Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1509

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
200.274.856/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:10204
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling grootmoeder met kleinkind, raadsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.274.856/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/288745 / FA RK 19-2842

Beschikking van de meervoudige kamer van 18 mei 2021 inzake

[de grootmoeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de grootmoeder,

advocaat: mr. A.F.M. Visscher te Volendam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk (onttrokken).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 18 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De grootmoeder is op 2 maart 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 december 2019.

2.2

Op 11 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben de grootmoeder en de moeder met behulp van de raadsvertegenwoordiger afspraken gemaakt over een tijdelijke omgangsregeling tussen de hierna nader aan te duiden minderjarige [de minderjarige] en de grootmoeder. Zij zijn overeengekomen dat [de minderjarige] de navolgende data bij de grootmoeder zal zijn op zondagmiddag van 15.00 uur tot 17.00 uur:

- 22 november 2020,

- 13 december 2020,

- 10 januari 2021 en

- 31 januari 2021.

Bij het gezin van de moeder is een gezinsbeschermer betrokken voor de dochter van de partner van de moeder. Afgesproken is dat partijen zouden proberen met hulp van deze gezinsbeschermer afspraken te maken over een omgangsregeling na 31 januari 2021. Ook zouden partijen met de gezinsbeschermer bespreken of zij partijen kan helpen bij het verbeteren van hun relatie of kan doorverwijzen naar een instantie die daarbij kan helpen.

De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden. Van de behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

2.3

Bij het hof zijn vervolgens de volgende stukken ingekomen:

- een e-mailbericht van de moeder op 14 december 2020;

- een e-mailbericht van de moeder op 16 december 2020;

- een e-mailbericht van de moeder op 22 december 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de grootmoeder van 22 december 2020, ingekomen op diezelfde dag;

- een e-mailbericht van de zijde van de grootmoeder van 19 januari 2021;

- een e-mailbericht van de moeder van 21 januari 2021.

2.4

De mondelinge behandeling is op 9 april 2021 voortgezet. Verschenen zijn:

- de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de moeder;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop.

3 De feiten

Uit het huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is [de minderjarige] geboren [in] 2012. De vader is op 10 juli 2018 overleden. De grootmoeder is de moeder van de vader.

De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de grootmoeder om een contactregeling tussen haar en [de minderjarige] vast te stellen afgewezen, evenals haar voorwaardelijke verzoek om de raad onderzoek te laten doen.

4.2

De grootmoeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar verzoek toe te wijzen en een contactregeling tussen haar en [de minderjarige] vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij haar is:

- de eerste twee maanden om de week op vrijdagmiddag uit school tot vrijdagavond na het eten;

- in de derde en de vierde maand om de week op vrijdagmiddag uit school tot zaterdagochtend 10.00 uur;

- en vervolgens één weekend per maand van vrijdag uit school tot zondagavond, één weekend in de herfstvakantie van vrijdag uit school tot maandagavond en één week in de zomervakantie van vrijdagochtend 10.00 uur tot donderdagavond na het eten (in onderling overleg te bepalen welke week), althans een zodanige contactregeling vast te stellen als het hof juist zal achten.

Bij wijze van voorwaardelijk verzoek verzoekt de grootmoeder de raad te laten onderzoeken of hervatting van de contacten tussen de grootmoeder en [de minderjarige] in het belang van [de minderjarige] is en zo ja, welke contactregeling het meest in zijn belang is, waarna het hof een contactregeling bepaalt in lijn met de uitkomsten van het raadsonderzoek, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Uit de stukken is gebleken dat de grootmoeder tot december 2018, toen de moeder het contact verbrak, [de minderjarige] regelmatig zag en dat hij ook bij haar overnachtte. Dat de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot [de minderjarige] staat in de zin van artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek, is tussen partijen niet in geschil. Op grond van voornoemd artikel heeft een kind recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

5.2

Ter zitting van 11 november 2020 heeft de moeder verklaard dat zij een vaste omgangsregeling niet in het belang van [de minderjarige] achtte, niet alleen omdat er wrijving was ontstaan tussen haar en de grootmoeder rond het overlijden van de vader, maar ook omdat [de minderjarige] gedragsproblemen liet zien; mogelijk heeft hij een hechtingsprobleem of een aan autisme verwante stoornis. De thuissituatie van de grootmoeder was volgens de moeder te onrustig voor [de minderjarige] . De moeder zag echter wel het belang in van contact tussen [de minderjarige] en de grootmoeder en met behulp van de raad zijn de moeder en de grootmoeder ter zitting een viertal omgangsmomenten overeengekomen, zoals vermeld onder 2.2.

5.3

Uit de onder 2.3 vermelde e-mailberichten blijkt dat na de zitting van 11 november 2020 één contact heeft plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de grootmoeder. Ter zitting in hoger beroep van 9 april 2021 heeft zowel de grootmoeder als de moeder verklaard dat dat contact goed is verlopen en dat [de minderjarige] het naar zijn zin heeft gehad. Na die zondagmiddag heeft een driegesprek met een coach plaatsgevonden op initiatief van de moeder. Zij wilde een aantal voorwaarden bespreken zoals haar wens dat behalve de grootmoeder niemand aanwezig is bij de omgang met [de minderjarige] . Het gesprek is geëscaleerd en de grootmoeder heeft niet met de voorwaarden van de moeder ingestemd met als gevolg dat de overige afgesproken omgangsmomenten geen doorgang hebben gevonden. De gezinsvoogd die bij het (samengestelde) gezin van de moeder betrokken is, had niet de bevoegdheid om te ondersteunen bij de omgang tussen [de minderjarige] en de grootmoeder. Door de moeder en de grootmoeder zijn over en weer oplossingen aangedragen om de impasse te doorbreken, zoals mediation, systeemtherapie of bemiddeling van het Omgangshuis, maar voor geen van alle was uiteindelijk voldoende draagvlak.

5.4

De moeder heeft ter zitting van 9 april 2021 verklaard dat bij [de minderjarige] nog geen diagnose is gesteld. Naar omstandigheden gaat het goed met hem. Hij krijgt wekelijks speltherapie bij Youz (voorheen Lucertis) en profiteert daarvan. De moeder voert eveneens gesprekken bij Youz. Volgens Youz is het in het belang van [de minderjarige] dat hij weet wie zijn vader was en daarbij heeft hij ook diens familie nodig, al mag het contact met de familie hem niet te veel spanningen opleveren.

De moeder heeft er geen vertrouwen (meer) in dat er onbelast contact kan zijn met de grootmoeder. Zij heeft haar hoop dan ook gericht op de vader en de broers van de vader, in die zin dat [de minderjarige] met hen geregeld contact kan hebben en zo de verbinding kan houden met de familie van de vader. De moeder heeft [de minderjarige] met hen laten bellen en zij gaat ervan uit dat binnenkort een fysieke afspraak zal volgen.

5.5

De grootmoeder heeft op 9 april 2021 ter zitting verklaard dat zij de moeder de afgelopen twee jaar rust heeft gegund, maar dat zij [de minderjarige] erg mist en dat zij heeft gehoord dat dat gemis wederzijds is. Zij en [de minderjarige] hebben dan ook veel plezier beleefd aan hun weerzien op 22 november 2020. De grootmoeder heeft de vader bij zijn overlijden beloofd dat zij voor [de minderjarige] zou zorgen en aan die belofte wil de grootmoeder zich houden. Zij heeft er geen vertrouwen in dat haar contact met [de minderjarige] in stand blijft indien dat wordt overgelaten aan de moeder en zij blijft dan ook bij haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. Omgang is in het belang van [de minderjarige] , reeds om de band met de familie van zijn vader te onderhouden, aldus de grootmoeder.

5.6

De raad heeft ter zitting van 9 april 2021 aangeboden nader onderzoek te verrichten. De raad is het met de betrokkenen eens dat contact met de grootmoeder in het belang van [de minderjarige] is, mede om te weten waar hij vandaan komt. De moeder en de grootmoeder slagen er echter niet in het contactherstel te laten plaatsvinden. Het is nodig dat de beletselen goed in kaart worden gebracht. De raad kan informatie van Youz in zijn onderzoek betrekken, waarbij ook kan worden gekeken naar de weerbaarheid van [de minderjarige] . Voor het vaststellen van een omgangsregeling is draagvlak nodig en dat is er momenteel onvoldoende door de problematische verstandhouding tussen de moeder en de grootmoeder, aldus de raad.

5.7

Het hof is van oordeel dat het niet in [de minderjarige] ’s belang is dat hij geen contact heeft met zijn grootmoeder. Het contact dient daarom spoedig en duurzaam hersteld te worden. Het staat vast dat [de minderjarige] en de grootmoeder een band met elkaar hebben en zij zagen elkaar tot december 2018 dikwijls. Uit de stukken komt naar voren dat [de minderjarige] zijn grootmoeder mist. De moeder heeft bevestigd dat [de minderjarige] genoten heeft van de zondagmiddag bij zijn grootmoeder in november 2020. Zij heeft voorts verklaard dat Youz het belang van contactherstel voor [de minderjarige] heeft benadrukt, ook om in verbinding te blijven met de familie van zijn vader. Ter zitting van 9 april 2021 heeft de raad eveneens het belang van [de minderjarige] bij contact met de grootmoeder (en de rest van de familie van zijn vader) onderstreept.

Dat de moeder, onder andere vanwege de verstoorde relatie met de grootmoeder, liever geen vaste regeling wil en een voorkeur heeft voor spontaan contact valt te begrijpen, maar dat geldt ook voor de vrees van de grootmoeder dat het contact zonder een vaste regeling niet of nauwelijks van de grond komt. Nu de pogingen om spontaan contact tot stand te brengen zijn mislukt en [de minderjarige] , gezien zijn leeftijd, maar ook gezien de problemen waarvoor hij speltherapie krijgt, gebaat is bij duidelijkheid, zal het hof een omgangsregeling vaststellen tussen hem en de grootmoeder waarin hij bij haar is een zondagmiddag per vier weken gedurende twee uur (van 15.00 uur tot 17.00 uur). Door de moeder is onvoldoende onderbouwd waarom omgang met de grootmoeder, op regelmatige en vaste momenten, tegen het belang van [de minderjarige] in zou druisen. De bezwaren die de moeder naar voren heeft gebracht tegen de aanwezigheid van de heer [X] bij het contact zijn gelegen in een conflict rond het overlijden van [de minderjarige] ’s vader. Noch hieruit, noch uit de overige informatie in het dossier volgt dat de enkele aanwezigheid van de heer [X] schadelijk voor [de minderjarige] zou zijn. Het hof zal daarom aan de vast te stellen regeling niet de voorwaarde verbinden dat de heer [X] – die samenwoont met de grootmoeder – niet aanwezig mag zijn bij de omgang, zoals de moeder wenst. Wel is het hof van oordeel dat, gezien de precaire familieverhoudingen én de beperkte omvang van de thans te bepalen regeling, in het belang van [de minderjarige] is dat geen andere familieleden dan de grootmoeder en haar partner tijdens de contacturen aanwezig zullen zijn.

5.8

Het hof is voorts van oordeel dat een raadsonderzoek aangewezen is om de stem van [de minderjarige] te horen. De raad wordt verzocht te onderzoeken wat de perceptie van [de minderjarige] is, niet alleen door een gesprek met hem, maar ook aan de hand van de bevindingen van Youz. Voorts wenst het hof antwoord te krijgen op de vraag of de hierna te bepalen omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] kan worden uitgebreid en, zo ja, of daarvoor (andere dan reeds ingezette) hulpverlening nodig is voor [de minderjarige] en/of de andere betrokkenen. Daartoe zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden voor de duur van vier maanden.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt met in achtneming van hetgeen hiervoor onder 5.7 is overwogen met ingang van 30 mei 2021 een omgangsregeling tussen de grootmoeder en [de minderjarige] van een zondagmiddag per vier weken van 15.00 uur tot 17.00 uur waarbij de moeder [de minderjarige] op 15.00 uur bij de grootmoeder brengt en de grootmoeder [de minderjarige] om 17.00 uur terugbrengt bij de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de raad een onderzoek te verrichten naar de vraag of uitbreiding van bovenstaande omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] is, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.8 is overwogen;

houdt de behandeling van het overige verzochte pro forma aan tot 19 september 2021;

verzoekt de raad vóór 19 september 2021 het hof schriftelijk te rapporteren over de bevindingen en resultaten van het onderzoek;

bepaalt dat partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zullen worden zich uit te laten over de gewenste voortzetting van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.F. Miedema en mr. M. Perfors, bijgestaan door de griffier, en is op 18 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.