Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1312

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
23-003016-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 18 februari 2019 te Zaandam het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en het medeplegen van mishandeling & op 16 april 2019 twee maal handelen in strijd met de WWM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003016-19

datum uitspraak: 6 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 1 augustus 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-093009-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum],

adres: [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw en van hetgeen door de raadsman van de benadeelde partij naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp - vast te grijpen en/of een auto in te trekken en/of gedurende twintig tot dertig minuten, althans gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet;

1. subsidiair
[medeverdachte] en/of een tot nu toe nog onbekend gebleven persoon op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp vast te grijpen en/of een auto in te trekken en/of gedurende twintig tot dertig minuten, althans gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door met zijn door hem, verdachte, bestuurde auto,

- die [medeverdachte] te vervoeren naar de plaats, waar die [slachtoffer] zich bevond en/of

- die [medeverdachte] de gelegenheid te geven die [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen in die auto te trekken en/of

- die [medeverdachte] en/of die [slachtoffer] (vervolgens) rond te rijden en/of

- een derde tot nu toe onbekend gebleven persoon in die auto plaats te laten nemen en/of te vervoeren;

2. primair
hij op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (met voorbedachten rade) [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (meerdere malen) met (een van) zijn/hun handen/vuisten en/of met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep);

2. subsidiair
[medeverdachte] en/of een tot nu toe onbekend gebleven persoon op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer] (meerdere malen) met (een van) zijn/hun handen/vuisten en/of met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht en/of op het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep),

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door met zijn door hem, verdachte, bestuurde auto

- die [medeverdachte] te vervoeren naar de plaats, waar die [slachtoffer] zich bevond en/of

- die [medeverdachte] de gelegenheid te geven die [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen in die auto te trekken en/of

- die [medeverdachte] en/of die [slachtoffer] (vervolgens) rond te rijden en/of

- een derde tot nu toe onbekend gebleven persoon in die auto plaats te laten nemen en/of te vervoeren;

3.
hij op of omstreeks 16 april 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad een wapen van categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

4.
hij op of omstreeks 16 april 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid van de aangever en de getuige

Door de verdediging is bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] voor het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat deze verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn, aangezien de verklaringen op een aantal punten (innerlijk) tegenstrijdig zijn en kennelijk zijn afgelegd om de familie [naam] in een kwaad daglicht te stellen.

Het hof gaat aan dit verweer voorbij en zal de genoemde verklaringen – met passering van het door de verdachte geschetste en door het hof als ongeloofwaardig beschouwde alternatieve scenario dat hij de aangever slechts op zijn eigen verzoek naar het ziekenhuis heeft gebracht en dat daarbij van vrijheidsberoving en mishandeling geen sprake is geweest – voor het bewijs gebruiken. Het hof acht de verklaringen wel degelijk betrouwbaar, nu de verklaringen uitgebreid en gedetailleerd zijn, op hoofdlijnen steeds overeen komen en in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verklaringen slechts zouden zijn afgelegd om anderen in een kwaad daglicht te stellen. In dit verband heeft de verdediging naar het oordeel van het hof ook niet aannemelijk kunnen maken dat [slachtoffer] en [getuige] een goede reden zouden hebben om de verdachte met hun verklaringen te belasten.

Medeplegen van de feiten 1 primair en 2 primair

Door de verdediging is betoogd dat ook als wordt uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] het dossier nog steeds onvoldoende bewijs bevat om de verdachte als medepleger van de feiten 1 primair en 2 primair te kunnen aanmerken.

Ook dit verweer verwerpt het hof. Het hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om de verdachte voor beide feiten als medepleger aan te merken. Ten aanzien van feit 1 is de verdachte als bestuurder van de auto opgetreden waarin het slachtoffer gedurende langere tijd tegen zijn wil van zijn vrijheid is beroofd geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte actief betrokken is geweest bij die vrijheidsberoving, niet alleen door het slachtoffer in de auto te vervoeren, terwijl hij mishandeld werd en niet te stoppen om het slachtoffer de gelegenheid te geven uit te stappen, maar ook door gedurende de rit verschillende keren kenbaar te maken dat hij instemde met hetgeen er in zijn auto met het slachtoffer gebeurde. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens, kennelijk als voorwaarde voor zijn invrijheidsstelling, opgedragen om de bloedvlekken in de auto ontstaan door de mishandeling schoon te maken. Pas hierna mocht het slachtoffer zich naar het ziekenhuis begeven. Het hof merkt de verdachte mede gelet op het vorenstaande ook aan als medepleger van feit 2 primair. Hoewel de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen ten aanzien van dit feit heeft gepleegd, heeft hij dit feit in belangrijke mate gefaciliteerd en ermee ingestemd, dusdanig dat gesproken kan worden van nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten van de mishandeling.

Feit 3: voorhanden hebben van pepperspray

Door de verdediging is primair betoogd dat niet kan worden vastgesteld of de jas met daarin het busje, die in de woning van de verdachte is aangetroffen, aan de verdachte toebehoort. De jas zou volgens de verdediging van een van de vrienden van de verdachte zijn geweest. Subsidiair is door de verdediging betoogd dat de overtuiging ontbreekt dat de inhoud van het busje daadwerkelijk pepperspray betreft, nu er geen onderzoek is verricht naar de stof die daadwerkelijk in het busje zat en er slechts sprake is van een vermoeden van verbalisant [verbalisant] dat de inhoud pepperspray betreft.

Het hof verwerpt dit verweer. De verdachte heeft ook op de terechtzitting in hoger beroep geen verklaring willen afleggen over het aangetroffen busje. De hiervoor genoemde verklaring heeft verdachte kennelijk slechts aan zijn raadsvrouw medegedeeld. Het hof acht deze verklaring zonder verdere onderbouwing niet aannemelijk, nu de jas in de woning van verdachte is aangetroffen en hij daar alleen woont.

Ten aanzien van de inhoud van het busje overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 7 mei 2019 is gebleken dat de feitelijke omschrijving van het busje “Pfefferspray” betreft. Daarnaast heeft verbalisant [verbalisant] de irriterende werking van de inhoud geconstateerd en heeft hij uit het busje ambtshalve de hem bekende geur van pepperspray herkend. Daarmee verschilt deze zaak van die in het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof Amsterdam1; in die zaak waren immers geen bevindingen gedaan over de aard en werkzaamheid van de gespoten stof.

Onder deze omstandigheden acht het hof ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.primair
hij op 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp - vast te grijpen en een auto in te trekken en gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet;

2.primair
hij op 18 februari 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen met een van zijn/hun handen/vuisten en met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht te slaan en die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep);

3.
hij op 16 april 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad een wapen van categorie II, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;

4.
hij op 16 april 2019 te Zaandam, gemeente Zaanstad, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Dit betreft dezelfde eis als de eis van de officier van justitie in eerste aanleg.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om vrijspraak van de tenlastegelegde feiten en heeft geen subsidiair standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Samen met anderen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van [slachtoffer], die op de openbare weg onder bedreiging van een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, in de auto van de verdachte is getrokken en is mishandeld. Door deze mishandeling heeft [slachtoffer] onder andere een gebroken neus opgelopen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en op een fundamenteel mensenrecht, namelijk de vrijheid om te gaan en staan waar men wil. Door deze gebeurtenis voelt [slachtoffer] zich niet langer veilig. Uit de onderbouwing behorende bij de vordering benadeelde partij blijkt dat hij nog altijd kampt met angst- en spanningsklachten. Een feit zoals wederrechtelijke vrijheidsberoving zorgt tevens voor gevoelens van onrust en van onveiligheid in de samenleving. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee verboden voorwerpen, te weten een busje pepperspray en van een boksbeugel.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 april 2021 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij, nu zijn voorlopige hechtenis sinds 3 juni 2020 is geschorst, zijn leven weer op orde heeft. Hij heeft een eigen woning en hij heeft weer werk gevonden. Ook na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met de politie en justitie. Het hof is van oordeel dat het de verdachte niet ten goede komt als hij, nu hij zijn leven weer enigszins op orde heeft, terug zou moeten in detentie. Om deze reden gaat het hof niet mee in de eis van de advocaat-generaal. Wel is het hof van oordeel dat daar een fors voorwaardelijk strafdeel tegenover dient te staan, dat voor de verdachte dient als stok achter de deur en hem ervan zal weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het hof acht, alles afwegende, een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdediging meent dat de verdachte voor feit 1 en 2 moet worden vrijgesproken. Indien de verdachte zal worden veroordeeld, heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu geen geestelijk letsel is aangetoond bij de benadeelde partij. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd. Bij een toewijzing van de vordering zou tevens rekening gehouden moeten worden met “eigen schuld” onder verwijzing naar artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De advocaat-generaal heeft gesteld dat een gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.000,00 billijk is, met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat dit anders een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Naast het lichamelijke letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen is het hof van oordeel dat bij de benadeelde partij eveneens sprake is van aantasting in de persoon op “andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106, onder b, BW, te weten het oplopen van geestelijk letsel.2 In dit geval brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Een verdere onderbouwing aan de hand van concrete gegevens is daarom niet vereist.

Het gevorderde schadebedrag van € 7.500,00 komt het hof billijk voor en zal daarom in zijn geheel worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Ook zal het hof de hoofdelijkheidsclausule van toepassing verklaren.

Beslag

De volgende inbeslaggenomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe:

- 1 STK Boksbeugel (1007511);

- 1 BUS Pepperspray (1007591).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het hof is van oordeel dat deze voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De boksbeugel en het busje pepperspray zijn voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 316 (driehonderdzestien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Boksbeugel (1007511);

- 1 BUS Pepperspray (1007591).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 primair, 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 februari 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. N. van der Wijngaart en mr. M.M. Breugem, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 mei 2021.

Mr. C.J. van der Wilt en mr. N. van der Wijngaart zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[slachtoffer]

1 [slachtoffer]

2 [slachtoffer]