderneming 8]

5.5.3.1.

Transactie Bruggebouw-Zuid - [onderneming 8] en Rochdale

€ 92.128.30

5.5.4.

Verduistering in Dienstbetrekking

5.5.4.1.

Gedeclareerde telefoonkosten

€ 16.598,00

5.5.4.2.

Met zakelijke creditcard gedane privé-uitgiften

€ 1.567,00

5.5.6.

Soortgelijke Transacties / zaken die niet ten laste zijn gelegd in het strafdossier Rochdale

5.5.6.1.

Steekpenningen in verband met [adres 3] en [adressen 4 en 5]

€ 136.134,06

5.6.

Vervolgprofijt

5.6.1.

Vervolgprofijt appartement [adres 6]

-

[onderneming 9]

€ 69.708,95

Hetgeen overigens door de verdediging en openbaar ministerie is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Draagkrachtverweer

De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting op nihil te stellen omdat aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde nooit een ontnemingsvordering zal kunnen voldoen. De verdediging heeft daartoe -kort samengevat- gewezen op de hoge leeftijd van de veroordeelde, zijn broze gezondheid, de hoge schuldenlast en de constateringen in zijn persoonlijk faillissement. Daar komt bij dat het -gelet op de veroordeling in de strafzaak- voor de veroordeelde niet mogelijk is inkomsten te genereren met het soort werkzaamheden dat hij de afgelopen vijftig jaren heeft verricht.

Het hof overweegt als volgt. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht van de veroordeelde alleen met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat hij op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Uit hetgeen daartoe is aangevoerd en overigens over de persoon van de veroordeelde is gebleken, is dat niet (aanstonds) aannemelijk geworden. Daarbij is van belang

dat de veroordeelde onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat er met de verkregen gelden en de vermogensbestanddelen is gebeurd. De curator heeft tijdens zijn verhoor op 2 juli 2020 immers verklaard dat hij onvoldoende informatie van de veroordeelde hierover heeft verkregen. Hoewel de communicatie tussen hen inmiddels zou zijn hervat -zoals de verdediging stelt- kan niet worden vastgesteld dat de vragen die de curator tijdens zijn verhoor had, nu zijn beantwoord. Er is op dit moment dan ook onvoldoende reden reeds nu op grond van de draagkracht van de veroordeelde de betalingsverplichting op een lager bedrag dan het geschatte voordeel vast te stellen.

Redelijke termijn

De advocaat-generaal stelt dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd met € 5.000,00 als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.

De verdediging heeft (subsidiair) verzocht in verband met de overschrijding van de redelijke termijn

een korting van 10% toe te passen.

Het hof overweegt het navolgende. De eerste datum dat de veroordeelde kon verwachten dat een ontnemingsprocedure aanhangig zou worden gemaakt was 5 november 2009, te weten de dag dat de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek aan de veroordeelde ter hand is gesteld. De redelijke termijn is daarom op die datum aangevangen.

Deze ontnemingszaak in hoger beroep zal zijn afgerond bij arrest van 27 mei 2021.

De ontnemingsprocedure als geheel heeft dan een periode van ruim tien jaren bestreken. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is er sprake van een overschrijding

van ruim zes en half jaren. Gelet hierop zal de betalingsverplichting worden gematigd met € 5.000,00.

Conclusie

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel,

de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.284.628,16

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat

vast op een bedrag van € 1.289.628,16 (een miljoen tweehonderdnegenentachtigduizend zeshonderdenachtentwintig euro en zestien cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.284.628,16

(een miljoen tweehonderdvierentachtigduizend zeshonderdachtentwintig euro en zestien cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. E. van Die, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2021.

[…]

1 De eerste twee cijfers “5” die vaststaan, staan voor de rubriek “onderzoeksresultaten” en “onderzochte transacties/zaken en voordeel berekening per transactie/zaak”. De cijfers daarna zijn variabel, waarbij het derde cijfer staat voor het desbetreffende nummer van de ZPV in de strafzaak en het vierde cijfer betreft de verdachte transactie/zaak tussen de veroordeelde en de betreffende zakenrelatie (zie pagina 14 van het Rapport). De zaak “ [onderneming 9] ” is daarnaast apart beschreven.

2 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e Sr van 25 oktober 2011, opgemaakt door de rapporteur [rapporteur 1] , p. 5.

3 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e Sr van 25 oktober 2011, opgemaakt door de rapporteur [rapporteur 1] , Aanvullingsrapportage wederrechtelijk verkregen oordeel ex 26e Sr van 10 juli 2013 door de rapporteur [rapporteur 1] en Aanvulling op de ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van de officieren van justitie [officieren van justitie] .

4 Aanvulling op de ontnemingsrapportage van 10 april 2017 van de officieren van justitie [officieren van justitie] , p. 3 en 9.

5 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 39-40, het Rapport, p. 17-18 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 4.

6 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 34-35, het Rapport, p. 20-21 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 4-5.

7 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 35-36, het Rapport, p. 21-22 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 5.

8 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 27-33.

9 Het Rapport, p. 22-23 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 5.

10 Het Rapport, p. 24 en 25 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 5-6.

11 Het Rapport, p. 25-26 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 6-7.

12 Het Rapport, p. 27 en het Aanvullend Rapport 2017, p. 7.

13 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 33-34, het Rapport, p. 27-28 en het Aanvullend Rapport, p. 7-8.

14 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 21-26, het Rapport, p. 29-31 en het Aanvullend Rapport, p. 8.

15 Het Rapport, p. 31-34.

16 Het Aanvullend Rapport 2013, p. 1-4 en het Aanvullend Rapport, p. 9.

17 D-175, p. 4 en 8.

18 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 39.

19 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 37-39.

20 D-175, p. 4.

21 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 31-32.

22 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 53.

23 Arrest in de strafzaak van 29 maart 2017, p. 33-34.

24 Het Aanvullend Rapport 2017, p. 8 en AH-113, p. 17)

25 AH-113, p. 17 en D-0817 p. 62 en 67.

26 AH-111 2/4 (40.74.37.665 en 53.17.18.646) en proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2021 van het hof.

27 D-0579, p. 10139 en RHV-002 pagina 94, 99 en 172 van de vertaling.

28 D-0579, p. 10139.

29 ZPV-3, dossiernummer 44212, p. 274.

30 V012-01, p. 2 en dossierpagina 5240.

31 V001-5, p. 2 en dossierpagina 5031.

32 AH-113, p. 26.

33 D-0579, p. 10139 en RHV-002, p.133-141 van de vertaling (0004416 en 004431 en 00004432).

34 Het Rapport, p. 32 en proces-verbaal van bevindingen [adres 3] en [adressen 4 en 5] , p. 147-155.

35 D-0325, p. 8554 en proces-verbaal van bevindingen [onderneming 9] van 6 juli 2011, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [rapporteur 1] , p. 190-195 (SFO-AH-40).

36 AH-113, p. 17.

37 D-0325, p. 8554 en proces-verbaal van bevindingen [onderneming 9] Inc. van 6 juli 2011, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [rapporteur 1] , p. 190 (SFO-AH-40).

38 Gerechtshof Amsterdam 8 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1599.

39 Proces-verbaal van bevindingen [onderneming 9] Inc. van 6 juli 2011, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [rapporteur 1] , p. 190-195.