Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1447

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
24-05-2021
Zaaknummer
23-001592-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling verkrachting ex-vriendin benadeelde 1 en oplichting. Vrijspraak verkrachting ex-vriendin benadeelde 2. Gevangenisstraf van 5 jaren en TBS met dwangverpleging bij weigerende observandus. Vordering benadeelde partij toegewezen m.u.v. de als proceskosten opgevoerde reiskosten. Liquidatietarief van toepassing op gevorderde rechtsbijstandkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001592-18

datum uitspraak: 18 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-650074-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover nog inhoudelijk aan de orde, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 08 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland door geweld en/of een (andere) feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid(en) [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) of meer handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis en/of hand(en) in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [benadeelde 1] geduwd en/of gebracht en/of gestoten en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- meermalen (met kracht) de keel en/of de neus van die [benadeelde 1] heeft dichtgeknepen en/of vastgepakt en/of

- de mond van die [benadeelde 1] met tape heeft dichtgeplakt en/of

- de polsen van die [benadeelde 1] met tape aan de enkel van die [benadeelde 1] heeft vastgemaakt en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je meewerkt dan is voor jou beter" en/of "Als je meewerkt dan gebeurt er niets", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.
hij op of omstreeks 21 mei 2010, in elk geval in de periode tussen 1 april 2010 en 1 september 2010 te Almere, in elk geval in Nederland door geweld en/of een (andere) feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2] , hebbende verdachte - meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachte's penis en/of hand(en) in de vagina en/of de anus en/of de mond van die [benadeelde 2] geduwd en/of gebracht en/of gestoten en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [benadeelde 2] op een bed heeft geduwd/gegooid en/of

- zijn, verdachtes, hand op de mond en/of de neus van die [benadeelde 2] heeft geduwd/gelegd en/of

- de (onder)broek van die [benadeelde 2] naar beneden heeft getrokken en/of

- misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en/of emotionele en/of geestelijke overwicht, waarbij verdachte zich langdurig en/of telkens zeer dominant gedroeg op (een) moment(en) dat er iets niet gebeurde, zoals hij, verdachte dat wilde, waarbij verdachte veelvuldig en/of stelselmatig zijn agressie en/of zijn woede uitbarstingen afreageerde op die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 2] veelvuldig en/of stelselmatig mishandelde, waarbij die [benadeelde 2] vreesde voor nieuwe mishandelingen en/of woedeuitbarstingen als zij niet zou doen wat hij, verdachte, wilde, in welke overwichtsituatie die [benadeelde 2] zich niet kon of durfde te verzetten en/of aldus voor die [benadeelde 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.
hij in of omstreeks de periode 01 juni 2015 tot en met 15 augustus 2015 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte één of meer geldbedrag(en) (totaal 6000 euro), in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte met het vorengeschreven oogmerk- zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich (op [website]) heeft voorgedaan als als bonafide verkoper/handelaar van fazantduiven en/of vruchtduiven waarbij hij, verdachte met die [benadeelde 3] had afgesproken dat er een deel van de koopsom te weten 2000 euro vooraf op een door verdachte opgegeven rekeningnummer moest worden overgemaakt en dat die [benadeelde 3] op Schiphol 4000 euro contant vooraf moest betalen om zijn duiven in ontvangst te nemen, waardoor die [benadeelde 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 3

De raadsman heeft namens de verdediging verzocht de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrij te spreken omdat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster [benadeelde 2] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat de door de rechtbank daarvoor gebruikte verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn terug te voeren op dezelfde bron, te weten de aangeefster, en op onderdelen tegenstrijdig zijn. Tussen de verklaring van de aangeefster, de door de rechtbank bewezenverklaarde verkrachtingen, en het in de bewijsoverweging van de rechtbank genoemde huiselijk geweld en geweld jegens dieren bestaat onvoldoende causaal verband. De aangeefster heeft pas in 2017 aangifte gedaan van de gestelde verkrachtingen in 2010. Dat de verdachte zich tegenover aangeefster een aantal keren heeft schuldig gemaakt aan mishandeling betekent niet dat hij aangeefster ook (tweemaal) heeft verkracht. Tussen de onder 1 en 3 tenlastegelegde verkrachtingen bestaat daarnaast onvoldoende verband voor het gebruik als schakelbewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Aangeefster [benadeelde 2] is in haar verklaringen gedetailleerd en consistent geweest over hetgeen tussen haar en de verdachte is voorgevallen. Het hof acht haar verklaringen dan ook geloofwaardig en betrouwbaar, mede in het licht van de aanwijzingen in het dossier voor huiselijk geweld.

De verklaringen van aangeefster hebben naar het oordeel van het hof ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen en het geweld of andere feitelijkheden evenwel onvoldoende onderbouwing gevonden in andere bewijsmiddelen in het dossier. Dat uit het dossier een beeld van fysiek, emotioneel en/of geestelijk overwicht en mishandelingen is gerezen bij de verdachte, maakt dit niet anders. Tussen het genoemde geweld jegens dieren en de tenlastegelegde verkrachtingen is naar het oordeel van het hof een te ver verwijderd verband. De verklaringen van de vriendinnen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn alle afkomstig uit één bron, te weten de aangeefster, en daarenboven onvoldoende concreet en gedetailleerd en pas jaren na de onder 3 tenlastegelegde feiten afgelegd.

Met de raadsman van de verdachte is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de afzonderlijke feiten 1 en 3 te weinig, op essentiële punten onderscheidende, overeenkomsten vertonen en te ver verwijderd verband kennen, wat betreft de aard van het delict en de wijze waarop de feiten zijn begaan, om het gebruik van de aangifte van aangeefster [benadeelde 1] en overige bewijsmiddelen van feit 1 als schakelbewijs bij feit 3 te rechtvaardigen.

Naar het oordeel van het hof is dus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 1

De raadsman heeft namens de verdediging verzocht verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrij te spreken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat aangeefster [benadeelde 1] tegen haar wil seksuele handelingen heeft ondergaan, laat staan dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de seks vrijwillig was, zich in het dossier onvoldoende steunbewijs bevindt voor verkrachting, de verklaring van aangeefster op cruciale onderdelen niet betrouwbaar is nu zij vaker ruige seks hadden, en het ontstane letsel aan de anus door de rapportage van forensisch arts [naam 1] van 28 oktober 2019 even waarschijnlijk is bij een hypothese van onvrijwillige als bij vrijwillige seks.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verklaringen van de aangeefster [benadeelde 1] zijn op essentiële onderdelen consistent en gedetailleerd. Bovendien vinden zij op relevante onderdelen (ook waar die niet direct zien op het tenlastegelegde, maar op de door de aangeefster geschetste context daarvan) bevestiging in ander bewijsmateriaal. Zo sluit haar verklaring, wat betreft de verrichte seksuele handelingen, allereerst grotendeels aan bij hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard bij de politie en ter terechtzitting. Zowel de aangeefster als de verdachte hebben verklaard -kortgezegd- dat sprake was van orale, vaginale en anale seks waarbij sprake was van vastbinden met en gebruik van (duct)tape en het laten lopen van ontlasting.

Ook komen de verklaringen van de aangeefster en de verdachte overeen voor zover dit de gang van zaken voorafgaand aan het tenlastegelegde betreft.

Zo heeft de aangeefster verklaard dat de relatie tussen haar en de verdachte eind januari verbroken is en zij op 8 februari 2017 hadden afgesproken bij de aangeefster thuis. Daar hebben zij cupcakes gemaakt voor de verjaardag van haar zoon de dag erna. Zij zijn vervolgens in de auto van aangeefster naar het huis van de verdachte gegaan om een vloerkleed en nog wat spullen weg te brengen. In de auto kregen zij ruzie. In zijn woning vroeg de verdachte haar naar zijn slaapkamer te lopen en daar liet hij een brief zien waarin stond dat hij binnenkort uit zijn woning zou worden gezet.

Dit vindt bevestiging in hetgeen de verdachte daarover bij de politie en ter terechtzitting bij het hof heeft verklaard, te weten, dat hij en de aangeefster op 8 februari 2017 hadden afgesproken, ze in verband met de verjaardag van de zoon van aangeefster cupcakes hebben gemaakt, zij hem, met een tapijt, om 21:00 naar huis bracht en zij mee naar boven ging.

Opvallend is dat de verdachte pas in zijn tweede politieverhoor – nadat hij ermee werd geconfronteerd – heeft verklaard over de ontlasting van de aangeefster waarmee de seks eindigde, terwijl dat kennelijk – zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – voor hem een belangrijk moment was van de seks en een reden om ermee te stoppen.

Voorts vormen de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] , de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de getuige [getuige 6] met betrekking tot de (lichamelijke/geestelijke) toestand, waarin de aangeefster verkeerde kort na het tenlastegelegde, een ondersteuning van de verklaringen van de aangeefster.

De getuige [getuige 4] heeft in dit verband – voor zover relevant en zakelijk weergeven – het volgende verklaard:

[benadeelde 1] belde mij op 8 februari 2017 om 22.26 uur. Toen ze belde zat ze net een paar minuten in de auto. Ze zei dat [verdachte] haar had verkracht en vastgebonden, en dat ze niet weg mocht. Ik hoorde dat [benadeelde 1] heel hard moest huilen en in paniek was. Ik ben meteen naar haar toe gegaan. Ik kwam rond 23.00 uur bij haar aan. Ik zag dat [benadeelde 1] aan het huilen was. Haar haar zat in de war door de tape die daar had gezeten. Ik zag aan haar gezicht waar de tape had gezeten. Ik zag de afdruk van de rand van de tape zitten, van haar oor naar haar andere oor over haar mond heen. De dikste afdruk zag ik op haar wangen en een dunne afdruk van de tape zag ik boven haar lip. Ik zag een pluk haar overeind staan waar lijm in zat. Die lijm was van die tape. Ik zag nog losse haren die van haar hoofd vielen. Ze zei tegen mij wat er was gebeurd, maar veel minder overzichtelijk dan daarna toen ze weer bijkwam.

Getuige [getuige 5] heeft daarover – voor zover relevant en zakelijk weergeven – bij de politie het volgende verklaard:

Op 8 februari 2017 zag ik dat [benadeelde 1] mij gebeld had. Ik heb haar meteen teruggebeld. Ik hoorde dat [benadeelde 1] volledig in paniek was. Ik hoorde haar hijgend praten. Ik hoorde haar zeggen “ [verdachte] heeft mij verkracht. Ik rij nu weg. Ik moet naar [naam 2] ”(het hof: de zoon van de aangeefster). Ik kwam rond 23.00 uur bij haar woning aan. [benadeelde 1] was lijkbleek en afwezig. Ik kan mij nog herinneren dat haar gezicht en armen en enkels rood waren. [benadeelde 1] zei dat dit kwam door de tape. Zij bleef maar zeggen dat het zo’n pijn deed. De volgende dag zag je ook blauwe plekken van vingertoppen in haar arm staan, was haar hele lichaam stijf en deden haar vagina en anus pijn. Haar anus bloedde ook.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben daarover – voor zover relevant en zakelijk weergeven – in hun proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2017 het volgende verklaard:

Wij kwamen op 8 februari 2017 omstreeks 23:35 ter plaatse bij de woning [adres 1] .

Wij hebben bij [benadeelde 1] het volgend letsel waargenomen. Wij zagen op beide wangen van [benadeelde 1] rechtlijnige indrukken. Deze rechtlijnige indrukken lopen vanaf de oren richting de mond. In de nek ter hoogte van de luchtpijp zijn rode vlekken zichtbaar. Aan de onderkant van de kin zijn rode striemen zichtbaar. Op beide polsen zijn meerdere horizontalen rode striemen zichtbaar. Deze striemen lopen rondom tot ongeveer de elleboog. Op beide onderbenen zijn horizontale rode striemen en rode verkleuring van haar huid te zien.

Op 9 februari 2017 hebben wij omstreeks 00:16 toiletpapier in het toilet veiliggesteld.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij bloed en ontlasting zag op dat stuk wc papier, waarvan [benadeelde 1] had gezegd dat dit van haar was.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft – voor zover relevant en zakelijk weergeven – in het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2017 aanvullend het volgende verklaard:

Ik kwam op 8 februari 2017 ter plaatse aan op het adres [adres 1] . In de woning van [benadeelde 1] merkte ik dat een gespannen emotionele sfeer hing. Ik merkte dat [benadeelde 1] erg verdoofd was van emoties. Ik zag dat [benadeelde 1] gedurende het gehele gesprek trilde. Ik voelde dat [benadeelde 1] gedurende het gesprek meerdere malen mijn hand vast pakte. Ik voelde op deze momenten dat [benadeelde 1] erg koud was en dat ze trilde. Ik zag dat gedurende het gesprek meerdere malen de tranen over de wangen van [benadeelde 1] liepen. Ik zag dat [benadeelde 1] erg bang was. Ik zag namelijk dat gedurende het gesprek [benadeelde 1] erg in elkaar gedoken zat.

Getuige [getuige 6] heeft op 19 maart 2017 – voor zover relevant en zakelijk weergeven – bij de politie het volgende verklaard:

De volgende ochtend (het hof begrijpt: op 9 februari 2017) ben ik bij [benadeelde 1] geweest. Toen was ze de kluts kwijt. Toen ik in de middag terugkwam, was het heel erg en heftig. Ze lag op een bank onder een dekentje en ze kraamde zinnetjes uit. Het was een hoopje ellende. Ze was niet goed te verstaan. [naam 2] had mij verteld dat [verdachte] mama niet naar huis liet gaan en dat ze daardoor pas heel laat thuis was.

De lezing van de aangeefster wordt bovendien ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] als gerelateerd in hun proces-verbaal sporenonderzoek van 16 februari 2017.

Zij namen in de vroege ochtend van 9 februari 2017 in de toenmalige woning van de verdachte aan het adres [adres 2] , in lijn met hetgeen door de aangeefster is verklaard, het volgende waar. Aan het voeteneinde van het bed lag op een kastje een rol vezel versterkt plakband. Op het kussensloop om het rolkussen troffen zij een bruinkleurige substantie aan, die past bij de ontlasting waarover zowel de aangeefster als de verdachte hebben verklaard. Deze substantie werd ook op de sprei aangetroffen. Na het verwijderen van het sloop zagen zij op het kussen rode op bloed gelijkende vlekken en vegen. In de badkamer van het appartement zagen de verbalisanten meerdere handdoeken, waarvan twee bruinkleurige vlekken bevatte, passend bij ontlasting.

Daarnaast zijn door Forensisch GGD-arts [naam 3] , ter gelegenheid van onderzoek op 9 februari 2017 om 02.25 uur bij [benadeelde 1] -samengevat- rode huidverkleuringen aangetroffen in de hals, beide polsen, beide kuiten, op de rug en het gezicht. Voorts zijn bloeduitstortingen op de rechterkuit en een scheurwond van ongeveer 7 millimeter in de anus aangetroffen.

Deze verwondingen passen alle bij de door de aangeefster geschetste toedracht.

Dat in het, in hoger beroep opgemaakte, letselrapport van forensisch arts [naam 1] van 28 oktober 2019 wordt geconcludeerd dat het vinden van een enkelvoudige scheurwond van de anus op grond van de literatuur even waarschijnlijk is onder de hypothese van onvrijwillige als die van vrijwillige anale seks doet aan het voorgaande niet af.

Voorts vinden de verklaringen van aangeefster met betrekking tot de handelingen en de daarbij gebruikte dwang van de verdachte in enigerlei mate steun in het proces-verbaal van bevindingen van [naam 4] van 21 maart 2017. Uit onderzoek aan de Iphone van de verdachte met betrekking tot de internetgeschiedenis van 30 januari 2017 tot en met 9 februari 2017 blijkt dat de verdachte in die, onmiddellijk aan de tenlastegelegde datum voorafgaande, dan wel direct daarop volgende periode, 172 pornografische websites heeft bezocht. Kenmerkend was volgens de politie dat het merendeel van de betreffende video’s harde en grove seks laten zien. Veel van deze video’s laten anale penetratie zien. Bij een aantal video’s is te zien dat vrouwen zijn vastgebonden. Ook zijn meerdere video’s met in scene gezette verkrachtingen beschreven, zoals een door de politie beschreven video “forced to do anal”. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte geïnteresseerd is in (het bekijken van video’s waarin onder meer sprake is van) verkrachtingen.

Uit een proces-verbaal bevindingen van [naam 4] van 3 mei 2017 blijkt voorts dat de verdachte op 9 februari 2017, kort na het tenlastegelegde incident, een pornowebsite heeft bezocht en een video heeft aangeklikt, waarop te zien is dat een vrouw op haar rug vastgebonden ligt en vaginaal en anaal gepenetreerd wordt.

Nu de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar worden geacht en deze op wezenlijke onderdelen, ook daar waar het de toedracht van het tenlastegelegde incident betreft, worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zal het hof van haar lezing van de feiten en omstandigheden uitgaan. Het hof acht dan ook het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof het scenario van de verdachte, inhoudende dat sprake was van vrijwillige seks en dat de aangeefster uit schaamte aangifte heeft gedaan, onaannemelijk acht, teminder nu niet valt in te zien dat de aangeefster, uitgaande van dat scenario de schaamtevolle gebeurtenissen willens en wetens, en in strijd met de waarheid, met derden en in het bijzonder de politie zou willen delen.

Hetgeen zijdens de verdachte overigens is aangevoerd maakt dit niet anders.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan primair om aan het Openbaar Ministerie opdracht te geven een proces-verbaal te doen opmaken met daarin een waarheidsgetrouw verslag van de video, die in het bezit is van de verdediging, waarin de verdachte en de aangeefster ‘met wederzijds plezier’ harde seks hebben, en subsidiair om te bepalen dat het beeldmateriaal in het dossier moet worden gevoegd, zodat alle procespartijen daarvan kennis kunnen nemen.

Het primaire en subsidiaire voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen. Enkel het feit dat de verdachte en de aangeefster wel eens op die manier vrijwillig seks zouden hebben gehad, betekent niet dat dat ook is gebeurd ten tijde van het tenlastegelegde. Derhalve acht het hof de beelden, dan wel de beschrijving daarvan, redelijkerwijs niet van belang (voor enige te nemen beslissing), hetzij in voor de verdachte belastende zin, hetzij in voor hem ontlastende zin.

Bewijsoverweging feit 4

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het tenlastegelegde feit bekend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 8 februari 2017 te Amsterdam, door geweld en door bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , hebbende verdachte

- meermalen, zijn, verdachtes, penis in de vagina en de anus en de mond, en eenmaal zijn hand in de vagina van die [benadeelde 1] geduwd en/of gebracht en/of gestoten

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

  • -

    meermalen de keel en/of de neus van die [benadeelde 1] heeft vastgepakt en

  • -

    de mond van die [benadeelde 1] met tape heeft dichtgeplakt en

  • -

    de polsen van die [benadeelde 1] met tape aan de enkel van die [benadeelde 1] heeft vastgemaakt en

  • -

    tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je meewerkt dan is dat voor jou beter" en "Als je meewerkt dan gebeurt er niets", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

4.
hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 augustus 2015 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte geldbedragen (totaal € 6.000,00), hierin bestaande dat verdachte met het vorengeschreven oogmerk- zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zich op [website] heeft voorgedaan als bonafide verkoper/handelaar van fazantduiven en/of vruchtduiven waarbij hij, verdachte met die [benadeelde 3] had afgesproken dat er een deel van de koopsom te weten 2000 euro vooraf op een door verdachte opgegeven rekeningnummer moest worden overgemaakt en dat die [benadeelde 3] op Schiphol 4000 euro contant vooraf moest betalen om zijn duiven in ontvangst te nemen, waardoor die [benadeelde 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen onder 1 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest en oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest en oplegging van TBS met dwangverpleging.

De raadsman heeft verzocht met de strafmaat rekening te houden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht af te zien van oplegging van TBS met dwangverpleging en daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zijn medewerking geweigerd aan bijna alle gedragsdeskundige onderzoeken, waaronder die in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). De rapporteurs van die onderzoeken konden derhalve geen conclusie trekken over het classificeren van een psychische stoornis en een eventueel gelijktijdigheidsverband, waardoor geen TBS met dwangverpleging is geadviseerd. De rapporten zijn dus incompleet. Daarentegen heeft de verdachte volledig meegewerkt aan onderzoek door de psycholoog [naam 5]. Het rapport van [naam 5] is wel volstrekt helder over de afwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis en/of een stoornis op het gebied van middelen en seksualiteit. [naam 5] ziet geen pathologisch gedreven recidiverisico, dat overigens klein wordt geacht en hij acht de verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen vrijheidsbenemende straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op vernederende en brute wijze schuldig gemaakt aan de verkrachting van zijn ex-vriendin. Hij heeft haar, nadat hij haar zijn slaapkamer had ingelokt, met (duct)tape vastgebonden en hij is, door gebruik van geweld en bedreiging van geweld op verschillende wijzen haar lichaam seksueel binnengedrongen. De verdachte heeft hiermee een voor het slachtoffer zeer intimiderende, vernederende en angstige situatie geschapen en een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij de grenzen van het slachtoffer niet heeft gerespecteerd, haar als een object heeft behandeld en enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gevoelens en behoeften. Het slachtoffer zal nog lange tijd de herinnering aan deze voor haar zeer ingrijpende en onplezierige gebeurtenis met zich moeten dragen en is gediagnosticeerd met PTSS waarvoor zij therapie krijgt.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting. Hij heeft het slachtoffer op geraffineerde en slinkse wijze € 6.000,00 afhandig gemaakt. Met zijn brutale en gewiekste handelwijze heeft hij een grove inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat een online fokker/potentiële koper in online verkopers moet kunnen stellen. Naast financiële schade brengt een feit als het onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg, niet alleen bij het slachtoffer zelf, maar ook in de samenleving.

De houding van de verdachte ten aanzien van met name het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf, zoals die blijkt uit zijn mededelingen over dit feit ter terechtzitting bij het hof geeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat hij wil proberen in de toekomst zijn gedrag te veranderen.

Alles afwegende ligt dan ook geen andere straf dan gevangenisstraf – en wel van aanzienlijke duur – in de rede. In het licht van het voorgaande en de ernst van het feit acht het hof, alles afwegende, de nagenoemde gevangenisstraf passend en geboden.

Redelijke termijn

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. Namens de verdachte is op 2 mei 2018 hoger beroep ingesteld, waarna het dossier bij het hof is binnengekomen op 28 december 2018. Op de eerste regiezitting in hoger beroep van 15 mei 2019 zijn de onderzoekswensen van de verdediging behandeld en toegewezen, waarna drie getuigen bij de raadsheer-commissaris moesten worden gehoord en een nieuw psychiatrisch onderzoek bij de verdachte moest worden afgenomen. Vervolgens vond op 14 augustus 2020 een nieuwe regiezitting plaats, waarin een nieuw verzoek van de verdediging om een getuige te horen werd toegewezen. Van het horen van deze getuige is door de verdediging uiteindelijk afgezien. Ook is in hoger beroep op verzoek van de verdediging een nader forensisch medisch onderzoek gelast, en heeft door tussenkomst van het NIFP op verzoek van de verdachte een psychologisch onderzoek plaats gevonden door de deskundige [naam 5].

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel, gelet op de bijzondere omstandigheid in deze zaak, te weten het omvangrijke aanvullend onderzoek in hoger beroep en het aandeel van de verdediging daarin, dat de redelijke termijn niet is overschreden.

TBS met dwangverpleging

Daarnaast ziet het hof zich gesteld voor de vraag of naast de oplegging van een gevangenisstraf ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van TBS met dwangverpleging, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

De maatregel TBS met dwangverpleging kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit, voorzover hier van belang, een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Voor oplegging van de maatregel is voorts ingevolge het bepaalde in artikel 37, tweede lid, Sr vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Het tweede lid blijft van artikel 37 Sr blijft echter ingevolge het derde lid van deze bepaling buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek.

Weigerende observandus

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een gedragsdeskundige onderzoek als bedoeld in artikel 37, tweede lid, Sr. De verdachte heeft stelselmatig geweigerd mee te werken aan rapportages, met uitzondering van onderzoek door de psycholoog [naam 5] Het hof tekent daarbij aan dat de verdachte de deskundigen geen openheid van zaken geeft door hen uitsluitend toe te staan contact te zoeken met enkele personen die hij daartoe ‘uitzoekt’ en daarmee voorwaarden aan zijn medewerking verbindt. Daarmee ontneemt hij de deskundigen de mogelijkheden hun observaties en waarnemingen te checken, waardoor over zijn psychische gesteldheid geen compleet beeld kan worden gevormd. Dit geldt voor zowel de rapporten opgemaakt naar aanleiding van de opname van de verdachte in het PBC, als voor het rapport van [naam 5], aangezien ook daar bepaalde referenten niet mochten worden gehoord. Weliswaar heeft de verdachte bij [naam 5] meegewerkt door zeven gesprekken met de psycholoog te hebben en mee te doen aan klachtenlijsten en persoonlijkheidsvragenlijsten, maar de interpretatie van [naam 5] is er één die – naar het hof oordeelt – ingekleurd is door de mededelingen van de verdachte zelf. Het rapport bevat veel citaten van de verdachte. De conclusie van de deskundige dat er bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke/persoonlijkheidsstoornis, en er geen gevaar is voor herhaling, is daarmee onvoldoende onderbouwd. Deze conclusies zal het hof daarom terzijde stellen.

Ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling ten tijde van het bewezenverklaarde

Over de persoon van de verdachte zijn diverse rapporten opgemaakt die zich in het dossier bevinden.

Het hof heeft acht geslagen op de volgende rapporten:

  • -

    het reclasseringsadvies van 7 april 2010, opgesteld door Tactus Verslavingszorg;

  • -

    het reclasseringsadvies van 24 augustus 2011, opgesteld door Tactus Verslavingszorg;

  • -

    het verslag van 11 november 2011, opgesteld door [naam 6], psychiater en psychoanalyticus;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 5 december 2011, opgesteld door [naam 7], klinisch psycholoog;

  • -

    het reclasseringsadvies van 3 februari 2012, opgesteld door Tactus Verslavingszorg;

  • -

    een officiële waarschuwing van 17 juni 2016, opgesteld door Inforsa;

  • -

    het consult strafrechtspleging van 5 april 2017, opgesteld door [naam 8], psychiater;

  • -

    het reclasseringsadvies van 7 juni 2017, opgesteld door Reclassering Nederland;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (locatie Lelystad) van 17 november 2017 over de zaak [zaak] ;

  • -

    het NIFPP-rapport van 19 december 2017, opgesteld door [naam 9], klinisch psycholoog en [naam 10], psychiater;

  • -

    het reclasseringsadvies van 22 maart 2018, opgesteld door Reclassering Nederland;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 19 april 2019, opgesteld door [naam 5], psycholoog;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 31 oktober 2019, opgesteld door [naam 11], psychiater.

In lijn met en met overneming van hetgeen de rechtbank hieromtrent in het bestreden vonnis heeft overwogen, komt het hof tot de vaststelling dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten een cluster B-stoornis (antisociale, narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornis) dan wel trekken daarvan, waarvan de symptomen door [naam 9], klinisch psycholoog zijn vastgesteld en beschreven onder meer in haar verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 april 2018. Het hof betrekt hierbij, evenals de rechtbank, hetgeen in de rapporten is overwogen over het opgroeien van de verdachte in een onveilig gezinsklimaat, waarin sprake was van agressie naar hem toe en huiselijk geweld door zijn vader en stiefvader; de beschrijving daarin van de verdachte als een man met meerdere gezichten die ook in het verloop van de relaties charmerend en relatiegericht afwisselt met heftige agressieve gedragingen, claimend, roekeloos en opportunistisch gedrag vertoont, waarbij empathisch vermogen lijkt te ontbreken, als ook de in de rapporten terugkomende meldingen van (huiselijk) geweld. De deskundigen [naam 9] en [naam 10] hebben in hun conclusie in het PBC-rapport en ter terechtzitting in eerste aanleg aangegeven op basis van hun bevindingen uit het dossier een vermoeden te hebben van borderlinedynamiek met een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis, vallend onder een cluster B-stoornis. ‘Sterke stemmingswisselingen in de relaties en agressief gedrag, het pijnigen van huisdieren, het feit dat de verdachte nooit een stabiele maatschappelijke arbeidsplek heeft gehad of nooit een opleiding heeft afgerond, zijn aanwijzingen voor zo’n persoonlijkheidsstoornis’, aldus de deskundige [naam 9] ter terechtzitting in eerste aanleg. De deskundige [naam 10] wijst in zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op een aantal trekken die in de PCL-R staan, die niet afgenomen kon worden, maar hij wel uit het dossier heeft afgeleid: liegen, dreigen, geweld gebruiken, gevoelig zijn voor krenking en afwijzing, overlappende relaties, woedeaanvallen hebben, dieren pijn doen en dode, op kosten van partners leven, vaak door conflicten baantjes verliezen en een roekeloze levensstijl. De geweldsdelicten in het verleden, hetgeen het hof heeft overwogen over feit 1 en de omstandigheden met betrekking tot de persoon van de verdachte in relatie tot de straf/ maatregel-oplegging, als ook het feit dat de verdachte zich niet wenst te laten behandelen en geen probleeminzicht heeft, geven een gevaar voor herhaling.

De eenduidige pathologische duiding die ondanks die beperkingen door de deskundigen aan de gedragingen van de verdachte volgens hun verklaarde overtuiging is gegeven, terwijl zij, hoewel geconfronteerd met de ten gevolge van de weigering van de verdachte ontstane methodologische beperkingen, niettemin ruimte zien en ook nemen om de zich aan hen als deskundigen opdringende gedachte aan het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline problematiek bij de verdachte met zoveel woorden uit te spreken, vormt naast hetgeen hiervoor is weergeven de kern voor de vaststelling van het hof. De enkele omstandigheid dat de deskundigen de finale stap naar een harde conclusie niet hebben kunnen maken, doet daaraan niet af. Als de bevindingen en conclusies van gedragskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap kunnen verantwoorden, is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of sprake is van een stoornis in de zin van artikel 37a Sr.

Op grond van hetgeen hier voor is overwogen stelt het hof vast dat bij de verdachte ten tijde van het onder 1 ten laste en bewezenverklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Misdrijf met een wettelijke omschrijving van een gevangenisstraf van vier jaar of meer

Het onder 1 bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Algemene veiligheid van personen

Het hof acht het niet verantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de samenleving, gelet op de ernst en de aard van het onder 1 bewezenverklaarde feit, hetgeen hiervoor is overwogen, en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte geen zelfinzicht heeft getoond en zich niet ontvankelijk heeft verklaard voor hulp en behandeling. Reclassering Nederland heeft mede hierom gerapporteerd geen mogelijkheden te zien voor reclasseringsbemoeienis. Voorts is de verdachte reeds eerder, bij onherroepelijk geworden vonnis van 23 februari 2012 van de (toenmalige) rechtbank Zwolle veroordeeld voor, onder meer, een ernstig geweldsmisdrijf. Minder vergaande alternatieven dan TBS met dwangverpleging om het aanwezig geachte herhalingsgevaar te verminderen of tegen te gaan zijn niet naar voren gekomen. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de algemene veiligheid van personen de oplegging van TBS met dwangverpleging eist.

Conclusie

Het hof stelt concluderend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan: bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, de door hem gepleegde verkrachting betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de algemene veiligheid van personen en goederen vereist oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Verkrachting is een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is.

Beslag

Het hof zal bepalen dat nagenoemde goederen moeten worden teruggegeven aan de rechthebbenden op de wijze als hieronder weergegeven. Nu vernietiging van het beslagene rechtens niet mogelijk is, gaat het hof ervan uit dat het openbaar ministerie gelet op het in eerste aanleg door de rechthebbende gedane verzoek, met instemming van de rechthebbende het beslag zal teruggeven door het te vernietigen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.685,59, bestaande uit € 5.685,59 aan materiële schade en

€ 25.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente.

De bij de rechtbank gevorderde materiële schade bestond uit de volgende kostenposten:

  1. Reiskosten divers € 312,17

  2. Kosten vervanging sloten € 238,50

  3. Kosten cancelen ticket zoon € 118,50

  4. Schade aan de kleding € 162,24

  5. Medische kosten, eigen bijdrage, therapie € 985,00

  6. Forfaitaire kosten telefonie € 50,00

  7. Toekomstige kosten (waaronder begrepen € 3.819,18

kosten rechtsbijstand)

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.578,89, bestaande uit € 1.578,89 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering met dien verstande dat de advocate van de benadeelde partij, naar het hof begrijpt, ter terechtzitting van het hof van 4 mei 2021, onder verwijzing naar een aanvulling schadestaat eerste aanleg:

  • -

    gespecificeerd heeft aangegeven welke (naar het hof begrijpt: niet als kosten van rechtsbijstand te duiden) van de hierboven onder g als toekomstige kosten (naar het hof begrijpt: niet zijnde de kosten van rechtsbijstand) inmiddels zijn gerealiseerd;

  • -

    heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover dit de resterende, hieronder onder kostenpost g2 aangeduide kostenposten betreft;

  • -

    heeft verzocht de hierboven onder a aangeduide reiskosten voor zover deze betrekking hebben op het bijwonen van rechtszittingen, rechtsbijstand en slachtofferhulp (het hof begrijpt: reiskosten ter hoogte van een totaal bedrag van 96,91) (alsnog) aan te merken als proceskosten.

De vordering in hoger beroep bestaat derhalve, gelet op het voorgaande, naar het hof begrijpt uit de volgende schadeposten:

a. Diverse reiskosten € 215,26

(reiskosten die geen betrekking hebben op rechtszittingen,

rechtsbijstand en slachtofferhulp : €312,17 minus 96,91)

Kosten vervanging sloten € 238,50

Kosten cancelen ticket zoon € 118,50

Schade aan de kleding € 162,24

Medische kosten, eigen bijdrage, therapie € 985,00

Forfaitaire kosten telefonie € 50,00

g1. Vanaf datum vonnis gerealiseerde therapiekosten € 1.480,00

g2. Toekomstige therapiekosten € 161,18

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding moet worden toegewezen tot een bedrag van € 16.417,71, bestaande uit een bedrag van € 1.417,71 als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 15.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de raadsman het hof ter terechtzitting in hoger beroep, zo verstaat het hof zijn betoog, ten aanzien van de opgevoerde materiële schade verzocht om de kosten die verband houden met (de onderbouwing van) de vordering dan wel de voegingsprocedure aan te merken als proceskosten ten aanzien hiervan evenmin de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voorts heeft de verdediging verzocht de vergoeding voor immateriële schade aanzienlijk te matigen.

Het oordeel van het hof

Materiële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.249,50 (bestaande uit de hierboven gespecificeerde, in hoger beroep gevorderde schadeposten met uitzondering van schadepost g2), zulks gelet op de onderbouwde en gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte niet zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Daarbij merkt het hof op dat, zoals hiervoor reeds aangegeven, schadepost a – naar het hof begrijpt – conform het verzoek van de benadeelde partij in hoger beroep alsnog is verlaagd tot het hiervoor genoemde bedrag van € 215,26 en schadepost g1 ziet op het hierboven aangegeven, kennelijk aangepaste bedrag.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 15.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending. De verdachte heeft op grove en indringende wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Zij heeft daarbij bovendien lichamelijk letsel bekomen. Het hof heeft eveneens gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Het hof zal de vordering voor immateriële schadevergoeding voor het meerdere afwijzen.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De toe te wijzen bedragen zullen – als gevorderd – worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Het hof stelt deze begindatum vast op de datum van het gepleegde feit voor de immateriële schade en de datum van het indienen van de vordering voor de materiële schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Proceskosten

Omtrent de gevorderde proceskosten stelt het hof voorop dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding daarvan af te wijken.

Uitgaande van het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven (geldend vanaf 1 februari 2021) en het daarin genoemde tarief III (behorend bij een gevorderde hoofdsom van € 20.000 tot € 40.000), begroot het hof de kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg op € 2.884,00 en in hoger beroep op € 2.884,00. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 5.768,00. Het bedrag in eerste aanleg is als volgt opgebouwd:

€ 721,00 per punt x 4 punten (1 punt voor het indienen van de vordering, 2 punten voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 18 en 21 januari 2019, alsmede 1 punt voor het houden van het pleidooi). Het bedrag in hoger beroep is als volgt opgebouwd: € 1.442,00 per punt x 2 punten (1 punt voor het bijwonen van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep op 4 mei 2021 en 1 punt voor het houden van het pleidooi). De verdachte zal in zoverre in de proceskosten van de benadeelde partij worden veroordeeld.

Ten aanzien van de, aanvankelijk in de vordering benadeelde partij hierboven onder a opgevoerde reiskosten die betrekking hebben op rechtszittingen, rechtsbijstand en slachtofferhulp die thans als proceskosten worden opgevoerd overweegt het hof als volgt.

De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld (vgl. HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Deze reiskosten worden daarom afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.118,10, bestaande uit € 1.118,10 aan materiële schade en

€ 25.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.718,28, bestaande uit € 718,28 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 3 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 5.500,00 . De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal – als gevorderd – worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 242 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2017029438 3 1.00 STK Toiletartikel - 5334589; toiletpapier.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2017029438 2 1.00 STK Ondergoed - 5334807.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.249,50 (achttienduizend tweehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 3.249,50 (drieduizend tweehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 5.768,00 (vijfduizend zevenhonderdachtenzestig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 18.249,50 (achttienduizend tweehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 3.249,50 (drieduizend tweehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 126 (honderdzesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente

voor de materiële schade op 30 maart 2018

en van de immateriële schade op 18 februari 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 augustus 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.F. Groos en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 mei 2021.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]