Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
200.284.583/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder vanwege gewichtige redenen en benoeming nieuwe bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.284.583/01

zaaknummers rechtbank: 8333989 EB VERZ 20-2012 / BM 24665 en

8333993 EB VERZ 20-2013 / BM 24666

beschikking van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 inzake

1 [appellante sub 1] ,

2. [appellant sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J. Schouten te Amsterdam,

hierna te noemen: appellanten.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- Toekomst Bewindvoeringen B.V. te Tholen (hierna te noemen: de bewindvoerder).

Als informant is aangemerkt:

- [de informant] , vennoot van en handelend onder de naam [X] V.O.F. (hierna te noemen: [de informant] ) te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de kantonrechter) van 16 juli 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Appellanten zijn op 14 oktober 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 16 juli 2020.

2.2

Bij het hof is voorts ingekomen:

- een brief van de zijde van de bewindvoerder van 27 november 2020 met bijlagen, ingekomen op 30 november 2020;

- een journaalbericht van de zijde van appellanten van 12 maart 2021 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2021 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen:

- mr. J. Schouten, namens appellanten;

- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;

- [de informant] .

Appellanten zijn niet in persoon ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Appellanten wonen samen met hun twee meerderjarige kinderen, te weten [kind 1] , geboren [in] 1998 en [kind 2] , geboren [in] 1990.

3.2

Bij twee afzonderlijke beschikkingen van 3 september 2018 heeft de kantonrechter, over de goederen die appellanten toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld als gevolg van het hebben van problematische schulden, met benoeming van Toekomst Bewindvoeringen B.V. tot bewindvoerder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van appellanten, strekkende tot ontslag van de bewindvoerder en tot benoeming van een andere bewindvoerder, afgewezen.

4.2

Appellanten verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek tot ontslag van de bewindvoerder toe te wijzen met ingang van twee weken na de beschikking van het hof en eveneens met ingang van twee weken na deze beschikking [de informant] te benoemen tot opvolgend bewindvoerder.

4.3

De bewindvoerder heeft verweer gevoerd en verzoekt - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan de orde is de vraag of de kantonrechter terecht en op goede gronden het verzoek van appellanten tot ontslag van de bewindvoerder heeft afgewezen, en zo nee, of [de informant] dient te worden benoemd tot bewindvoerder van appellanten.

5.2

Op grond van artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bewindvoerder door de rechter ontslag worden verleend met ingang van een door deze bepaalde dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van de medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

Op grond van 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

5.3

Appellanten hebben aangevoerd dat de communicatie tussen hen en de bewindvoerder volledig ontbreekt en zij hebben geen vertrouwen dat de bewindvoerder hun belangen op de juiste wijze behartigt. Zij hebben het gevoel dat de bewindvoerder continu dreigt met allerlei maatregelen. De hele situatie brengt veel stress met zich, waardoor zelfs medische klachten verergeren.

Zij voeren daarnaast aan dat de bewindvoerder de taken als bewindvoerder niet of niet naar behoren uitvoert. Volgens appellanten zijn sinds 2019 fricties ontstaan, omdat de bewindvoerder wenst dat hun dochter en zoon kostgeld gaan betalen. De zoon studeert en heeft een bijbaan zodat van hem niet gevergd kan worden dat hij € 250,- kostgeld betaalt aan appellanten.

Appellanten ontvangen sinds 2020 geen leefgeld meer en hebben daarom aan hun dochter, die een WIA-uitkering ontvangt, gevraagd kostgeld contant aan hen te betalen, zodat zij nog enig geld hebben om boodschappen van te doen. Appellanten vinden dat de bewindvoerder onvoldoende inzage en inzicht geeft in hun boekhouding. Zij hadden zelf om bewindvoering verzocht om geholpen te worden bij de toegang tot schuldsanering. Het door de bewindvoerder daartoe opgestelde budgetplan van november 2020 is echter niet juist. Als inkomen is de WIA-uitkering van [appellant sub 2] daarin opgenomen na aftrek van de inhoudingen vanwege loonbeslag. Vervolgens zijn de schulden waarvoor beslag is gelegd ten onrechte wederom in mindering gebracht als uitgave. Als dit budgetplan is ingediend bij een verzoek tot schuldsanering, dan leidt dat logischerwijs tot afwijzing, omdat er meer uitgaven zijn dan inkomsten. Appellanten menen dat er voldoende financiële middelen zijn om alle vaste lasten te voldoen. Verder vragen appellanten zich af of de bewindvoerder ervoor heeft gezorgd dat bij de beslaglegging op de uitkering van de man bij het UWV met de juiste beslagvrije voet is gerekend.

Appellanten zien de schulden alleen maar verder oplopen. Zo blijkt onder meer dat sinds mei 2020 geen energiekosten meer zijn voldaan. Op 13 augustus 2020 is de bewindvoerder door de advocaat van appellanten hierop aangesproken toen afsluiting van gas en stroom dreigde. Vervolgens is twee maanden geen actie ondernomen en heeft de advocaat op 20 oktober 2020 wederom de bewindvoerder aangeschreven. Op 26 oktober 2020 bleek pas dat de bewindvoerder een nieuw leveringscontract had afgesloten. De energielasten worden eerst vanaf november 2020 weer afgeschreven. Appellanten zijn van mening dat de bewindvoerder had moeten opmerken dat de energielasten al geruime tijd niet werden afgeschreven.

Het overstappen naar een nieuwe bewindvoerder zal volgens appellanten wel degelijk verandering brengen in de situatie. [de informant] heeft het vertrouwen van appellanten. Hierdoor zullen weer afspraken mogelijk zijn en kan een beter financieel plan gemaakt worden, aldus appellanten.

5.4

De bewindvoerder betwist dat zij haar taken als bewindvoerder niet naar behoren uitvoert.

De bewindvoerder heeft appellanten reeds in augustus 2019 voor het minnelijke schuldhulpverleningstraject aangemeld bij Civic Amsterdam (hierna: Civic). In verband met de aanvraag moesten onder meer de kostgeldverklaringen van hun inwonende kinderen worden overgelegd. Appellanten hebben nagelaten de kostgeldverklaring van hun zoon te verstrekken. De dochter heeft deze verklaring op 6 oktober 2019 opgesteld. Zij heeft echter slechts één keer € 250,- betaald, op 16 oktober 2019.

Appellanten hebben tot januari 2020 op een aantal keren na hun leefgeld van € 90,- per week ontvangen. De reden dat het leefgeld daarna niet is betaald, was omdat er onvoldoende geld op hun beheerrekening stond, terwijl de vaste lasten betaald moesten worden. De uitgaven van appellanten liggen namelijk structureel ruim € 400,- per maand hoger dan de inkomsten. Daarom heeft de bewindvoerder met appellanten in september 2019 de afspraak gemaakt dat de inwonende kinderen iedere maand hun kostgeld naar de beheerrekening overmaken. Het gaat om € 250,- per kind, dus in totaal € 500,- per maand. Deze afspraak is door appellanten niet nageleefd. Als het gezamenlijke kostgeld wordt overgemaakt dan is er geen tekort meer in het budgetplan.

Het zijn volgens de bewindvoerder juist appellanten die het werk van de bewindvoerder hebben belemmerd door de gemaakte afspraken niet na te komen, niet te reageren op de e-mailberichten en de post niet direct door te sturen. Omdat appellanten hardnekkig bleven weigeren met de bewindvoerder mee te werken, konden zij niet tot het minnelijke schuldhulpverleningstraject toegelaten worden. Het succes van bewindvoering in het algemeen en het succes van het minnelijke schuldhulpverleningstraject in het bijzonder kan alleen bereikt worden als zij met de bewindvoerder samenwerken door gemaakte afspraken na te komen. Dit probleem kan niet worden opgelost door van bewindvoerder te veranderen. Een andere bewindvoerder zal het probleem, gelet op de aard ervan, niet kunnen oplossen. Bovendien kunnen appellanten de kosten van hun overstap niet betalen, mede gelet op de onbetaalde rekening van meer dan € 1.200,- die hun advocaat hun heeft gepresenteerd, aldus de bewindvoerder.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Appellanten missen door de werkwijze van de bewindvoerder het financiële overzicht. Ook het hof constateert dat de door de bewindvoerder verstrekte informatie en toelichting tekortschiet. Zo roept het door de bewindvoerder gemaakte budgetplan van november 2019 in combinatie met de uitkeringsspecificaties vragen op. In laatstgenoemd budgetplan wordt gerekend met een inkomen van [appellant sub 2] van € 781,50 netto per maand, terwijl uit de uitkeringsspecificatie van 14 januari 2019 een netto inkomen volgt van € 1.096,86 per maand, nadat reeds een bedrag van € 124,09 door de Dienst werk en inkomen en een bedrag van € 138,50 door het CAK terzake zvw vanwege een beslag is ingehouden. Gesteld noch gebleken is dat de WIA-uitkering van [appellant sub 2] is verlaagd, zodat dit het lage netto-inkomen waarmee de bewindvoerder rekent niet kan verklaren. Vervolgens wordt in het budgetplan onder het kopje “Uitgaven” een post “inhoudingen uitkering [appellant sub 2] van € 488,03 per maand” afgetrokken. Deze post is niet nader gespecificeerd. Het vermoeden bestaat dat de bewindvoerder de bedragen waarvoor onder het UWV beslag is gelegd in haar berekeningen ten onrechte tweemaal in mindering brengt op de inkomsten van appellanten: eenmaal bij de berekening van de netto-uitkering en nog eens als uitgave die van het netto-inkomen gedaan moet worden. De bewindvoerder kon ter zitting in hoger beroep desgevraagd niet uitleggen hoe zij tot de berekening van de hiervoor vermelde inkomsten en uitgaven was gekomen. Uit de stukken in het dossier is daarvoor evenmin een verklaring of onderbouwing te vinden. Dit klemt temeer nu de bewindvoerder uit haar berekeningen van inkomsten en uitgaven van appellanten de conclusie heeft getrokken dat appellanten maandelijks ruim

€ 400,- tekort komen als zij geen kostgeld van hun kinderen ontvangen. Bovendien hebben deze berekeningen in januari 2020 zelfs tot stopzetting van betaling van het leefgeld van € 90,- per week geleid. Van de bewindvoerder mag onder deze omstandigheden verwacht worden dat zij een duidelijke toelichting op haar berekeningen kan geven, maar deze ontbreekt.

Daarnaast is onvoldoende duidelijk geworden of de bewindvoerder het hiervoor besproken budgetplan of een eerder over de periode 1 tot met 31 maart 2020 opgesteld budgetplan aan Civic heeft gezonden voor de aanvraag van het schuldhulpverleningstraject. Uit de door de bewindvoerder overgelegde stukken blijkt bovendien niet hoe de schuldhulpverlenings-aanvraag is verlopen na het e-mailbericht van 7 april 2020 van Civic waarin is aangegeven dat het belangrijk is dat alle financiën op orde zijn en dat Civic met de bewindvoerder in contact wil komen over de verdere stappen. De bewindvoerder kon het hof niet vertellen wat het vervolg op deze e-mail is geweest en of zij met Civic contact heeft opgenomen, dit blijkt ook niet uit de stukken in het dossier. Voor de stelling van de bewindvoerder dat het schuldhulpverleningstraject is afgewezen, onder meer omdat de zoon van appellanten geen kostgeldverklaring heeft willen tekenen, is geen onderbouwing in de overgelegde stukken te vinden.

De bewindvoerder heeft met betrekking tot het ontstaan van de nieuwe schuld aan de energieleverancier enkel aangevoerd dat appellanten de post van Liander van april 2020 niet direct hebben doorgestuurd. Uit de door de bewindvoerder overgelegde bankafschriften van de beheerrekening over de periode 1 mei 2020 tot en met eind november 2020 blijkt echter dat er vanaf mei 2020 tot 10 november 2020 geen energiekosten zijn afgeschreven. Bovendien had de advocaat van appellanten de bewindvoerder al bij e-mail van 13 augustus 2020 gewezen op mogelijke problemen met de energielevering. Gelet hierop en op het risico dat wanbetaling van de energierekening tot afsluiting van gas en stroom kan leiden, mocht van de bewindvoerder worden verwacht dat zij eerder actie had ondernomen.

Op 27 november 2020 bedroeg de totale schuldenlast € 138.605,85. Op dit moment ligt voor zover voor het hof is na te gaan de gehele aanpak van de schuldenproblematiek stil, lopen de schulden verder op, ontvangen appellanten al meer dan een jaar geen leefgeld meer en is onbekend wat de stand van zaken in het schuldhulpverleningstraject is. Voorts is op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat de communicatie tussen de bewindvoerder en appellanten en het vertrouwen van appellanten in de bewindvoerder inmiddels totaal ontbreekt. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen tot ontslag van de bewindvoerder. Dat met de benoeming van een nieuwe bewindvoerder kosten gemoeid gaan, doet daaraan niet af. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en de bewindvoerder ontslaan.

5.6

Het hof zal [de informant] als nieuwe bewindvoerder benoemen, nu appellanten dit hebben verzocht, [de informant] zich bereid heeft verklaard benoemd te worden tot bewindvoerder en van gegronde redenen die zich tegen zijn benoeming verzetten niet is gebleken.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw beschikkende:

ontslaat met ingang van twee weken na heden Toekomst Bewindvoeringen B.V. te Tholen als bewindvoerder over de goederen die appellanten toebehoren of zullen toebehoren;

benoemt met ingang van twee weken na heden, [de informant] vennoot van en handelend onder de naam [X] V.O.F. te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , tot bewindvoerder over de goederen die appellanten toebehoren of zullen toebehoren;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat de griffier van dit hof een kopie van deze beschikking zal zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, Sectie Kanton, ter aantekening in het Centraal Curatele en Bewind Register.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. L.M. Coenraad, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 4 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.