Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1516

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
200.287.491/01 en 200.290.665/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:9514
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2021:419
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

machtiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.287.491/01 ((spoed)machtiging uithuisplaatsing)

200.290.665/01 (machtiging uithuisplaatsing)

zaaknummer rechtbank: C15/308243 / JU RK 20-1937

beschikking van de meervoudige kamer van 18 mei 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.J. Albers te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), advocaat: mr. H. Durdu;

- [kind A] (hierna: [kind A] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) van 2 oktober 2020, 15 oktober 2020 en 8 januari 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 21 december 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 2 oktober 2020 en 15 oktober 2020. De moeder is op 25 februari 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 januari 2021. In deze beschikking worden beide zaken behandeld.

2.2

De GI heeft, naar het hof begrijpt in beide zaken, op 1 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D. van Dijk.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2017;

- [kind B] (hierna te noemen: [kind B] ), [in] 2018.

3.2

De vader heeft [kind A] en [kind B] erkend. De vader en moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over hen. De vader en moeder wonen niet samen. [kind B] is uit huis geplaatst bij zijn grootouders (van vaderszijde; hierna: de grootouders). De vader woont ook bij de grootouders. [kind A] verblijft op basis van de thans bestreden machtiging uithuisplaatsing in het gezinshuis [gezinshuis 2] .

3.3

Bij beschikking van 29 augustus 2019 is [kind A] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 29 augustus 2021.

4 De omvang van het geschil

In de zaak 200.287.491/01

4.1

Bij de bestreden beschikking van 2 oktober 2020 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend om [kind A] voor de duur van vier weken in een gezinshuis te plaatsen. Bij de bestreden beschikking van 15 oktober 2020 is een machtiging tot zijn uithuisplaatsing bij pleegouders in een gezinshuis verleend tot 15 januari 2021. De kinderrechter heeft toen de beslissing op de door de GI verzochte resterende drie maanden van de machtiging tot uithuisplaatsing pro forma aangehouden tot 24 december 2020.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van voormelde bestreden beschikkingen, het inleidend verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [kind A] alsnog af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

In de zaak 200.290.665/01

4.4

Bij de bestreden beschikking van 8 januari 2021 is, op het resterende deel van het inleidende verzoek van de GI, een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind A] in een gezinshuis met ingang van 15 januari 2021 tot 15 april 2021 verleend.

4.5

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [kind A] in een gezinshuis alsnog af te wijzen.

4.6

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ter beantwoording ligt aan het hof de vraag voor of ten tijde van de bestreden beschikkingen van 2 oktober 2020, 15 oktober 2020 en 8 januari 2021 deze wettelijke grond aanwezig was. Voorts ligt aan het hof voor de vraag of deze gronden tot 15 april 2021, toen de laatste thans bestreden machtiging verliep, nog aanwezig waren en de uithuisplaatsing nog nodig was. Nu de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van 8 januari 2021 volgt op de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing van 2 oktober 2020 en 15 oktober 2020 worden beide beroepschriften in deze beschikking in chronologische volgorde behandeld.

5.2

De moeder betoogt in het beroepschrift in de zaak met zaaknummer 200.287.491/01 dat in eerste instantie al geen noodzaak bestond tot de uithuisplaatsing van [kind A] in een gezinshuis. De moeder voert daartoe aan dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van een machtiging tot uithuisplaatsing zoals genoemd in artikel 1:265b BW. Indien haar destijds de juiste hulpverlening was verleend, zoals zij thans krijgt, dan had de uithuisplaatsing voorkomen kunnen worden. Inmiddels krijgt zij passende hulp via Sensa Zorg. De moeder erkent dat [kind A] structuur en stabiliteit nodig heeft in zijn leven. Zij wil dan ook werken aan haar opvoedvaardigheden, zodat zij in deze behoefte van [kind A] kan voorzien. Anders dan de GI meent, is zij wel leerbaar. Hiertoe wijst de moeder op de in eerste aanleg door de GI overgelegde stukken waaruit blijkt dat zij voor en tijdens de ondertoezichtstelling van [kind A] een groei heeft doorgemaakt. De GI heeft volgens de moeder geen concrete ontwikkelingsbedreigingen genoemd waardoor de veiligheid van [kind A] in het geding zou zijn. De gestelde stagnatie in de ontwikkeling van [kind A] is evenmin door de GI onderbouwd. De moeder weerspreekt dat zij [kind A] heeft mishandeld. Voorts meent de moeder dat het gedrag van [kind A] bij het consultatiebureau, alsook de meldingen van de peuterspeelzaal niet meegenomen hadden mogen worden bij de beoordeling van de machtiging uithuisplaatsing. Tenslotte stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte een (spoed)machtiging heeft verleend voor een uithuisplaatsing in een gezinshuis, terwijl de GI om een machtiging in een pleeggezin heeft verzocht.

5.3

De moeder betoogt in het beroepschrift in de zaak met zaaknummer 200.290.665/01 dat de uithuisplaatsing van [kind A] nog steeds een inbreuk vormt op haar gezinsleven, zoals beschermd door artikel 8 EVRM. De door haar aangedragen minder ingrijpende beschermingsmaatregelen, zoals deeltijdpleegzorg en plaatsing van [kind A] bij de grootouders van vaderszijde of grootmoeder van moederszijde, zijn door de GI onvoldoende onderzocht. De GI is daar conform artikel 9 IVRK wel toe gehouden. De moeder is samen met de vader en de gezinsmanager begonnen aan een plan voor terugplaatsing van [kind A] bij de grootouders van vaderszijde. Dit plan lijkt inmiddels te zijn gestagneerd. Thans wordt naar haar mening niet langer ingezet op de plaatsing bij de grootouders, terwijl zij dit wel het meest in het belang van [kind A] acht. Het broertje van [kind A] , [kind B] , verblijft ook op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders. Bovendien is het een voor [kind A] bekend gezin, waardoor een wenperiode niet nodig is, of heel beperkt kan blijven. De grootouders wonen in een kindvriendelijke omgeving en zijn goed in staat om de kinderen te begrenzen en hen structuur te bieden. Gezien de jonge leeftijd van [kind A] en de op korte termijn geplande wisseling van gezinsmanager, dient binnen afzienbare tijd duidelijkheid te komen over waar [kind A] kan opgroeien. Een nieuwe wisseling van gezinsmanager heeft volgens de moeder een vertragend effect op de hulpverlening en in dit geval de plaatsing van [kind A] . De moeder acht dit niet in het belang van [kind A] .

5.4

De GI voert in beide zaken gelijkluidend verweer. Volgens de GI is de (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing van [kind A] in een gezinshuis in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk. Sinds 20 augustus 2019 bestaan er zorgen bij de GI over de emotionele veiligheid van [kind A] in de thuissituatie van de moeder. Deze zorgen betreffen het gebrek aan pedagogische vaardigheden van de moeder en de weerslag daarvan op het gedrag en de ontwikkeling van [kind A] . [kind A] had voorafgaand aan de uithuisplaatsing een ontwikkelingsachterstand, een taalachterstand en liet agressief gedrag zien (schreeuwen, bijten, slaan en schelden) en was hierin niet te corrigeren door de moeder.

In eerste instantie is getracht om met behulp van opvoedondersteuning de zorgen weg te nemen. Echter, dit bleek niet voldoende toereikend. Wat de moeder werd aangeboden werd door haar, ondanks haar toezeggingen, niet in praktijk gebracht. Na verloop van tijd ontwikkelde de moeder steeds meer weerstand tegen de samenwerking met de GI. Op 7 juli 2020 is besloten de begeleiding vanuit Philadelphia te beëindigen. Vervolgens is vanaf dat moment ambulante spoedhulp ingezet. De zorgen bleven echter onverminderd aanwezig. Om die reden zijn op 27 augustus 2020 tussen de moeder, de vader en de GI veiligheidsafspraken gemaakt om een uithuisplaatsing te voorkomen. Uitgangspunt daarbij was dat de moeder niet alleen voor [kind A] zou zorgen.

Rond diezelfde periode zijn meldingen ingekomen waarin de bestaande zorgen bij de GI bevestigd werden. Een melding van Veilig Thuis van 18 augustus 2020 vermeldt dat de moeder scheldt, schreeuwt en negatief praat tegen [kind A] . Een rapportage van het consultatiebureau van 10 september 2020 vermeldt dat [kind A] scheldt, slaat en schopt en de moeder [kind A] hierin niet adequaat corrigeert. De peuterspeelzaal meldt op 28 september 2020 een afdruk van vermoedelijk een hand op de wang van [kind A] .

De GI heeft vervolgens gekeken naar het netwerk van de moeder, maar geconcludeerd dat plaatsing bij zowel de grootmoeder (van moederszijde) als een tante niet mogelijk was. Dit maakte dat de GI van mening was dat de moeder onvoldoende in staat was te zorgen voor [kind A] , haar netwerk ontoereikend was, en dat [kind A] derhalve uithuisgeplaatst diende te worden.

Volgens de GI zijn de zorgen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing nog steeds actueel. De ouders tonen zich liefdevol jegens [kind A] en zijn in eerste instantie bereid om mee te werken aan de hulpverlening, maar er bestaan ook gegronde twijfels over de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de moeder. De ouders hebben niet de regie. De ouders tonen onvoldoende inzicht in de problematiek van [kind A] . [kind A] vervalt tijdens de omgangsmomenten weer in oude gedragspatronen, te weten zich gedragen als een baby. Ook zijn er nog steeds zorgen over de seksuele ontwikkeling en seksuele veiligheid van [kind A] .

Ten aanzien van de door de moeder voorgestelde plaatsing van [kind A] bij de grootouders van vaderszijde, meent de GI dat eerst onderzoek gedaan moet worden naar de haalbaarheid daarvan. De GI acht een langere uithuisplaatsing noodzakelijk om te bezien wat het perspectief moet zijn voor [kind A] . [kind A] heeft in de betrekkelijk korte periode dat hij in het gezinshuis verblijft een grote vooruitgang geboekt in zijn ontwikkeling. Het is in zijn belang om deze ontwikkeling te kunnen voortzetten in het gezinshuis. Gelet op de bestaande zorgen ten aanzien van het gedrag van zowel de ouders als [kind A] , dienen de bezoeken van de ouders ook gedurende het onderzoek begeleid plaats te vinden, aldus de GI.

5.5

De vader stelt dat een uithuisplaatsing als ultimum remedium dient te worden ingezet en wenst dat op korte termijn een onderzoek wordt gestart naar de haalbaarheid van de plaatsing van [kind A] bij de grootouders. De aanvaardbare termijn zou kunnen verstrijken als zo’n onderzoek langer uitblijft. Dit zou de uithuisplaatsing onomkeerbaar maken. De vader heeft ter zitting verklaard graag voor [kind A] te willen zorgen. De vader verblijft bij zijn ouders. [kind B] , zijn andere zoon, is vlak na zijn geboorte ook in het gezin van zijn ouders geplaatst. Dat verloopt goed. De vader ziet dan ook niet in waarom [kind A] thans niet in dit gezin geplaatst zou kunnen worden.

5.6

De raad heeft ter zitting geadviseerd om de bestreden beschikkingen te bekrachtigen. Op dit moment is er onvoldoende zicht op de problematiek van [kind A] . Het is onduidelijk wat [kind A] nodig heeft. De raad acht de geconstateerde kindsignalen zeer zorgelijk en acht de uithuisplaatsing van [kind A] noodzakelijk en in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De raad adviseert de GI om over te gaan tot het instellen van een onderzoek naar de problematiek en de ontwikkelingsbehoefte van [kind A] en de haalbaarheid van een eventuele terugplaatsing van [kind A] bij de vader. De raad benadrukt echter dat voor zover terugplaatsing haalbaar is, de vader de hoofdopvoeder dient te zijn en niet diens ouders. Hierbij dient dan ook specifiek gekeken te worden naar de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de vader en de benodigde begeleiding hierin. Als het gaat om uitbreiding van de omgang tussen [kind A] en de ouders adviseert de raad dit onder begeleiding plaats te laten vinden.

5.7

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. Sinds augustus 2019 bestaan bij de GI zorgen over het welzijn van [kind A] . [kind A] had een ontwikkelings- en taalachterstand en toonde agressief en zelfbepalend gedrag (schoppen, slaan, bijten, schreeuwen). Hoewel de ouders zich liefdevol naar [kind A] toonden, had de GI twijfels over de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de moeder, met name op het gebied van de begrenzing van [kind A] . Dit vormde dan ook aanleiding [kind A] onder toezicht van de GI te plaatsen.

De GI heeft in eerste instantie getracht, van augustus 2019 tot juli 2020, met opvoedondersteuning en intensieve begeleiding vanuit Philadelphia de moeder te begeleiden. Toen na verloop van tijd bleek dat de moeder de aangereikte handvaten onvoldoende in de praktijk toepaste en de communicatie steeds moeizamer verliep, is uiteindelijk het traject met Philadelphia gestaakt. Vervolgens heeft de GI van 28 juli 2020 tot 24 augustus 2020 Ambulante Crisishulp via Parlan Jeugdhulp ingezet. In de conclusie beschrijft de gezinsmedewerker dat de moeder erg om [kind A] geeft, maar het moeilijk vindt consequent en voorspelbaar te zijn voor [kind A] . Hierdoor vertoont [kind A] zelfbepalend gedrag en vraagt hij vaak op een negatieve manier aandacht.

De bij de GI al bestaande zorgen dat de moeder [kind A] niet de noodzakelijke veiligheid en structuur kon bieden, zijn vervolgens bevestigd in de hiervoor reeds genoemde door de GI ontvangen meldingen in dezelfde periode. Ook uit deze meldingen is gebleken dat [kind A] zorgelijk gedrag vertoonde, te weten schoppen, bijten en slaan van de moeder, waarbij de moeder hem onvoldoende begrensde. Ook is gebleken dat de moeder naar [kind A] schreeuwde en tegen hem schold en is een vermoedelijke handafdruk op het gezicht van [kind A] waargenomen.

Gelet op deze zorgen heeft de GI destijds veiligheidsafspraken gemaakt om een uithuisplaatsing te voorkomen. Het uitgangspunt daarbij was dat [kind A] niet aan de zorg van de moeder alleen werd overgelaten. Gebleken is vervolgens dat de moeder niet consequent is geweest in het nakomen van de gemaakte veiligheidsafspraken, waardoor de moeder, tegen de gemaakte afspraak in, regelmatig alleen met [kind A] was. Het hof overweegt dat de stelling van de vader dat de veiligheidsafspraken met de GI van meet af aan niet te combineren waren met zijn werk hieraan niet afdoet, nu deze afspraken in onderling overleg zijn opgesteld.

Vervolgens heeft de GI de netwerkopties van de moeder onderzocht, maar bleek een plaatsing bij de tante in verband met haar gezin en haar werk niet mogelijk. Daarnaast was de plaatsing bij de grootmoeder van moederszijde niet mogelijk vanwege het werk van de grootmoeder en de spanningsvolle relatie tussen de moeder en de grootmoeder. Anders dan de moeder meent, zijn daarmee minder vergaande opties dan uithuisplaatsing buiten het netwerk naar het oordeel van het hof in voldoende mate bezien.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat destijds voldoende gronden aanwezig waren om de (spoed)uithuisplaatsing van [kind A] te rechtvaardigden. De noodzaak van die uithuisplaatsing werd onderstreept door het gedrag van [kind A] direct na zijn uithuisplaatsing in het gezinshuis [gezinshuis 1] . Hij liet daarbij opmerkelijk en onveilig gedrag zien, waaronder het bij andere kinderen in de nacht in de kamer komen, agressief gedrag richting jonge kinderen en niet leeftijdsadequaat (seksueel) spel met zijn barbiepoppen. Ook gaf de gezinshuismoeder aan zich niet meer veilig te voelen in haar eigen huis vanwege het gedrag van [kind A] . Een overplaatsing naar het gezinshuis [gezinshuis 2] was daarom destijds noodzakelijk om ieders veiligheid te waarborgen.

5.8

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de (spoed)uithuisplaatsing van [kind A] ten tijde van de bestreden beschikking van respectievelijk 2 oktober 2020 en 15 oktober 2020 in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind A] zijn geweest en ook noodzakelijk was.

5.9

Sinds de uithuisplaatsing van [kind A] in het gezinshuis [gezinshuis 2] heeft hij grote ontwikkelingssprongen gemaakt. [kind A] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt ten aanzien van zijn taalontwikkeling en is inmiddels zindelijk. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof de noodzaak tot uithuisplaatsing. Immers, gebleken is dat [kind A] zijn ontwikkelingsachterstanden kan inhalen, het moet hem echter wel aangereikt worden. Ter zitting is gebleken dat [kind A] tijdens de omgangsmomenten met zijn moeder vervalt in oude gedragspatronen, te weten het gebruik van ‘babytaal’. Ook zijn de zorgen over zijn seksuele ontwikkeling en zijn (seksuele) veiligheid bij de moeder thuis nog niet weggenomen. Het hof overweegt dat, hoewel de moeder en de vader zich liefdevol tonen naar [kind A] , bij hen het inzicht in de ernst van de problematiek ontbreekt. Zo blijkt uit de gronden van beroep dat de ontwikkelingsdreiging volgens de moeder onvoldoende is gemotiveerd. Ook heeft de moeder ter zitting aangegeven dat zij meent dat zij [kind A] bij het consultatiebureau wel op een juiste manier heeft gecorrigeerd. Bovendien heeft de moeder, maar ook de vader, blijkens het overgelegde observatieverslag Speltherapie van 10 februari 2021, moeite met het begrenzen van [kind A] en kan zij zich moeilijk verplaatsen in de belevingswereld van [kind A] .

Daarbij komt dat nog onduidelijk is welke specifieke zorg [kind A] nodig heeft. De indruk bestaat dat [kind A] ernstig tekortgekomen is op basale ontwikkelingsvlakken en hij mogelijk niet passende dingen heeft gezien of hem dingen zijn overkomen op het seksuele vlak. De GI heeft daarom een onderzoek via Kenter Jeugdhulp gestart naar de problematiek en ontwikkelingsbehoefte van [kind A] en de haalbaarheid van een eventuele terugplaatsing van [kind A] bij de vader. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat dit onderzoek zich nog in de beginfase bevond.

5.10

De moeder heeft ter zitting erkend dat een terugplaatsing bij haar thans (nog) niet aan de orde is. Zij wil graag dat [kind A] bij de vader dan wel bij de grootouders van vaderszijde wordt geplaatst.

Het hof overweegt dat in afwachting van het onderzoek naar zijn ontwikkelingsbehoefte en problematiek, [kind A] gebaat is bij rust en stabiliteit in een veilige omgeving. Het gaat met hem thans relatief goed in het gezinshuis. Hij krijgt één op één begeleiding. In de periode van oktober tot heden heeft hij al op twee verschillende plekken verbleven. Het hof acht een plaatsing bij de vader of diens ouders, vooruitlopend op het onderzoek van de GI waaruit zal blijken wat [kind A] nodig heeft, dan ook niet in zijn belang. Dat ondertussen de machtiging tot uithuisplaatsing doorloopt, waardoor op een gegeven moment de aanvaardbare termijn zou kunnen verstrijken, doet aan het voorgaande niet af. Op dit moment is dat nog niet aan de orde. De omstandigheid dat de vader samen met zijn ouders de gedeelde zorg heeft over [kind B] maakt evenmin dat vooruitlopend op het onderzoek [kind A] bij de vader geplaatst zou moeten worden. [kind A] heeft een andere gezinssituatie gekend dan [kind B] , die vrijwel direct na zijn geboorte uit huis is geplaatst. Voorts is onduidelijk welke zorg [kind A] nodig heeft en of de vader, dan wel de grootouders, naast de zorg voor [kind B] dit zouden kunnen bieden aan [kind A] .

5.11

Uit het bovenstaande volgt dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [kind A] over de gehele hier aan de orde zijnde periode van 2 oktober 2020 tot 15 april 2021 aanwezig waren.

Toetsing aan artikel 3 en 9 IRVK en 8 EVRM leidt, anders dan de moeder aanvoert, niet tot een ander oordeel. De uithuisplaatsing is in het onderhavige geval noodzakelijk in verband met de bescherming van [kind A] ; minder verstrekkende maatregelen volstaan thans (nog) niet. Daardoor komt de uithuisplaatsing niet met de door de genoemde bepalingen beschermde belangen in strijd.

5.12

Het hof gaat ervan uit dat het onderzoek bij Kenter Jeugdhulp spoedig zal worden gestart en op korte termijn zal worden onderzocht wat de problematiek en ontwikkelingsbehoefte van [kind A] is en of de vader hierin kan voorzien. Ter zitting is gebleken dat in dit onderzoek ook de vraag betrokken zal worden welke vorm van omgang het beste aansluit bij de behoefte van [kind A] en welke ondersteuning de ouders hierbij nodig zouden hebben.

5.13

In het midden kan blijven of en in hoeverre in hoger beroep met succes geklaagd kan worden over de locatie waar de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd. Als uitgangspunt is het aan de GI om te bepalen hoe dit gebeurt. Wat er echter zij van hetgeen de moeder hierover heeft aangevoerd, de verzochte plaatsing in een crisispleeggezin valt naar het oordeel van het hof onder de meer algemene categorie ‘voorziening voor pleegzorg’. De kinderrechter heeft derhalve door de machtiging te verlenen voor plaatsing (bij pleegouders) in een gezinshuis niet iets anders toegewezen dan was verzocht.

5.14

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

In de zaken met zaaknummers 200.287.491/01 en 200.290.665/01:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.A.M. Jongens-Lokin, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van Tol als griffier en is op 18 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.