Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1488

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
200.280.433/01 en 200.286.473/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, Turks recht van toepassing, verwervingsdeelneming, (geen) matiging partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.280.433/01 en 200.286.473/01

zaaknummers rechtbank: C/15/286345 / FA RK 19-1585 en C/15/29043 1 /FA RK 19-3677

beschikking van de meervoudige kamer van 11 mei 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K. Tülü te Alkmaar (voorheen: mr. P.P.J.L. Appelman te Alkmaar).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 1 april 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 30 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 april 2020.

2.2.

De man heeft op 9 september 2020 een verweerschrift in het principaal hoger beroep tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 20 oktober 2020 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- journaalbericht van 12 februari 2021 van de zijde van de vrouw met bijlagen (productie 1 t/m 6), ingekomen op diezelfde datum.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 25 februari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en de vrouw door mevrouw M.A.A. Priem, tolk in de Turkse taal. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn gehuwd op 4 augustus 2008 te [plaats A] , Turkije. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. De man heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk van partijen is op 24 juli 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 april 2020 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren [in] 2011 te [geboorteplaats] en

- [kind 2] , geboren [in] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: de kinderen).

De kinderen hebben hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat Turks recht van toepassing is op de afwikkeling van het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime. Dit betekent dat tussen partijen een verwervingsdeelneming geldt, wat inhoudt dat bij echtscheiding een financiële afrekening plaatsvindt van hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Op grond van artikel 236 Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) is iedere echtgenoot rechthebbende op de helft van de nettowaarde van de verwervingen van de andere echtgenoot. Op grond van artikel 235 TBW is de peildatum voor de bepaling van de omvang van de verwervingen de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 21 maart 2019.

3.4.

Tot het verwervingsvermogen van partijen behoort, voor zover thans in hoger beroep van belang:

- onroerend goed (grond) in [plaats A] , Turkije;

- 50% van de economische waarde van grond in [plaats B] , Turkije;

- bankrekeningen;

- een auto, Mercedes met kenteken [kentekennummer] .

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de (in zoverre niet) bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover thans in hoger beroep van belang:

- een zorgregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen, waarbij de kinderen ieder weekend bij de man zijn, het ene weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur en het andere weekend op zondag van 10.00 tot 19.00 uur. De vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld, partijen zullen hierover nadere afspraken maken. Wat betreft het Suikerfeest en het Offerfeest is afgesproken dat de kinderen het ene jaar (in de even jaren) de eerste dag van het Suikerfeest bij de man en de eerste dag van het Offerfeest bij de vrouw doorbrengen, de tweede dag bij de andere ouder. Het andere jaar (de oneven jaren) zal omgekeerd verlopen;

- bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 320,- per kind per maand (hierna ook: kinderalimentatie), telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald dat de man met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin de echtelijke woning is verkocht en geleverd, doch niet eerder dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw € 782,- per maand dient te voldoen als uitkering in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie), telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

Voorts is de verwervingsverdeling vastgesteld zoals overwogen in rechtsoverweging 2.8.11 tot en met 2.8.27 van de bestreden beschikking.

4.2.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de verwervingsverdeling vast te stellen zoals overwogen onder grief 1 t/m 4 en aanvullende nieuwe stukken, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. De vrouw doet een algemeen bewijsaanbod.

4.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie te bepalen op € 350,- per maand;

de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te bepalen op € p.m. per kind per maand;

- te bepalen dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van 40 uur per maand;

- te bepalen dat de investering van partijen in het perceel te [plaats B] niet in de boedel valt, althans niet in dit stadium voor verdeling in aanmerking komt, dan wel dat ‘het goed’ aan de vrouw zal worden toebedeeld onder verrekening van de waarde aan de man;

- te bepalen dat de gouden sieraden van partijen in de verdeling worden betrokken;

- te bepalen dat een dwangsom wordt verbonden aan de omgangsregeling, waarbij de vrouw € 500,- zal verbeuren voor iedere keer dat zij in de nakoming van de omgangsregeling mocht tekortschieten;

- te bepalen dat de man tijdens de helft van de zomervakanties recht heeft op omgang met de kinderen en de vrouw een dwangsom van € 250,- zal verbeuren voor iedere dag dat zij die afspraak niet nakomt;

- de vrouw te bevelen inzage te verschaffen in de stukken van de goudbeleggingsregeling bij de IS Bank te Turkije waaruit het saldo van de rekening valt af te leiden, bij gebreke waarvan het saldo van de rekening op 400 gram goud zal worden gesteld;

- te bepalen dat het saldo van de goudbeleggingsrekening in de boedel valt en tussen partijen dient te worden verdeeld, waarbij de vrouw haar aandeel in de goudbeleggingsrekening verbeurt en daarom het hele saldo van de rekening aan de man dient te vergoeden.

De man doet een algemeen bewijsaanbod.

4.4.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Grieven in principaal hoger beroep (de vrouw)

Saldo rekening Binck banck (grief 1 van de vrouw)

5.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het saldo op de rekening van de Binck bank € 60,70 bedraagt, welk saldo bij helfte zal worden gedeeld, waarbij de rekening zal worden toegedeeld aan degene op wiens/wier naam deze is gesteld. De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte het saldo op € 60,70 heeft bepaald. Volgens de vrouw heeft de man op 12 december 2018, net voordat het verzoekschrift tot echtscheiding was ingediend, € 13.000,- opgenomen en heeft hij geen enkele verantwoording kunnen afleggen wat met dit bedrag is gebeurd. De vrouw is van mening dat de man de helft van het bedrag (€ 6.500,-) aan haar dient te vergoeden.

De man stelt dat het door hem opgenomen bedrag is aangewend om het perceel in [plaats A] te kopen voor een bedrag van € 25.000,-. Het perceel is gekocht op 24 december 2018. Dit bedrag is gefinancierd als volgt: opname van € 13.000,- van de Binck Bank op 17 december 2018, opname van € 7.900,- van de Giro op 17 december 2018 en een lening van de vader van de man aan de man van € 5.000,- waarvoor de vader van de man op 24 december 2018 € 6.000,- heeft opgenomen. De man verwijst naar door hem in eerste aanleg overgelegde bankafschriften. De waarde van het goed komt op grond van de verwervingsverdeling deels aan de vrouw toe, dus zij is niet benadeeld.

5.2.

Het hof oordeelt als volgt. Het had op de weg van de vrouw gelegen tegenover de verklaring die de man heeft gegeven voor de opname van het bedrag van € 13.000,-, haar verzoek nader te onderbouwen. Zij heeft dit niet gedaan. Zij heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de grond in [plaats A] (waarvan de waarde voor de helft aan haar toekomt) € 25.000,- heeft gekost en op de door de man betoogde wijze is betaald (afgezien van de lening van de vader van de man aan de man van € 5.000,-, zie hierna grief 4). De vrouw heeft haar verzoek dan ook onvoldoende onderbouwd. De grief faalt.

Bankrekening bij de Türkiye Iș Bankasi TCKN [bankrekeningnummer] (grief 2 van de vrouw)

5.3.

De vrouw betoogt dat de rechtbank in overweging 2.8.22 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw aan de man een bedrag van € 6.590,- moet vergoeden, zijnde de helft van het van de rekening op naam van de vrouw bij de Türkiye Iș Bankasi TCKN [bankrekeningnummer] op 27 augustus 2018 opgenomen bedrag van € 13.180,-. De vrouw stelt dat dit bedrag inderdaad op haar verzoek door haar familie is opgenomen en aan haar is gegeven, maar zij heeft dit bedrag voor de peildatum gespendeerd. Zij heeft van het bedrag haar rijbewijs betaald van € 2.500,- en zij heeft op 11 juli 2019 een schuld aan [X] afgelost, welk bedrag zij had geleend voor onder andere een fiets. Voorts had zij van haar oom [Y] € 4.000,- geleend in verband met de financiële problemen van partijen en heeft zij haar oom nog voor de peildatum € 4.000,- terugbetaald (productie 2 bij stukken van 12 februari 2021). Van het resterende bedrag heeft zij in 2019 vliegtickets ad € 2.000,- gekocht voor een reis van haar en de kinderen naar Turkije.

De man betwist de stellingen van de vrouw. Het is onaannemelijk dat de vrouw hoge kosten van levensonderhoud heeft gehad. De man was kostwinner, hij had een goed inkomen en droeg alle lasten. Hij heeft, ook nadat de relatie was verbroken en voordat het verzoek tot echtscheiding was ingediend, structureel betalingen aan de vrouw gedaan voor de kosten van haar levensonderhoud. Het had de man moeten opvallen dat de vrouw binnen een kort tijdsbestek (tussen 27 augustus 2018 en maart 2019) grote uitgaven deed. Hij heeft nooit toestemming verleend om het spaargeld op te (laten) nemen. De factuur voor de rijlessen dateert van 5 februari 2020. Het is onwaarschijnlijk dat de rijschool pas een jaar later na betaling de factuur zou hebben opgesteld. Een bewijs van betaling ontbreekt. De man was niet op de hoogte van de schuld aan [Y] . De noodzaak om te lenen ontbrak en de vrouw heeft niet verklaard waaraan ze het bedrag heeft besteed. Evenmin heeft de vrouw kunnen aantonen dat de overige schulden voor de peildatum zijn gemaakt. De bankafschrijvingen zijn van nadien, aldus de man.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw van de in overweging 5.3 genoemde bankrekening op 27 augustus 2018, derhalve voor de peildatum van 21 maart 2019 een bedrag heeft laten opnemen van € 13.180,-. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover het standpunt van de man onvoldoende onderbouwd dat zij dit geld op de peildatum niet meer tot haar beschikking had. Zij had nader moeten toelichten waarom zij schulden heeft moeten maken bij [Y] en [X] , gelet op de stelling van de man dat hij een goed inkomen had en de vrouw heeft onderhouden. Daarbij komt dat de vrouw, blijkens de bankafschrijvingen, [X] pas na de peildatum heeft terugbetaald. De vrouw heeft niet de stelling van de man betwist dat de nota van haar rijexamen van ver na de peildatum dateert. Derhalve valt niet te verklaren haar stelling dat zij deze nota voor de peildatum zou hebben betaald. Evenmin heeft zij betwist dat zij de tickets voor de vliegreis naar Turkije na de peildatum heeft betaald. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de vrouw het door haar opgenomen bedrag op de peildatum nog tot haar beschikking had. Zij dient, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, de helft aan de man te betalen. De grief slaagt niet.

De Mercedes (grief 3 van de vrouw)

5.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de auto van het merk Mercedes, kenteken [kentekennummer] , € 4.865,- bedraagt, conform de taxatie die de man heeft overgelegd. De vrouw betwist dit. Zij hecht onvoldoende waarde aan het door de man overgelegde rapport van de website autolex.nl. Zij heeft advertenties gevonden van vergelijkbare auto’s, waaruit een waarde tussen de € 5.750,- en € 7.500,- blijkt. Bovendien heeft de man zelf de waarde gesteld op € 6.500,-. De man voert aan dat hij de auto uiteindelijk voor € 4.086,- heeft verkocht en dat de waarde van de auto derhalve op dat bedrag moet worden vastgesteld.

5.6.

Uit de door de vrouw overgelegde advertenties blijkt niet in hoeverre in deze advertenties auto’s worden aangeboden die in eenzelfde of vergelijkbare staat verkeren als de auto die tot de verwervingsdeelneming behoort. Het had op de weg van de vrouw gelegen in hoger beroep een taxatie van de auto over te leggen ter ondersteuning van haar stelling ten aanzien van de waarde, of deze stelling anderszins nader toe te lichten. Dit heeft zij nagelaten. Zij heeft haar standpunt ten aanzien van de waarde dan ook onvoldoende onderbouwd. De grief faalt. Voor zover de man met zijn stelling ten aanzien van de waarde beoogt in het kader van zijn incidenteel hoger beroep een grief aan te voeren tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde, slaagt deze alleen al daarom niet, omdat de peildatum voor de vaststelling van de waarde de datum van de bestreden beschikking is en blijkens het door de man overgelegde bankafschrift de auto ruim drie maanden later, op 13 juli 2020, is verkocht, en gesteld noch gebleken is dat de auto ten tijde van de verkoop in dezelfde staat verkeerde als ten tijde van de peildatum.

Lening van de vader van de man (grief 4 van de vrouw)

5.7.

De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vader van de man een bedrag van € 5.000,- heeft voorgeschoten voor de aankoop van de grond in (naar het hof begrijpt) [plaats A] . De vrouw stelt dat er geen noodzaak was dit bedrag bij zijn vader te lenen en dat de man de lening niet heeft aangetoond. De man stelt dat de lening nodig was om de aankoop van de grond te kunnen financieren.

Het hof overweegt als volgt. De man stelt dat uit een door hem overgelegd bankafschrift blijkt dat zijn vader € 6.000,- contant heeft opgenomen en de man daarvan € 5.000,- heeft geleend. Op het bankafschrift staat een datum van 24 december 2018. Het stuk grond is op die datum gekocht. Dit ondersteunt de stelling van de man dat geld is geleend van zijn vader. Hiertegenover had het op de weg van de vrouw gelegen haar betwisting van die stelling nader toe te lichten, hetgeen zij niet heeft gedaan. De enkele niet nader toegelichte stelling dat er geen noodzaak was voor het afsluiten van de lening is onvoldoende, temeer nu de man heeft uiteengezet hoe de koopprijs van de grond is gefinancierd (zie hiervoor rechtsoverweging 5.1) en de vrouw tegenover de stellingen van de man niet heeft aangegeven hoe, bij ontbreken van een lening, de koopprijs dan wel is bekostigd. De grief slaagt niet.

Grieven in incidenteel hoger beroep (de man)

Partneralimentatie (grief 1 van de man)

5.8.

De man komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aan de vrouw een bedrag van € 782,- per maand aan partneralimentatie moet betalen. De man wenst dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening wordt gehouden met een inkomen van € 65.000,-, nu hij in 2020 geen bonus heeft ontvangen vanwege de Corona-uitbraak. Verder heeft hij gezondheidsklachten (een burn-out). Nadat de vrouw voor de zoveelste keer de kinderen niet aan de man afstond heeft hij zich ziek gemeld op 24 mei 2020. Zijn herstel en de gevolgen voor zijn inkomen zijn nog niet helemaal duidelijk. Ter zitting in hoger beroep heeft de man gesteld dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is en dat zijn inkomen vanaf 24 mei 2021 70% van zijn eerdere inkomen zal bedragen. Verbetering is niet te verwachten. Verder verzoekt de man rekening te houden met advocaatkosten van € 1.368,- conform het Tremarapport en met zijn dubbele woonlasten. Zijn draagkracht pakt negatief uit. De man stelt voorts dat de vrouw “een verdiencapaciteit heeft van 40 uur” en verzoekt het hof hiervan uit te gaan. De man verzoekt voorts de onderhoudsverplichting te matigen vanwege de grievende uitlatingen die de vrouw jegens hem en zijn moeder heeft gedaan waardoor de lotsverbondenheid is verbroken. Hij heeft ter onderbouwing een afdruk van chatgesprekken overgelegd (productie 37 eerste aanleg).

De vrouw is van mening dat het uitblijven van de bonus een eenmalige tegenvaller is, zodat het gemiddelde van de bonussen over de afgelopen jaren meegenomen moet worden. Wat betreft de vrouw zijn de inkomsten van de man gelijk gebleven. Er dient geen rekening te worden gehouden met de advocaatkosten; zij heeft deze ook en het zijn geen noodzakelijke lasten. De vrouw betwist dat zij in haar eigen behoefte kan voorzien. Partijen hadden een traditioneel huwelijk, zij heeft altijd de traditionele moederrol gehad. Zij heeft tijdens het huwelijk niet kunnen werken en heeft de Nederlandse taal niet goed kunnen leren. Zij spant zich wel in om een baan te vinden maar dat is nog niet gelukt. Er is geen reden voor matiging van de onderhoudsplicht. Zij is tijdens het huwelijk mishandeld door de man en zij is bang voor hem. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat stukken over zijn inkomen ontbreken en te weinig bekend is over de huidige situatie van de man. De man is opnieuw getrouwd, heeft een nieuw huis gekocht en zijn echtgenote heeft een eigen onderneming. Er moet geen rekening worden gehouden met een verminderd inkomen van de man per 24 mei 2021 omdat dat een onzekere toekomstige gebeurtenis is, aldus steeds de vrouw.

5.9.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft gesteld dat hij over 2020 geen bonus heeft ontvangen maar heeft daarbij onvoldoende concrete stellingen ingenomen omtrent de werkelijke hoogte van zijn inkomen over 2020, hetgeen hij gelet op de betwisting door de vrouw wel had moeten doen. Ook financiële stukken over zijn jaarinkomen 2020 ontbreken. Nu de man zijn stelling over zijn inkomen onvoldoende heeft onderbouwd zal het hof deze passeren. Ook de stelling van de man dat zijn inkomen per 24 mei 2021 tot 70% van zijn salaris zal verminderen volgt het hof niet, omdat de man deze stelling tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende (met stukken) heeft onderbouwd. De man heeft een brief van MKbasics.nl van 4 februari 2021 overgelegd waaruit blijkt dat de man op 3 maart 2021 een gesprek met de bedrijfsarts heeft, maar nadere stukken met informatie over de gezondheidssituatie of de mate van arbeidsongeschiktheid van de man ontbreken. Ook uit de door de man overgelegde algemene informatie over verlaging van het inkomen na 52 weken ziekte blijkt onvoldoende dat dit per 24 mei 2021 van toepassing zal zijn op de man. De man heeft zijn grief op dit punt dan ook onvoldoende toegelicht. Derhalve gaat het hof wat betreft het jaarinkomen van de man uit van het bedrag dat de rechtbank heeft gehanteerd, te weten € 69.507,-, conform het jaarinkomen dat staat vermeld op de salarisspecificatie van januari 2020.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in de bestreden beschikking terecht geen rekening gehouden met advocaatkosten die de man heeft gemaakt, nu onvoldoende is gesteld althans niet is gebleken dat, zoals ook in het Rapport alimentatienormen (het Tremarapport) staat als aanbevolen norm, de man niet genoeg liquide middelen heeft om deze kosten te betalen. De man stelt nog dat hij dubbele woonlasten heeft, maar hij heeft niet vermeld hoe hoog zijn totale woonlasten zijn en heeft ter onderbouwing van zijn stelling evenmin stukken overgelegd. Bovendien is de echtelijke woning inmiddels verkocht en op 5 januari 2021 geleverd. Het hof volgt de man dan ook niet in zijn stelling.

Ook de stelling van de man betreffende de verdiencapaciteit van de vrouw treft geen doel. De vrouw heeft gemotiveerd aangevoerd waarom zij thans niet werkt. Daartegenover heeft de man zijn stelling dat de vrouw een verdiencapaciteit van 40 uur per week heeft onvoldoende nader toegelicht, mede gelet op het feit dat de vrouw hoofdverzorger van de kinderen is. De man stelt in dit verband nog dat de vrouw niet voldoet aan haar inspanningsverplichting om haar positie op de arbeidsmarkt te verbeteren, en financieel en wat het vinden van woonruimte betreft op de man blijft leunen. Nog afgezien van het verweer van de vrouw (zij stelt dat de kort gedingprocedure overbodig was omdat zij tot januari in de woning mocht blijven wonen, dat zij inmiddels een urgentieverklaring heeft en in afwachting is van een woning) acht het hof de door de man gestelde omstandigheden onvoldoende om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw, gebaseerd op een werkweek van 40 uur.

5.10.

Ten aanzien van het verzoek van de man tot matiging van de partneralimentatie overweegt het hof als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kan de rechter bij het vaststellen van de alimentatieplicht rekening houden met omstandigheden van niet-financiële aard; in uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058). De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd.

De WhatsApp berichten van de vrouw waarnaar de man heeft verwezen getuigen van een turbulente scheidingsperiode en kunnen door de man en zijn moeder als grievend zijn ervaren. Echter, naar het oordeel van het hof kunnen deze berichten, gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader, niet worden beschouwd als grievend gedrag dat dermate uitzonderlijk is dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen waardoor van de man in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij ten volle partneralimentatie dient te voldoen. Daarbij dienen de WhatsAppberichten te worden bezien in het licht van de tussen partijen aanhangig zijnde (echt)scheiding, die veelal gepaard gaat met de nodige emoties. Een grond voor matiging van de partneralimentatie ontbreekt derhalve. De grief van de man ten aanzien van de partneralimentatie faalt.

Kinderbijdrage (grief 2 van de man)

5.11.

De man komt op tegen de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen van € 320,- per maand per kind. De man verwacht een terugval in zijn inkomsten vanwege zijn ziekmelding. Voorts voert hij aan dat door de verhoging van de verdiencapaciteit van de vrouw zij een eigen aandeel moet hebben in de onderhoudsbijdrage en dat er maandelijks € 50,- in mindering moet worden gebracht op de bijdrage omdat hij de kinderen zelf haalt en brengt, waardoor hij reiskosten maakt. De vrouw betwist bij gebrek aan wetenschap dat de inkomsten van de man minder zijn geworden. De kosten van halen en brengen zijn verdisconteerd in de zorgkorting die de man krijgt.

5.12.

Het hof overweegt met verwijzing naar rechtsoverweging 5.9 dat de man zijn stelling dat er sprake is van een terugval in zijn inkomen onvoldoende heeft onderbouwd. Ten aanzien van de door de man gestelde aftrek van € 50,- heeft de man zijn stelling dat met deze kosten rekening moet worden gehouden, tegenover het standpunt van de vrouw dat deze in de zorgkorting verwerkt zijn, onvoldoende onderbouwd. Ook overigens ziet het hof, gelet op het forfaitaire systeem dat voor de berekening van de kinderbijdrage wordt gebruikt, geen aanleiding om met deze kosten rekening te houden. De grief faalt.

Omgangsregeling (grief 3 van de man)

5.13.

De man verzoekt in hoger beroep een dwangsom te verbinden aan de niet-nakoming van de omgangsregeling en een verdeling van de zomervakanties te bepalen. Ten aanzien van het laatste hebben partijen ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt als volgt. In de zomervakantie van 2021 zullen de kinderen de eerste drie weken bij de man zijn en de laatste drie weken bij de vrouw zijn. De zomervakanties in de volgende jaren zal ook een verdeling van 3 weken/3 weken gelden, met afwisseling van de ouder bij wie de kinderen de eerste en de laatste drie weken zijn, dus in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de tweede drie weken bij de man en in de oneven jaren andersom. Verder hebben partijen afgesproken dat indien de kinderen, zoals is bepaald in de bestreden beschikking, in afwijking van de reguliere omgangsregeling de eerste dag van het Offerfeest of van het Suikerfeest naar de andere ouder gaan, zij daar zijn van 10.00 tot 16.00. Het hof zal aldus bepalen.

De man heeft verzocht een dwangsom op te leggen omdat de vrouw zich al meerdere malen niet heeft gehouden aan de vastgestelde omgangsregeling. Dit betrof met name het Offerfeest en de zomervakantie. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De vrouw voert verweer. Het hof zal het verzoek van de man afwijzen, nu partijen (nadere) afspraken hebben gemaakt over de zomervakantie en het Suiker- en Offerfeest en is gebleken dat de reguliere omgangsregeling en de andere vakanties goed verlopen en bovendien Jeugdbescherming is betrokken en de vinger aan de pols houdt. Een dwangsom acht het hof dan ook niet nodig.

Goudbeleggingsregeling in Turkije (grief 4 van de man)

5.14.

De man stelt dat de vrouw naast de bankrekening bij de IS bank nog een goudbeleggingsrekening heeft bij de IS bank, waarop partijen in 2011 een belegging hadden gedaan van ongeveer 400 gram. De bank heeft verklaard dat de rekening op de peildatum niet meer actief was. De man heeft het vermoeden dat de vrouw de rekening door familie heeft laten opheffen en het geld laten wegsluizen. Hij vermoedt dus dat zij een goed uit de boedel heeft weggemaakt en verzoekt te bepalen dat de vrouw openheid van zaken moet geven, onder verbeurte van een dwangsom. Als zij dat niet doet verzoekt de man te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de rekening heeft verbeurd en dat de volledige waarde van de belegging van 400 gram goud aan hem zal toekomen. De vrouw betwist dat zij op de peildatum een goudbeleggingsrekening had. Zij kan geen inzage geven in een rekening die zij niet heeft.

5.15.

Onbetwist is dat de vrouw op de peildatum geen rekening meer had bij deze bank. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw voor de peildatum het saldo van de goudbeleggingsrekening heeft weggesluisd gewezen op een Visa Creditcard van de IS bank. De vrouw stelt dat deze creditcard was gekoppeld aan haar (enige en per peildatum opgeheven) rekening bij de IS bank. Niet is komen vast te staan dat de creditcard aan de door de man gestelde goudrekening is gekoppeld. Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man het vermoeden geuit dat de goudbeleggingsrekening wellicht was gekoppeld aan de door de vrouw genoemde rekening en dat het totale saldo hoger was dan het door de vrouw opgenomen bedrag van (naar het hof begrijpt) € 13.180,- De man heeft zijn vermoeden op dit punt echter onvoldoende onderbouwd. Weliswaar stelt hij dat partijen in 2011 belegd hebben in 400 gram goud maar uit die enkele stelling kan het hof, in het licht van de verklaring van de bank, nog niet afleiden dat er vlak voor de peildatum nog een goudbeleggingsrekening bestond. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de vrouw op te dragen openheid van zaken te geven dan wel haar aandeel in de door de man gestelde rekening verbeurd te verklaren. De grief faalt.

Gouden sieraden (grief 5 van de man)

5.16.

De man stelt dat partijen waardevolle gouden sieraden hadden die in de boedel vallen. Hij verzoekt te bepalen dat de sieraden met een geschatte waarde van € 7.500,- in de boedel vallen en tussen partijen dienen te worden verdeeld. De man wijst ter onderbouwing van zijn stelling op een foto waarop de vrouw wordt afgebeeld met een deel van de sieraden om, en op berichtenverkeer tussen de vrouw en haar tante waarin ze overeenkomen om “het toevertrouwde” op te halen, waarmee het goud werd bedoeld. De vrouw betwist dat zij op de peildatum gouden sieraden had. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep gezegd dat ze de sieraden één keer heeft gedragen, alleen op de bruiloft, en dat er ook geen andere foto is waarop ze de sieraden droeg. Over het door de man geciteerde bericht zegt de vrouw dat dit niet gaat om iets van waarde. Naar het oordeel van het hof had de man tegenover de betwisting door de vrouw in hoger beroep zijn stelling dat er op de peildatum nog sieraden waren die in de boedel vielen nader dienen te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten passeert het hof zijn stelling, als zijnde onvoldoende onderbouwd. De grief faalt.

Grond in [plaats B] (Turkije)

5.17.

Het hof begrijpt het verzoek in hoger beroep van de vrouw op dit punt aldus dat het hof zal bepalen dat aan de man wordt toegedeeld het onroerend goed in [plaats A] tegen een waarde van € 25.000,- en het aan partijen toekomende aandeel van de grond in [plaats B] tegen een waarde van € 40.000,-. Partijen hebben ter zitting in eerste aanleg afgesproken dat zij taxateurs zouden zoeken om de waarde van het onroerend goed in [plaats A] en de grond in [plaats B] te bepalen en dat de goederen zullen worden toegedeeld aan de man en hij de helft van de waarde aan de vrouw zal vergoeden, waarbij de verrekening van de door de man aan de vrouw te betalen vergoeding zal kunnen plaatsvinden bij de verdeling van de overwaarde die resteert als de echtelijke woning is verkocht. De vrouw stelt, onbetwist, dat partijen geen overeenstemming over een taxatie hebben bereikt. Zij gaat akkoord met de door de man gestelde waarde van het stuk onroerend goed in [plaats A] van € 25.000,-. Met betrekking tot het stuk grond in [plaats B] heeft de vrouw twee taxateurs gevonden, die de waarde hebben gesteld op respectievelijk 450.000 Turkse Lira en 650.000 Turkse Lira, wat, gemiddeld, leidt tot een waarde van € 80.000,-. De man merkt allereerst op dat er sprake lijkt te zijn van een verschrijving in 2.8.26 van de bestreden beschikking: er staat dat de schuld aan zijn vader is aangegaan ten behoeve van de aanschaf van het perceel in [plaats B] , dit moet zijn [plaats A] . Ten aanzien van het stuk grond in [plaats B] stelt de man dat partijen hierin een economisch belang hebben, het betreffende perceel is eigendom van een bevriend stel. Partijen hebben in 2011 een bedrag van € 11.000,- geïnvesteerd in de grond en hebben recht op de helft van de waarde van het perceel. Er is echter geen schriftelijke overeenkomst en de relatie met de vrienden is bekoeld dus het is de vraag of partijen aanspraak kunnen maken op hun investering. De man betwist daarom dat het in de boedel valt, dan wel in dit stadium voor verdeling in aanmerking komt. Mocht de vrouw het willen dan kan het aan de vrouw worden toegedeeld onder verrekening van de waarde aan de man. Hij betwist de conclusies uit de door de vrouw overgelegde taxatierapporten. Mocht het hof wel toekomen aan een verdeling van [plaats B] dan wenst de man nog in de gelegenheid te worden gesteld zich uit te laten over de waarde.

5.18.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over toedeling van het onroerend goed in [plaats A] aan de man tegen een waarde van € 25.000,-. Het hof zal aldus bepalen, waarbij het hof opmerkt dat, gelet op rechtsoverweging 5.7, de schuld van de man aan zijn vader van € 5.000,- van de waarde dient te worden afgetrokken overeenkomstig het in overweging 2.8.26 van de bestreden beschikking bepaalde. Ten aanzien van de grond in [plaats B] hebben partijen in eerste aanleg afgesproken dat de grond aan de man wordt toegedeeld, dat de grond getaxeerd dient te worden en dat hij de helft van de waarde van hun aandeel in de grond aan de vrouw zal vergoeden. Voor zover de man stelt dat het gaat om economisch eigendom en om een aanspraak van partijen op hun vriend en dat er geen te verdelen goed is, sluit dat niet uit dat partijen, zoals ook de man in zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd, recht hebben op de helft van de waarde van de grond. Het uitgangspunt is derhalve dat (de helft van) de waarde van de grond in [plaats B] tussen partijen in de afrekening van de verwervingsdeelneming moet worden betrokken. De man heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat het maar de vraag is of partijen aanspraak kunnen maken op hun deel van de waarde, gelet op de bekoelde relatie met de vriend die bovendien zegt de man niets verschuldigd te zijn omdat zijn aandeel is afgebouwd, en in 2013 of 2014 een bedrag van € 9.000,- aan de man heeft betaald. De man had zijn stelling gelet op de betwisting door de vrouw in hoger beroep, nader moeten toelichten, hetgeen hij heeft nagelaten. De stelling wordt dan ook gepasseerd.

Een gezamenlijke taxatie, zoals in eerste aanleg was afgesproken, heeft niet plaatsgevonden. Het is het hof niet duidelijk waarom de man niet tot taxatie is overgegaan. Daarbij komt dat hij de stelling van de vrouw dat hij niet wilde meewerken aan een taxatie niet heeft betwist. Ook in hoger beroep ontbreekt van de zijde van de man een taxatie of enige indicatie ten aanzien van de waarde van de grond. Zijn subsidiaire verzoek in hoger beroep hem toe te staan alsnog in te gaan op de waarde van het stuk grond zal het hof afwijzen, nu de man niet heeft onderbouwd waarom hij dat niet meteen in zijn verweerschrift in het hoger beroep tevens incidenteel appel had kunnen doen. De man maakt bezwaar tegen de door de vrouw overgelegde taxatierapporten. Hij herkent het perceel op de foto’s niet en meent dat de taxaties niet deugdelijk zijn, hetgeen alleen al blijkt uit de zeer uiteenlopende waarderingen en omdat de vereiste toelichting bij de waarderingen ontbreekt. Het hof oordeelt hierover als volgt. De vrouw heeft gesteld dat zij twee taxateurs heeft gevonden, [taxateur 1] en [taxateur 2] die de waarde hebben gesteld op 450.000 TL respectievelijk 650.000 TL. Zij heeft haar stelling met Turkse verklaringen van ieder van deze personen onderbouwd. Alhoewel de verklaringen alleen in de Turkse taal zijn overgelegd en summier zijn, had het op de weg van de man gelegen zijn stelling dat de waardebepalingen niet juist zijn nader te onderbouwen. De man heeft de authenticiteit en de door de vrouw gestelde inhoud van de verklaringen niet gemotiveerd betwist. Onvoldoende acht het hof de enkele stelling van de man dat de getaxeerde waardes sterk verschillen en dat de verklaringen niet zijn toegelicht. De stelling van de man dat de taxaties ondeugdelijk zijn wordt dan ook niet gevolgd. Bij gebreke van andere aanknopingspunten gaat het hof uit van de door de vrouw gestelde waarde van € 80.000,-. In eerste aanleg heeft de man ermee ingestemd dat de grond aan hem zou worden toegedeeld. In hoger beroep is hij hier niet, althans niet voldoende onderbouwd, tegen opgekomen, zodat als uitgangspunt heeft te gelden toedeling van de grond aan de man. Het hof zal dan ook - in navolging van de rechtbank en waartegen partijen zich in hoger beroep niet verzetten - de verwervingsverdeling ten aanzien van het onroerend goed in [plaats A] en het deel van de grond in [plaats B] dat partijen in economische eigendom toebehoort vaststellen aldus dat deze aan de man zullen worden toegedeeld tegen een waarde van 25.000,- respectievelijk 40.000,-.

Conclusie

5.19.

Gelet op het voorgaande wordt aan bewijslevering door een van beide partijen niet toegekomen. Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren, nu zij ex-echtelieden zijn. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt, in aanvulling op de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen, zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank van 1 april 2020, als volgt:

  • -

    in de zomervakantie van 2021 zullen de kinderen de eerste drie weken bij de vader zijn en de laatste drie weken bij de moeder zijn. De zomervakanties in de daaropvolgende jaren zal ook een verdeling van 3 weken/3 weken gelden, met afwisseling van de ouder bij wie de kinderen de eerste drie weken en de laatste drie weken zijn, dus in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader, en in de oneven jaren andersom;

  • -

    indien de kinderen in afwijking van de reguliere omgangsregeling de eerste dag van het Offerfeest of van het Suikerfeest naar de andere ouder gaan, zullen zij daar zijn van 10.00 tot 16.00;

stelt de verwervingsverdeling ten aanzien van het onroerend goed in [plaats A] en het deel van de grond in [plaats B] dat partijen in economische eigendom toebehoort vast, als volgt:

- bepaalt dat het onroerend goed in [plaats A] (Turkije) aan de man zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), waarvan hij na aftrek van het door hem van zijn vader geleende bedrag van € 5.000,-, de helft aan de vrouw dient te vergoeden;

- bepaalt dat het deel van de grond in [plaats B] (Turkije) dat partijen in economische eigendom toebehoort aan de man zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 40.000,- (veertigduizend euro), waarvan hij de helft aan de vrouw dient te vergoeden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. J. Jonkers en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 11 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.