Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1398

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
200.284.333/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:6480
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van de moeder tot benoeming van de grootvader, tevens zijnde de pleegvader, tot voogd over het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.284.333/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/302978 / FA RK 20-2544

Beschikking van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.R. Ploeger te Schagen,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt na te noemen minderjarige:

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- [de pleegvader] en [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegouders).

Als informanten zijn aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: de GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna te noemen: de rechtbank), van 5 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en verbeterd bij beschikking van 20 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 8 oktober 2020 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voornoemde beschikking van 5 augustus 2020.

2.2

De raad heeft op 1 december 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 8 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D. van Dijk;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

- [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegvader).

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een zoon, te weten:

- [de minderjarige] , geboren [in] 2013. Tot de bestreden beschikking had de moeder het eenhoofdig gezag over hem.

De moeder heeft daarnaast nog een dochter, te weten [kind 2] , geboren [in] 2019.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 maart 2019 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitgesproken. Sinds 28 maart 2019 is [de minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Deze maatregelen zijn sindsdien steeds verlengd. Sinds 25 juni 2019 verblijft [de minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin, te weten bij zijn grootouders van moederszijde.

3.3

Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 5 augustus 2020 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] .

4.2

De moeder verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de pleegvader tot voogd over [de minderjarige] wordt benoemd.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de GI, dan wel de pleegvader moet worden belast met de voogdij over [de minderjarige] .

5.2

Ingevolge artikel 1:275 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechtbank, indien na beëindiging van het gezag van een ouder de andere ouder het gezag voortaan niet alleen uitoefent, een voogd over de minderjarige.

Artikel 1:302 lid 1 BW bepaalt dat de rechter de voogdij kan opdragen aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

5.3

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er een conflictsituatie kan ontstaan tussen de moeder en de pleegouders. [de minderjarige] verblijft sinds 25 juni 2019 bij de pleegouders. Hoewel de moeder het liefst zelf voor [de minderjarige] zou willen zorgen, ziet zij in dat dit niet haalbaar is. Zij heeft zich daarbij neergelegd. De aanname van de rechtbank dat niet uitgesloten is dat de moeder opnieuw het standpunt in zal nemen dat zij weer voor [de minderjarige] zal willen zorgen is dan ook ongefundeerd. De samenwerking met de pleegouders en de GI is goed te noemen. [de minderjarige] zal binnenkort een behandeling ondergaan en de moeder zal samen met de pleegouders in systeemtherapie gaan. De GI zal betrokken blijven, ook als de pleegvader zal worden benoemd tot voogd. [de minderjarige] staat immers nog steeds onder toezicht en daarmee is de betrokkenheid van de GI gewaarborgd. De moeder meent dat het duidelijkheid schept voor [de minderjarige] wanneer de pleegvader ook het gezag over hem zal krijgen.

5.4

De raad is van mening, nog sterker dan ten tijde van zijn onderzoek, dat de GI met de voogdij over [de minderjarige] dient te worden belast en niet, zoals de moeder thans wenst, de pleegvader. Ten tijde van de afronding van de rapportage en indiening van het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel gaf de moeder nog aan dat zij daarmee kon instemmen. Op de zitting van de rechtbank van 11 mei 2020 nam de moeder een totaal ander standpunt in en stelde haar advocaat dat de GI het perspectiefbesluit veel te vroeg heeft genomen. De moeder wilde graag een kans om zonder het gedwongen kader voor haar kinderen te zorgen. Gelet op deze wisselende houding is de raad van mening dat de rechtbank terecht de GI tot voogd heeft benoemd.

[de minderjarige] is in het najaar 2020 gestart met traumatherapie, maar dit is stopgezet omdat dit te zwaar was voor hem. De systeemtherapie kan vooralsnog niet starten in verband met het moeizame traject bij de hulpverlening voor [de minderjarige] . De raad is met de gezinsmanager van mening dat de pleegouders in deze situatie niet (ook nog) belast zouden moeten worden met de voogdij over [de minderjarige] . De raad is van mening dat een onafhankelijke instantie als de GI als buffer kan fungeren in het contact tussen de moeder en de pleegouders. Op deze manier kunnen de pleegouders zich richten op het bieden van een stabiel en fijn leefklimaat voor [de minderjarige] en kan de GI zich richten op het contact met de moeder, de pleegouders en de hulpverlening. Er bestaat, zeker nu, een reëel risico dat het gaat wringen als de pleegvader beslissingen moet gaan nemen waar de moeder niet achter staat, aldus de raad.

5.5

De GI acht het in het belang van [de minderjarige] dat de voogdij bij haar wordt belegd. Op termijn zouden de pleegouders mogelijk voogd kunnen worden, maar hiervoor is het nu nog te vroeg.

5.6

Ter zitting heeft de pleegvader verklaard graag bereid te zijn de voogdij op zich te nemen. De verstandhouding met zijn dochter is nu goed. De pleegvader en de moeder kunnen goed met elkaar overleggen.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [de minderjarige] in zijn jonge leven al veel heeft meegemaakt. Zo is hij getuige geweest van fysiek en verbaal geweld in de partnerrelatie tussen de moeder en [de man] (de toenmalige partner van de moeder). Ook was er sprake van geringe draagkracht en emotionele beschikbaarheid van de moeder, onvoldoende positieve opvoedvaardigheden van de moeder en [de man] , en het risico op overmatig alcoholgebruik door de moeder. Het lukte de moeder en [de man] niet in de persoonlijke verzorging van [de minderjarige] te voorzien; [de minderjarige] heeft tien gaatjes in zijn gebit en droeg geen bij het weer passende kleding. In en rondom de woning was het vervuild en verwaarloosd, wat een veiligheidsrisico voor [de minderjarige] opleverde. [de minderjarige] accepteert geen gezag van de moeder, is zelfbepalend en grenzeloos in zijn gedrag.

Begin 2020 is bij [de minderjarige] de diagnose PTSS en hechtingsproblematiek gesteld en vermoedelijk ADHD. Daarvoor krijgt hij ook medicatie (Ritalin). In het najaar van 2020 is gestart met traumatherapie bij Triversum, maar dit bleek te zwaar voor [de minderjarige] in verband met de herbelevingen van de situatie uit de tijd dat de moeder een relatie had met [de man] . Hierdoor werd [de minderjarige] onhandelbaar op school. In de kerstvakantie 2020 is [de minderjarige] naar de zorgboerderij gegaan om tot rust te komen. Daar wordt hij iedere week op maandagochtend naartoe gebracht en blijft hij twee nachten slapen, waarna hij op woensdag wordt opgehaald. Op donderdag en vrijdag krijgt hij thuisonderwijs. [de minderjarige] begint steeds meer te ontspannen. Op de zorgboerderij toont hij overdag weinig emoties, maar aan het einde van de dag op zijn kamer praat hij met de begeleider en komt hij toe aan de verwerking van het verleden. De nachten zijn daarom van belang voor [de minderjarige] . De verwachting is dat [de minderjarige] langere tijd nodig zal hebben op de zorgboerderij, in ieder geval tot de zomervakantie 2021.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de pleegvader niet achter de overnachtingen staat, vanwege het feit dat [de minderjarige] grote weerstand toont wanneer hij maandagochtend naar de zorgboerderij gebracht wordt. [de minderjarige] vindt het leuk op de zorgboerderij, maar wil daar liever niet overnachten. Als hij ’s nachts nachtmerries heeft, wil hij het liefste bij de pleegvader zijn.

[de minderjarige] staat momenteel op de wachtlijst voor speltherapie. De systeemtherapie is nog niet van start gegaan, in eerste instantie omdat het praktisch niet haalbaar was, maar ook thans is de systeemtherapie opgeschort, omdat de moeder heeft aangegeven daar op dit moment geen behoefte aan te hebben, gelet op een operatie die zij heeft moeten ondergaan, de zorg voor [kind 2] en deze rechtszaak.

Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders moet worden gecontinueerd. [de minderjarige] ontwikkelt zich daar goed en is aan hen gehecht. [de minderjarige] ziet zijn moeder iedere vrijdag tijdens een bezoekmoment bij de pleegouders thuis. Partijen verschillen van mening over de vraag of de voogdij kan worden overgedragen naar de pleegvader. De GI heeft de volgende doelen gesteld aan de mogelijke overdracht van de voogdij aan de pleegvader in de toekomst:

  • -

    de pleegouders werken samen met de jeugdzorgwerker en de hulpverlening;

  • -

    er moet zicht komen op hoe de moeder de verzorging van zusje [kind 2] zelfstandig vormgeeft als moeder per 1 september 2020 weer in haar eigen woning is;

  • -

    er moet duidelijkheid komen wat het perspectief van zusje [kind 2] is;

  • -

    het vertrouwen tussen de moeder en de pleegouders moet steviger worden en ruimere tijd stabiel blijven;

  • -

    het is belangrijk dat de moeder er achter blijft staan dat [de minderjarige] zal opgroeien bij de pleegouders;

  • -

    de pleegouders geven de moeder en [de minderjarige] op afgesproken momenten de gelegenheid om contact en omgang met elkaar te hebben. De pleegouders stimuleren en ondersteunen beiden hierin;

  • -

    op het moment dat de biologische vader openstaat om in contact te komen met [de minderjarige] , ondersteunen de pleegouders de mogelijkheid om [de minderjarige] en de biologische vader met elkaar te kunnen laten kennismaken.

Het hof constateert dat de hulpverlening op dit moment erg veel vergt van [de minderjarige] , de moeder en de pleegouders. Er moet veel geregeld worden voor [de minderjarige] en er is veel extra ondersteuning nodig, gelet op zijn problematiek. Het hof is met de raad van oordeel dat het belangrijk is dat de pleegouders zich met de dagelijkse zorg voor [de minderjarige] bezig kunnen houden en ingrijpende beslissingen niet door hen behoeven te worden genomen. Anders dan de moeder en de pleegvader menen, is er indien de pleegvader met de voogdij over [de minderjarige] wordt belast, in beginsel geen bemoeienis meer van de GI met [de minderjarige] . Dan valt de ondersteuning vanuit de GI weg voor [de minderjarige] , hetgeen niet wenselijk is. De moeder heeft weliswaar ter zitting in hoger beroep gesteld dat de relatie tussen haar en haar ouders goed is, wat door de pleegvader is beaamd. Ook heeft zij verklaard dat zij overal mee zal instemmen, maar het hof constateert dat de systeemtherapie in de toekomst nog zal moeten plaatshebben, waardoor de situatie tussen de pleegouders en de moeder naar het oordeel van het hof nog steeds fragiel is. Een neutrale en professionele voogd kan de belangen van [de minderjarige] behartigen en de beslissingen nemen die noodzakelijk zijn, maar daarnaast ook de onderlinge relaties beschermen wanneer er (moeilijke) beslissingen genomen moeten worden, waaronder het verblijf van [de minderjarige] op de zorgboerderij. Ondersteuning vanuit een neutrale en professionele voogd is naar het oordeel van het hof wenselijk in deze situatie. Het hof zal daarom de benoeming van de GI als voogd bekrachtigen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.F. Miedema en mr. P.A.M. Jongens-Lokin, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 4 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.