Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1393

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
23-002562-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 423 lid 4 Sv. Veroordeling diefstal d.m.v. valse sleutel en opzetheling. Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het bewezenverklaarde: gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002562-20

datum uitspraak: 3 mei 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-124974-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag 1] 1979,

(verblijf)adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis veroordeeld voor hetgeen onder 1 en 2 subsidiair en onder 3 en 4 ten laste is gelegd.

Op 11 november 2020 is namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ingevolge de akte partieel intrekken rechtsmiddel van 15 december 2020 is namens de verdachte het ingestelde hoger beroep partieel ingetrokken en wel voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

Met betrekking tot de straf en de maatregelen ten aanzien van het door de rechtbank onder 1 en 2 bewezenverklaarde zal het hof toepassing geven aan artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:


3.
hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, geld, te weten een totaalbedrag van € 52.043,93, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (telkens) heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) met het bankpasje van [benadeelde] (meer) geld op te nemen (dan waarvoor [benadeelde] zijn toestemming had gegeven);

4.
hij op of omstreeks 7 mei 2020 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, een goed te weten veertien, althans één of meer, fiets(en) en/of een accu oplader heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte was die de bedragen heeft weggenomen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat de verdachte gerechtigd was tot het gebruik van de pinpas van [benadeelde]. Meer subsidiair heeft hij betoogd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte bij slechts vier pintransacties op de camerabeelden te zien zou zijn.

Ook heeft de raadsman ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fietsen niet wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof overweegt dat de door de raadsman gevoerde verweren, inhoudende dat de verdachte (partieel) vrijgesproken dient te worden van het onder 3 tenlastegelegde, hun weerlegging vinden in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en verwerpt deze gevoerde verweren.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft aangevoerd, merkt het hof op dat in de woning waar de verdachte verbleef in totaal veertien fietsen zijn aangetroffen. Vier van deze zijn als gestolen opgegeven. Bijna alle fietsen waren niet voorzien van een hoefijzerslot en bij een aantal fietsen was het framenummer weggekrast. De verdachte heeft wisselend verklaard ten aanzien van het voorhanden krijgen van de fietsen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij als autohandelaar mensen gelegenheid gaf om hun schuld met fietsen in plaats van geld af te betalen, zonder dat hij wist te verklaren wie die mensen waren. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij de fietsen bij het grofvuil heeft aangetroffen én dat hij de fietsen in bewaring had voor een ander. Hij heeft niet willen zeggen voor wie hij de fietsen in bewaring had.

Gelet op de buitengewoon verdachte omstandigheden waaronder de fietsen onder de verdachte werden aangetroffen en in aanmerking genomen dat de verdachte vervolgens geen aannemelijke, consistente, verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden krijgen en hebben daarvan, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de vier gestolen fietsen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het arrest zijn de door het hof gebezigde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage is aan het arrest gehecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij in de periode van 12 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 te Amstelveen, een geldbedrag, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de verdachte dat weg te nemen geld telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens met het bankpasje van [benadeelde] meer geld op te nemen, dan waarvoor [benadeelde] zijn toestemming had gegeven;

4.
hij omstreeks 7 mei 2020 te Amstelveen vier fietsen voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Hetgeen onder 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en onder 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook heeft de rechtbank een locatie- en contactverbod op grond van artikel 38v Sr aan de verdachte opgelegd, met dadelijke uitvoerbaarheid.

Bepaling van de straf en maatregel op de voet van artikel 423, vierde lid, Sv

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde, de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een locatie- en contactverbod, bepaalt met dadelijke uitvoerbaarheid.

De raadsman heeft verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Nu het hoger beroep is gericht tegen het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering eerst de straf en maatregel bepalen ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde misdrijven.

Het hof bepaalt de straf voor deze feiten op een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts bepaalt het hof dat ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de woning van de heer [benadeelde] en een contactverbod met de heer [benadeelde], met vervangende hechtenis van één week (met een maximum van zes maanden), voor iedere keer dat verdachte het verbod overtreedt.

Het hof merkt op dat de duur van twee jaren van de vrijheidsbeperkende maatregel moet worden geacht te zijn aangevangen op de datum van het vonnis, te weten 28 oktober 2020.

Oplegging van straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 en 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verzocht geen hogere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels door met een pinpas en bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan hij maar beperkt toestemming had gekregen, namelijk enkel voor het doen van boodschappen, in totaal een aanzienlijk geldbedrag te pinnen. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Hij heeft uit financieel gewin het slachtoffer schade en overlast bezorgd en zichzelf op die wijze onrechtmatig bevoordeeld.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van vier fietsen. Door aldus te handelen heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen fietsen. Fietsendiefstal is een grootschalig probleem waardoor veel schade en overlast wordt veroorzaakt en het handelen van de verdachte bewerkstelligt dat het loont om dat misdrijf te plegen. Verder heeft de verdachte met zijn handelen ervan blijk gegeven zich niet te bekommeren om de eigendomsrechten van anderen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.021,97, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zal worden toegewezen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderding tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 7.000,- in verband met de pinopnames waarvan op camera is waargenomen dat de verdachte die heeft gedaan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag doordat is komen vast te staan dat hij aanzienlijke geldbedragen heeft opgenomen die het doel waartoe de toestemming van de rechthebbende strekte zeer ver te boven zijn gegaan. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof schat de materiële schade naar maatstaven van billijkheid in ieder geval op het hierna te vermelden bedrag, welk bedrag overigens lager is dan het door de advocaat-generaal bepleitte en door de rechtbank opgelegde bedrag, omdat het hof er blijkens de bewijsmiddelen van uitgaat dat de gestolen bedragen alleen betrekking hebben op de rekening met nummer [nummer].

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde op:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt, ingevolge het vonnis van de rechtbank, voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde de oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied: op het adres [adres 2].

Bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Bepaalt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard.

Bepaalt, ingevolge het vonnis van de rechtbank, voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde de oplegging van de maatregel tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren geen contact opneemt met de heer [benadeelde], geboren op [geboortedag 2] 1946, wonende aan de [adres 2].

Bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Bepaalt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 110 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 mei 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. M.J.A. Duker en mr. V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 mei 2021.

mr. M.J.A. Duker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]