Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1399

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
200.283.111/ 01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:4250
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen wijziging zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.283.111/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/296192 / FA RK 19-6663

Beschikking van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Riezebos te Heerhugowaard.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) (hierna: de kinderrechter) van 10 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 10 september 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 juni 2020.

2.2

De man heeft op 22 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 oktober 2020 met bijlage, ingekomen op 12 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 februari 2021 met bijlagen, ingekomen op 17 februari 2021.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk;

- de gezinsmanager, bijgestaan door een collega, namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI) die door het hof als informant is gehoord.

3 De feiten

3.1

Uit het (in 2015 door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de vrouw en de man zijn, voor zover in deze procedure van belang, geboren:

- [kind 1] [in] 2009,

- [kind 2] [in] 2013 en

- [kind 3] [in] 2013 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds april 2018 bij de man; voordien verbleven zij bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 15 juni 2018 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot hun uithuisplaatsing bij de man verleend. De maatregelen zijn nadien verlengd, laatstelijk tot respectievelijk 15 juni 2021 en 15 juni 2020.

3.3

Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking van 10 juni 2020 is vastgesteld, nadat partijen tot overeenstemming waren gekomen, dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, voor zover nodig met wijziging van het aan de echtscheidingsbeschikking van 13 mei 2015 gehechte ouderschapsplan in zoverre, een zorgregeling vastgesteld waarbij de vrouw eenmaal per veertien dagen gedurende twee uur op neutraal terrein onder begeleiding van een professional omgang heeft met de kinderen, welke regeling op aangeven van de GI kan worden uitgebreid.

Het verzoek van de vrouw om een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen bij de man zijn in de ene week en bij haar in de andere week en de overdracht zal plaatsvinden op vrijdagmiddag (uit school) is afgewezen.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar inleidend verzoek toe te wijzen.

4.3

De man verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw licht toe dat zij in 2018 heeft ingestemd met een tijdelijk verblijf van de kinderen bij de man, omdat sprake was geweest van geweldsincidenten tussen haar en haar toenmalige partner waarvan de kinderen getuige waren geweest. De raad raakte betrokken, de kinderen werden onder toezicht gesteld en aan de vrouw zijn doelen gesteld. Hoewel de vrouw die doelen heeft behaald, is de GI niet bereid te werken aan terugplaatsing van de kinderen en houdt zij vast aan het opvoedbesluit dat zij na zeven maanden uithuisplaatsing al heeft genomen, te weten dat het perspectief van de kinderen bij de man ligt. De relatie van de vrouw en haar partner is echter eind 2018 verbroken, zij heeft aangetoond dat geen sprake is van verslaving en zij heeft zich tot de GGZ gewend voor traumaverwerking.

De GI werkt evenmin mee aan uitbreiding van de zorgregeling. De begeleide omgang liep goed totdat de GI erachter kwam dat de begeleider de vrouw ook weleens alleen liet met de kinderen. Volgens de vrouw verlopen de contacten plezierig en stelt zij het belang van de kinderen voorop. Dat blijkt ook uit het gegeven dat zij steeds haar toestemming verleent voor gezagsbeslissingen. De vrouw heeft het idee dat de kinderen vaker bij haar willen zijn en dat ook de man openstaat voor een uitbreiding van de zorgregeling. Zij meent dan ook dat een co-ouderschapsregeling tegemoet komt aan de belangen van de kinderen.

Bij beschikking van 10 februari 2021 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland is op verzoek van de GI de zorgregeling (voor de duur van de ondertoezichtstelling) op grond van artikel 1:265g Burgerlijk Wetboek (BW) gewijzigd naar twee uur per maand, onder begeleiding en op neutraal terrein, en voorts een maandelijks belmoment. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij voornemens is om hoger beroep in te stellen van de beschikking van 10 februari 2021. Zij heeft haar hoger beroep in de onderhavige zaak dan ook gehandhaafd en heeft herhaald dat zij en de kinderen elkaar nodig hebben; toen de omgang onbegeleid was, bloeiden de kinderen op. Bij voorkeur heeft de vrouw onbegeleide omgang met de kinderen, dat maakt het contact natuurlijker. Zij wil de kinderen vaker zien en uiteindelijk zou zij graag willen dat er co-ouderschap komt. Verder heeft de vrouw betwist dat haar thuissituatie nog onrustig is. Haar ex-partner wil haar een hak zetten en veroorzaakt daarom onrust rond haar woning. Veel van de meldingen bij de politie betreffen valse beschuldigingen. Zo is de vrouw niet drugsverslaafd. Met behulp van Veilig Thuis en de wijkagent probeert zij bepaalde mutaties te verwijderen.

5.2

De man stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep dat de kinderen de vrouw twee uur per week (het hof begrijpt: twee uur per twee weken)in een gekaderde ruimte zien en dat het verzoek van de vrouw om een co-ouderschapsregeling vast te stellen illustratief is voor het gegeven dat zij niet in het belang van de kinderen handelt. Het opvoedbesluit inhoudende dat het perspectief van de kinderen bij de man ligt, is terecht genomen. Het lukt al jaren niet om afspraken met de vrouw te maken en sinds mei/juni 2020 zijn er weer verschillende politiemutaties (overlast, drugsgebruik, geweld) geweest op het adres van de vrouw. De man weerspreekt dan ook dat het goed gaat met de vrouw en dat zij niet langer verslaafd is. Zij belast de kinderen door tegen de afspraken in hen ook buiten de zorgregeling om te bezoeken.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij een verzoek bij de rechtbank heeft ingediend strekkende tot wijziging van het gezag over de kinderen in die zin dat hij met het eenhoofdig gezag wordt belast. Op 31 maart 2021 zal, naar verwachting, uitspraak worden gedaan. Verder heeft de man verklaard dat het goed gaat met de kinderen. In de vrouw heeft hij geen enkel vertrouwen meer, omdat zij de verkeerde mensen over de vloer blijft halen en zich keer op keer niet aan de afspraken houdt. Hij ziet dan ook geen enkele basis voor co-ouderschap. Ook voor uitbreiding van de zorgregeling ziet hij geen grond, al erkent hij dat de kinderen van de vrouw houden en dat zij haar vaker willen zien.

5.3

De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat het naar omstandigheden goed gaat met de kinderen. De huidige zorgregeling van twee uur per maand is op dit moment de hoogst haalbare regeling. Na de bestreden beschikking heeft de GI wederom onderzocht of het mogelijk was de omgang bij de vrouw thuis te laten plaatsvinden. Als voorwaarde is toen gesteld dat geen meldingen bij de politie meer zouden binnenkomen. In zes maanden tijd vonden echter toch weer zes meldingen plaats waarvan vier in verband met agressie en middelengebruik. Die meldingen maakten het onmogelijk voor de GI om de zorgregeling uit te breiden. Het is van belang dat de vrouw en de kinderen elkaar zien, en de kinderen geven ook aan hun moeder te missen, maar die omgang moet veilig en rustig plaatsvinden. Dat de vrouw de meldingen bovendien weerspreekt, maakt het inzetten van gerichte hulpverlening lastig.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven het te betreuren dat de vrouw blijft strijden en procederen en dat zij de door hulpverleners gegeven adviezen ter discussie stelt. Dat vormt een grote belemmering voor uitbreiding van de zorgregeling terwijl er wel een goede band is tussen de vrouw en de kinderen. De raad heeft de vrouw dan ook op het hart gedrukt de adviezen ter harte te nemen. Voorts heeft de raad geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.5

Het hof stelt vast dat uit de stukken blijkt dat partijen een ouderschapsplan hebben opgesteld dat aan de echtscheidingsbeschikking is gehecht. Die beschikking noch het ouderschapsplan bevindt zich in het dossier, maar het hof gaat ervan uit dat partijen destijds, in 2015, een zorgregeling tussen de man en de kinderen zijn overeengekomen, nu de kinderen na de echtscheiding van hun ouders aanvankelijk hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hadden. Dat brengt mee dat het hof het inleidend verzoek van de vrouw aanmerkt als een verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Reeds gezien het feit dat de kinderen sinds 2018 bij de man verblijven, is sprake van een wijziging van omstandigheden zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling.

5.6

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vrouw en de kinderen elkaar graag zien. Ook de man heeft verklaard dat de kinderen hun moeder missen. Dat zal – naar het hof aanneemt – niet minder zijn geworden nu de zorgregeling na het geven van de bestreden beschikking verder in frequentie is beperkt. Bij het beantwoorden van de vraag welke zorgregeling in het belang van de kinderen is, is echter niet de wens van de kinderen (en de vrouw) leidend, maar dient ook te worden gekeken naar de consequenties van een uitbreiding van de zorgregeling. Naar het oordeel van het hof zou een uitbreiding van de zorgregeling, zoals door de vrouw gewenst, te veel onrust voor de kinderen meebrengen. Ook als zou blijken dat alle politiemeldingen onterecht waren, dan nog is het gegeven dat in een half jaar tijd meerdere (valse) aangiftes zijn gedaan zorgwekkend. De vrouw heeft weliswaar gezegd dat haar intenties goed zijn, maar zij is er niet in geslaagd - al dan niet door toedoen van mensen uit haar omgeving – om aan de voorwaarde van de GI te voldoen dat geen sprake meer is van politiemutaties. Uit een door de man in het geding gebracht mutatierapport van 27 oktober 2020 van de wijkagent zijn de meldingen en registraties op het adres van de vrouw vanaf 2016 opgenomen. Die betreffen onder andere huiselijk geweld, geluidsoverlast en diefstal. In 2020 was, tot 27 oktober 2020, sprake van negen mutaties. Daarnaast, zo stelt de wijkagent, worden bij hem anonieme meldingen gedaan over de vrouw, die niet zijn geregistreerd. Verder noemt de wijkagent waarnemingen van de vrouw door de politie in het centrum van haar woonplaats. Een aanzienlijk aantal van de geregistreerde meldingen, de niet-geregistreerde meldingen en de waarnemingen houden verband met (vermoedens van) middelengebruik.

Daar komt bij dat ook de omgang zelf onrust teweegbrengt of teweeg kan brengen. De omgangsbegeleider van Koel & Co heeft bij de GI zorgen gemeld, onder andere omdat de vrouw toch nog zaken met de kinderen bespreekt die alleen de volwassenen aangaan en moeite heeft haar emoties in het bijzijn van de kinderen onder controle te houden. Zo blijkt uit een e-mail van Koel & Co van 15 februari 2021 over het verloop van de omgang op 12 februari 2021 dat de vrouw de beperking van de omgang met de kinderen had besproken.

Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat een meer uitgebreide zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. Voor zover de vrouw met uitbreiding van de zorgregeling bedoeld heeft dat deze zonder begeleiding (bij haar thuis) dient plaats te vinden, maakt hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de onrust rond de (woning van de) vrouw en de belasting van de kinderen met volwassenenproblematiek dat daarvan thans geen sprake kan zijn. Het risico dat de kinderen te maken krijgen met geweld, agressie en/of overlast, danwel – simpel gezegd – onnodige en onveilige onrust moet, vooral nu zij daarvan in het verleden reeds het nodige hebben meegemaakt en daardoor beschadigd zijn geraakt, worden geminimaliseerd. De begeleiding van het contact tussen de vrouw en de kinderen acht het hof ook noodzakelijk omdat de vrouw zich niet lijkt te kunnen houden aan het verzoek om niet met de kinderen te praten alsof zij al volwassen zijn.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het hoger beroep verwerpen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.F. Miedema en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 4 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.