Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
200.279.204/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

onderbewindstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.279.204/01

Zaaknummer rechtbank: 8259380 BM VERZ 20-55 krd

Beschikking van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 inzake

[de rechthebbende] ,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. A. Leibbrand te Heerhugowaard.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

- Stichting GGZ Noord-Holland-Noord (hierna: GGZ NHN), advocaat: mr. M.M.A. Janssen te Nijmegen;

- [de bewindvoerder] , h.o.d.n. [X] bewindvoering (hierna: de bewindvoerder);

- [de moeder] (hierna: de moeder van de rechthebbende);

- [de broer] (hierna: de broer van de rechthebbende).

Als informant is aangemerkt:

- het Openbaar Ministerie.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter), van 5 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De rechthebbende is op 4 juni 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 5 maart 2020.

2.2

GGZ NHN heeft op 22 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts op 24 november 2020 een brief van de moeder van de rechthebbende van 16 november 2020 ingekomen. Het hof heeft deze brief retour gestuurd, omdat het hof bij zijn beslissing alleen rekening kan houden met stukken die bij het hof door een advocaat zijn ingediend.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 21 december 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. J.J.C. Engels (kantoorgenoot van en waarnemend voor mr. Leibbrand);

- [Y] , namens [X] bewindvoering.

De rechthebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De moeder, de broer, GGZ NHN en de hoofd advocaat-generaal zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen.

2.5

Nadien heeft het hof getracht de rechthebbende te horen in de kliniek waar hij zou verblijven, waartoe het hof op 11 januari 2021 van mr. Engels de gegevens van de instelling van GGZ NHN in Alkmaar heeft ontvangen, maar dit is niet mogelijk gebleken omdat de rechthebbende de kliniek ongeoorloofd had verlaten en zijn plek aldaar inmiddels niet meer beschikbaar is.

2.6

Door het hof gevraagd naar de voortgang van de procedure, kwam van het kantoor van mr. Engels bij e-mail van 19 februari 2021 enkel het bericht dat het kantoor de rechthebbende niet kan bereiken.

2.7

Bij brief van 26 februari 2021 heeft het hof aan mr. Engels , mr. Janssen, de bewindvoerder en de moeder van de rechthebbende medegedeeld dat het hof voornemens is een beschikking te geven op 4 mei 2021 en hen tot 19 maart 2021 in de gelegenheid gesteld om zich ten aanzien van dit voornemen uit te laten. Het hof heeft dit voornemen niet kenbaar gemaakt aan de broer van de rechthebbende nu deze in Canada woonachtig is, voor de mondelinge behandeling is opgeroepen via de Staatscourant en niet is verschenen zonder bericht van verhindering.

Voornoemde betrokkenen hebben niet binnen de gestelde termijn gereageerd.

3 De feiten

3.1

De rechthebbende is geboren [in] 1989 te [geboorteplaats] . De rechthebbende is de zoon van [de moeder] , geboren [in] 1966, en [de vader] , geboren [in] 1961 en overleden [in] 2005.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, op verzoek van GGZ NHN, de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand en is [de bewindvoerder] , h.o.d.n. [X] bewindvoering, tot bewindvoerder benoemd.

Daarnaast is de jaarbeloning van de bewindvoerder vastgesteld overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en is de beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vastgesteld op € 543,- (exclusief btw).

4.2

De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad (voor zover mogelijk), het bewind op te heffen.

4.3

Het verweer van GGZ NHN strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of ten tijde van de bestreden beschikking gronden aanwezig waren voor onderbewindstelling van de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en zo ja, of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.

5.2

Op grond van artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.

Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW is opheffing van het bewind mogelijk indien de noodzaak voor het bewind niet langer meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken.

5.3

De rechthebbende betoogt dat het bewind ten onrechte is ingesteld, en voert daartoe onder meer het volgende aan. De rechthebbende meent voldoende in staat te zijn om zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Hij heeft altijd zijn eigen financiën verzorgd, ook al kampt hij al jaren met psychische problemen. Hij heeft nooit schulden gehad. Van verkwisting is geen sprake. De rechthebbende zou € 45.000,- in zes jaar tijd hebben uitgegeven aan uitgaan, kleding en overige, wat neerkomt op € 625,- per maand. Dit is geen ongebruikelijk bedrag. Ook is geen sprake van waanideeën. Bovendien krijgt de rechthebbende op dit moment medische hulp en ondersteuning in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. De rechthebbende stelt dat een deskundige moet worden aangewezen om onderzoek te doen naar de gronden voor de onderbewindstelling. Daarnaast had voor een lichter middel gekozen kunnen worden, zoals budgetbeheer. Tot slot is in eerste aanleg geen sprake geweest van hoor en wederhoor, omdat de oproeping voor de zitting naar een verkeerd adres was verstuurd waardoor de rechthebbende hiervan niet op de hoogte was.

Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Engels aanvullend verklaard dat de rechthebbende bij haar kantoorgenoot, die zij waarneemt, heeft aangegeven dat al zeventien jaar sprake is van betrokkenheid vanuit de geestelijke gezondheidszorg. Voorts heeft de rechthebbende gemeld dat bij hem ten onrechte de diagnose schizofrenie is vastgesteld. De rechthebbende verbleef eerst op basis van een voorwaardelijke machtiging in de zin van de wet BOPZ in de kliniek bij GGZ NHN, die eind 2019 is omgezet naar een voorlopige machtiging. Thans is sprake van dwang en beperking. Het is aannemelijk dat recent nog een toetsing heeft plaatsgevonden door een psychiater en dat deze een diagnose heeft gesteld.

5.4

GGZ NHN handhaaft haar verzoek tot onderbewindstelling en voert daartoe onder meer het volgende aan. Ten tijde van indiening van het inleidend verzoek verbleef de rechthebbende op basis van een voorlopige machtiging op grond van de (toenmalige) wet BOPZ bij GGZ NHN. Eerder heeft de rechthebbende een erfenis ontvangen na het overlijden van zijn vader. De moeder van de rechthebbende maakte zich zorgen over de door hem gedane uitgaven in de afgelopen jaren. In zes jaar tijd heeft de rechthebbende ongeveer € 45.000,- uitgegeven aan uitgaan, kleding, geld uitlenen en aankopen die met zijn waanideeën te maken hebben. Daarnaast was en is thans onduidelijk hoe het uitgavenpatroon van de rechthebbende zal zijn als de erfenis is opgemaakt, nu hij daarnaast enkel een Wajong-uitkering ontvangt. Gelet op al het voorgaande heeft GGZ NHN het inleidend verzoek tot onderbewindstelling ingediend.

5.5

De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de zorgen van de moeder, die niet op de zitting aanwezig is omdat zij de relatie met haar zoon niet op scherp wil stellen, de aanleiding zijn geweest voor indiening van het verzoek tot onderbewindstelling door GGZ NHN. Eerder hielp de moeder van de rechthebbende hem met de financiën, maar zij kregen hierover onenigheid omdat de rechthebbende steeds meer geld wilde uitgeven. Naast zijn inkomen uit een Wajong-uitkering van € 1.025,- per maand gaf de rechthebbende ieder maand nog eens € 625,- extra uit. Inmiddels zijn er boxen vol met alle spullen die de rechthebbende heeft gekocht, waarvoor de bewindvoerder nog een oplossing aan het zoeken is. Het extra bedrag dat de rechthebbende uitgaf, is afkomstig uit een erfenis waarvan nu nog ongeveer € 25.000,- over is. De bewindvoerder voorziet dat als de rechthebbende op dezelfde manier zou blijven doorgaan, hij uiteindelijk in de schulden terecht zal komen. De bewindvoerder heeft begrepen dat de rechthebbende psychoses heeft. In 2011 heeft hij zijn woning in brand gestoken. Recent heeft hij een kooi gekocht om bestraling tegen te gaan en zijn grootouders gevraagd om geld voor een antistralingspak. Voorafgaand aan de zitting in hoger beroep is de rechthebbende uit de kliniek weggelopen en een week ongeoorloofd weggebleven. Tot zijn spijt is het voor de bewindvoerder lastig om in contact te komen met de rechthebbende en is er enkel op onregelmatige basis contact via e-mail. Desondanks is de bewindvoerder in staat het bewind op een goede manier uit te voeren.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de rechthebbende niet is gehoord in de procedure in eerste aanleg. Volgens de rechthebbende was de oproepingsbrief voor de zitting naar een verkeerd adres gestuurd en was hij hier daarom niet van op de hoogte. Het hof stelt vast dat de oproeping voor de zitting in hoger beroep de rechthebbende wel heeft bereikt, maar dat de rechthebbende niet persoonlijk op de zitting aanwezig kon zijn omdat hij de kliniek waar hij toen verbleef niet mocht verlaten. Vanuit de instelling waren beperkingen opgelegd aan de rechthebbende, omdat hij vlak daarvoor de kliniek ongeoorloofd had verlaten. Nadien heeft het hof getracht de rechthebbende in de kliniek te horen. Dit is echter niet mogelijk gebleken, omdat de rechthebbende opnieuw de kliniek ongeoorloofd had verlaten en de instelling zijn plek inmiddels had opgeheven. Ook de advocaat van de rechthebbende kon hem niet bereiken. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om in deze zaak een beslissing te nemen zonder de rechthebbende in persoon te hebben gehoord. Daar komt bij dat de rechthebbende op de mondelinge behandeling in hoger beroep werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. Van schending van het recht op hoor en wederhoor is onder deze omstandigheden geen sprake terwijl voorts het gestelde gebrek uit de eerste aanleg, wat daar verder van zij, is geheeld.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de rechthebbende al jarenlang kampt met psychische problematiek, als gevolg waarvan de geestelijke gezondheidszorg reeds geruime tijd bij hem betrokken is. Op 21 november 2019 is de betrokkene middels een voorwaardelijke machtiging in de zin van de toenmalige wet BOPZ opgenomen in een kliniek van GGZ NHN. Per 10 december 2019 is de machtiging omgezet in een voorlopige machtiging. Deze machtiging liep tot 21 mei 2020. Hoewel niet duidelijk is of de machtiging hierna is verlengd, staat vast dat de rechthebbende ten tijde van de zitting in hoger beroep nog in een kliniek van GGZ NHN verbleef en dat dit verblijf noodzakelijk werd geacht, waaraan vermoedelijk een psychiatrische diagnose ten grondslag heeft gelegen.

Voorts is gebleken dat de rechthebbende binnen enkele jaren een groot deel van de erfenis van zijn vader heeft uitgegeven aan uitgaan, kleding en een grote hoeveelheid spullen. Hierbij gaat het om forse uitgaven die, anders dan de rechthebbende stelt, in het licht van de Wajong-uitkering die hij ontvangt als ongebruikelijk zijn aan te merken. Met de bewindvoerder acht het hof het risico aanwezig dat de rechthebbende in de schulden zal belanden als zijn uitgavenpatroon ongewijzigd zou blijven. Dat de rechthebbende op dit moment nog geen schulden heeft, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet als argument gelden voor vernietiging van de beslissing tot onderbewindstelling. Juist de onderbewindstelling beschermt de rechthebbende ertegen dat hij verkwistende uitgaven blijft doen die zijn budget overstijgen. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de rechthebbende stelt altijd zelf zijn financiën te hebben geregeld, maar dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat hij hierbij werd geholpen door zijn moeder.

Tot slot is gebleken dat er weliswaar weinig contact is tussen de bewindvoerder en de rechthebbende, maar dat er wel enige vorm van contact is en dat de bewindvoerder in staat is het bewind op een goede manier uit te voeren.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de rechthebbende (nog altijd) niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn geestelijke en lichamelijke toestand. De gronden voor het bewind waren dus ten tijde van bestreden beschikking aanwezig en deze zijn ook nu nog aanwezig. Onvoldoende is komen vast te staan dat het bewind niet langer noodzakelijk is of dat voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, dan wel dat aanvankelijk of op dit moment met een andere, minder verstrekkende maatregel kan worden volstaan. Gelet op het voorgaande acht het hof zich voldoende voorgelicht om te beslissen en zal het hof geen deskundigenonderzoek, zoals door de rechthebbende verzocht, gelasten.

Uit het voorgaande volgt dat het hof de verzoeken in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

draagt de griffier op om op de voet van artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M van Baardewijk, A.V.T. de Bie en A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 4 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer, mr. A.V.T. de Bie.