Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1499

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
200.287.555/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging van de uithuisplaatsing van de drie kinderen in een (perspectiefbiedend) pleeggezin. De gronden zijn nog altijd onverminderd aanwezig. Het lukt de ouders niet om een samenwerkingsrelatie aan te gaan met de GI, waardoor de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen en de ouders nog niet is ingezet en de zorgelijke (opvoed)situatie tot op heden ongewijzigd is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.287.555/01

zaaknummer rechtbank: C/13/687149 / JE RK 20-608

beschikking van de meervoudige kamer van 11 mei 2021 inzake

1 [de vader] ,

verder te noemen: de vader,

2. [de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

beide wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders.

advocaat: mr. M.J.N. Koek te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als (overige) belanghebbenden zijn aangemerkt:

- het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (verder te noemen: het LET);

- de minderjarige [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] );

- de minderjarige [kind 2] (verder te noemen: [kind 2] );

- de minderjarige [kind 3] (verder te noemen: [kind 3] ) (verder gezamenlijk te noemen: de kinderen);

- de pleegouder(s) van [kind 1] en [kind 2] ;

- de pleegouder(s) van [kind 3] .

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 23 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De ouders zijn op 23 december 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 23 september 2020.

2.2

De GI heeft op 22 januari 2021 een verweerschrift ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van GI van 5 februari 2021 met bijlage, ingekomen op 8 februari 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de ouders van 8 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 19 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door twee jeugdbeschermers van het LET;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V.D. Aelbers.

De ouders en hun advocaat zijn (in verband met in acht te nemen Covid-19 maatregelen) op hun verzoek door middel van een videoverbinding gehoord.

De pleegouders zijn op hun verzoek telefonisch gehoord.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders zijn – voor zover thans van belang – geboren:

- [kind 1] , [in] 2011, te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , [in] 2016, te [geboorteplaats] ;

- [kind 3] , [in] 2018, te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

Daarnaast is uit de relatie van de ouders geboren:

- [kind 4] , geboren [in] 2021 te [geboorteplaats] .

3.2

De kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter van 10 september 2019 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 september 2019 tot 20 december 2019.

Deze beslissing is bij beschikking van de kinderrechter van 20 september 2019 gehandhaafd tot 20 september 2019. Aansluitend zijn de kinderen – op verzoek van de raad – onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 20 september 2019 tot 20 september 2020. Het verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is afgewezen. Bij beschikking van 18 augustus 2020 heeft dit hof de beslissing van de kinderrechter ter zake van de ondertoezichtstelling van de kinderen bekrachtigd.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 10 oktober 2019 is op het verzoek van de GI om een (spoed)machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de duur van in ieder geval drie maanden, een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van twee weken. De beslissing op het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden. Deze beslissing is bij de beschikking van 22 oktober 2019 gehandhaafd. Aansluitend is – op het daartoe strekkende verzoek van de GI – een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van drie maanden, met ingang van 22 oktober 2019. Ook deze beslissing heeft dit hof bij eerdergenoemde beschikking van 18 augustus 2020 bekrachtigd.

3.4

Bij beschikking van 20 januari 2020 heeft de kinderrechter – op verzoek van de GI – de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 10 september 2020. Deze beslissing heeft dit hof eveneens bij voornoemde beschikking van 18 augustus 2020 bekrachtigd.

3.5

Sinds 21 oktober 2019 is het LET, onder volmacht van de GI, betrokken bij het gezin.

3.6

[kind 1] en [kind 2] verblijven gezamenlijk in een perspectiefbiedend pleeggezin. [kind 3] en [kind 4] verblijven gezamenlijk in een ander perspectiefbiedend pleeggezin.

3.7

In september 2020 heeft de GI de raad verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 20 september 2021.

4.2

De ouders verzoeken, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, alsnog af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter, krachtens artikel 1:265c, tweede lid, BW de duur hiervan telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

De ouders betogen dat ten tijde van de bestreden beschikking en ook thans niet is voldaan aan de gronden voor de (verlenging van de) uithuisplaatsing van de kinderen en voeren hiertoe het volgende aan. De zorgen over de kinderen die de GI aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, worden niet door signalen en/of stukken gestaafd. De stelling dat de kinderen zijn blootgesteld aan huiselijk geweld en/of spanningen in de thuissituatie kan dan ook niet worden gevolgd. De kinderrechter is voorbijgegaan aan het betoog van de ouders en heeft ten onrechte gesteld dat de kinderen pedagogisch, sociaal emotioneel, affectief en lichamelijk zijn verwaarloosd. Dit is niet het geval (geweest) en de kinderen zijn ook niet blootgesteld aan een negatief wereldbeeld van de ouders. De ouders hebben meermalen aangegeven dat er geen sprake is van politiemeldingen in het gezin en dat de melding van oma (mz) is ingegeven door persoonlijke gevoelens jegens de ouders. Ook heeft de vader meermalen benadrukt dat hij zich niet in dit beeld kan vinden, gelet op zijn actieve betrokkenheid in de buurt en andere werkzaamheden. Desalniettemin heeft hij zich bereid geacht om een training te volgen. De kinderrechter heeft verder ten onrechte gesteld dat [kind 1] voor haar zusje en broertje moest zorgen waardoor zij geen ruimte heeft gehad om kind te zijn. Bij de stelling van de GI dat na de plaatsing de trauma’s die de kinderen hebben opgelopen steeds duidelijker zijn geworden, wordt voorbijgegaan aan het feit dat deze trauma’s mogelijk in het pleeggezin zijn opgelopen. Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium en maakt inbreuk op verschillende grondrechten. De ouders stellen zich op het standpunt dat er geen rechtvaardiging is voor een uithuisplaatsing en dat de maatregel in strijd is met zowel nationale als internationale wet- en regelgeving. Zij staan open voor hulpverlening in de thuissituatie en menen dat alternatieve middelen voorhanden zijn. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de impact van de maatregel. De informatie over de kinderen is zorgelijk. De ouders achten het dan ook van belang dat er zo spoedig mogelijk hulpverlening wordt ingezet. Het uitblijven van contact met de ouders is schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de hechtingsband tussen de ouders en de kinderen. Er kan hulpverlening in de thuissituatie worden ingezet zodat de doelen van de ondertoezichtstelling kunnen worden behaald. Tot slot heeft de kinderrechter niet onderbouwd waarom de maatregel voor de duur van een jaar is verlengd en niet zoals verzocht voor kortere duur, aldus de ouders.

5.4

De GI betoogt dat de kinderen dusdanig in hun ontwikkeling werden bedreigd dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was en de beslissing van de kinderrechter in het belang van de kinderen is geweest. Het feit dat alle kinderen zijn blootgesteld aan traumatische gebeurtenissen in huis, zoals huiselijk geweld, maar ook de niet-leeftijdsadequate (opvoed)taken en de affectieve en lichamelijke verwaarlozing, in combinatie met het afhouden en niet oppakken van de aangeboden zorg en het niet erkennen van de zorgen heeft de uithuisplaatsing noodzakelijk gemaakt. Het is de ouders tot op heden niet gelukt om met het LET samen te werken. Door het gedrag van met name de vader, de strijd die de ouders voeren en blijven voeren, is het nog niet gelukt om contact tussen de kinderen en de ouders op te starten. Bij aanvang van de uithuisplaatsing (oktober 2019) hebben twee begeleide belcontacten tussen de ouders en [kind 1] plaatsgevonden. De vader heeft deze gefilmd en later ook op YouTube geplaatst. Op deze opname is ook benoemd welk doel de ouders bij het belcontact voor ogen hadden; zij willen aantonen dat wat de raad allemaal in zijn rapport heeft beschreven aan zorgen, niet klopt. Het belmoment bestaat dan ook uit vragen stellen en bewijzen verzamelen en is niet gericht op onbelast contact van de ouders met hun dochter.

De afgelopen 15 maanden zijn er forse zorgen geconstateerd aan de hand van gedragingen, uitspraken en reacties van de kinderen. Recent heeft [kind 2] aangegeven dat door de vader met een hamer op zijn hoofd is geslagen. [kind 1] heeft dit beaamd. Na uithuisplaatsing werd bij [kind 2] en [kind 3] een obsessie voor eten gezien. De prullenbakken werden standaard gescreend op eten en ook het voer voor de aanwezige dieren kon niet zomaar in de woning staan. Sinds broer en zus uit elkaar zijn gehaald, laten de kinderen dit gedrag niet meer zien. Mogelijk hebben zij elkaars gedrag, op basis van trauma’s uit het verleden, versterkt. De GI vindt het zorgelijk dat de ouders alle beschreven zorgen ontkennen en dat zij geen enkel probleeminzicht of probleemerkenning tonen. Omdat er geen samenwerking met de ouders tot stand komt en de ouders op geen enkele wijze laten zien dat er sprake is van probleeminzicht of initiatief om iets te veranderen in het belang van de kinderen, is in september 2020 een verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging ingediend.

5.6

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft meerdere onderzoeken verricht naar de opvoedsituatie van de kinderen en doet op dit moment onderzoek naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Bij de raad bestaan al langere tijd ernstige zorgen over de kinderen. Waar de ouders in hun beroepschrift twijfelen over waar en wanneer de kinderen trauma’s hebben opgedaan – in de thuissituatie of in het pleeggezin – bestaan deze twijfels bij de raad niet. De signalen die de kinderen laten zien, duiden op trauma’s die gedurende een langere periode zijn opgedaan. De raad meent dan ook dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op goede gronden is afgegeven. Ten aanzien van het herstellen van het contact tussen de ouders en de kinderen wijst de raad erop dat het in het belang van de kinderen (en dan met name de oudste) is dat zij zich zelfstandig een beeld kunnen vormen van wie zij afkomstig zijn. De daarvoor benodigde informatie moet van hun ouders komen. Voor het contact met de ouders zijn echter veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit noodzakelijk en dat vraagt van de ouders een samenwerking met de GI, die aan dezelfde voorwaarden voldoet. Nu men enkel de verantwoordelijkheid kan nemen voor het eigen aandeel, vraagt de raad de ouders te onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om de samenwerking met de GI te verbeteren.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat sprake is van ernstige en langdurige zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen. Nog voor de geboorte van [kind 1] doet het Advies Meldpunt Kindermishandeling een zorgmelding, vanwege zorgen over de (opvoed) capaciteiten van de moeder en vermoedens van huiselijk geweld. Het verzoek van de raad [kind 1] onder toezicht te stellen, wordt echter door de kinderrechter afgewezen.

In juli 2016 ontvangt Veilig Thuis een zorgmelding van familie aan moederszijde. Veilig Thuis concludeert na onderzoek dat pedagogische en fysieke verwaarlozing en sterke stemmingswisselingen zorgen voor onvoorspelbaarheid voor de kinderen, die van invloed is op hun veiligheid en ontwikkeling. De noodzakelijke geachte hulpverlening in het vrijwillige kader komt echter onvoldoende op gang, hetgeen ertoe leidt dat de GI de raad verzoekt een beschermingsonderzoek te starten. Gedurende dit onderzoek komt de raad tot de conclusie dat geen verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen zal worden gedaan, omdat verwacht wordt dat de maatregel zoveel strijd en onrust zal opleveren, dat deze contraproductief zal werken. De raad verwijst de ouders naar het Ouder- en Kindteam (OKT).

In juni 2019 doen zowel de politie als het consultatiebureau een melding bij Veilig Thuis. De aanleiding daarvoor is dat [kind 2] zonder toezicht buiten is aangetroffen en het consultatiebureau een groeiachterstand bij [kind 3] constateert, maar over de zorgen niet in gesprek komt met de ouders.

In juli 2019 verzoekt Veilig Thuis de raad (opnieuw) onderzoek te doen, nadat de ouders Veilig Thuis, die een veiligheidsinschatting wil maken, de toegang tot hun huis weigeren. De bevindingen uit dit onderzoek doen de raad besluiten de kinderrechter te verzoeken de kinderen (voorlopig) onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. De raad maakt zich ernstige zorgen over het wantrouwende, verbaal agressieve en onvoorspelbare gedrag van de vader, de relatie tussen de ouders, de leefomstandigheden van de kinderen en de pedagogische kwaliteiten van de ouders. De kinderrechter besluit de kinderen onder toezicht te stellen van de GI, maar wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af.

Op 10 oktober 2019 verzoekt de GI de kinderrechter de kinderen (met spoed) uit huis te plaatsen. Aanleiding voor dit verzoek is de door de GI ontvangen informatie dat de moeder begin oktober 2019 door de vader is geslagen en daaraan lichamelijk letsel heeft overgehouden. De GI meende dat hierdoor sprake was van acute onveiligheid van de kinderen bij de ouders thuis. Daarnaast zijn er andere zorgsignalen. Bij het huisbezoek op 3 oktober 2019 treft de GI alcoholflessen aan in de woonkamer. De vader bepaalt de regie tijdens het gesprek en de moeder geeft weinig antwoorden. Via de school van [kind 1] hoort de GI dat [kind 1] de moeder van een klasgenoot heeft verteld dat de moeder wordt geslagen door de vader. De school geeft ook aan dat [kind 1] geen eten meekrijgt naar school, in vieze en te grote kleding rondloopt en daarom wordt gepest, en dat zij op school zorgelijk gedrag laat zien. Verder zou [kind 3] in een winkelwagentje worden rondgereden in plaats van in een kinderwagen, de moeder een kwetsbare en geïsoleerde indruk maakt, de vader vermoedelijk gesprekken met de school opneemt en bij hem sprake zou zijn van complexe problematiek, aldus de school. Bij beschikking van 10 oktober 2019 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend. [kind 2] en [kind 3] zijn gezamenlijk in een pleeggezin geplaatst. [kind 1] is een ander pleeggezin geplaatst. Uit veiligheidsoverwegingen heeft het LET eind oktober 2019 de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen overgenomen van de GI. In oktober/november 2019 hebben twee begeleide belcontacten plaatsgevonden tussen de ouders en [kind 1] . De vader heeft deze contacten gefilmd en op YouTube geplaatst. Daar het LET tot op heden geen (veiligheids)afspraken met de ouders heeft kunnen maken, hebben de kinderen hun ouders sinds de uithuisplaatsing niet meer gezien.

Sinds september 2020 wonen [kind 1] en [kind 2] bij elkaar in een (perspectiefbiedend) pleeggezin. In oktober 2020 is [kind 3] verhuisd naar een perspectiefbiedend pleeggezin en op 11 januari 2021 is ook het pasgeboren broertje bij dit gezin geplaatst. De kinderen wonen bij elkaar in de buurt en hebben onderling veel contact. De kinderen ontwikkelen zich binnen de pleeggezinnen leeftijdsadequaat. Wel zijn er zorgen over het gedrag dat de kinderen laten zien en de uitspraken die zij doen over de thuissituatie.

Het LET heeft de ouders in dit kader gevraagd om toestemming te verlenen voor onder andere persoonlijkheidsonderzoek en trauma- en/of speltherapie voor de kinderen. De ouders hebben dit geweigerd, waarna het LET de kinderrechter heeft verzocht vervangende toestemming te verlenen. Deze toestemming is verleend, maar ziet alleen op diagnostiek en niet op behandeling. Het LET heeft dus nog geen hulpverlening voor de kinderen kunnen inzetten, omdat voor behandeling nog geen (vervangende) toestemming is verkregen.

5.8

Het hof is van oordeel dat de gronden voor (het verlengen van) de uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

Sinds de vorige mondelinge behandeling bij het hof op 29 mei 2020, waarop de beschikking van 18 augustus 2020 is gevolgd, is de situatie niet zodanig veranderd dat moet worden geconcludeerd dat die gronden niet langer aanwezig zijn. Gebleken is dat het de ouders nog altijd niet is gelukt om een samenwerkingsrelatie aan te gaan met het LET. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat de kinderen hun ouders sinds de uithuisplaatsing niet meer hebben gezien, maar ook dat de noodzakelijk geachte hulpverlening nog altijd niet is ingezet. Voor de kinderen heeft het LET enkel (vervangende) toestemming voor diagnostiek ontvangen, maar niet voor behandeling. De ouders en hun advocaat hebben ter zitting in hoger beroep toegezegd dit op korte termijn in orde te zullen maken met het LET. Ook is de vader tot op heden niet gestart met agressieregulatietraining, hoewel het LET dit als doel heeft opgenomen in het plan van aanpak. De vader heeft desgevraagd verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een instantie die dergelijke trainingen aanbiedt, maar dat hij in dat gesprek te horen heeft gekregen dat bij hem geen agressie werd gezien en behandeling om die reden niet mogelijk was. Nog daargelaten dat de vader deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd, had het op zijn weg gelegen daarover in overleg te treden met het LET, nu het LET kennelijk een andere ervaring met de vader heeft.

Zoals het hof ook al heeft geconstateerd in de beschikking van 18 augustus 2020 lijken de ouders zich te verliezen in hun strijd tegen de betrokken (hulpverlenings)organisaties en lukt het hen nog altijd niet om de belangen van hun kinderen te laten prevaleren. De zorgen om de kinderen zijn onverminderd groot, hoewel zij sinds de uithuisplaatsing wel beschikken over een stabiele en veilige opvoedomgeving. Gedurende hun plaatsing in de pleeggezinnen zijn bij de kinderen signalen van trauma, tekenen van parentificatie, een obsessie voor eten, een gebrek aan sociale vaardigheden/gewetensontwikkeling en tekenen van onderstimulatie gezien. Het is in het belang van de kinderen dan ook noodzakelijk dat zij op korte termijn kunnen starten met de geïndiceerde behandelingstrajecten. Ook de zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders zijn sinds de beschikking van 18 augustus 2020 niet verminderd. De ouders gaan nog altijd iedere vorm van samenwerking en/of hulpverlening uit de weg. Zolang niet duidelijk is of de ouders de kinderen een veilige en stabiele opvoedsituatie kunnen bieden, kan van een thuisplaatsing geen sprake zijn. De machtiging tot uithuisplaatsing is nog steeds noodzakelijk. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

5.9

In het voorgaande ligt besloten dat met verlenging en bekrachtiging van de bij de bestreden beschikking opgelegde maatregel geen ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM is gemaakt, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Het beroep op artikel 8 EVRM faalt dan ook.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2020;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 11 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.