Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1342

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
23-000183-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor eenvoudig witwassen van een gedeelte van het aangetroffen geld nu voor dat gedeelte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000183-20

datum uitspraak: 3 mei 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13/703000-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in het Justitieel complex Zaanstad te Westzaan.

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder feit 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 27 juli 2018 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 14 januari 2020 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, dat:

2. hij op of omstreeks 4 december 2017, te Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een of meer geldbedragen, althans geld (totaal ongeveer Euro 650,00), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken met aftrek van voorarrest, en verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 510,00 en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs en de weegschaal.

Bewijsoverwegingen

In het arrest van de Hoge Raad is overwogen dat het hof in het aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen arrest van het hof van 27 juli 2018 in het midden heeft gelaten – in reactie op hetgeen de verdachte heeft aangevoerd over de legale herkomst van het voorhanden geldbedrag van ongeveer

€ 650,00 - of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het (gehele) onder hem inbeslaggenomen geldbedrag. De Hoge Raad acht daarom de door het hof in dat arrest uitgesproken bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 650,00 ontoereikend gemotiveerd.

Het proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2017 houdt in dat verbalisanten zien dat de verdachte ‘iets’ overhandigt aan een ander, en dat hij vervolgens ‘iets’ van die ander aanpakt en in zijn jaszak stopt. De verdachte en de ander reageren geschrokken als de verbalisanten zich tegenover hen bekend maken. De verdachte probeert direct met zijn handen naar zijn broekzak te gaan. Bij de verdachte worden vervolgens 4 zogenaamde gebruikersbollen in zijn broekzak en 23 gebruikersbollen in zijn onderbroek met cocaïne aangetroffen naast een digitale weegschaal, verpakkingsmateriaal (naar het hof begrijpt: van verdovende middelen) en een geldbedrag van € 662,50.

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat de aangetroffen bolletjes cocaïne deel uitmaken van de handelsvoorraad van de verdachte, en dat het voorhanden geldbedrag onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet op voornoemd vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de herkomst van het aangetroffen geldbedrag.

De verdachte heeft op 6 december 2017 bij de rechter-commissaris verklaard ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag:

Ik ben sinds twee weken uit huis gezet door mijn moeder en ik had al mijn geld bij mij. Het gaat om spaargeld, en ik heb ook mijn PlayStation verkocht. Verder heb ik mijn uitkering gepind. (…) Ik ben ook laatst naar het casino geweest. Ik heb het (geld) al zeker een jaar in mijn bezit. Er gaat steeds wat af en er komt steeds wat bij.

De verdachte heeft niet aangegeven welk bedrag hij bij het uit huis weggaan bij zich had, noch hoeveel geld hij toen al zeker een jaar in zijn bezit zou hebben. Het hof acht de gegeven verklaring – voor zover hij betoogt contant geld te hebben gepind - mede aan de hand van het door de raadsman ter terechtzitting van 13 juli 2018 overgelegde transactiebescheid waaruit blijkt dat de verdachte in de dagen voor zijn aanhouding in totaal € 140,00 aan contant geld heeft opgenomen, voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Ten aanzien van de verklaring voor de herkomst van het overige geld – inhoudende dat het geld zijn spaargeld zou betreffen en voorts afkomstig zou zijn uit de verkoop van zijn PlayStation en voor het overige gewonnen zou zijn bij een casino - is het hof gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat die delen van de verklaring van de verdachte niet door voldoende concrete, verifieerbare gegevens worden onderbouwd, immers die onderdelen worden niet door het overgelegde transactiebescheid onderbouwd en er zijn ook geen aanknopingspunten voor nader onderzoek. Aan een vervolgstap in die zin dat het openbaar ministerie de herkomst van het totale geldbedrag (nader) had kunnen en moeten verifiëren wordt dan ook voor dat gedeelte niet toegekomen. De verdachte heeft met betrekking tot het resterende deel van het aangetroffen geld, te weten € 510,00, geen verklaring gegeven. Het kan dan ook niet anders zijn in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, dan dat dat bedrag van misdrijf afkomstig is. Het hof acht derhalve bewezen dat een bedrag, groot (ongeveer € 650,00 minus

€ 140.00 =) ongeveer € 510,00 euro afkomstig is uit enig eigen misdrijf.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij op 4 december 2017, te Amsterdam een geldbedrag, totaal ongeveer € 510,00, voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Hetgeen onder feit 2. meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudig witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zeven weken, met verbeurdverklaring van € 510,00 en onttrekking aan het verkeer van de aangetroffen bollen cocaïne en de weegschaal.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad, waarbij is bepaald dat het eerdere arrest van het gerechtshof is vernietigd ten aan zien van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, dient het hof thans de strafoplegging voor beide feiten te bepalen. Dat betekent dat het hof in de strafoplegging ook betrekt het voorhanden hebben van ongeveer 1,59 gram cocaïne.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 27 bolletjes cocaïne. De hoeveelheid en de wijze van verpakken is van dien aard dat deze bollen bestemd moeten zijn geweest voor de handel in cocaïne. De verkoop en verspreiding van verdovende middelen werkt niet alleen andere vormen van criminaliteit in de hand, maar vormt ook een gevaar voor de volksgezondheid in zijn algemeenheid en de gezondheid van de gebruikers van die stof in het bijzonder.

De verdachte heeft zich onder feit 2 schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 510,00.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 april 2021 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor - onder andere - overtreding van de Opiumwet. Dit heeft verdachte er desalniettemin niet van weerhouden zich andermaal met dit soort feiten in te laten. Hierin, als ook in de ernst van de feiten, ziet het hof aanleiding te kiezen voor gevangenisstraf als strafsoort. Met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan niet worden volstaan.

Het hof ziet aanleiding in de straf te verdisconteren dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering , aangezien bij de verdachte bij zijn aanhouding transportboeien zijn aangelegd, terwijl niet blijkt van feiten en omstandigheden die dit gebruik zouden kunnen rechtvaardigen. Dit maakt het gebruik van die boeien onrechtmatig en levert, zoals hiervoor overwogen, een onherstelbaar vormverzuim op. Het hof zal (mede) daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Gelet op de ouderdom van de feiten en het reeds ondergane voorarrest zal het hof het onvoorwaardelijke deel beperken tot het deel dat reeds in voorarrest is doorgebracht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verbeurdverklaring

Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot- een deel van - het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard. Voor het overige zal het hof bepalen dat het aan verdachte dient te worden teruggegeven.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- geldbedrag van € 510,00.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    4x bollen cocaïne

  • -

    23x bollen cocaïne

  • -

    digitale weegschaal.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- geldbedrag van € 140,00.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. W.F. Groos en mr. M. van der Horst, in tegenwoordigheid van

mr. A.S. de Bruin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 mei 2021.

Mr. Van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]