Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1365

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
200.267.239/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beding in algemene voorwaarden van bank inzake vergoeding voor openbreken rentevaste periode door klant onredelijk bezwarend? Art. 6:233 onder a en 6:237 onder i BW. Uitleg art. 25 Hypothekenrichtlijn (EU-richtlijn 2014/17). Beding voldoende transparant in de zin van art. 5 EG-richtlijn 1993/13? Art. 81c leden 2 en 4 Bgfo niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.267.239/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 7399165/CV EXPL 18-27518

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 mei 2021

inzake

[appellant sub 1] ,

[appellante sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.J.A. Braspenning te Tilburg,

tegen

ABN AMRO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam.

Het geschil in het kort

Partijen worden hierna [appellanten] . en ABN AMRO genoemd. [appellanten] . hebben in 2016 de rentevastperiodes in hun hypothecaire kredietovereenkomst met ABN AMRO opengebroken en de rente opnieuw vastgezet. Het geschil tussen partijen betreft de vergoeding die ABN AMRO daarvoor aan [appellanten] . in rekening heeft gebracht. [appellanten] . stellen dat ABN AMRO helemaal geen vergoeding in rekening mocht brengen omdat de bepaling uit haar algemene voorwaarden waarop die vergoeding is gebaseerd ongeldig is (want onredelijk bezwarend), althans dat ABN AMRO aan hen slechts haar werkelijk financieel nadeel in rekening mocht brengen. Over dat werkelijk financieel nadeel moet ABN AMRO dan wel eerst informatie verschaffen, zo stellen [appellanten] .

1 Het geding in hoger beroep

[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 27 september 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 juni 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] . als eisers en ABN AMRO als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 maart 2021 doen bepleiten, [appellanten] . door mr. Braspenning voornoemd en ABN AMRO door mr. Lieverse voornoemd en door mr. M.J. Bosselaar, advocaat te Amsterdam. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd; [appellanten] . ook nog nadere producties. Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] . hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van ABN AMRO tot terugbetaling van alles wat [appellanten] . ter uitvoering van het bestreden vonnis aan ABN AMRO hebben betaald, met rente, en met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

ABN AMRO heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 (1.2 tot en met 1.8) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Partijen hebben op 5 juli 2013 een hypothecaire kredietovereenkomst (hierna: de hypotheek) gesloten met een looptijd van 30 jaar. De hypotheek bestaat uit twee leningdelen. Leningdeel 1 betreft een annuïteitenhypotheek van € 242.000,- met een rentevastperiode van tien jaar. Leningdeel 2 betreft een aflossingsvrije hypotheek van € 210.000,- met een rentevastperiode van vijf jaar.

2.2

Begin november 2016 hebben [appellanten] ., via internetbankieren, gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de hypotheek te wijzigen door de rentevastperiodes open te breken en nieuwe rentevastperiodes overeen te komen tegen een lager rentetarief.

2.3

Als vergoeding voor de wijziging (hierna: de vergoeding) heeft ABN AMRO voor leningdeel 2 eenmalig € 3.250,80 aan [appellanten] . in rekening gebracht en voor leningdeel 1 een boeteopslag van 1,32% en een rentemiddelingsopslag van 0,2% berekend, geldend voor de totale nieuwe looptijd van dit leningdeel van tien jaar, alsmede een bedrag van € 250,- aan afhandelingskosten.

2.4

Op zowel de oorspronkelijke als de gewijzigde hypotheek zijn algemene voorwaarden van toepassing, waaronder de voorwaarden ABN AMRO Hypotheekvormen - Budget Hypotheek (hierna: de algemene voorwaarden).

2.5

De algemene voorwaarden luiden, voor zover hier relevant:

“9.2 Moet ik een boete betalen?

Het veranderen van de kenmerken van een leningdeel tijdens de rentevastperiode wordt gezien als het (gedeeltelijk) terugbetalen van uw lening(deel). Leest u hoofdstuk 14 voor de situaties waarin u een boete moet betalen. In dit hoofdstuk staat ook hoe de boete wordt berekend.

(…)

14.7

Hoe wordt de boete berekend als ik mijn lening helemaal terugbetaal?

Hierna volgt een uitleg over de manier waarop de boete wordt berekend als u uw lening volledig terugbetaalt.

Belangrijk

Bij het berekenen van die boete speelt het begrip contante waarde een belangrijke rol. Kort gezegd is de contante waarde de huidige waarde van een bedrag dat iemand pas na een bepaalde periode zou krijgen. Als u voor het einde van de looptijd uw lening terugbetaalt, dan krijgt de bank een deel van de rente die u zou hebben betaald niet. Deze toekomstige rente wordt contant gemaakt. De rente die de bank wel zou krijgen maar doordat u eerder terugbetaalt niet krijgt, is het bedrag van de boete.

1. De boete die u moet betalen, wordt berekend over het bedrag dat u wilt terugbetalen aan de bank. Van dit bedrag wordt eerst het vrijgestelde bedrag afgetrokken. Dit is maximaal 10% van het oorspronkelijke bedrag van elk leningdeel in een kalenderjaar.

2. De boete voor het terugbetalen van de gehele lening voor het einde van de looptijd van deze lening wordt als volgt berekend. De contante waarde van het verschil tussen:

a. het totale bedrag dat u aan rente en (indien van toepassing) aflossing zou hebben betaald gedurende de resterende looptijd van uw rentevastperiode op basis van uw huidige rentepercentage;

en

b. het totale bedrag dat u aan rente en (indien van toepassing) aflossing zou hebben betaald gedurende de resterende looptijd van uw rentevastperiode op basis van het rentepercentage voor volledig gelijke leningdelen zoals dat geldt 14 kalenderdagen voordat u uw lening terugbetaalt.

3. De bank kijkt eerst hoe lang uw rentevastperiode nog loopt. Daarna kijkt de bank of deze resterende looptijd gelijk is aan een rentevastperiode die de bank aanbiedt. Als dat zo is, dan rekent de bank met de rente van de rentevastperiode. Maar als dat niet zo is, dan berekent de bank een andere rente. De bank kijkt dan naar de rentes van de door de bank aangeboden langere en kortere rentevastperiode die het dichtst bij uw resterende rentevastperiode liggen. De rente wordt dan tijdsevenredig berekend tussen de rentes van die twee rentevastperiodes. In het voorbeeld hierna leggen we dat verder aan u uit. De minimale rentevastperiode is één jaar.

4. Als de bank uw hypotheekvorm niet meer aanbiedt dan wordt gekeken naar de hypotheekvorm die het meeste lijkt op uw hypotheekvorm. De bank bepaalt welke dat is.

Met een volledig gelijk leningdeel wordt in dit artikel een leningdeel bedoeld met dezelfde:

  • -

    rentevorm,

  • -

    resterende rentevastperiode,

  • -

    risicoklasse, en

  • -

    hypotheekvorm

als het leningdeel dat u heeft.

Met de resterende looptijd bedoelen wij de termijn die ligt tussen het moment dat u wilt gaan aflossen (terugbetalen) en de einddatum van de rentevastperiode. De minimale rentevastperiode is een (1) jaar.”

Hierna volgt een rekenvoorbeeld met een toelichting.

2.6

Bij brief van 8 november 2016 heeft ABN AMRO [appellanten] . geïnformeerd over de gevolgen die het wijzigen van de rente, zoals via internetbankieren aangegeven, voor [appellanten] . heeft. De brief vermeldt onder meer het nieuwe maandbedrag, het te betalen boetebedrag en de nieuwe einddatum van de rentevastperiode na het definitief doorvoeren van de wijziging voor beide leningdelen. Ook geeft ABN AMRO in deze brief een toelichting op de wijze waarop de boete wordt berekend. De gevolgen van de voorgenomen rentewijziging worden in de brief in de volgende staatjes samengevat (voor respectievelijk leningdeel 2 en leningdeel 1):

“Leningdeel [nummer]

Huidige situatie

Na uw wijziging

Aflosvorm

Aflossingsvrije Hypotheek

ongewijzigd

Hypotheekbedrag

€ 210.000,00

ongewijzigd

Maandbedrag

€ 603,75

€ 339,50

Rentepercentage

3,45%

1,94%

Einddatum rentevaste periode

1 juli 2018

1 december 2026

Einddatum leningdeel

1 augustus 2043

ongewijzigd

Boetebedrag

€ 3.250,80

Terugverdientijd

1 jaar en 1 maand

(…)

Leningdeel [nummer]

Huidige situatie

Na uw wijziging

Aflosvorm

Annuïteiten Hypotheek

ongewijzigd

Hypotheekbedrag

€ 228.172,62

ongewijzigd

Maandbedrag

€ 1.205,98

€ 1.067,91

Rentepercentage

4,35%

3,26%

Einddatum rentevaste periode

1 juli 2023

1 december 2026

Einddatum leningdeel

1 augustus 2043

ongewijzigd

Uw nieuwe rente van 3,26% bestaat uit:

• De actuele rente van 1,74% voor 10 jaar.

• Een boeteopslag van 1,32%. De berekening van de boeteopslag vindt u in de bijlage.

• Een rentemiddelingsopslag van 0,20%.”

2.7

Vervolgens hebben [appellanten] . via internetbankieren de gewenste wijziging bevestigd.

3 Beoordeling

3.1

[appellanten] . vorderen in de deze procedure van ABN AMRO primair betaling van € 24.682,52, het totaal van het bedrag dat ABN AMRO aan hen in rekening heeft gebracht voor het openbreken van de rentevastperiodes. Zij beroepen zich in dit verband op de nietigheid van de (hiervoor, in 2.5 aangehaalde) algemene voorwaarden waarop ABN AMRO de verplichting tot betaling van de vergoeding baseert. Die bepalingen zijn volgens hen onredelijk bezwarend (in de zin van artikel 6:233 sub a, al dan niet in samenhang met artikel 6:237 sub i BW). Subsidiair vorderen [appellanten] ., kort gezegd, dat ABN AMRO inzicht geeft in het door haar geleden werkelijk nadeel door de wijziging van de hypotheek en dat zij aan hen terugbetaalt wat zij boven dat werkelijk nadeel aan ABN hebben betaald.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] . afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] . met zeven grieven op.

Artikel 25 Hypothekenrichtlijn

3.3

De grieven 1 en 3 komen neer op het volgende betoog. De artikelen 6:233 en 6:237 sub i BW moeten worden uitgelegd conform EU-richtlijn 2014/17 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen (hierna: de Hypothekenrichtlijn). Daaraan staat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet in de weg dat de hypotheek van [appellanten] . al in 2013 is gesloten en dat de Hypothekenrichtlijn (in artikel 43 lid 1) bepaalt dat zij niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die geldig zijn aangegaan voor 21 maart 2016. Artikel 25 van de Hypothekenrichtlijn verzet zich tegen algemene voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 9.2 en 14.7 van de hier toepasselijke algemene voorwaarden, die aan een kredietverstrekker de mogelijkheid geven om bij het tussentijds openbreken van een rentevastperiode de gederfde winst aan de consument in rekening te brengen. Een uitleg van artikel 6:233 en 6:237 sub i BW conform de Hypothekenrichtlijn brengt mee dat de kredietverstrekker in zijn algemene voorwaarden bij het openbreken van een rentevastperiode uitsluitend vergoeding mag eisen van zijn werkelijk financieel nadeel, met uitsluiting van eventuele gederfde winst.

3.4

De grieven slagen niet. De bepleite richtlijnconforme uitleg van de artikelen 6:233 en 6:237 sub i BW kan [appellanten] . niet baten, omdat de uitleg die [appellanten] . geven aan artikel 25 van de Hypothekenrichtlijn niet juist is. Ter toelichting dient het volgende.

3.5

Anders dan [appellanten] . menen, heeft deze bepaling geen betrekking op het openbreken van een rentevastperiode, zoals hier aan de orde is (in gelijke zin Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7801, rov. 3.21-3.22). Artikel 25 van de Hypothekenrichtlijn is beperkt tot de situatie van een vervroegde aflossing van de kredietovereenkomst. Dit volgt onder meer uit de tekst van lid 1, waarin gesproken wordt van het recht van de consument om zich voor het verstrijken van de kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. Daarmee in overeenstemming bepaalt de Considerans onder 66 dat het van essentieel belang is dat op Unie-niveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien. De doelstellingen van de Hypothekenrichtlijn, waaronder het creëren van een transparante, efficiënte en concurrerende markt voor hypothecaire kredietovereenkomsten, kunnen niet tot een andere uitleg leiden. Het unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel verzet zich daartegen. Ook de Nederlandse wetgever is er bij de implementatie van artikel 25 Hypothekenrichtlijn van uitgegaan dat deze bepaling niet ziet op het openbreken van een rentevastperiode. De implementatie heeft geleid tot artikel 7:127 BW en artikel 81c Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo). Beide bepalingen zijn alleen van toepassing bij vervroegde aflossing en niet bij het openbreken van een rentevastperiode. Wat artikel 81c Bgfo betreft, is dit inmiddels bevestigd doordat per 1 juli 2019 artikel 81ca Bgfo is ingevoerd, waarin alsnog (met werking vanaf 1 juli 2019) is bepaald dat bij het openbreken van een rentevastperiode de in rekening te brengen vergoeding niet hoger mag zijn dan het financiële nadeel van de kredietaanbieder. Hierop stuiten de grieven 1 en 3 reeds af.

3.6

In de tweede plaats verzet artikel 25 Hypothekenrichtlijn zich, anders dan [appellanten] . betogen, niet tegen een beding zoals artikel 14 van de hier toepasselijke algemene voorwaarden, dat de kredietgever bij vervroegde aflossing recht geeft op gederfde winst zoals in dat artikel 14 nader omschreven. De artikelen 7:127 lid 3 BW en 81c Bgfo verzetten zich daar evenmin tegen. Dit hof heeft een en ander eerder beslist in zijn arrest van 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3476. Verwezen wordt naar de in dat arrest in de rov 3.7 tot en met 3.12 en 3.14-3.15 gegeven motivering, die het hof in deze zaak overneemt. Het komt er in het kort op neer dat [appellanten] . het begrip ‘kosten’ uit artikel 25 van de Hypothekenrichtlijn te beperkt opvatten. Dat begrip omvat ook de verschuldigde rente, zo volgt uit artikel 4 onder 13 Hypothekenrichtlijn in samenhang met artikel 3 onder g Richtlijn 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna: Richtlijn 2008/48). Verder staat in de Considerans onder 66 van de Hypothekenrichtlijn dat de door de kredietgever geëiste vergoeding voor mogelijke ‘kosten’ die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet niet hoger mag zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies, wat gelezen moet worden als: verlies doordat het krediet vroegtijdig is afgelost, zodat hierin ook geen uitsluiting van gederfde winst, zoals nader bepaald in artikel 14 van de algemene voorwaarden, valt te lezen. Het hof staat in deze uitleg van artikel 25 Hypothekenrichtlijn niet alleen. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet van de Hypothekenrichtlijn wordt opgemerkt dat de vergoeding die de kredietgever mag eisen bij vervroegde aflossing in aansluiting op artikel 10 van de destijds geldende Gedragscode Hypothecaire Financieringen door middel van de contante-waarde-methode (lees: de contante waarde van het verschil tussen de door de consument verschuldigde rente en de actuele rente, zoals gehanteerd in artikel 14 van de algemene voorwaarden) kan worden bepaald. Ook in de Nota van Toelichting bij de invoering van artikel 81c Bgfo is opgenomen dat het bij de vergoeding die de kredietgever bij vervroegde aflossing mag eisen doorgaans zal gaan om gemiste rentebetalingen. Wel mag volgens die Nota van Toelichting alleen “reëel rentenadeel” in rekening worden gebracht. Artikel 81c Bgfo bepaalt dat de AFM nadere regels kan stellen met betrekking tot de berekening van de vergoeding bij vervroegde aflossing. Dat heeft de AFM gedaan in een leidraad die op 20 maart 2017 is gepubliceerd onder de titel ‘Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek – Uitgangspunten berekening van het financiële nadeel’. Uit die leidraad volgt dat de AFM de netto-contante-waarde-methode – waarvan ook artikel 14 algemene voorwaarden uitgaat – als een goede methode beschouwt om de berekening van de vergoeding bij vervroegde aflossing in overeenstemming met artikel 81c Bgfo (dat wil zeggen: op een eerlijke en transparante wijze, in overeenstemming met artikel 25 van de Hypothekenrichtlijn) vorm te geven.

Artikel 6:237 sub i BW van toepassing?

3.7

Grief 2 betreft de vraag of artikel 6:237, aanhef en sub i BW ziet op de onderhavige situatie. Volgens deze bepaling wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een beding op grond waarvan bij beëindiging van een overeenkomst (anders dan wegens een tekortkoming) een geldbedrag moet worden betaald, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker van de voorwaarden geleden verlies of gederfde winst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van een beëindiging van een overeenkomst in de zin van deze bepaling, maar slechts van het wijzigen van een overeenkomst, zodat artikel 6:237, aanhef en sub i BW toepassing mist. Tegen dit oordeel komen [appellanten] . met grief 2 op.

3.8

Ook deze grief faalt (vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7801, rov. 3.2-33). Het hof volgt niet de stelling van [appellanten] . dat iedere wijziging van een overeenkomst tevens een (gedeeltelijke) beëindiging daarvan in de zin van artikel 6:237, aanhef en sub i BW vormt en daarmee onder de reikwijdte van die bepaling valt. Evenmin kan worden aangenomen dat het openbreken van een rentevastperiode en het overeenkomen van een nieuwe rente per definitie onder de reikwijdte van die bepaling valt. Een dergelijke ruime uitleg van artikel 6:237 sub i BW vindt geen steun in de parlementaire geschiedenis of in de EG-Richtlijn 1993/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen). Dat artikel 9.2 van de algemene voorwaarden bepaalt dat het veranderen van de kenmerken van een leningdeel tijdens de rentevastperiode wordt gezien als het (gedeeltelijk) terugbetalen van de lening, brengt – anders dan [appellanten] . betogen – niet mee dat de boeteclausule voor het openbreken van een rentevastperiode onder artikel 6:237 sub i BW valt. Uit de context wordt immers duidelijk dat aldus artikel 14 van de algemene voorwaarden van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het openbreken van de rentevastperiode.

3.9

Voor zover [appellanten] betogen dat in hun geval wel van een beëindiging sprake is geweest en dus artikel 14.7 van de algemene voorwaarden rechtstreeks (en niet via artikel 9.2) van toepassing was, geldt het volgende. Denkbaar is dat het openbreken van een rentevastperiode gepaard gaat met een beëindiging van de lopende kredietovereenkomst in de zin van artikel 6:237 sub i BW, gevolgd door het sluiten van een nieuwe overeenkomst. Op zichzelf terecht voeren [appellanten] . aan dat de vraag of de hypotheek in november 2016 is beëindigd moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf, waarbij de bedoeling die partijen toen hadden aan de hand van alle omstandigheden van het geval wordt vastgesteld. Van belang is allereerst dat, met uitzondering van het geldende rentepercentage en de nieuwe rentevastperiodes, nagenoeg alles bij het oude bleef na de oversluiting van de hypotheek: er werd niets afgelost, de tenaamstelling bleef hetzelfde, de leningnummers bleven hetzelfde en ook in de zekerheden van ABN AMRO veranderde niets. Tot slot is niet gesteld of gebleken dat er iets wezenlijks veranderde in de voorwaarden waaronder het geld werd geleend, uitgezonderd uiteraard rente en rentevastperiodes. De enkele omstandigheid dat ABN AMRO in haar brief van 8 november 2016 nieuwe algemene voorwaarden van toepassing verklaarde, is onvoldoende om anders te concluderen. De genoemde omstandigheden duiden er niet op dat partijen beoogden de oude overeenkomst te beëindigen en een nieuwe overeenkomst te sluiten. Ook de wijziging die [appellanten] . via internet hebben doorgevoerd wijst daar niet op. Evenmin wijst daarop de brief van ABN AMRO van 8 november 2016, waarin over een rentewijziging wordt gesproken, niet over het sluiten van een nieuwe overeenkomst. De slotsom moet zijn dat van een beëindiging van de hypotheek in november 2016 geen sprake is geweest en artikel 6:237, aanhef en sub i BW toepassing mist. [appellanten] . hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie kunnen leiden.

Zijn de algemene voorwaarden waarop ABN AMRO de vergoeding baseert onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a BW?

3.10

Met grief 5 betogen [appellanten] . dat artikel 14 van de algemene voorwaarden onvoldoende transparant is in de zin van (artikel 5 van) de Richtlijn oneerlijke bedingen en daarom een oneerlijk beding is.

3.11

Naar het oordeel van het hof is artikel 14 van de algemene voorwaarden voor de gemiddelde consument voldoende duidelijk en transparant geformuleerd. Aan de hand van de daarin verstrekte informatie kan de gemiddelde consument voorafgaand aan het sluiten van een kredietovereenkomst de economische gevolgen van een vervroegde aflossing of van het openbreken van een rentevastperiode beoordelen. Daarbij is van belang dat van een gemiddelde consument mag worden verwacht dat hij begrijpt dat hij, als hij zijn rente voor een bepaalde periode vastzet en dus kiest voor een rentevastperiode, gedurende die periode in beginsel niet naar een lagere rente kan overstappen als de marktrente daalt. In de algemene voorwaarden wordt, in het belang van de consument, die mogelijkheid niettemin geopend, zij het niet ongeclausuleerd. In de artikelen 9.2 en 14 wordt op een voldoende begrijpelijke manier uitgelegd welke vergoeding (‘boete’ genoemd) de bank in rekening brengt als de consument toch de rentevastperiode openbreekt omdat hij wenst te profiteren van de gedaalde marktrente of omdat hij vervroegd wil aflossen. Het begrip ‘contante waarde’ – waarmee de gemiddelde consument niet vertrouwd zal zijn – wordt voldoende toegelicht en de variabelen aan de hand waarvan de boete moet worden berekend worden ook voldoende scherp gedefinieerd. De uitleg wordt tot slot met een helder voorbeeld geïllustreerd, waardoor de in beginsel abstracte materie voor de gemiddelde consument voldoende wordt geconcretiseerd. Naar de kantonrechter terecht heeft overwogen, gaat het transparantievereiste niet zo ver dat een gemiddelde consument op voorhand, bij het aangaan van de overeenkomst, precies kan voorzien in welke situatie welk bedrag dient te worden betaald ingeval hij op eigen initiatief tot een wijziging van de lopende overeenkomst wenst over te gaan. Van belang is verder dat de te verwachten economische gevolgen van een wijziging van de rentevastperiode en van de rente dan wel van vervroegde aflossing niet (wezenlijk) eenvoudiger of begrijpelijker hadden kunnen worden aangeduid, omdat deze naar hun aard afhankelijk zijn van onzekere factoren als het moment waarop de rentevastperiode door de consument wordt opengebroken en daarmee de resterende looptijd, de overeengekomen rente en de door de bank gehanteerde actuele rente voor leningen gelijk aan de resterende looptijd.

3.12

Zo al geoordeeld zou moeten worden dat artikel 14 van de algemene voorwaarden niettemin onvoldoende transparant is in de zin van artikel 5 van de Richtlijn oneerlijke bedingen, kan dat niet tot de conclusie leiden dat het beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Daarvoor is vereist dat het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Daarvan is hier geen sprake, zoals hierna nog nader zal worden toegelicht. Een gebrek aan transparantie is in dat verband slechts een van de relevante gezichtspunten. Grief 5 faalt derhalve.

3.13

Met grief 4 betogen [appellanten] . dat artikel 14 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a BW. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat daarvan geen sprake is. De wijze waarop artikel 14 de door de bank in rekening te brengen vergoeding berekent bij het openbreken van een rentevaste periode is, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval, niet onredelijk bezwarend. Dat kan als volgt worden toegelicht. Een consument die de rente op zijn hypothecaire lening gedurende een zekere tijd vastzet, beperkt daarmee zijn renterisico. Omgekeerd betekent het vastzetten van de rente dat hij niet van een rentedaling zal kunnen profiteren. In de toepasselijke algemene voorwaarden wordt aan de consument onverplicht de mogelijkheid geboden om desgewenst toch de rentevastperiode open te breken, zij het tegen een vergoeding. De consument zal van die mogelijkheid eerst gebruik maken als de rente voor de door hem gewenste nieuwe rentevastperiode zodanig is gedaald dat het oversluiten per saldo – met inachtneming van de te betalen vergoeding – voordelig voor hem is. Het openbreken van een rentevastperiode is voor de bank in beginsel nadelig: zij ontvangt niet de rente waarop zij had gerekend, terwijl zij wel kosten heeft gemaakt ter afdekking van haar renterisico voor de opengebroken rentevastperiode. Anders dan [appellanten] . stellen, is voor de vraag welke vergoeding de bank in haar algemene voorwaarden mag eisen voor het openbreken, niet beslissend hoe en tegen welke kosten ABN AMRO het renterisico dat zij liep op de kredietovereenkomst in kwestie precies had afgedekt. De bank behoeft over de wijze waarop zij haar renterisico op de kredietovereenkomst met [appellanten] . had afgedekt dan ook geen openheid van zaken te geven. De berekening uit artikel 14 van de algemene voorwaarden biedt de bank een redelijke vergoeding voor het door haar geleden nadeel. [appellanten] . verwijzen in het kader van grief 4 opnieuw naar de beperkingen die de Europese wetgever in de Hypothekenrichtlijn volgens hen aan kredietgevers heeft opgelegd bij het in rekening brengen van een boete bij het aanpassen van een lopende kredietovereenkomst op initiatief van de consument. Om de redenen die hiervoor, in 3.5 en 3.6 zijn vermeld, gaat dat argument niet op. Ook grief 4 faalt.

Artikel 81c Bgfo

3.14

Met grief 6 betogen [appellanten] . dat de door ABN AMRO in rekening gebrachte vergoeding strijd oplevert met artikel 81c lid 2 Bgfo. Zoals hiervoor, in 3.5 overwogen, is artikel 81c lid 2 Bgfo echter niet van toepassing bij het openbreken van een rentevastperiode.

3.15

Verder betogen [appellanten] . dat ABN AMRO niet heeft voldaan aan de transparantieverplichting die in (het huidige) lid 4 van artikel 81c Bgfo is neergelegd. Die verplichting is – evenmin als lid 2 – van toepassing bij het openbreken van een rentevastperiode.

3.16

Ook grief 6 faalt derhalve. In het midden kan blijven of artikel 81c Bgfo van toepassing is op kredietovereenkomst die voor 14 juli 2016 zijn gesloten.

Conclusie en proceskosten

3.17

Grief 7 betreft de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis.

3.18.

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] . zullen als in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] . in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 2.020,- aan verschotten en € 4.326,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Oranje, mr. A.P. Wessels en mr. M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021.