Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1407

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
200.239.890/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.239.890/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/621018 / HA ZA 16-1292

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 mei 2021

inzake

[naam project] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A. Oskamp te Amsterdam,

tegen

[X] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. T.C. Boer te Amsterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [naam project] B.V. en [X] Beheer B.V. genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 24 maart 2020 een tussenarrest uitgesproken (hierna: het tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar het tussenarrest (zie ECLI:NL:GHAMS:2020:928).

Ingevolge het tussenarrest heeft [naam project] B.V. op 16 juni 2020 een ‘nadere akte na tussenvonnis van 24 maart 2020’ genomen, met producties (hierna ook: de akte) en [X] Beheer B.V. op 11 augustus 2020 een ‘antwoordakte na tussenarrest’, met producties (hierna ook: de antwoordakte).

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Deze procedure betreft de afwikkeling van twee vastgoedprojecten die partijen met elkaar zijn aangegaan: het project [project 1] en het project [project 2] . [X] Beheer B.V. heeft recht op de helft van de netto-opbrengst uit de verkoop van het vastgoed waarop deze projecten zagen (zie rov. 3.6 tussenarrest). Partijen strijden over de vraag welke kosten als projectkosten kunnen worden aangemerkt en als zodanig in mindering mogen strekken op die netto-opbrengst. Bij het tussenarrest is hieromtrent een groot aantal beslissingen gegeven en is de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [naam project] B.V. en antwoordakte aan de zijde van [X] Beheer B.V.

2.2.

Ter voldoening aan de instructie in het tussenarrest heeft [naam project] B.V. haar stellingen ten aanzien van de volgende onderwerpen nader toegelicht:

  • -

    het brutoloon van haar directeur [A] (voor beide projecten),

  • -

    de rente over dit brutoloon (voor het project [project 1] ),

  • -

    de rente als onderdeel van de algemene kosten (voor het project [project 2] ), en

  • -

    de kosten van fiscalist mr. [E] van TEKZ Belastingadviseurs (hierna: mr. [E] ).

[X] Beheer B.V. heeft de nadere toelichting van [naam project] B.V. gemotiveerd bestreden.

2.3.

Het hof zal de genoemde onderwerpen hierna achtereenvolgens bespreken.

Het brutoloon van [A] (voor beide projecten)

2.4.

[naam project] B.V. stelt dat de loonkosten van haar directeur [A] met betrekking tot de jaren 2013-2015 en de eerste helft van 2016 als projectkosten op de behaalde netto-opbrengst in mindering mogen strekken bij zowel het project [project 1] , als het project [project 2] (zie rov. 3.7 tussenarrest).

2.5.

Uit het tussenarrest volgt dat een redelijke uitleg van de afspraken tussen partijen meebrengt dat de uren die [A] (aantoonbaar) heeft besteed aan de begeleiding van de verbouwing tegen een uurtarief van € 36,50 op de netto-opbrengst in mindering mogen worden gebracht. Hierbij mocht het niet gaan om kosten van overleg met [naam project] B.V. over de uitvoering en begeleiding van de verbouwing, en ook niet om kosten van het voeren van de dagelijkse projectadministratie (zie rov. 3.13 tussenarrest).

2.6.

Bij het tussenarrest heeft het hof expliciet van [naam project] B.V. verlangd dat zij – per project – een gedetailleerde omschrijving zou geven van de werkzaamheden die [A] heeft verricht om de verbouwing te begeleiden, voorzien van een specificatie van de daaraan bestede uren en van een toelichting waaruit blijkt dat die uren anders door [X] Bouwbedrijf B.V. zouden zijn gedeclareerd (zie rov. 3.14 tussenarrest).

2.7.

Aan deze instructie heeft [naam project] B.V. niet voldaan. Het hof licht dit toe.

2.8.

[naam project] B.V. is niet in detail getreden, maar heeft in haar akte volstaan met een toelichting op de werkzaamheden die [A] volgens haar heeft verricht. Deze toelichting is zeer summier en niet controleerbaar, en betreft daarom niet een voldoende onderbouwing van haar in rov. 2.4 aangehaalde stelling.

2.9.

Verder heeft [naam project] B.V. bij haar akte twee door haarzelf opgestelde overzichten overgelegd. Het overzicht van het project [project 1] begint met een inleiding waarin de gestelde werkzaamheden door [naam project] B.V. in vier categorieën zijn ingedeeld. Deze inleiding luidt als volgt:

Werkzaamheden [A] (…)

  1. Bouwoverleg/ bouwbegeleiding, inkoop materialen, informatie beoordelen mbt materiaalkeuze etc., overleg met vertegenwoordigers, opvragen offertes materialen en onderaannemers (werving personeel), beoordelen en selecteren van offertes, doen van aanbestedingen.

  2. Administratie/ boekhouding/ depotuitkeringen

  3. Diverse andere overleggen zoals met instanties als bouw- en woningtoezicht, Mos Monumentenwet, nutsvoorzieningen (gas-water-electra-telefoon-internet-riool), buren, architect, notaris, verkopend makelaar, overleg met (kandidaat)kopers

  4. Diverse telefonische contacten + mails”

2.10.

De inleiding wordt op het overzicht gevolgd door een urenlijst betreffende het project [project 1] . Deze urenlijst begint met:

2013 Uren Omschrijving Totaal

Week 1

Week 2 10 1 + 2 + 4

Week 3 6 1 + 2 + 3 + 4

Week 4 6 1 + 2 + 3 + 4

(…)”

De urenlijst van het project [project 1] beslaat in totaal 3 pagina’s en bevat op de laatste pagina een ‘Aanvulling in uren’ over 2012 en 2016-2020.

2.11.

Ten aanzien van het project [project 2] heeft [naam project] B.V. een vergelijkbaar overzicht overgelegd. Het meest opvallende verschil met het overzicht van het project [project 1] is dat in de inleiding bij punt 1 ook nog is vermeld: “aanleveren materialen, afvoeren materialen”. De urenlijst voor het project [project 2] beslaat 4 pagina’s en bevat aan het slot eveneens een aanvulling.

2.12.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat [naam project] B.V. géén kosten mocht opvoeren die de dagelijkse projectadministratie betreffen (zie rov. 2.5 van dit arrest). Zoals uit het voorgaande volgt, heeft [naam project] B.V. dat wel gedaan. Immers, zonder nadere toelichting (die ontbreekt), moet worden aangenomen dat de door [naam project] B.V. genoemde ‘categorie 2’ dergelijke kosten omvat. Daarbij valt op dat [naam project] B.V. in het overzicht per werkweek (en bijbehorende urenregel) slechts een totaal aantal verrichte uren heeft vermeld. Waar zij in een urenregel meer dan een categorie heeft vermeld, heeft zij die uren niet per categorie gesplitst. Het gevolg van dit een en ander is dat de urenregels waarin categorie 2 wordt genoemd geen (bruikbare) specificatie van de verrichte werkzaamheden opleveren. Het is immers de vraag hoeveel van die uren zijn besteed aan werkzaamheden die iets anders betreffen dan het voeren van de dagelijkse projectadministratie. Die vraag rijst telkens wanneer [naam project] B.V. in een urenregel naar categorie 2 verwijst, maar ook waar zij in de toelichting op de aanvullende uren over ‘administratie’ spreekt.

2.13.

Daar komt bij dat [naam project] B.V. niets heeft overgelegd om de op de urenlijsten vermelde uren te onderbouwen. Zelfs de e-mails waarop categorie 4 volgens haar ziet ontbreken. Onduidelijk is dan ook op basis van welke gegevens [naam project] B.V. de urenlijsten heeft opgesteld.

2.14.

Ook verder heeft [naam project] B.V. niet aan de instructie in het tussenarrest voldaan. Wat ook ontbreekt, is een (daadwerkelijke) toelichting waaruit blijkt dat de gestelde werkzaamheden anders door [X] Bouwbedrijf B.V. zouden zijn gedeclareerd. [naam project] B.V. kon ter voldoening aan de instructie in het tussenarrest niet volstaan met de enkele verwijzing naar de afspraken tussen partijen die zijn neergelegd in de Akte (weergegeven in rov. 2.2 van het tussenarrest). [naam project] B.V. had meer moeten stellen om toe te lichten dat de door haar opgevoerde werkzaamheden anders door [X] Beheer B.V. in rekening zouden zijn gebracht, bijvoorbeeld door facturen uit eerdere periodes over te leggen waarmee vergelijkbare werkzaamheden werden gedeclareerd.

2.15.

[naam project] B.V. heeft weliswaar bewijs aangeboden door het horen van [A] en (werknemers van) de bedrijven waarmee [A] zou hebben samengewerkt, maar dit (onvoldoende specifieke) bewijsaanbod helpt haar niet. Aan bewijslevering wordt (reeds) niet toegekomen omdat [naam project] B.V. – hoewel daartoe bij het tussenarrest in de gelegenheid gesteld – in haar akte onvoldoende nadere gegevens omtrent haar stelling heeft verstrekt.

2.16.

[naam project] B.V. heeft het hof gelet op het voorgaande ook onvoldoende aanknopingspunten geboden om de loonkosten van [A] te ramen. [naam project] B.V. stelt dus tevergeefs dat de loonkosten van [A] over de jaren 2013-2015 en de eerste helft van 2016 als projectkosten ten laste van het resultaat mogen worden gebracht.

De rente over het brutoloon van [A] (voor het project [project 1] )

2.17.

Het hof heeft [naam project] B.V. in het tussenarrest gelast zich (tevens) uit te laten over de omvang van de rente die over het loon van [A] voor het project [project 1] verschuldigd is (zie rov. 3.22 tussenarrest). [naam project] B.V. heeft in haar akte gesteld dat deze rente € 19.425,78 bedraagt en zij heeft aangeboden om mr. [E] in dit verband als getuige te horen.

2.18.

Uit hetgeen hiervoor in rov. 2.16 is overwogen, volgt evenwel dat het loon van [A] niet als projectkosten kan worden aangemerkt. Ook de daarover door [naam project] B.V. berekende rentekosten kunnen daarom niet als projectkosten worden beschouwd. Deze rente mag dus niet ten laste van het resultaat worden gebracht. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

De rente als onderdeel van de algemene kosten (voor het project [project 2] )

2.19.

Voor het project [project 2] is de rechtbank uitgegaan van algemene kosten van (in totaal) € 450.523,95 (zie rov. 4.37.10 van het bestreden vonnis). Uit rov. 3.49 tot en met 3.51 van het tussenarrest volgt dat deze totaalsom niet juist is. Uitgangspunt is het door [X] Beheer B.V. genoemde bedrag van € 168.345,33. Daar moet ofwel € 191.682,85 aan rente bij worden opgeteld (volgens [naam project] B.V.) ofwel € 144.966 aan rente (volgens de subsidiaire stelling van [X] Beheer B.V.).

2.20.

[naam project] B.V. is bij het tussenarrest in de gelegenheid gesteld de rente door middel van een (voldoende gespecificeerde) berekening inzichtelijk te maken (zie rov. 3.51 tussenarrest). [naam project] B.V. stelt met het overleggen van vier door [C] opgemaakte grootboekkaarten aan die instructie te hebben voldaan, en biedt zekerheidshalve aan [C] te horen.

2.21.

[naam project] B.V. heeft echter niet toegelicht hoe [C] is gekomen tot de rentebedragen die zijn vermeld in de grootboekkaarten. Het had gezien de instructie in het tussenarrest wel van [naam project] B.V. mogen worden verwacht dat zij dat nader zou toelichten. Nu [naam project] B.V. dat niet heeft gedaan, is haar stelling dat de rentekosten € 191.682,85 bedragen onvoldoende onderbouwd. Daarom zal het hof bij de verdere beoordeling uitgaan van het door [X] Beheer B.V. berekende (lagere) rentebedrag van € 144.966. Ten aanzien van de algemene kosten voor het project [project 2] dient in het vervolg dus met een (totaal)bedrag van (€ 168.345,33 + € 144.966 =) € 313.311,33 te worden gerekend.

De kosten van mr. [E]

2.22.

[naam project] B.V. stelt dat de kosten van mr. [E] als projectkosten in mindering strekken op de opbrengst van beide projecten. Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze kosten als projectkosten worden aangemerkt, indien zij worden aangetoond en niet louter de privé situatie van [A] betreffen. Bij het tussenarrest is [naam project] B.V. in de gelegenheid gesteld de kosten aan te tonen door middel van een specificatie, onderbouwd met een urenstaat en facturen (zie rov. 3.32 tussenarrest).

2.23.

Ten aanzien van dit geschilpunt gaat het hof uit van bedragen inclusief btw, omdat [X] Beheer B.V. zich daartegen niet gemotiveerd heeft verzet.

2.24.

[naam project] B.V. heeft aan de hand van facturen en urenstaten gesteld dat mr. [E] € 18.869,95 voor [A] in privé heeft gedeclareerd, € 44.794,20 voor de beide projecten en dat een bedrag van € 19.360 aan nog te declareren kosten te verwachten is, en zij heeft aangeboden mr. [E] als getuige te horen.

2.25.

[naam project] B.V. meent dat de nog te declareren kosten van € 19.360 mogen worden opgevoerd. Zij stelt dat de (nog te verrichten) werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de afronding van de twee projecten en dat het redelijk en billijk is om met deze kosten rekening te houden. Dit volgt het hof niet. [naam project] B.V. heeft niet onderbouwd gesteld dat deze kosten samenhangen met het onderzoek dat de belastingdienst bij haar heeft verricht (als bedoeld in rov. 3.32 van het tussenarrest) en zij heeft deze kosten ook overigens onvoldoende toegelicht. Daarom is onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat (ook) deze kosten als projectkosten worden aangemerkt.

2.26.

Met betrekking tot het bedrag van € 44.794,20 overweegt het hof als volgt.

[naam project] B.V. heeft facturen overgelegd. Bij gebreke van een (gemotiveerd) verweer van [X] Beheer B.V. tegen de hierna te noemen facturen, merkt het hof de op die facturen genoemde bedragen aan als projectkosten. Het gaat daarbij per project om de volgende bedragen:

Factuurnummer

Project [project 1]

Project [project 2]

167169

€ 1.996,50

€ 1.996,50

167448

€ 3.115,75

€ 3.115,75

168119

€ 1.609,30

€ 1.609,30

168271

€ 2.562,17

€ 2.562,18

168736

€ 242

€ 242

169098

€ 726

€ 726

Totaal

€ 10.251,72

€ 10.251,73

2.27.

[X] Beheer B.V. heeft in haar antwoordakte wel (gemotiveerd) verweer gevoerd tegen de volgende facturen:

166986

167320

167659

167850.

Die facturen zal het hof nu bespreken.

2.28.

Als bezwaar tegen de factuur met nummer 166986 van € 4.235 wijst [X] Beheer B.V. terecht erop dat uit de bijbehorende urenstaat volgt dat – naast het door [naam project] B.V. al uitgezonderde bedrag van € 605 – nog een bedrag van € 786,50 is vermeld dat is gerelateerd aan de privé situatie van [A] . Die kosten kunnen niet ten laste van de projecten worden gebracht (zie rov. 2.22 hiervoor). Aan ieder van de projecten kan derhalve (maximaal) € 1.421,75 worden toegerekend.

2.29.

Als bezwaar tegen de factuur met nummer 167320 van € 7.199,50 wijst [X] Beheer B.V. erop dat [naam project] B.V. zelf stelt dat de privé werkzaamheden op deze factuur niet separaat identificeerbaar zijn, zodat volgens [X] Beheer B.V. maximaal de helft van de kosten op deze factuur als projectkosten mogen worden aangemerkt. Het hof volgt dit betoog van [X] Beheer B.V. niet omdat zij haar verweer onvoldoende op de omschrijving op de urenstaat heeft toegespitst. Bovendien staat op de factuur zelf (expliciet) vermeld dat het advisering betreft inzake boekenonderzoeken. Aan ieder van de projecten zal daarom € 3.599,75 worden toegerekend.

2.30.

Als bezwaar tegen de factuur met nummer 167659 van € 8.802,75 wijst [X] Beheer B.V. terecht erop dat er werkzaamheden worden opgevoerd die geen projectkosten betreffen omdat zij betrekking hebben op de liquidatie van de vennootschappen, alsmede dat er (allerlei) administratiekosten zijn opgenomen over de jaren 2017 en 2018 terwijl de projecten al in 2016 zijn geëindigd. Naar het oordeel van het hof kan van deze factuur (maximaal) een bedrag van € 1.361,25 als projectkosten worden aangemerkt en heeft [naam project] B.V. voor het overige onvoldoende toegelicht dat het hier om projectkosten gaat. Omdat [X] Beheer B.V. echter uitgaat van een bedrag van € 2.000, en daarmee kennelijk kan instemmen, zal het hof € 1.000 aan ieder van de projecten toerekenen.

2.31.

Als bezwaar tegen factuurnummer 167850 van € 10.224,50 wijst [X] Beheer B.V. terecht erop dat slechts een post van € 847 ten behoeve van het project [project 2] (jaar 2012) als projectkosten kan worden aangemerkt, omdat de opgevoerde kosten verder op de jaren 2018 en volgende zien of kosten zijn die de onderhavige procedure betreffen en daarom niet als projectkosten kunnen worden aangemerkt. [naam project] B.V. heeft onvoldoende gesteld om van een hoger bedrag uit te gaan. Het bedrag van € 847 betreft (uitsluitend) het project [project 2] en zal derhalve aan dat project worden toegerekend.

2.32.

[naam project] B.V. heeft aangeboden mr. [E] als getuige te horen. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen omdat [naam project] B.V. daartoe te weinig heeft gesteld. Op grond van de instructie in het tussenarrest had van haar mogen worden verwacht dat zij voorafgaand aan het indienen van haar (nadere) akte mr. [E] om een (nadere) specificatie had gevraagd, maar zij heeft dat kennelijk niet gedaan, waardoor haar stellingen thans onvoldoende onderbouwd zijn. Los daarvan is haar bewijsaanbod onvoldoende specifiek.

2.33.

Het voorgaande betekent dat naast de in rov. 2.26 vermelde kosten ook nog de volgende kosten als projectkosten mogen worden aangemerkt:

Factuurnummer

Project [project 1]

Project [project 2]

166986

€ 1.421,75

€ 1.421,75

167320

€ 3.599,75

€ 3.599,75

167659

€ 1.000

€ 1.000

167850

€ 847

Totaal

€ 6.021,50

€ 6.868,50

2.34.

Voor de kosten van mr. [E] strekt bij de bepaling van het nettorendement bij het project [project 1] dus (in totaal) € 16.273,22 op de opbrengst in mindering en bij het project [project 2] € 17.120,23.

Eindafrekening project [project 1]

2.35.

De rechtbank heeft in rov. 4.33 van haar vonnis het resultaat van het project [project 1] weergeven, welke weergave hierna als basis dient. De overwegingen in het tussenarrest en in dit arrest brengen mee dat deze weergave als volgt moet worden aangepast:

€ 4.146.729,56 + verkoopopbrengst na kosten verkoper

€ 1.594.490,32 -/- aankoopkosten inclusief kosten koper

€ 28.500 -/- afsluitprovisie RNHB

€ 500 -/- administratiekosten RNHB

€ 327.275 -/- € 321.544,70 -/- rentekosten RNHB [zie rov. 3.18 en 3.45 tussenarrest]

€ 27.972,72 + vergoede depotrente

€ 28.500 -/- exit fee RNHB

€ 116.382 -/- rentekosten [A]

€ 1.500.456,33 -/- € 1.507.478 -/- bouwkosten [zie rov. 3.19 tussenarrest]

€ 14.984,78 -/- € 17.284,78 -/- administratiekosten [zie rov. 3.24 tussenarrest]

€ 2.013,23 -/- gebouwenverzekering [zie rov. 3.47 tussenarrest]

€ 352,36 -/- bankkosten - algemeen

€ 12,76 -/- bankkosten - rente

nihil € 1.543,90 -/- later bekend geworden [zie rov. 3.25 tussenarrest]

nihil € 16.273,22 -/- mr. [E] [zie rov. 2.34 van dit arrest]

€ 561.235,50 € 541.840,24 projectresultaat

€ 280.617,75 € 270.929,12 netto-opbrengst per vennoot

Eindafrekening project [project 2]

2.36.

De rechtbank heeft in rov. 4.37.10 van haar vonnis het resultaat van het project [project 2] weergeven, welke weergave hierna als basis dient. De overwegingen in het tussenarrest en in dit arrest brengen mee dat deze weergave als volgt moet worden aangepast:

€ 2.639.456,22 verkoopopbrengst

€ 54.554,22 -/- notariskosten inzake verkoop

€ 875.000 -/- aankoopkosten exclusief kosten koper

€ 1.052.662,95 -/- kosten van verbouwing

€ 149.207,91 -/- algemene kosten 2012/2013 behoudens administratiekosten

€ 112.185,10 -/- algemene kosten 2014 behoudens administratiekosten

€ 135.808,93 -/- algemene kosten 2015 behoudens administratiekosten

€ 53.322,01 -/- algemene kosten 2016 behoudens administratiekosten

nihil € 313.311,33 -/- algemene kosten 2012/2013 t/m 2016 behoudens administratiekosten [zie rov. 2.21 van dit arrest]

€ 10.040,33 -/- administratiekosten 2012/2013 t/m 2016

nihil € 6.183,30 -/- [F] en Partners [zie rov. 3.27 tussenarrest]

nihil € 5.000 -/- tipgeld [D] [zie rov. 3.31 tussenarrest]

nihil € 17.120,23 -/- mr. [E] [zie rov. 2.34 van dit arrest]

€ 196.674,77 € 305.583,86 projectresultaat

€ 98.337,39 € 152.791,93 netto-opbrengst per vennoot

Conclusie met betrekking tot hetgeen over en weer is gevorderd

2.37.

Uit rov. 2.35 en 2.36 volgt dat [X] Beheer B.V. ten aanzien van de beide projecten in totaal aanspraak heeft op € 423.721.05 (en dus op méér dan de rechtbank heeft toegewezen). Dit bedrag is toewijsbaar op de wijze als hierna in de beslissing vermeld.

2.38.

Zoals uit het tussenarrest en dit arrest volgt, kan de beslissing van de rechtbank voor het overige wel in stand blijven (zie voor de rente rov. 3.34 en 3.55 van het tussenarrest).

2.39.

Anders dan [X] Beheer B.V. heeft [naam project] B.V. gevraagd de uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal dit arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat [X] Beheer B.V. tegen de achtergrond van het depot onder de notaris (zie rov. 2.10 en 2.12 van het tussenarrest) niet heeft aangetoond dat haar belang bij het direct ten uitvoer kunnen leggen van dit arrest zwaarder weegt dan het belang van [naam project] B.V. bij behoud van de bestaande toestand totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of op een eventueel rechtsmiddel is beslist.

Slotoverwegingen

2.40.

Het bestreden vonnis zal (deels) worden vernietigd. De grieven behoeven geen verdere afzonderlijke bespreking. Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren op de wijze als hierna in de beslissing vermeld.

2.41.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod dat ieder van partijen heeft gedaan. Hun bewijsaanbod heeft geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak kunnen leiden.

3 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover daarbij [naam project] B.V. is veroordeeld tot betaling aan [X] Beheer B.V. van € 371.321,75 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [naam project] B.V. tot betaling aan [X] Beheer B.V. van € 423.721.05 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis waarvan beroep,

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten van het principaal en incidenteel appel draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. A.C. Faber, mr. M.M. Korsten-Krijnen en mr. H. Koster en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.