Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1410

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
200.265.236/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding jegens bank wegens wijze waarop bank kredieten heeft opgezegd en haar bevoegdheden als hypotheek- en pandhouder heeft uitgeoefend. Was bank verplicht om een aan haar verpande levensverzekering vrij te geven opdat de kredietnemer uit de afkoopwaarde daarvan nog enige tijd aan zijn financiële verplichtingen jegens de bank kon voldoen? Had bank toestemming tot verhuur van verhypothekeerde goed verleend? Art. 3:35 BW. Inroepen huurbeding in strijd met zorgplicht bank? Art. 7:984 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.265.236/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/650015/HA ZA 18-635

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 mei 2021

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J-P. van Dyck te Valkenburg (Limburg),

tegen

ABN AMRO BANK NV,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Bijnevelt te Rosmalen.

1 De zaak in het kort

Partijen worden hierna [appellant] en ABN AMRO genoemd. [appellant] vordert schadevergoeding van ABN AMRO omdat ABN AMRO volgens hem, kort gezegd, onzorgvuldig te werk is gegaan bij de opeising van aan hem verleende kredieten en bij de daarop gevolgde uitoefening van haar bevoegdheden als hypotheek- en pandhouder. ABN AMRO betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. In geschil is onder meer of ABN AMRO een levensverzekering van [appellant] , waarop ABN AMRO een pandrecht had, vrij had moeten geven opdat [appellant] uit de afkoopwaarde daarvan gedurende zekere tijd aan zijn verplichtingen tegenover ABN AMRO had kunnen blijven voldoen. Ook is in geschil of ABN AMRO als hypotheekhouder toestemming heeft verleend voor verhuur van de woning van [appellant] .

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 5 juli 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ABN AMRO als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 april 2021 doen bepleiten, [appellant] door mr. Van Dyck voornoemd en ABN AMRO door mr. Bijnevelt voornoemd. [appellant] heeft daarbij pleitnotities en twee nadere producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van ABN AMRO tot terugbetaling aan hem van hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan ABN AMRO heeft voldaan, met rente, en met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

ABN AMRO heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof als uitgangspunt. Voor het overige zal het hof de feiten opnieuw vaststellen, mede op grond van het debat in hoger beroep. De in hoger beroep vaststaande feiten komen neer op het volgende.

3.1

ABN AMRO heeft in 1995 een hypothecaire geldlening aan [appellant] verstrekt voor een bedrag van f 230.000. Daarnaast heeft zij nog een drietal kredieten aan [appellant] beschikbaar gesteld: een flexibel hypotheekkrediet, een privé-rekening-courantkrediet en een zakelijk rekening-courantkrediet.

3.2

Bij notariële akten van 21 april 1995, 18 maart 1997 en 14 mei 2002 heeft [appellant] tot zekerheid van al hetgeen hij op enig moment aan ABN AMRO verschuldigd zal zijn, aan ABN AMRO verstrekt:

- een recht van eerste, tweede respectievelijk derde hypotheek op zijn woonhuis te Sittard;

- een pandrecht op de vorderingen en rechten voortvloeiende uit een levensverzekering die [appellant] op 21 april 1995 heeft gesloten met Amev Nederland N.V. (hierna: de ASR-polis).

Daarbij is bepaald is dat de verpande vorderingen zullen worden aangewend ter gehele of gedeeltelijke aflossing van de geldlening van f 230.000. Ook is bepaald dat [appellant] verplicht is de voor de verzekering verschuldigde premies terstond te voldoen en desverlangd de betaalbewijzen direct aan ABN AMRO te overhandigen.

3.3

Tot 2013 heeft [appellant] aan zijn verplichtingen jegens ABN AMRO voldaan. Begin 2013 is [appellant] zonder inkomen geraakt. De afkoopwaarde van de ASR-polis bedroeg op dat moment circa € 17.000. [appellant] heeft toen ABN AMRO verzocht de verpande ASR-polis geheel vrij te geven opdat hij de afkoopwaarde zou kunnen benutten om aan zijn financiële verplichtingen jegens ABN AMRO te blijven voldoen.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft ABN AMRO daartoe een offerte uitgebracht, die erin voorzag dat de bestaande hypothecaire geldlening werd omgezet in een aflossingsvrije hypothecaire geldlening met het woonhuis als enig onderpand. In de offerte werden van [appellant] nadere stukken gevraagd, zoals een recente salarisstrook en een recent taxatierapport. [appellant] heeft deze stukken niet aangeleverd. Na nader overleg met [appellant] over zijn situatie heeft ABN AMRO geweigerd om de ASR-polis vrij te geven. Ook latere, herhaalde verzoeken van [appellant] om die polis vrij te geven heeft ABN AMRO niet ingewilligd. In augustus 2013 heeft ABN AMRO het dossier uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde. De betalingsachterstand op de hypothecaire geldlening bedroeg toen circa zes maanden.

3.4

In opdracht van de incassogemachtigde is het woonhuis van [appellant] getaxeerd. De vermoedelijke verkoopopbrengst bij executieveiling per 2 september 2013 werd, bij levering vrij van huur en gebruik, bepaald op € 145.000- € 150.000.

3.5

In september 2013 heeft de incassogemachtigde het zakelijk rekening-courantkrediet opgeëist wegens betalingsachterstanden.

3.6

Op 20 december 2013 heeft [appellant] aan de incassogemachtigde geschreven:

“De bezichtiging heeft geleid tot serieuze interesse in huur per 01-02-2014. Kan dit uw goedkeuring wegdragen!”

3.7

De incassogemachtigde heeft hierop bij e-mail van 20 december 2013 geantwoord:

“Wij gaan eventueel akkoord, maar alleen mits u gaat verhuren o.b.v. de leegstandswet. Toestemming Gemeente vereist en huurcontract op te stellen door een makelaar.”

3.8

Op 24 maart 2014 heeft [appellant] aan de incassogemachtigde geschreven:

“De woning is zo goed als zeker verhuurd, we zijn met de laatste details bezig.”

3.9

Bij brief van 15 april 2014 heeft de incassogemachtigde de hypothecaire geldlening, het flexibel hypotheekkrediet en het privé-rekening-courantkrediet opgeëist. Het openstaande bedrag ingevolge deze overeenkomsten becijferde zij in de brief op € 170.803,79. Zij schreef verder onder meer:

“Omtrent eventuele verhuur horen wij niets meer, evenals omtrent uw eventuele baan. Inmiddels lopen de achterstanden op tot voor de Bank niet langer acceptabele hoogte.”

3.10

Bij brief van 23 juni 2014 heeft een advocaat namens [appellant] om uitstel van executiemaatregelen verzocht. Hij schreef dat [appellant] uitzicht had op een baan en dat hij in afwachting was van een beslissing van zijn verzekeringsmaatschappij inzake een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij brief van 24 juni 2014 heeft de incassogemachtigde geantwoord dat de brief geen nieuwe informatie bevatte, maar niettemin uitstel werd verleend tot 31 augustus 2014 voor het doen van een acceptabel voorstel, bij gebreke waarvan zij de executie zou voortzetten.

3.11

Bij brief van 29 augustus 2014 aan ABN AMRO heeft de advocaat van [appellant] verwezen naar een telefonisch onderhoud met de incassogemachtigde en geschreven, voor zover van belang:

“Wij zijn overeengekomen dat cliënt vanaf september de betaling van zijn maandelijkse hypotheekverplichtingen hervat. (…) zijn wij overeengekomen dat cliënt voor 30 november 2014 een voorstel doet ten aanzien van de aflossing van de achterstallige hypotheek. Ik verzoek u mij deze afspraak te bevestigen.”

3.12

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft de incassogemachtigde nogmaals de hoofdsommen met rente ingevolge de lopende kredietovereenkomsten met [appellant] opgeëist wegens “onaanvaardbare betalingsachterstand en debetstand”. Het openstaand saldo (het saldo van het zakelijk rekening-courantkrediet daaronder begrepen) becijferde zij op € 199.408,69. Daarbij is ook een aanzegging tot openbare verkoop van het woonhuis gedaan indien [appellant] niet het gehele bedrag tijdig zou betalen.

3.13

In opdracht van de incassogemachtigde is het woonhuis nogmaals getaxeerd. De vermoedelijke verkoopopbrengst bij executieveiling per 28 november 2014 werd, bij levering vrij van huur en gebruik, bepaald op € 140.000. De marktwaarde werd, bij levering vrij van huur en gebruik getaxeerd op € 185.000 en in verhuurde staat op € 140.000.

3.14

Op 2 december 2014 heeft [appellant] een huurovereenkomst gesloten, waarbij hij zijn woning voor de duur van vijf jaar met ingang van 1 januari 2015 op grond van artikel 15 van de Leegstandswet heeft verhuurd voor een kale huurprijs van € 850 per maand.

3.15

Per e-mail van 25 februari 2015 heeft de advocaat van [appellant] de incassogemachtigde geïnformeerd over de verhuur en gesteld dat [appellant] weer in staat is zijn betalingsverplichtingen te hervatten. De brief bevat verder een voorstel om € 700 per maand aan ABN AMRO te gaan betalen.

3.16

De incassogemachtigde heeft bij e-mail van dezelfde dag dit voorstel afgewezen op de grond dat het niet tot vermindering van de achterstanden zou leiden. Zij schreef verder dat zij geen toestemming voor verhuur heeft gegeven en dat verhuur alleen mogelijk is bij een actieve verkoop van de woning. Daarvan was volgens haar op dat moment geen sprake. Zij kondigde aan dat de openbare verkoop doorgang zou vinden, tenzij [appellant] alsnog over zou gaan tot ondertekening van de voorgestelde volmacht aan ABN AMRO tot onderhandse verkoop van de woning voor een prijs vanaf € 175.000 en [appellant] de verhuursituatie direct zou beëindigen.

3.17

Bij brief van 3 maart 2015 heeft de notaris die door ABN AMRO met de executieveiling was belast de huurders geschreven dat de executieveiling was vastgesteld op 18 juni 2015 en hun erop gewezen dat de bank of de veilingkoper een beroep kan doen op het huurbeding. Vervolgens hebben de huurders de huurbetalingen aan [appellant] gestaakt. Zij hebben zich op een opschortingsrecht beroepen.

3.18

Omstreeks augustus 2015 heeft [appellant] zijn woonhuis verkocht aan de huurders voor de koopsom van € 175.000. Hiervan is een bedrag van € 165.309,77 aan ABN AMRO overgemaakt ter verkrijging van algeheel royement.

3.19

Omstreeks 1 september 2015 heeft ABN AMRO de ASR-polis afgekocht en is de afkoopwaarde van € 21.878,93 aan haar overgemaakt.

4 Beoordeling

4.1

[appellant] vordert in deze procedure, kort gezegd en voor zover in hoger beroep nog van belang:

- een verklaring voor recht dat ABN AMRO jegens hem te kort is geschoten in de nakoming van de tussen hen bestaande overeenkomsten, althans onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en

- veroordeling van ABN AMRO tot vergoeding van de daardoor door hem geleden schade tot een bedrag van € 277.246,01, althans schade, op te maken bij staat, alsmede

- wijziging van de (achterstands)meldingen betreffende [appellant] die ABN AMRO bij het BKR heeft gedaan.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. Het hof zal de grieven hierna gegroepeerd per onderwerp bespreken.

Grief 1a, 1b en 4: de ASR-polis

4.2

[appellant] stelt dat ABN AMRO zijn verzoeken om de ASR-polis vrij te geven had moeten inwilligen. Hij had met de afkoopwaarde van € 17.000 twee tot drie jaar zijn maandtermijnen aan de bank kunnen betalen. Een (toekomstige) achterstand zou daarmee zijn voorkomen, aldus [appellant] . Door zijn verzoeken, gedaan vanaf begin 2013, af te wijzen heeft de bank in strijd met haar zorgplicht gehandeld, zo meent hij. Volgens hem volgt daaruit ook dat ABN AMRO de kredietovereenkomsten met hem niet had mogen opzeggen. Het hof volgt [appellant] niet in deze stellingen. Dat zal hierna worden toegelicht.

4.3

Tussen partijen staat vast dat de ASR-polis voorzag in een dekking van het overlijdensrisico van [appellant] . Ook staat vast dat de polis – die niet in het geding is gebracht – een zekere waarde vertegenwoordigde die bij leven van [appellant] tot uitkering kon komen. Uit de notariële akte van 21 april 1995 volgt niet alleen dat de ASR-polis diende tot zekerheid voor al hetgeen [appellant] aan ABN AMRO schuldig was, maar ook dat [appellant] verplicht was de premies voor die polis te blijven betalen. De geldlening van f 230.000 die ABN AMRO in 1995 aan [appellant] heeft verstrekt – die ook niet in het geding is gebracht –, was aflossingsvrij, zij het dat in de ASR-polis wel een zekere waarde werd opgebouwd die tot uitkering zou komen bij het einde van de looptijd dan wel bij tussentijdse afkoop. Door de ASR-polis vrij te geven, zou ABN AMRO niet alleen een deel van haar zekerheid vrijgeven, maar ook de lening geheel aflossingsvrij maken en de dekking van het overlijdensrisico van [appellant] prijsgeven. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat ABN AMRO daartoe naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden was. Het volgende is in dit verband van belang.

4.4

[appellant] had vanaf begin 2013 geen ander inkomen dan een maandelijkse zorgtoeslag van € 85. [appellant] heeft niet gesteld dat het voor ABN AMRO duidelijk had moeten zijn dat deze situatie slechts van korte duur zou zijn. Hoewel [appellant] zich blijkens de gedingstukken heeft ingespannen om weer inkomen uit arbeid te verwerven, is hij daarin in ieder geval tot aan de verkoop van de woning, in augustus 2015, niet geslaagd.

4.5

Verder moet aangenomen worden dat de woning in 2013 (en 2014) onvoldoende dekking bood voor de totale vordering van ABN AMRO op hem. De taxatierapporten uit september 2013 en november 2014 (vermeld in 3.4 en 3.13) zijn niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daaruit volgt dat de executiewaarde van de woning in 2013 en 2014 aanzienlijk lager was dan de totale vordering van de bank op [appellant] . [appellant] heeft dit zelf in zijn inleidende dagvaarding ook gesteld. Verder was de Nationale Hypotheekgarantie niet van toepassing. Tot slot is niet komen vast te staan dat [appellant] aan ABN AMRO een gelijkwaardige, vervangende zekerheid heeft aangeboden. Dit laatste wordt als volgt toegelicht.

4.6

Weliswaar heeft [appellant] in hoger beroep de stelling ingenomen dat hij aan ABN AMRO heeft aangeboden om de ASR-polis te vervangen door een polis bij REAAL Levensverzekeringen uit 2011, maar deze stelling is in het licht van het debat tussen partijen niet komen vast te staan en is ook niet (in de vereiste concrete zin) te bewijzen aangeboden. In geen van de vele e-mails van [appellant] aan ABN AMRO over zijn verzoeken om de ASR-polis vrij te geven wordt verwezen naar een polis bij REAAL. Ook in de reacties van ABN AMRO op die verzoeken is geen verwijzing naar een vervangende polis te vinden. Alleen in een door [appellant] in het geding gebrachte brief van hem aan ABN AMRO van 16 januari 2013 wordt om vervanging door de polis bij REAAL verzocht, maar ABN AMRO stelt die brief nooit te hebben ontvangen. Zelfs indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [appellant] de polis bij REAAL wel ter vervanging van de ASR-polis heeft aangeboden, kan niet worden gezegd dat hij een gelijkwaardige zekerheid heeft aangeboden. Uit de in het geding gebrachte REAAL-polis blijkt dat deze slechts voorziet in een uitkering van € 70.000 bij overlijden van [appellant] en – anders dan de ASR-polis – niet in een uitkering bij het einde van de looptijd of bij tussentijdse afkoop. Het hof volgt [appellant] dus niet in zijn stelling dat hij aan ABN AMRO een gelijkwaardige zekerheid ter vervanging van de ASR-polis heeft aangeboden.

4.7

De conclusie luidt dat ABN AMRO niet gehouden was om in 2013 of nadien de ASR-polis vrij te geven om [appellant] de ruimte te geven nog enige tijd aan zijn verplichtingen jegens haar te blijven voldoen. Aan die conclusie kan niet afdoen dat de waarde van de ASR-polis kon fluctueren omdat het een beleggingspolis was.

4.8

Uit het voorgaande vloeit voort dat niet kan worden aangenomen dat ABN AMRO de kredietovereenkomsten niet mocht opzeggen. Van schuldeisersverzuim van ABN AMRO was geen sprake. Verder heeft [appellant] – anders dan met het hiervoor besproken betoog – niet betwist dat hij ten tijde van de opzeggingen (in april 2014 en in oktober 2014) in verzuim was met het voldoen aan zijn financiële verplichtingen jegens de bank.

4.9

[appellant] stelt verder dat ABN AMRO, toen zij tot uitwinning van haar zekerheden overging, eerst het pandrecht op de ASR-polis had moeten uitwinnen, omdat dat voor [appellant] minder belastend was dan de uitwinning van het hypotheekrecht op zijn woning.

4.10

Deze stelling gaat niet op. Niet valt in te zien dat uitwinning van het pandrecht in een eerder stadium de uitwinning van het hypotheekrecht naar redelijke verwachting had kunnen voorkomen. ABN AMRO had met de uitwinning van haar pandrecht op de ASR-polis een deel van haar vordering op grond van de hypothecaire geldlening kunnen innen, maar [appellant] heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat redelijkerwijs mocht worden verwacht dat hij daarna in staat zou zijn aan zijn resterende financiële verplichtingen jegens ABN AMRO te voldoen. Vast staat verder dat na de uitwinning van het pandrecht en het hypotheekrecht een restschuld van [appellant] aan ABN AMRO is overgebleven.

4.11

De grieven 1a, 1b en 4 stuiten op het voorgaande af.

Grief 2 en 3: toestemming tot verhuur, al dan niet met afstand van recht tot openbare verkoop?

4.12

[appellant] baseert zijn vorderingen verder op de stelling dat ABN AMRO in december 2013 toestemming heeft gegeven aan [appellant] om tot verhuur van zijn woning over te gaan teneinde met de huuropbrengst zijn betalingsachterstand in te lopen en dat ABN AMRO daarmee afstand heeft gedaan van haar recht om tot openbare verkoop over te gaan. In strijd met die afspraak drong ABN AMRO vervolgens toch aan op een openbare verkoop, waardoor [appellant] zich genoodzaakt voelde om zijn woning aan de huurders te verkopen tegen een te lage prijs, zo stelt [appellant] .

4.13

Voor de vraag of in december 2013 een afspraak tot stand is gekomen als door [appellant] gesteld, moet worden nagegaan wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard, wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen mochten afleiden en wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:HR:1981:AG4158, Haviltex; en artikel 3:35 BW). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder de maatschappelijke positie van partijen.

4.14

[appellant] meent dat de gestelde afspraak blijkt uit de e-mails van 20 december 2013 (vermeld in 3.6 en 3.7). Aan de voorwaarden voor verhuur die de incassogemachtigde in haar e-mail van 20 december 2013 vermeldde, is voldaan, zo stelt hij. De gestelde afspraak blijkt volgens hem verder uit het feit dat hij in 2014 nog enkele malen aan de incassogemachtigde van ABN AMRO heeft geschreven dat hij bezig was met het verhuren van de woning en deze daarop niet afwijzend reageerde en uit het feit dat de notaris die met de openbare verkoop was belast in maart 2015 op de veilingsite vermeldde dat de woning met toestemming van de bank was verhuurd op basis van de Leegstandswet.

4.15

De laatste omstandigheid is volgens ABN AMRO terug te voeren op een fout van de notaris. ABN AMRO voert gedocumenteerd aan dat zij de notaris ook direct op die fout heeft gewezen. Vastgesteld moet worden dat het bericht op de site in ieder geval niet van ABN AMRO zelf afkomstig was en geen (rechtstreeks) licht werpt op wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en wat zij daaruit redelijkerwijs hebben mogen afleiden. De mailwisseling van 20 december 2013 doet dat wel. Het hof meent dat [appellant] er redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen dat (de incassogemachtigde van) ABN AMRO in de korte e-mail van 20 december 2013 een ongeclausuleerde toestemming tot verhuur gaf, mits aan de drie in de e-mail genoemde voorwaarden zou worden voldaan, en al helemaal niet dat ABN AMRO daarin ongeclausuleerd afstand deed van haar recht om tot openbare verkoop over te gaan zodra de woning in overeenstemming met die voorwaarden zou zijn verhuurd. Hierbij is van belang dat de e-mail met het woord ‘eventueel’ uitdrukt dat mogelijk toestemming voor verhuur zal worden verleend. [appellant] , die zelf financieel specialist is, heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat in dat woord besloten ligt dat ABN AMRO, voordat zij in definitieve zin toestemming tot verhuur verleent, alle omstandigheden zal willen afwegen, zoals de huurprijs en de kans dat op korte termijn toch tot openbare verkoop dient te worden overgegaan. [appellant] heeft uit de e-mail van 20 december 2013 in ieder geval redelijkerwijs niet kunnen afleiden dat, als zijn schuld aan de bank zou blijven stijgen door het uitblijven van inkomsten voor hem en de bank de leningen in verband daarmee op enig moment zou opeisen en openbare verkoop zou aanzeggen, hij daarna nog vrij zou zijn om zijn woning te verhuren op grond van de Leegstandswet (met toestemming gemeente en huurovereenkomst van een makelaar). De incassogemachtigde behoefde er ook geen rekening mee te houden dat [appellant] dit wel uit haar e-mail zou begrijpen. Dat [appellant] op 24 maart 2014 nog aan de incassogemachtigde heeft laten weten dat de woning zo goed als zeker verhuurd was (zie hiervoor, in 3.8) en deze daarop niet afwijzend reageerde, kan er ook niet toe leiden dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij in december 2014, toen de lening tot twee maal toe was opgeëist en tot twee maal toe de openbare verkoop was aangezegd, nog vrij was om tot verhuur over te gaan zonder daarover eerst met ABN AMRO in overleg te treden. [appellant] wijst er in dit verband nog op dat hij op 25 april 2014 een ‘kopie huurovereenkomst’ aan de incassogemachtigde heeft gestuurd, maar het belang daarvan ontgaat het hof. Niet betwist is immers dat [appellant] toen al telefonisch aan de incassogemachtigde had laten weten dat de beoogde huurder was afgehaakt. De conclusie luidt dat niet kan worden aangenomen dat de verhuur van de woning met ingang van 1 januari 2015 met toestemming van ABN AMRO heeft plaatsgevonden.

Grief 3: Mocht ABN AMRO het huurbeding inroepen als zij heeft gedaan? Onrechtmatige dwang tot onderhandse verkoop?

4.16

Uit het voorgaande volgt dat ABN AMRO het huurbeding in beginsel tegen de huurders mocht inroepen. [appellant] meent dat ABN AMRO dit op een onzorgvuldige wijze en in strijd met haar zorgplicht heeft gedaan en daarom jegens hem schadeplichtig is geworden. Hij stelt dat ABN AMRO de huurders heeft overvallen met het bericht dat hij zonder toestemming had verhuurd, terwijl ABN AMRO had kunnen en moeten voorzien dat de huurders zich vervolgens tegen [appellant] zouden keren – zoals zij ook hebben gedaan: zij hebben de huurbetalingen opgeschort. ABN AMRO heeft [appellant] hierdoor gedwongen zijn woning op een dieptepunt in de woningmarkt aan de huurders te verkopen, zo stelt hij. ABN AMRO had [appellant] in de gelegenheid moeten stellen met een voor hem minder riskante aanpak te komen.

4.17

Niet valt in te zien dat ABN AMRO op 3 maart 2015 nog had moeten wachten met het inroepen van het huurbeding. De ABN AMRO heeft [appellant] vanaf begin 2013 ruim de tijd gegund om zijn huis te verkopen dan wel zijn financiële situatie anderszins weer op orde te krijgen. Niet kan worden gezegd dat [appellant] in dit laatste was geslaagd doordat hij zijn woning met ingang van 1 januari 2015 voor een huurprijs van € 850 per maand had verhuurd. Daarnaast had hij immers nog altijd geen inkomen. De schuld aan de ABN AMRO liep al ruim twee jaar op. Dat er met de verhuur uitzicht was op het inlossen van de betalingsachterstanden binnen redelijke termijn heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Het betalingsvoorstel van € 700 per maand, dat [appellant] in februari 2015 nog heeft gedaan, voorzag daar niet in, nog daargelaten dat [appellant] niet heeft toegelicht hoe hij van zijn resterende inkomsten in zijn levensonderhoud had moeten voorzien. Ook heeft ABN AMRO herhaaldelijk de openbare verkoop aangezegd, laatstelijk bij e-mail van 25 februari 2015 (zie onder 3.16). Zij heeft [appellant] er daarbij op gewezen dat de verkoop slechts geannuleerd kon worden indien (onder meer) de verhuursituatie alsnog per direct zou worden beëindigd. Na dat bericht had [appellant] nog gelegenheid om de huurders van de naderende openbare verkoop op te hoogte te brengen op een wijze die hij geschikt achtte. Het komt voor zijn rekening dat hij dat niet heeft gedaan en dat de huurders in het inroepen van het huurbeding aanleiding hebben gezien de huurbetalingen op te schorten. De conclusie is, dat ABN AMRO niet in strijd met haar zorgplicht of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld door het huurbeding jegens de huurders in te (laten) roepen bij brief van 3 maart 2015.

4.18

Dat ABN AMRO [appellant] op onrechtmatige wijze heeft gedwongen tot onderhandse verkoop van de woning heeft het hof ook niet kunnen vaststellen. ABN AMRO heeft juist het executietraject opgeschort teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen onderhands een hogere opbrengst te realiseren. De door [appellant] voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebrachte (en door ABN AMRO weersproken) stelling dat ABN AMRO niet openstond voor een beter bod dan dat van de huurders moet als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

4.19

Op grond van het voorgaande falen de grieven 2 en 3.

Grief 2b: nadere afspraak uit brief van 29 augustus 2014

4.20

[appellant] stelt verder dat ABN AMRO zich niet heeft gehouden aan de afspraken die zijn advocaat bij brief van 29 augustus 2014 heeft bevestigd. Daarin staat (onder meer) dat is overeengekomen dat [appellant] voor eind november 2014 een voorstel zou doen om de ‘achterstallige hypotheek’ af te lossen.

4.21

Op zichzelf is juist dat ABN AMRO haar tweede opeisingsbrief van 14 oktober 2014 heeft verstuurd voordat die termijn was verstreken, maar dit kan [appellant] niet baten omdat alle kredieten in april 2014 al waren opgeëist en ABN AMRO de executie eerst ter hand heeft genomen ruim nadat de termijn tot eind november 2014 ongebruikt is verstreken.

4.22

Grief 2b gaat daarom niet op.

Grief 1d: pandrecht vervallen?

4.23

[appellant] betoogt in grief 1d dat het pandrecht op de ASR-polis niet meer bestond toen ABN AMRO haar rechten als pandhouder uitoefende. Volgens [appellant] is het pandrecht als afhankelijk recht tenietgegaan door de doorhaling van de hypotheek.

4.24

Dit is niet juist. De doorhaling van de hypotheek heeft het pandrecht niet aangetast. Het pandrecht is een afhankelijk recht, in die zin dat het is verbonden aan de vordering van ABN AMRO op [appellant] en zonder die vordering niet kan bestaan. Partijen zijn het erover eens dat ABN AMRO nog een vordering op [appellant] had toen zij haar pandrecht uitoefende. Het pandrecht was toen dus niet al als afhankelijk recht tenietgegaan.

Grief 1c: schending van artikel 7:984 BW?

4.25

Grief 1c houdt in dat ABN AMRO niet bevoegd was om de ASR-polis af te kopen omdat zij niet heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 7:984 BW. [appellant] stelt dat ABN AMRO niet ten minste vier weken voor de afkoop haar voornemen daartoe aan hem heeft medegedeeld bij aangetekende brief of deurwaardersexploot. ABN AMRO heeft een brief van haar incassogemachtigde van 25 juli 2015 in het geding gebracht waarin de betreffende mededeling staat, naast een aanzegging dat [appellant] de polis kan belenen ter voldoening van hetgeen hij aan ABN AMRO verschuldigd is. Volgens de brief is deze aangetekend verzonden. [appellant] betwist echter deze brief te hebben ontvangen.

4.26

Nu niet is gebleken dat [appellant] de brief heeft ontvangen en ABN AMRO dit ook niet te bewijzen heeft aangeboden, moet ervan worden uitgegaan dat de brief [appellant] niet heeft bereikt. Dit kan hem echter niet baten, omdat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] als gevolg daarvan enige schade heeft geleden. ABN AMRO heeft betwist dat [appellant] in staat zou zijn geweest tot belening van de ASR-polis over te gaan bij gebrek aan inkomsten en gelet op zijn BKR-registraties. [appellant] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Nu niet is gebleken van enig belang bij de gevorderde verklaringen voor recht, anders dan het verkrijgen van schadevergoeding, heeft [appellant] onvoldoende belang bij toewijzing van een verklaring voor recht dat ABN AMRO op het genoemde punt (toerekenbaar) te kort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis jegens [appellant] .

Slotsom

4.27

De grieven falen. Er zijn geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 5.382 aan verschotten en € 12.192 voor salaris, alsmede op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. A.P. Wessels, mr. W.A.H. Melissen en mr. M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.