Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1313

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
23-004336-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Op 9 februari 2017 te Amsterdam het plegen van mishandeling. 2. Op 14 februari 2017 te Amsterdam het plegen van mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot. Noodweerverweer wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004336-18

datum uitspraak: 6 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-689030-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Tibet) op [geboortedag] 1972,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (met kracht) (met een in zijn vuist gebalde sleutel, althans een scherp en/of puntig voorwerp) een of meer malen in zijn gezicht/gelaat heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
(gevoegde zaak 689167-17)

hij op of omstreeks 14 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer 2], heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) bij/aan haar haren vast te pakken en/of vast te houden en/of aan haar haren te trekken en/of bij haar arm(en) vast te pakken en/of vast te houden en/of (met beiden handen) tegen haar tegen haar borst te duwen (waardoor voornoemde [slachtoffer 2] op/tegen de grond is gevallen);

3.

(gevoegde zaak 689244-17)

hij op of omstreeks 01 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer 2], heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) een of meermale in haar gezicht/gelaat te slaan en/of te stompen en/of bij haar keel vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] dicht te knijpen en/of dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feit 3

Het hoger beroep is blijkens de akte rechtsmiddel onbeperkt ingesteld en richt zich daarmee ook tegen de beslissing van de politierechter om het openbaar ministerie voor feit 3 niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. Dit feit is in hoger beroep verder niet besproken en het hof ziet geen aanleiding om tot een andere beslissing dan de politierechter te komen. Daarom zal het openbaar ministerie in de vervolging van dit feit niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij aangever [slachtoffer 1] met een sleutel in het gezicht heeft geslagen. Hij zou [slachtoffer 1] alleen met de sleutel in zijn vuist in de buik hebben geslagen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat aangever [slachtoffer 1] op 9 februari 2017 letsel, te weten een snee, heeft opgelopen ter hoogte van zijn kaaklijn. Hoewel getuige [getuige] het gevecht niet heeft waargenomen en niet heeft gezien dat er is geslagen, heeft hij wel verklaard dat [slachtoffer 1] direct na het handgemeen met de verdachte een wond op zijn kaak had zitten die er eerst nog niet zat. Gezien het letsel dat is ontstaan bij [slachtoffer 1] gaat het hof ervan uit dat de verdachte [slachtoffer 1] met de sleutel in het gezicht, te weten bij de kaak heeft geraakt. De verklaring van de verdachte dat hij alleen in de buik heeft geslagen, acht het hof dan ook niet aannemelijk.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn toenmalige echtgenote, [slachtoffer 2], slechts bij haar hoofd en haren heeft aangeraakt, terwijl zij intiem waren, maar dat hij haar niet aan haar haren heeft getrokken. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde mishandeling.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens de aangifte van zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer 2] heeft de verdachte haar met kracht aan haar haren getrokken en heeft zij daardoor direct een pijnscheut gevoeld. [slachtoffer 2] heeft direct geschreeuwd in de hoop dat haar buurvrouw, [buurvrouw], haar zou horen en naar haar toe zou komen. [buurvrouw] heeft verklaard dat zij geschreeuw hoorde bij de buren en vervolgens is gaan kijken. Eenmaal ter plaatse heeft [buurvrouw] gezien dat de verdachte [slachtoffer 2] fel en agressief vastpakte en dat [slachtoffer 2] van slag was en een onrustige indruk maakte. De getuigenverklaring van [buurvrouw] ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 2] dat sprake is geweest van mishandeling. Het hof acht de verklaring van de verdachte in het licht hiervan, en mede gegeven het feit dat verdachte en zijn toenmalige echtgenote geen goede relatie hadden, ongeloofwaardig.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 9 februari 2017 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met kracht met een in zijn vuist gebalde sleutel, in zijn gelaat heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.
(gevoegde zaak 689167-17) hij op 14 februari 2017 te Amsterdam, zijn echtgenote, [slachtoffer 2], heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] met kracht aan haar haren te trekken.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces) omdat hij zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Er is een ruzie ontstaan tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en volgens de verdediging zou [slachtoffer 1] de verdachte als eerste een klap hebben gegeven. De verdachte zou zelfs door twee personen zijn vastgehouden terwijl [slachtoffer 1] op hem insloeg met een hamer. De sleutels van de verdachte zouden op de grond zijn gevallen en toen hij een mogelijkheid zag zou hij deze hebben opgepakt en zou hij met de sleutels in zijn hand in de buik van [slachtoffer 1] hebben geslagen. De verwondingen die [slachtoffer 1] onder zijn kaak heeft opgelopen, zouden zijn veroorzaakt doordat hij zichzelf per ongeluk zou hebben verwond met de hamer.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die aan het beroep op noodweer ten grondslag zijn gelegd, niet aannemelijk geworden. Het hof hecht meer waarde aan de verklaring van aangever [slachtoffer 1], omdat zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] en de verdachte zelf bovendien wisselend heeft verklaard.

Uitgaande van de verklaring van [slachtoffer 1] stelt het hof vast dat de verdachte en [slachtoffer 1] ruzie kregen in het restaurant van [getuige]. Eenmaal buiten zou de verdachte erg boos zijn geworden, zou hij [slachtoffer 1] bij zijn shirt hebben gegrepen en hem naar achteren hebben geduwd. De verdachte zou [slachtoffer 1] hebben geslagen, waarna [slachtoffer 1] hem terug heeft geslagen. Ook heeft [slachtoffer 1] verklaard letsel aan zijn kin te hebben opgelopen omdat de verdachte hem met een sleutel tussen zijn vingers in zijn keel zou hebben gestoken, waardoor er een open wond onder zijn kaak is ontstaan. Volgens [slachtoffer 1] zouden hij en de verdachte slechts met zijn tweeën in gevecht zijn geraakt en waren daar niet meer personen bij betrokken. Bovendien zou [slachtoffer 1] geen hamer bij zich hebben gehad. [getuige] heeft het verhaal van [slachtoffer 1], dat het gevecht slechts tussen de verdachte en [slachtoffer 1] plaatsvond bevestigd, nu hij degene was die de verdachte en [slachtoffer 1] buiten uit elkaar heeft gehaald en niemand anders bij het gevecht aanwezig heeft gezien. Ook heeft [getuige] verklaard dat hij geen hamer heeft gezien.

Uit het voorgaande volgt dat geen noodweersituatie is ontstaan voor de verdachte, maar dat hij zelf de agressor is geweest, waarbij hij een sleutel heeft gebruikt om de aangever aan te vallen en te verwonden.

Het verweer wordt verworpen.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de rechtbank de meldplicht bij het Leger Des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering als bijzondere voorwaarde aan de verdachte opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde dat het Leger Des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering toezicht op de verdachte zal houden.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien de tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard, rekening gehouden dient te worden met het feit dat beide incidenten in februari 2017, inmiddels vier jaar geleden, hebben plaatsgevonden. Ook heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte first offender is. Met inachtneming van deze omstandigheden heeft de raadsman betoogd dat de verdachte een volledig voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door [slachtoffer 1] met een sleutel in zijn vuist in zijn gelaat te slaan, waardoor [slachtoffer 1] een snee onder zijn kin heeft opgelopen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer 2] door haar met kracht aan haar haren te trekken.

Beide feiten zijn ernstige feiten die erg beangstigend en aangrijpend zijn geweest voor de slachtoffers. Zijn toenmalige echtgenote had zich veilig moeten voelen in haar eigen huis. Het is erg traumatisch voor [slachtoffer 2] geweest om door haar echtgenoot in haar eigen woning te worden mishandeld. De verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers door hen pijn en letsel toe te brengen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2021 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld.

Bij de oplegging van de straf heeft het hof rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Nu sinds de bewezenverklaarde feiten reeds vier jaren zijn verstreken, waarin de verdachte zich niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, hecht het hof geen belang meer aan de oplegging van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan een meldplicht bij het Leger Des Heils. De verdachte heeft zijn leven redelijk op orde. Hij heeft een baan waar hij maandelijks een vast inkomen van ontvangt en hij heeft momenteel woonruimte. Het hof ziet tevens geen redenen om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en wijkt derhalve af van de strafeis van de advocaat-generaal.

Ten slotte is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft op 30 november 2018 vonnis gewezen en op 5 december 2018 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De redelijke termijn in hoger beroep is hiermee aangevangen op 5 december 2018. Vanaf het moment dat hoger beroep is ingesteld tot het moment van het wijzen van arrest heeft de procedure in hoger beroep twee jaren en vijf maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er strafvermindering dient plaats te vinden.

Alles afwegende zou in beginsel, mede omdat hier tevens sprake is van huiselijk geweld, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren passend zijn.

Het hof acht, gelet op de schending van de redelijke termijn, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren echter passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. N. van der Wijngaart en mr. M.M. Breugem, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 mei 2021.

Mr. C.J. van der Wilt en mr. N. van der Wijngaart zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.