Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1277

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.251.433/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CAR-Verzekering; materiële schade aan de verzekerde interesten in de zin van de voorwaarden; bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.251.433/01

zaak- rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/633771 / HA ZA 17-791

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 mei 2021

inzake

1 MS AMLIN INSURANCE SE,

gevestigd te Brussel, België,

2. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

advocaat: mr. A. Van Hees te Amsterdam,

tegen

ASK ROMEIN B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de Verzekeraars en ASK Romein genoemd.

De Verzekeraars zijn bij dagvaarding van 26 september 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2018, onder bovenvermeld zaak- rolnummer gewezen tussen ASK Romein als eiseres en de Verzekeraars als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie;

- memorie van antwoord, met drie producties;

- akte uitlating producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De Verzekeraars hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van ASK Romein af zal wijzen, met veroordeling van ASK Romein in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

ASK Romein heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de Verzekeraars in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.19 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 hebben Verzekeraars de juistheid daarvan op onderdelen betwist. Het hof zal daarmee hierna bij de vaststelling van de feiten rekening houden. De feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

ASK Romein heeft een CAR-verzekering bij de Verzekeraars gesloten. Daarin wordt onder verzekerde interest onder meer verstaan:


“alle werken uitbesteed dan wel in eigen beheer uit te voeren, binnen het verzekerde gebied, in verband met nieuw- en/of verbouwen/of uitbreidingen en/of onderhoud van bouwkundige aard (…)”

In artikel 10 bepalen de verzekeringsvoorwaarden onder meer:

“10.1 Verplichtingen

In geval van schade of een gebeurtenis die tot schade zou kunnen leiden heeft verzekerde de hierna genoemde verplichtingen. (…)

10.1.1

Verzekerde is verplicht de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om schade te voorkomen (…)

10.1.3

Schadegegevens

Verzekerde zal zo spoedig mogelijk alle op het schadegeval betrekking hebbende gegevens, stukken en inlichtingen die voor de beoordeling van de schade van belang kunnen zijn, binnen redelijke termijn aan verzekeraars of de door hen benoemde experts verstrekken.

10.1.4

Medewerking

Verzekerde zal alle redelijkerwijs te verlangen medewerking tot regeling en vaststelling van de schade verlenen. (…)

10.2

Niet-nakoming

Wanneer in geval van schade blijkt dat een verzekerde niet aan de in art. 10.1.1 t/m 10.1.7 genoemde verplichtingen heeft voldaan, kan dit verlies van het recht op schadevergoeding ten gevolge hebben, indien verzekeraars bewijzen dat zij hierdoor in een redelijk belang zijn geschaad.”

In artikel 14 bepalen de verzekeringsvoorwaarden onder meer:
“14 Verzekerde interest

Onder verzekerde interest wordt verstaan het werk bestaande uit:

14.1

de te bouwen objecten, in aanbouw en/of gereed al dan niet volgens bestek c.q. overeenkomst (…)

14.3

alle voor het werk bestemde materialen en bouwstoffen, constructies, onderdelen enzovoorts (…)”

In artikel 15 bepalen de verzekeringsvoorwaarden onder meer:
“15.1 Omvang van de dekking

Deze verzekering dekt alle materiële schade aan en/of verlies van verzekerde interesten (…), ongeacht of dit is veroorzaakt door de aard of een gebrek van de verzekerde interesten, alsmede vernietiging, dit alles onverschillig hoe ook ontstaan.”

De Verzekeraars nemen ieder voor 50% deel in de verzekering.

2.2.

ASK Romein heeft in 2013 voor haar afnemer Equipment Rental & Services (een dochteronderneming van Saipem, hierna: ERS) acht skidbeams vervaardigd. Dit zijn schuifbalken waarover constructies en/of installaties van- of op werkschepen of pontons kunnen worden geschoven. De opdrachtsom bedroeg ca. € 975.000, exclusief btw. De skidbeams met lengtes van ca. 15 m (6 stuks) en ca. 19 m (2 stuks) zijn door ASK Romein geheel uit stalen onderdelen samengesteld, die door lassen aan elkaar zijn verbonden. Het ontwerp van de skidbeams was afkomstig van ERS.

2.3.

Tijdens het bouwproces zijn de lassen in de skidbeams door Quality Inspection Services B.V. uit Roosendaal (hierna: QIS) gecontroleerd met - onder meer - de ultrasoon techniek (hierna ook wel: UT) waarbij geluidsgolven onder verschillende hoeken door de las worden gestuurd en weer opgevangen en waarbij eventuele afwijkingen (indicaties) door de onderzoeker kunnen worden afgelezen op een beeldscherm. Daarbij is in de loop van het bouwproces een deel van de lassen afgekeurd en hersteld; uiteindelijk zijn twee skidbeams door QIS volledig goedgekeurd en op 16 oktober 2013 aan ERS geleverd.

2.4.

Na aflevering zijn deze twee skidbeams op 18 oktober 2013 door ERS middels ultrasoon onderzoek gekeurd waarbij bleek dat er zogenaamde indicaties waren die buiten de met Saipem overeengekomen acceptatieniveaus vielen. Inspecteurs van QIS hebben vervolgens aan deze twee skidbeams vergelijkbare indicaties vastgesteld.

2.5.

Bij e-mail van vrijdag 18 oktober 2013 heeft ASK Romein aan de verzekeringsmakelaar AON gemeld dat zij de skidbeams had afgeleverd, dat er scheurvorming was geconstateerd, dat de skidbeams teruggebracht werden naar Roosendaal om te worden gerepareerd en dat waarschijnlijk maandag al zou worden begonnen met herstel.

2.6.

De skidbeams zijn teruggebracht naar de bedrijfsruimte van ASK Romein in Roosendaal. Daar zijn deze skidbeams tezamen met de nog niet afgeleverde skidbeams opnieuw door QIS onderzocht met ultrasoon techniek en ook daarbij zijn indicaties gebleken. QIS heeft daarvan rapporten opgemaakt, waarin is vermeld dat in skidbeam PB6-A in 46 lassen een indicatie voor een scheur (‘crack’) is gevonden, steeds op een diepte van 18-25 mm, terwijl in 11 onderzochte lassen geen indicaties werden gevonden. (onderzoeksdata 19 en 20 oktober 2013) en dat in skidbeam PB2-A in 35 lassen een indicatie voor een scheur (‘crack’) is gevonden, steeds op een diepte van 18-25 mm, terwijl in 11 onderzochte lassen geen indicaties werden gevonden. (onderzoeksdata 19 en 21 oktober 2013). Tussen 22 en 24 oktober 2013 en tussen 25 en 28 oktober 2013 werden soortgelijke resultaten gevonden bij respectievelijk skidbeams SB6-A en SB2-A.

2.7.

AON heeft op 21 oktober 2013 laten weten dat namens de Verzekeraars BosBoon Expertise (hierna: BosBoon) als expert was benoemd.

2.8.

Bij e-mailbericht van 23 oktober 2013 heeft Ing. [A] van BosBoon (hierna: [A] ASK Romein een aantal vragen gesteld. Bij e-mail van 24 oktober 2013 heeft [B] (hierna: [B] ) namens ASK Romein daarop geregeerd. In deze correspondentie is - voor zover van belang - door hen het volgende medegedeeld:

[A] : “We spraken af dat u mij de volgende zaken toestuurt:

(…) De conclusies van de metingen waarin alsnog scheuren werden vastgesteld”

[B] : “De rapporten van de aanvullende onderzoeken volgen, begin volgende week (…)”,

[A] “Wellicht ten overvloede; het is van belang om voordat wordt hersteld

de oorzaak te achterhalen. Immers, het opnieuw ontstaan van eenzelfde schade zal door verzekeraars niet meer als verrassing worden gezien.”

[B] : “Helder, er zijn op dit moment 6 van de 8 liggers gelast, hierbij zijn dezelfde problemen te verwachten, de laatste twee gaan we pas mee verder als duidelijk is hoe, we hebben onze opdrachtgever ook betrokken bij dit probleem, en gevraagd naar een oplossing. (…)”

[A] : “Tot slot spraken we af dat u mij zo goed mogelijk op de hoogte houdt van ontwikkelingen omtrent het vaststellen van de oorzaak en de herstelmethode.”

[B] : “Ik heb Element in Breda benaderd om een onderzoek in te stellen, en een technische onderbouwing te geven van de mogelijke oorzaak.”

2.9.

Op 24 oktober 2013 heeft [A] namens BosBoon aan de verzekeringsmakelaar AON een voorbericht uitgebracht, waarin onder meer is vermeld.

Algemeen

Op 21 oktober 2013 ontvingen wij opdracht om een onderzoek in te stellen naar de aard, omvang en toedracht van de gebreken. Wij namen nog diezelfde middag telefonisch contact op met de heer [B] , Projectleider van ASK Romein Staalbouw B.V., verder te noemen: ASK. Op 23 oktober 2013 brachten wij een bezoek aan ASK in Roosendaal en bespraken de kwestie met de heer [B] . (…)

Voorafgaand aan de productie is door ASK een lasmethodebeschrijving (WPS) opgesteld. Deze WPS is door een keuringsinstantie getest en akkoord bevonden (WPQ). De heer [B] benadrukte dat ASK zich zorgvuldig aan de WPS heeft gehouden. De heer [B] lichtte toe dat het tot de opdracht van ASK behoort om alle lassen volledig NDO te controleren (Niet Destructief Onderzoek). ASK heeft hiervoor Quality Inspection Services B.V. (QIS) uit Roosendaal íngehuurd.
Gedurende het productieproces van de skidbeams inspecteert QIS de lassen zowel Ultrasoon als Magnetisch op eventuele gebreken. Deze controles worden uitgevoerd volgens de EEMUA 158, een internationale norm voor dergelijke constructies, aldus de heer [B] . Wanneer een onvolkomenheid in de lassen wordt geconstateerd, wordt de las verwijderd (uitgegutst) en opnieuw aangebracht. Per Skidbeam worden alle controles en materiaalcertificaten gedocumenteerd en als een ‘logboek’ meegeleverd aan de klant.

Volgens opgave van de heer [B] zou ASK op 17 oktober 2013 de eerste vier Skidbeams- en op 31 oktober 2013 de overige vier Skidbeams moeten afleveren. (…)
Op 16 oktober 2013 werden de eerste twee Skidbeams door ASK bij ERS afgeleverd.

Toedracht / oorzaak
Tijdens een 'spot-check' op 18 oktober 2013 constateerde ERS door middel van ultrasoon onderzoek scheurtjes in het laswerk van de twee geleverde liggers en nam direct contact op met ASK.
De heer [B] ging daarop met mensen van QIS direct naar ERS in Schiedam. QIS voerde eveneens een ultrasoon onderzoek uit en stelde “tot haar eigen verbazing” ook vast dat de lassen “vele scheurtjes” bevatten, aldus de heer [B] .
Op zaterdag 19 oktober 2013 onderzocht QIS de Skidbeam die nog in de fabriekshal van ASK Romein lag, gereed om ook naar ERS te worden getransporteerd. Ook bij deze controle werden vele scheurtjes in het laswerk geconstateerd, terwijl de Skidbeam al volledíg was getest en goedgekeurd.
Zowel ASK als QIS “tasten nog volledig ín het duister” met betrekking tot de oorzaak van de scheurvormíng. De heer [B] benadrukte dat QIS voor dit project zogenoemde 'Level-3'- en daarmee de hoogst gekwalificeerde onderzoekers heeft ingezet. Dat zij hun werk niet zorgvuldig zouden hebben uitgevoerd, lijkt daarom onwaarschijnlijk.
Verder zijn zowel de lassen als de controles conform de daarvoor opgestelde WPS en normen uitgevoerd. ASK heeft ERS gevraagd mee te denken over een mogelijke oorzaak en eventuele oplossingen, daar ERS het ontwerp van de Skidbeams heeft aangeleverd.

Omvang van de gebreken en raming van de kosten/schade
De twee reeds geleverde Skidbeams zijn weer afgevoerd naar de werkplaats/fabriek van ASK in Roosendaal. Tezamen met de skidbeam die gereed was voor transport zijn er nu drie Skidbeams waarbij alsnog in de lassen scheuren zijn geconstateerd.
De scheuren bevinden zich in het laswerk van de schotten waarmee de Skidbeams aan de zijkant zijn dichtgelast/verstijfd (zie foto 2, met geel krijt is aangegeven waar de lassen scheurvorming vertonen). (…)

Voortgang
Hoewel er vanuit ERS op ASK druk wordt uitgeoefend om de Skidbeams zo snel mogelíjk te herstellen en te leveren, wil ASK eerst weten wat de oorzaak is van de scheurvorming. Wij zullen het onderzoek naar de oorzaak volgen. (…)”

2.10.

Bij e-mail van 25 oktober 2015, met cc aan BosBoon, heeft ASK Romein aan Element Materials Technology (hierna: Element) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de technische oorzaak van het ontstaan van scheuren (indicaties) in het laswerk van 8 skidbeams. ASK Romein heeft van de in totaal 1657 meter las twee proefstukken van 30 centimeter uitgesneden en deze voor onderzoek aangeboden bij Element.

2.11.

Een e-mailbericht van 29 oktober 2013 07:07 uur van [C] (Specialist Claims Handler Property bij Amlin) aan [A] en [D] (AON) luidt als volgt.

“Goedemorgen,
Wanneer bij de eerste test scheuren worden vastgesteld, ben ik geneigd te zeggen dat de betreffende lassen nooit goed geweest zijn. Mocht verzekerde dat anders zien, dan zal moeten worden aangetoond dat de lassen goed geweest zijn en naderhand beschadigd zijn.”

2.12.

Bij e-mailbericht van 29 oktober 2013 13:42 uur heeft [E] (Insurance Manager van ASK Romein) aan [D] (AON) het volgende geschreven:

“lk wil even inhaken op de laatste alinea, reactie van de verzekeraar;

“Wanneer bij de eerste test scheuren worden vastgesteld ben ik geneigd te zeggen dat de betreffende lassen nooit goed geweest zijn. Mocht verzekerde dat anders zien, dan zal moeten worden aangetoond dat de lassen goed geweest zijn en naderhand beschadigd zijn.”

Als bij een eerste test blijkt dat een las niet goed is wordt hij inderdaad uitgegutst en opnieuw gedaan. En vervolgens (na 48 uur) wordt deze nieuwe las wederom gecontroleerd en getest. Dit is de normale gang van zaken.

De scheurvorming in het laswerk van de skidbeams waarvoor wij de schademelding hebben gedaan betreft scheurvorming in lassen die gecontroleerd en akkoord bevonden waren. Deze lassen waren goed, zijn grondig onderzocht door een gekwalificeerd bedrijf (QIS), dit is ook met rapporten aan te tonen.”

2.13.

Materiaal Metingen Testgroep (hierna: MMT) heeft op 30 oktober 2013 onderzoek gedaan naar de skidbeams PB2-A en PB-B en daarvan een rapport, met daarop de datum16 april 2015, uitgebracht, dat voor zover hier van belang in beide gevallen gelijkluidend is en als volgt luidt:

“A crosscheck ut examination was performed at ASK Romein on Skidbeam PB2-A on several welds numbers. (157,158,159,160,161,162,180,181,182,183.) They were found not to be acceptable according to procedure. Length of defect were total length of welds and depth was from 18-25 mm. Same finding as ASK NDT company found.”

2.14.

Op 30 oktober 2013 en 5 november 2013 heeft overleg plaatsgevonden tussen ASK Romein, ERS en Saipem . Daarbij is overeenstemming bereikt over de wijze waarop het herstel van de skidbeams zou worden uitgevoerd. Kort gezegd komt het er op neer dat de bestaande lassen worden uitgegutst en dat volgens een gewijzigde lasmethode een nieuwe las wordt aangebracht. Een powerpoint presentatie van Saipem van 5 november 2013 houdt onder meer in:

“Reasons for weld defects at ASK Romein

Combination of errors due to under-estimation of complexity, some of which are listed below:

  • -

    ASK Romein WPS [Welding Procedure Specification, hof] not ideal for web plates (ERS WPS used backing strips on welds)

  • -

    Inadequate control of effects of weld distortion

  • -

    Poor access for MIG torch to deposit root pass

  • -

    Insufficient specific job-skill testing of welders

  • -

    Compressed schedule

  • -

    Insufficient Saipem intervention, relying on ASK Romein quality system (…)”

Bij de powerpoint presentatie van Saipem van 5 november 2013 is een planning gevoegd waaruit blijkt dat de laatste lassen in de tweede helft van week 47 (18 tot 24 november 2013) en de eerste helft van week 48 (25 november tot 1 december 2013) zullen worden uitgegutst.

2.15.

Bij e-mail van 7 november 2013 heeft [B] aan [A] een kopie van onder meer de powerpoint presentatie van 5 november 2013 gestuurd en hem geïnformeerd over het alternatieve lasontwerp en het feit dat direct zou worden overgaan tot herstel. [A] heeft opnieuw gewezen op het risico van herstel zonder dat bekend is wat de oorzaak van de gebreken is.

2.16.

Op 15 november 2013 heeft Element een rapport uitgebracht getiteld Investigation into the nature and possible cause of reported indications in welds of skid beams (hierna: het Element rapport). Dit rapport houdt onder meer in:

“ASK Romein BV submitted two sections of the skid beams for investigation, one unrepaired section and a repaired section. According to ASK Romein BV. both sections showed indications with UT at the root over the complete section length. (…) Element (…) was requested to determine the nature of the indications. If these prove to be defects, a root cause analysis is requested. (…)

The sections have been inspected visually. (…) Three cross sections of each section were prepared for stereomicroscopic examination. (…) Cross sections over found indications were prepared for microscopic examination. (…)

Summarising discussion .

The results of the chemical analyses of the plate material of the submitted sections of the skid beams all met the requirements for S355J2+N steel according to EN 10025-2 The weld compositon was reasonably close to the reference values of the fluxed core weld filler metal. The plates and welds all showed common microstructures. The prepared cross sections showed considerably higher hardness values after repair than before repair. Locally the heat affected zone of the repair sections showed few hardness values exceeding the requirements of EEMUA (maximum 325 HV10).

The visual inspection on site revealed considerable deformation of the transverse stiffener plates and diaphragm plates due to shrinkage caused by welding. This was reflected in large differences in the gap widths and excess penetration levels as found in the cross sectional macro’s at the root of the various welds.

The design of the skid beams played an important role in this: the design does not allow for free shrinkage, resulting in high shrinkage stresses. The shrinkage on welding of a diaphragm plate caused deformation of the transverse stiffener plates. This deformation resulted in local variations in weld gap width for the subsequently placed diaphragm plates. The variations in gap width impaired control of the weld penetration on welding of the root pass. In general it can be said that before repair almost all cross sections showed considerable excess penetration due to sagging of the weld and a far larger penetration width than the specified root gap size. However, although significant linear indications were reported on UT, the three prepared cross sections did not reveal any lack of root fusion. (…)

As can be seen from the results of the visual examination of the various cross sections after repair, a relation can be drawn between the size of the root gap, the level of excessive penetration and the possible degree of lack of root fusion. The root gaps, reflected in the found penetration widths, were all larger than specified and showed strong deviations. The large root gaps also resulted in excessive penetration caused by sagging of the weld, which in some cases created a gap between the weld and the adjoining steel plates. The more the geometry of the weld is influenced by a combination of the mentioned factors, the more difficult it becomes to achieve a flawless weld. This has most likely resulted in the occurred welding defects as were seen in the submitted repair sections of the skid beams.

During ultrasonic testing linear indications were found at the root of the welds prior to repair, which were not found in this Investigation. Based on the findings on the submitted sections this may be (partly) related to the large degree of excessive penetration. This caused a deep relative narrow gap between the root and the side of the transverse stiffener plate, which could easily be mistaken for a linear defect. The gap of the original weld was in all cases positioned outside the load carrying cross section of the diaphragm plate and thus does not affect the static strength of the weld seam. Furthermore at least part of the reported UT indications relate to the lack of accessibility of the weld joint for proper NDT inspection.

The amount of excessive penetration is formally not acceptable. It should however be noted that excessive penetration is hardly avoidable given the design of the skid beams, in particular the extremely high constraint condition on welding the diaphragm plates.”

2.17.

ASK Romein heeft het Element rapport op 16 november 2013 aan BosBoon doorgestuurd. Naar aanleiding daarvan heeft op donderdag 21 november 2013 bij Element in Breda een bespreking plaatsgevonden tussen [B] , [A] en medewerkers van Element. Zijdens Element is daarbij meegedeeld dat bij het door Element verrichte onderzoek in het aangeleverde onderzoeksmateriaal geen scheuren in de las zijn aangetroffen. Afgesproken is dat het herstelwerk stilgelegd zou worden zodat nader onderzoek naar het bestaan van de scheuren gedaan zou kunnen worden.

2.18.

Bij e-mail van maandag 25 november 2013 heeft [B] aan [A] onder andere zes JPG bestanden van foto’s gestuurd en daarbij onder meer het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van ons overleg afgelopen donderdag, heb ik de guts en slijp werkzaamheden gestopt, na overleg afgelopen vrijdag met onze UT onderzoeker blijkt dat er te weinig materiaal aanwezig is om hier nog aanvullend onderzoek op te doen.

Zie ook de bijgevoegde foto’s van een aantal locaties. Ik laat de herstel werkzaamheden op dit moment doorgaan, en zal een paar locaties nog laten zitten. Als je in de gelegenheid bent om vandaag langs te komen, graag zodat je de actuele stand van zaken kan zien.”

2.19.

Bij e-mail van 2 december 2013 heeft [B] aan [A] zes JPG bestanden van foto’s gestuurd en daarbij onder meer het volgende geschreven:

“Bijgevoegd de beschikbare foto’s van scheuren gevonden, nadat de liggers zijn gecontroleerd. Eea zoals vorige week besproken. Ook zitten hierbij de foto’s van het proefstuk voor reparatie wat naar element is gestuurd. Op de kopse kanten zijn de scheuren aangegeven.”

2.20.

Bij e-mail van 3 december 2013 heeft [B] , in reactie op vragen van [A] onder meer het volgende geschreven:

“Dit zijn alle foto’s die ik boven tafel kon krijgen, Ik kan element vragen om een paar aanvullende doorsnedes te maken, we zullen zien wat daar uit komt.”

2.21.

Bij e-mail van 17 december 2013 heeft Element aan [B] , in reactie op vragen van [A] onder meer het volgende geschreven:

“Er zijn 2 doorsnedes gemaakt ter plaatse van de indicaties zoals afgetekend door QIS. Het gaat om doorsnede 1 bij een UT indicatie van 7 mm en doorsnede 2 bij een UT indicatie van 5mm. (…) In beide gevallen was lokaal wel iets van een oppervlakkige lineaire indicatie te zien, maar in alle gevallen buiten de dragende doorsnede en op de fusielijn. Daarmee hebben ze zeer waarschijnlijk de zelfde kenmerken als de in het eerste onderzoek gevonden indicaties.”

2.22.

Op 14 januari 2014 heeft [A] aan verzekeringsmakelaar AON onder meer het volgende geschreven:

“Op 25 oktober [2013, hof] vond bij ASK Romein een gesprek plaats met de heer [G] van het gelijknamig Lastechnisch Adviesbureau en de heer [H] , Group Leader SMO bij Element Materials Technology (voorheen Schielab), door ASK Romein ingeschakeld voor nader onderzoek naar de oorzaak van de gebreken in het laswerk van de skidbeams.

In samenspraak werden twee skidbeams aangewezen waaruit proefstukken werden

geslepen, die vervolgens in het laboratorium van Element werden beproefd. Eén van de proefstukken werd genomen uit een balk waarbij na samenstellen door ultrasoonmetingen ‘indicaties’ werden aangetroffen, maar die nog niet waren gerepareerd. Het tweede proefstuk werd gehaald uit een balk waarin de indicaties uit de eerste ultrasoonmeting reeds waren gerepareerd en vervolgens goedgekeurd (om daarna alsnog te worden afgekeurd).

Ter verduidelijking; er wordt gesproken over ‘indicaties’ omdat bij ultrasoonmetingen

met geluidsgolven scheuren of lasfouten worden opgespoord, waarbij degene die de

meting uitvoert de meetresultaten op basis van zijn ervaring interpreteert.

Om de uitloop in tijd nog enigszins te beperken besloot ASK Romein onder druk van Saipem /ERS om de skidbeams vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek van Element te gaan herstellen. Wij hebben ASK Romein gewezen op de eventuele risico’s van herstel zonder dat onomstotelijk vaststaat wat de oorzaak van de gebreken is.

In gezamenlijk overleg werden door ASK, ERS en Saipem alle mogelijke oorzaken van de gebreken benoemd en werd een aangepaste productiemethode uitgewerkt waarin elk van deze mogelijke oorzaken werd ‘geëlimineerd’.

Deze methode bestond uit het verwijderen (gutsen/slijpen) van alle zijschotten uit de

skidbeams, het vlakslijpen en herstellen (weer oplassen) van de overgebleven delen van de skidbeams, waarna nieuwe schotten volgens een gewijzigd lasprocedé werden

ingelast.

Op 16 november 2013 ontvingen wij de resultaten van het onderzoek van Element. (…)

Element heeft in haar onderzoek van de proefstukken onder andere geconstateerd dat

als gevolg van een relatief grote vooropening de grondnaad (eerste las) relatief ver is

uitgestulpt/uitgezakt. Tussen de ‘druppelvormige’ uitstulping en het aangrenzende schot ontstond daardoor een naad, die bij een ultrasoonmeting mogelijk als scheur zou kunnen worden geïnterpreteerd. Verder werden in de proefstukken enkele

bindingsfouten aangetroffen.

Op donderdag 21 november 2013 bespraken wij de resultaten bij Element in Breda met de heer [B] van ASK en met de heren [H] en [I] , beiden van Element. In dit gesprek gaf de heer [H] desgevraagd aan in de onderzochte lassen geen scheuren te hebben aangetroffen. De heer [B] benadrukte vervolgens dat bij het verwijderen van de schotten uit de skidbeams wel degelijk scheuren geconstateerd waren en dat daarvan ook foto’s zijn genomen. De heer [B] zegde toe het herstelwerk direct te laten stoppen zodat ook wij wellicht nog in de gelegenheid zouden zijn deze scheuren te constateren.

Op maandag 25 november 2013 vond bij ASK een bespreking plaats met de heer [B] , mevrouw [J] (Insurance Manager van ASK) en de heer [K] , directeur van QIS. Alle schotten waren inmiddels uit de skidbeams verwijderd en van de scheuren was niets meer te zien. Ook de heer [K] gaf aan dat “een groot aantal scheuren zichtbaar waren tijdens het repareren” en dat er van de scheuren foto’s waren gemaakt. Wij hebben deze inmiddels ontvangen en als bijlage 2 bijgevoegd.

Omdat het ASK bevreemdde dat in de beproefde lassen geen scheuren waren

aangetroffen, hebben zij Element gevraagd nader onderzoek te doen. Hiervan ontvingen wij op 17 december 2013 de resultaten. De bevindingen van Element waren hetzelfde als bij de eerste tests.”

2.23.

Bij mailbericht van 2 april 2014 heeft [A] aan [B] het volgende geschreven:

“Tijdens ons overleg op 19 februari 2014 hebben jullie uitgelegd dat QIS stelt dat het bij de door hen (alsnog in tweede instantie) aangetroffen indicaties daadwerkelijk om scheuren gaat. Gezien het belang van juistheid van deze stelling spraken we af dat wij ons door een onafhankelijke deskundige partij zouden laten informeren omtrent de vraag of een dergelijke diagnose onder de gegeven omstandigheden met (een grote mate van) zekerheid te stellen is. ASK heeft hiervoor enkele partijen aangedragen. Om echter elke mogelijke schijn van betrokkenheid uit te sluiten hebben wij ervoor gekozen om Applus RTD in te schakelen, al jarenlang een autoriteit op het gebied van (onder andere) NDO onderzoek.

Op 26 maart 2014 hebben we met de heer [L] van Applus een gesprek gehad. Een samenvatting van dit gesprek tref je aan in de bijlage. De conclusie van dit gesprek is dat het stellen van een eenduidige diagnose, zeker onder de gegeven omstandigheden en met de uitgevoerde metingen, niet mogelijk is.

Wij verbinden daaraan de conclusie dat niet is uit te sluiten dat de ‘naden’ (die tussen de uitgestulpte grondnaad en het aangrenzende moedermateriaal zijn ontstaan als gevolg van een te grote vooropening) bij de interpretatie van de ultrasoonmetingen voor scheuren zijn aangezien.”

Genoemde bijlage luidt voor zover hier van belang als volgt:

Omschrijving Probleemstelling

Medio oktober waren vier van de acht skidbeams gereed, UT-gecontroleerd (QlS) en akkoord bevonden. Toen bij de eerste twee Skidbeams, die op 18 oktober 2013 bij ERS waren afgeleverd, een UT- ‘spot-check’ werd gedaan werden (tot ieders schrik) indicaties aangetroffen. Deze spot-check werd door controleurs van ERS uitgevoerd.

Aanvankelijk werd vermoed dat in de lassen als gevolg van transport en handling mogelijk scheurtjes waren ontstaan. Echter, een nieuwe UT-controle van de balken drie en vier, die nog onaangeroerd in de werkplaats lagen, gaf eveneens indicaties die door QIS/ASK als scheuren worden betiteld.

Vooralsnog is onduidelijk wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn.

Om hierover meer duidelijkheid te krijgen zijn uit verschillende skidbeams, op locaties waar met ultrasoon onderzoek indicaties waren aangetroffen, monsters uitgenomen die vervolgens door Element destructief zijn beproefd. Hierbij werden geen scheuren aangetroffen.

Vraagstelling

- Is op basis van de uitgevoerde ultrasoonmetingen met (een grote mate van) zekerheid vast te stellen welke diagnoses onder de gegeven omstandigheden bij de aangetroffen indicaties kunnen worden gesteld?

- In welke mate is de NEN-EN-ISO 23279 (Karakterisering van indicaties in lassen) norm hierbij bepalend?

Antwoorden/conclusie

De heer [L] stelt op basis van de getoonde documenten en het besprokene het volgende vast.

- - Er is een algemene standaardprocedure opgesteld voor het uitvoeren van de

ultrasoonmetingen. Deze omschrijft dat de lassen vanaf drie posities (a, b en c) moeten worden gecontroleerd. De procedure ziet niet op de specifieke situatie m.b.t. de lassen van de zijschotten. Met name de ‘staande’ lassen zijn sowieso maar van één kant (positie A) te benaderen. Voor deze staande lassen is binnen de gestelde standaard EN-ISO 17640 figuur A.6 (Kruisverbinding) de te gebruiken methode. De ‘liggende’ lassen zouden ook vanaf positie C te benaderen zijn.

- De uitvoering van het ultrasoon onderzoek is gedaan in overeenstemming met de EN-ISO 17640 ultrasoon onderzoek-techniek, onderzoekniveau en beoordeling.

- De rapportages van de ultrasoonmetingen maken geen melding van afwijkingen t.o.v. de procedure. Dit zou volgens de geldende norm (EEMU 158 (acceptatie en EN-lSO 17640 (uitvoering UT onderzoek)) wel moeten.

- Uit de rapportages blijkt niet of de liggende lassen ook vanuit positie C zijn benaderd.

- Uit de rapportages blijkt niet duidelijk onder welke hoeken de ultrasoonmetingen zijn uitgevoerd en de daarbij behorende defecten zijn gevonden.

Vervolgens legt de heer [L] uit hoe met de opgegeven apparatuur is/wordt gemeten, wat hierbij belangrijke aandachtspunten zijn, welke nauwkeurigheden of foutmarges gelden en hoe een eventuele indicatie zo precies mogelijk kan worden gelokaliseerd.

Tot slot merkt de heer [L] op dat het, zelfs voor een ervaren level-3 controleur, in het algemeen lastig (zo niet onmogelijk) is om op basis van ultrasoonmetingen exact vast te stellen wat indicaties aanduiden, zelfs wanneer de lassen van 3 zijden (positie a, b en c) te ‘benaderen’ zijn.

De vermelde parameters op de rapportage geven te weinig informatie over de gevonden defecten en de daarbij behorende hoek van ultrasoon detectie. De resultaten van gevonden defecten zijn helaas niet getekend met de gebruikte tasters, hoek van instralen en loopweg tot het defect.”

2.24.

Op 22 mei 2014 heeft [K] (bestuurder van QIS) een rapport uitgebracht getiteld Rapportage Skidbeams Saipem Ltd., dat onder meer het volgende inhoudt:

“Hierbij volgt een reactie op de vragen die beantwoord zijn door Dhr. [L] (PBN) van de firma Applus RTD (Ultrasoon Level 2, N19687). (…)

Bij de opmerking die dhr [L] in het schrijven plaatst “In het algemeen is het lastig, zo niet onmogelijk, om op basis van ultrasoon metingen exact vast te stellen wat de indicaties aanduiden” vragen wij ons toch ten stelligste af waarom er in alle internationale normen onderscheidt gemaakt wordt tussen fouten. Zeker wanneer dit niet te bepalen is volgens de heer [L] . Zie tevens EEMUA 158 - tabel 6 (zie bijlage A). Wij zijn er dan ook van overtuigd dat deze afwijkingen wel degelijk te karakteriseren zijn.

(…)Ten tijde van het initieel inspecteren hebben wij minimaal 2 keer een cross check van een ander NDO bedrijf gehad. Het andere bedrijf constateerde ten opzichte van onze bevindingen niets afwijkend.
Enkele dagen later werd er bij een cross check op de door ons geheel goedkeurde Skid Beam afwijkingen gevonden. QIS heeft daarop dhr [M] , Level 3 (N32285) ter plaatse gestuurd om de situatie op te nemen en gecheckt wat er aan de hand was. Dhr [M] constateerde samen met de cross checker dat er op een aantal locaties scheuren vanuit de binnen zijde waren ontstaan. Dhr. [M] heeft, samen met ondertekende, het gehele project begeleid. De signalen die zich voordeden waren afwijkend ten opzichte van de initiële signalen. Deze kwamen op vanuit de root en waren te volgen tot soms wel 12 mm diep. De scheurindicaties waren met zowel een 60° en 70° taster eenvoudig te detecteren (…)
De signalen die van de scheuren af kwamen waren niet te verwarren met andere signalen. De signalen die op het beeldscherm zichtbaar waren gingen ver boven de 100% DAC lijn uit en hadden een heel breed en onregelmatig patroon op het scherm nabij de halve loopweg. Dit kwam totaal niet overeen met de signalen die we bij de initiële inspectie hadden waargenomen. Het is in deze niet iets dat men had kunnen missen. Hiervoor waren de afwijkingen te groot.(…)

Deze afwijkingen waren van dien aard dat deze moesten worden hersteld.”

2.25.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft [N] van DEKRA Solutions B.V. aan ASK Romein onder meer het volgende geschreven:

“(…) mij ter hand gesteld de rapportage van Quality Inspection Services B.V. (QIS) d.d. 22-05-2014 inzake skid beams voor Saipem Ltd. met het verzoek deze rapportage nader te beoordelen. (…)
Het hier uitgevoerde NDO is inderdaad gebruikelijk en wordt in het algemeen, en zeker ook in de offshore-branche met haar hoge kwaliteitseisen, beschouwd als zijnde afdoende om een dergelijke lasnaad te beoordelen (…)
Eveneens kan ik U bevestigen dat in principe met deze wijze van onderzoek een karakterisering van zowel de lassen als van het type van fouten (bijv. scheur versus volumineus, surface breaking versus embedded) hierin goed mogelijk is maar nogmaals, vakmanschap en ervaring van de UT-er zijn hierin van groot belang.
Tenslotte nog kort samengevat: de wijze waarop voor dit project het NDO is uitgevoerd met de initiële goedkeur en de latere afkeur tot gevolg is overeenkomstig vigerende normeringen. Het mag dan opmerkelijk zijn dat enkele dagen na goedkeur diverse lassen kennelijk alsnog scheurvorming zijn gaan vertonen echter, dit is niet de wijze van NDO te verwijten. Bovendien is het niet aan de individuele NDO uitvoerder of het NDO-contracterende bedrijf om aan te geven, waarom deze lassen alsnog zijn gaan scheuren. NDO is primair bedoeld om lassen wel/niet te accepteren op basis van overeengekomen acceptatiecriteria. NDO kan bijv. slakinsluiting en/of porositeit en/of scheurvorming constateren maar nogmaals, NDO is niet bedoeld om ook de oorzaak hiervan aan te duiden hoe voor de hand liggend die soms ook kan zijn.

2.26.

Op 16 augustus 2016 heeft een voorlopig getuigenverhoor in deze zaak plaatsgevonden, waarin drie getuigen zijn gehoord. Deze hebben onder meer het volgende verklaard:

[K] , de toenmalige directeur van QIS:
“We hebben op het terrein van ASK Romein de beams onderzocht, volgens de beide genoemde methoden. Als er daarbij onregelmatigheden werden geconstateerd, werd de betreffende las gerepareerd. Bij een reparatie wordt het gebied van de reparatie en een stukje daaromheen opnieuw onderzocht nadat de zaak 48 uur heeft uitgehard. Op een gegeven moment zijn de beams vrijgegeven en hebben wij rapporten opgesteld. De beams worden pas vrijgegeven als ze helemaal onderzocht zijn en alle lassen zijn goedgekeurd.
Die skidbeams zijn afgeleverd en op dezelfde dag bleek dat er fouten in zaten. Een van onze level 3 ingenieurs is toen gaan kijken. Een level 3 ingenieur is het hoogste niveau controleur die in de markt optreedt. Hij heeft toen samen met een Italiaanse ‘level 2’ inspecteur geconstateerd dat er scheurvorming had plaatsgevonden. (…) Die zaterdag ben ik bij ASK geweest. Toen hebben we beams waarvan de lassen al goedgekeurd waren opnieuw onderzocht. Op locaties werden dezelfde indicaties aangetroffen als op de beams die al afgeleverd waren. We zijn toen heel voorzichtig gaan slijpen, zodat de scheuren niet zouden veranderen door eventuele hitte. We hebben niet de methode gutsen toegepast waarbij veel hitte wordt geproduceerd. Bij de slijpmethode die we hebben toegepast wordt wel hitte afgegeven door het slijpen. Op 12 à 13 mm diepte werden scheurtjes zichtbaar. We hebben dat toen op 5 à 6 locaties van de beams bekeken. Op alle locaties werd hetzelfde geconstateerd, er waren scheurtjes.
Toen we de ultrasone testen uitvoerden. verschenen er op het beeldscherm scherpe afwijkingen van wat we normaal zien. Het was niet een twijfelgeval, maar er waren duidelijke afwijkingen die bij een eerdere inspectie zeker waren opgevallen. (…)
We deden een herinspectie van de beams die terugkwamen. Daar zaten indicaties in die niet acceptabel waren voor de tabel. Dat moet scheurvorming betreffen want er kunnen na 48 uur geen bellen meer ontstaan of slakken meer in komen. De enige fout die daarna nog kan ontstaan is scheurvorming. Die werd ook zichtbaar door de karakterisering van het ultrasone beeld dat wij terugkregen. Dat beeld kan alleen maar op die manier geïnterpreteerd worden. Die signalen begonnen ongeveer bij 14 à 20 mm diep en liepen door tot 25 mm diep. (…)
Op basis van de karakterisering van de metingen op mijn beeldscherm en de daarop getoonde patronen en de diepten en amplituden kon ik zien dat het ging om scheurvorming. Ik kon op basis daarvan uitsluiten dat er andere indicaties waren. (…)
De proefstukken die zijn teruggestuurd naar Element zijn onderdelen waarin waarnemingen zijn gedaan die duiden op scheurvorming. De onderdelen die naar Element zijn toegestuurd zijn ook onderzocht door een andere onderzoeker, [O] , een level 3 onderzoeker. Hij kwam tot dezelfde conclusies als wij in ons onderzoek. (…)

Ik weet niet waarom Element tot andere conclusies is gekomen. Als er stukken van een las niet goed zijn en andere stukken wel, hangt het van de tussenruimte af hoe veel van de las wordt afgekeurd. Als de scheuren meer dan 100 mm uit elkaar liggen dan gebeurt er meestal een reparatie, maar dat verschilt wel per klant.”

[M] , niet destructief onderzoeker level 3 bij QIS:
“Ik heb magnetisch en ultrasone onderzoek uitgevoerd op de bakken, voordat ze geleverd werden vanaf het begin van de productie. Daar zijn lasfouten in geconstateerd, die zijn gerepareerd. Dit is normaal. Nadat wij de twee beams hadden gecontroleerd zijn deze geleverd aan Saipem . Omdat daar fouten zijn geconstateerd ben ik met ASK meegegaan om er naar te kijken. Ik zag daar de bakken liggen, buiten in de modder. De lokale man van Saipem , dat was een Italiaan, die zei dat er indicaties geconstateerd waren in de lassen die wij hadden goedgekeurd. Hij zei toen tegen mij dat wij hier niets aan konden doen, omdat ze hetzelfde probleem hadden in beams die zij zelf produceerden. Ik heb daar toen ultrasone onderzoek gedaan op de plekken die hij aangetekend had. Ik heb toen geconstateerd dat er indicaties in zaten die er daarvoor niet zaten. Het is vaak lastig te zien wat die indicaties aangeven. Het betrof indicaties op de door hem aangegeven locaties met een hogere amplitude dan toegestaan. Of het een scheur was of iets anders, dat weet ik niet. Op dat moment maakt het mij ook niet zo veel uit, ik ben namelijk geen lasspecialist. Na dit onderzoek heeft er volgens mij geen ander onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens zijn de beams teruggegaan naar ASK. Daar heeft nader onderzoek plaatsgevonden. De locaties die de Italiaan had aangegeven zijn geopend met een gutstang. Toen wij scheuren zagen zijn we de beams helemaal gaan onderzoeken. Elke dag gaven we met verschillende kleuren aan wat de constateringen waren, die werden steeds groter. Dit is een indicatie dat het scheurvorming betrof. Want andere types fouten groeien niet. Op enig moment in het traject, ik weet niet precies wanneer, is een andere wijze van lassen van de platen ontwikkeld door ASK in samenspraak met Saipem . Ik heb die dagen ook ultrasone onderzoek uitgevoerd bij de bakken die terugkwamen. (…) Ik zag bij het onderzoek signalen die afkeurbaar waren, dat betrof signalen die uit de root, dat wil zeggen uit de punt van de las kwamen. (…) De platen waren 25mm dik, ik weet niet meer precies de diepte van de waarnemingen. Ik weet zeker dat het startte vanaf 25mm, dus vanaf de andere kant. (…) Niet alleen fouten in de las maar ook de geometrie van de las, dat wil zeggen de buitenkant, brengen signalen terug. Het wordt niet op prijs gesteld wanneer je het hebt over scheurvorming, want dat betekent dat er met de las iets goed misgegaan is. Mijn bevindingen zijn dat het scheuren waren. Ik baseer dat op het feit dat de bakken eerst goedgekeurd waren en dat er later wel indicaties waren. De signalen kunnen meerdere oorzaken hebben. Uit onderzoek op locaties waar wij al indicaties hadden gezien, werd naar uitgutsing van de las gezien dat het scheurvorming betrof. Op die grond veronderstelden we dat dat dezelfde oorzaak betrof als wanneer wij die indicaties weer zagen. Het betroffen onacceptabele indicaties op locaties die in het eerdere onderzoek goedgekeurd waren. Ook daaruit maak ik op dat het scheurvorming betreft. (…) Met een meting sec kunnen we niets uitsluiten. Als je met je taster indicaties opvangt kun je nooit uitsluiten dat het iets anders is dan scheurvorming.”

[P] , NDO-inspecteur bij QIS:

“Op de bakken die terug zijn gekomen heb ik inspecties uitgevoerd, Wij hebben de bakken meerdere malen gecontroleerd met verschillende markeringen. Wij zagen indicaties in de bakken. Die hebben wij aangeduid, daarna hebben we een dag gewacht. Daarna hebben we weer inspecties gedaan en kwamen we er achter dat de indicaties groter werden. Dit was op basis van ultrasone onderzoek.

In theorie kun je indicaties onderscheiden op basis van ultrasone onderzoek op bijvoorbeeld corrosie, slak of scheur. In praktijk is dit echter zeer moeilijk te bepalen, tenzij het overduidelijk is. De laatste keer bij ultrasone onderzoek konden wij duidelijk zien aan de indicaties dat het scheuren betrof. Dat was voordat lassen waren uitgegutst.
Je kan de indicaties zien aan het signaal. Je gaat met je taster bewegen, daardoor kan je zien wat je signaal doet. Aan de hoogte van je signaal kan je bepalen wat de grootte van de indicatie is. Ik kon dat toen zien bij het onderzoek aan de teruggekeerde balken. (…) Ik weet dat de indicatie van de scheur achter de root zat. De indicatie was van achter, aan de binnenkant van de bak naar voren. Daar zagen wij de grootste indicaties.

Ik weet nog dat de amplitudes verschillend waren. De eerste dagen waren de amplitudes minder hoog dan de laatste keer. Sommige amplitudes waren veel hoger dan toegestaan. De signalen gingen ruim over de DAC. Dit waren indicaties die ik bij het initiële onderzoek niet had aangetroffen. (…)”

2.27.

Bij e-mail van 26 september 2017 heeft [A] onder meer het volgende aan de advocaat van de Verzekeraars geschreven:

“Hierbij zoals afgesproken nog een aanvullende toelichting/beschrijving van het gesprek bij Element op 21/11/13 en de uren/dagen daarna. (…)

Het was inmiddels 's-middags rond half vier en wij stelden voor om direct naar Roosendaal te rijden of anders de volgende ochtend om 07.00u of later op de dag (22/11) ter plaatse te zijn om de scheuren te bekijken. De heer [B] zei daarop eerst zelf naar de productiehal te rijden om te kijken of er nog wat van de scheuren te zien was. Hij zegde toe ons nog die middag te laten weten hoe het 'ervoor stond'.

Omdat wij die middag en avond (21/11 dus) niets meer van de heer [B] vernamen hebben wij hem de volgende dag (vrijdag 22/11) geprobeerd te bellen, maar tevergeefs. Op maandag 25/11 ontvingen wij 's-ochtends een e-mail waarin de heer [B] schrijft:

Quote "Naar aanleiding van ons overleg afgelopen donderdag, heb ik de guts en slijpwerkzaamheden gestopt, na overleg afgelopen vrijdag met onze UT onderzoeker blijkt dat er te weinig materiaal aanwezig is om hier nog aanvullend onderzoek op te doen. Zie ook de bijgevoegde foto's van een aantal locaties. lk laat herstelwerkzaamheden op dit moment doorgaan, en zal een paar locaties nog laten zitten. Als je in de gelegenheid bent om vandaag langs te komen, graag zodat je de actuele stand kan zien." Unquote

Wij zijn nog diezelfde middag naar ASK gereden.”

2.28.

Op 24 april 2018 heeft het Belgisch instituut voor lastechniek vzw (hierna: BIL) op verzoek van [A] een rapport uitgebracht, dat voor zover hier van belang het volgende inhoudt.


2. Vraagstelling
(…)

- Kunt u, en dan nu specifiek voor deze situatie, aangeven of het aannemelijk/logisch is dat hier koudscheuren zijn ontstaan (of juist niet)?
- De waarnemingen van Element, afgezet tegen het beweerdelijk aantreffen van scheuren via NDO.
- Een verklaring voor de gebeurtenissen: uitgangscontrole QIS (goed), ingangscontrole door ERS (fout), 2e check eerder goedgekeurde skidbeams die nog in de loods lagen (ook "fout").

3 Conclusie
De randvoorwaarden voor het ontstaan van koudscheuren blijken gunstig om het risico op koudscheuren te herleiden naar een absoluut minimum. Het onderzoek dat door Element werd uitgevoerd bevestigt voor ons dat de onderzochte indicaties niet afkomstig zijn van koudscheuren. Aangezien Element geen significante indicaties heeft kunnen terugvinden die ontstaan zijn na het afkoelen van de las, lijkt het zeer waarschijnlijk dat de indicaties die gevonden zijn tijdens het UT onderzoek (zowel na afleveren van de eerste skidbeams als na reparatie) afkomstig zijn van de overmatige doorlassing en/of van bindingsfouten. (…)

4 Antwoorden op de gestelde vragen

(…)

We kunnen ons aansluiten bij het feit, dat de meeste indicaties (zowel voor als na herstelling) - zoals in het rapport [van Element, hof] ook aangegeven - zijn veroorzaakt door een overdreven doorlassing, die op het uiteinde een bindingsfout vertonen. De aanwezigheid van de oxides ontstaan op hogere temperatuur bevestigen dit.

Uitleg "overdreven doorlassing"
Een stompe las wordt steeds met een bepaalde hoeveelheid doorlas uitgevoerd om zeker te zijn dat de las de volledige sectie van de plaat verbindt. De doorlas zelf is de hoogte van de las (…) die langs de onderkant van de plaat voorbij de achterkant van de plaat komt. lndien deze doorlas te groot wordt en de breedte van de doorlas vrij gering is, zal de aanvloeiing van de las langs de achterkant niet geleidelijk verlopen met een kerfwerking tot gevolg. (…)

Uitleg "bindingsfout"
Het type, bindingsfout waarnaar hier verwezen wordt treedt op indien het neergesmolten lasmetaal in de doorlas niet vermengd is met het basismetaal dat het moet verbínden. Het gevolg hiervan is dat er een kerfwerking kan optreden ter hoogte van deze bindingsfouten. (…)

4.2.8.

Besluit
In vorige paragrafen zijn de meeste randvoorwaarden voor het ontstaan van koudscheuren beoordeeld. Deze randvoorwaarden bleken gunstig om het risico op koudscheuren te herleiden naar een absoluut minimum. Het onderzoek dat door Element werd uitgevoerd bevestigt voor ons dat de onderzochte indicaties niet afkomstig zijn van koudscheuren. (…)

4.3.

De waarnemingen van Element, afgezet tegen het beweerdelijk aantreffen van scheuren via NDO

De secties die genomen zijn voor herstelling vertoonden vooral overmatige doorlassing. De secties na herstelling vertoonden vooral bindingsfouten. (…) Beide onvolkomenheden zijn gelinkt aan het feit dat de las enkelzijdig moest uitgevoerd worden omdat deze niet toegankelijk was langs de andere kant. Het is dan niet gemakkelijk om een doorlas te maken die net voldoende ís zonder overmatige doorlassing.
Er werden zowel secties voor als na de herstelling opengebroken. Deze secties vertoonden allen aan de wortel van de las sporen van oxidatie, die veroorzaakt zijn door blootstelling aan hogere temperatuur. Deze kunnen aldus niet ontstaan zijn nadat de las afgekoeld is.
De zone aan de tip van de bindingsfouten werd met SEM onderzocht. Er werd een kleine scheurvormige uitbreiding vastgesteld die bestond uit een mix van brosse en ductiele (vervormbare, taaie) indicaties die vermoedelijk te wijten zijn aan krimpspanníng veroorzaakt door de las.
Aangezien Element geen significante indicaties heeft kunnen terugvinden die ontstaan zijn na het afkoelen van de las, lijkt het zeer waarschijnlijk dat de indicaties die gevonden zijn tijdens het UT onderzoek (zowel voor als na de herstelling) afkomstig zijn van de overmatige doorlassing en/of van bindingsfouten.

4.4.

Een verklaring voor de gebeurtenissen: uitgangscontrole QIS (goed), ingangscontrole door ERS (fout), 2e check eerder goedgekeurde skidbeams die nog in de loods lagen (ook “fout”).
Uit het antwoord op de vraag die in 4.3 gesteld werd kan afgeleid worden dat de indicaties die met UT gevonden werden hoogst waarschijnlijk afkomstig zijn van overmatige doorlassing en/of van bindingsfouten. Indien we daarvan uitgaan, waren die indicaties dus van in het begin aanwezig. Het uitvoeren van een UT onderzoek vergt kennis en ervaring om de beelden op een goede manier te kunnen interpreteren. Het is mogelijk dat de interpretatie bij de eerste controle rekening hield met de aanwezige overmatige doorlassing en daardoor niet als “fout” werden gerapporteerd.”

2.29.

Bij de comparitie van partijen in eerste aanleg op 24 mei 2018 heeft de heer [Q] (bestuurder van ASK Romein) - zakelijk weergegeven - als volgt verklaard:

“U vraagt mij wat bij het herstel anders is gegaan dan de eerste keer. Ik dacht dat voor een andere lasverbinding was gekozen, namelijk de ‘partial pen’ in plaats van een ‘full pen’, waarbij ‘pen’ staat voor penetration. Het deel wat niet gelast is staat koud tegen elkaar. Een partial pen is eigenlijk een kleinere las. De skidbeams zijn uiteindelijk tot tevredenheid van de afnemer afgeleverd. Je zou kunnen zeggen dat de oorzaak van de scheuren waarschijnlijk ligt in het ontwerp.”

3 Beoordeling

3.1.

ASK Romein heeft, na wijziging van eis, primair gevorderd voor recht te verklaren dat is aangetoond dat de lassen van de aan ERS geleverde skidbeams waren behept met scheurvorming, althans subsidiair gevorderd dat als gevolg van de aangebrachte lassen sprake is van materiële schade aan en/of verlies van de voor het werk bestemde onderdelen en verder - kort gezegd - gevorderd de Verzekeraars conform hun risicoaandeel te veroordelen tot vergoeding van de schade, althans voor recht te verklaren dat zij gehouden zijn het gedekte evenement onder de CAR-verzekering af te wikkelen.

3.2.

De rechtbank heeft op basis van het ultrasoon onderzoek van QIS en de verklaringen van de getuigen [K] en [M] geoordeeld dat zich in de lassen van de skidbeams scheurvorming heeft voorgedaan en dat de rapporten van Element, Applus en het BIL niet kunnen afdoen aan de stelling van ASK Romein dat de lassen aanvankelijk goed waren en dat nadien scheurvorming is opgetreden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat ASK Romein naar behoren heeft meegewerkt aan de vaststelling van de oorzaak van de schade, dat voor zover de oorzaak van de scheuren gelegen is in een ontwerpfout, de CAR-verzekering ook daarvoor dekking biedt en dat voor ASK Romein niet op voorhand zeker was dat scheuren zouden ontstaan. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het debat over de omvang van de schade nog onvoldoende concreet was gevoerd en de vorderingen van ASK Romein deels toegewezen, in die zin dat zij voor recht heeft verklaard dat de lassen van de skidbeams waren behept met scheurvorming en dat de Verzekeraars gehouden zijn alle schade als gevolg daarvan, voor zover gedekt onder de CAR-verzekering, met ASK Romein af te wikkelen en de Verzekeraars veroordeeld in de kosten van het geding. De rechtbank heeft het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

grieven

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen de Verzekeraars met negen grieven op. Met de grieven 1 en 2 bestrijden zij de juistheid en volledigheid van de vastgestelde feiten en de door de rechtbank geschetste toedracht. Met de overige grieven stellen de Verzekeraars in de kern aan de orde dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van goed laswerk dat nadien is beschadigd (grief 8), dat niet is komen vast te staan dat in de lassen daadwerkelijk scheurvorming is opgetreden, waardoor geen recht op dekking bestaat (grieven 3 tot en met 6) en dat ASK Romein, met de bedoeling om verzekeraars te misleiden, de expert van de Verzekeraars ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld de scheuren te inspecteren, waardoor haar recht op dekking op grond van de wet (art. 7:941 lid 5 BW) en de voorwaarden is komen te vervallen (grieven 3 en 7) zodat de vorderingen ten onrechte zijn toegewezen (grief 9). Het hof zal de grieven hierna bespreken.

bewijslast

3.4.

ASK Romein vordert dekking onder de CAR-verzekering voor de door haar geleden schade als gevolg van scheurvorming in de lassen van de skidbeams. ASK Romein stelt daartoe dat de laswerkzaamheden aan de skidbeams volgens het ontwerp en goed zijn uitgevoerd en dat daarna scheurvorming in de lassen is opgetreden. Volgens ASK Romein is aldus sprake van materiële schade aan de verzekerde interesten in de zin van artikel 15 van de voorwaarden waarvoor de CAR-verzekering dekking biedt. Nu ASK Romein zich op de rechtsgevolgen van deze stellingen beroept, rust op ASK Romein de last deze, tegenover een voldoende gemotiveerde betwisting door de Verzekeraars te bewijzen.

waren de lassen eerst goed?

3.5.

De Verzekeraars hebben betwist dat de laswerkzaamheden aan de skidbeams goed en volgens het ontwerp zijn uitgevoerd. Zij betogen dat “er geen twijfel over kan bestaan dat op een ongebruikelijke wijze is gewerkt en dat die werkwijze lassen opleverde die van stonde af aan niet deugden”. Ter onderbouwing daarvan wijzen de Verzekeraars op de tekortkomingen genoemd in de powerpoint presentatie van Saipem van 5 november 2013 (rov. 2.14) en het rapport van Element (rov. 2.16).

3.6.

Het hof stelt vast dat uit de powerpoint presentatie en het rapport van Element niet volgt dat de laswerkzaamheden door ASK Romein niet goed zijn uitgevoerd of dat de lassen nooit goed zijn geweest. De in de powerpoint presentatie genoemde tekortkomingen betreffen in de eerste plaats een (mogelijke) onderschatting van de complexiteit van het werk en gebreken in het ontwerp van de skidbeams en/of de daarvoor opgestelde WPS. Als mogelijke oorzaken worden ook onvoldoende controle van de kwalificaties van de lassers en een krap tijdsschema genoemd, maar dat de werkzaamheden niet goed zouden zijn uitgevoerd en/of dat de lassen van het begin af aan ondeugdelijk zouden zijn geweest kan daar als zodanig niet uit volgen. Dat geldt ook voor het rapport van Element waarin wordt beschreven dat op locatie bij ASK Romein een aanzienlijke vervorming van de op de skidbeams gelaste platen werd waargenomen, waardoor variaties in de beschikbare lasruimte ontstonden en grote doorlassingen zoals aangetroffen in de dwarsdoorsneden. Volgens Element speelt het ontwerp van de skidbeams daarbij een belangrijke rol omdat geen rekening is gehouden met krimp van het materiaal na het lassen. Element heeft vervolgens weliswaar geconstateerd dat sprake is van variaties in lasruimte en lasdiepte, met bijbehorende uitstulpingen aan de achterzijde, maar ook dat in de onderzochte dwarsdoorsneden van het niet-herstelde proefstuk geen gebreken in de lassen zijn geconstateerd. Bij die stand van zaken kan ook op basis van het rapport van Element niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van lassen die nooit goed zijn geweest.

3.7.

Verder is van belang dat niet in geschil is dat QIS op basis van ultrasoon onderzoek tijdens het bouwproces en voor aflevering van de skidbeams aan ERS in de (deels na afkeuring herstelde) lassen geen indicaties heeft gevonden die duidden op scheurvorming. Ook overigens bevat het dossier, anders dan het in de e-mail van [C] van 29 oktober 2013 uitgesproken vermoeden (rov 2.11) geen concrete bevindingen waaruit volgt dat de lassen in de skidbeams van aanvang aan scheuren hebben vertoond en/of dat die lassen nooit goed zijn geweest. Onder deze omstandigheden neemt het hof als onvoldoende gemotiveerd betwist met ASK Romein aan dat de laswerkzaamheden aan de skidbeams door ASK Romein volgens het ontwerp en goed zijn uitgevoerd. Voor zover de Verzekeraars zich op het standpunt stellen dat de door ASK Romein gestelde scheuren in de lassen het gevolg zijn van gebreken in het ontwerp van de skidbeams geldt dat ook dit een gedekte oorzaak onder de CAR-verzekering is. Met de rechtbank stelt het hof vast dat niet is gebleken dat voor ASK Romein voorzienbaar was dat het ontwerp van de skidbeams en de daarbij gehanteerde lasmethode (WPS) nooit goede lassen zouden kunnen opleveren. De stelling dat niet is voldaan aan het onzekerheidsvereiste van artikel 7:925 BW, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, stuit daarop af. De Verzekeraars hebben nog gesteld dat ASK Romein niet de nodige voorzorgsmaatregelen zou hebben genomen om schade te voorkomen als bedoeld in artikel 10.1.1. van de voorwaarden, maar zij hebben dit niet voldoende concreet onderbouwd; de enkele verwijzing naar de opsomming van (mogelijke) tekortkomingen in de powerpoint presentatie van Saipem is daarvoor niet genoeg. Grief 8 faalt.

zijn er scheuren ontstaan?

3.8.

Vervolgens is aan de orde of - zoals ASK Romein aan haar vordering ten grondslag legt - nadat de laswerkzaamheden goed waren uitgevoerd, alsnog scheurvorming in de lassen van de skidbeams is opgetreden die kan worden aangemerkt als materiële schade in de zin van de verzekeringsvoorwaarden. ASK Romein wijst ter onderbouwing van haar stelling er op dat de skidbeams aanvankelijk door QIS zijn onderzocht en goedgekeurd, maar vervolgens door ERS werden afgekeurd omdat daarin indicaties werden aangetroffen die buiten de acceptatienormen vielen (rov. 2.4), dat bij nader ultrasoon onderzoek door QIS indicaties zijn waargenomen die wezen op scheurvorming (rov. 2.6) en dat ook MMT bij ultrasoon onderzoek niet acceptabele afwijkingen in de lassen heeft waargenomen (rov. 2.13). ASK Romein wijst daarnaast op de getuigenverklaringen [K] en [M] die beide hebben verklaard dat in skidbeams die eerder waren goedgekeurd, op een aantal locaties waar alsnog indicaties waren aangetroffen, na het openslijpen of gutsen van de lassen scheurvorming in de lassen werd waargenomen (rov. 2.26). ASK Romein wijst er ten slotte op dat uit de verklaringen [K] en [M] ook volgt dat de indicaties in de skidbeams aanvankelijk niet werden waargenomen, hetgeen er op wijst dat deze pas na 48 uur zijn ontstaan, en dat deze in de loop van de tijd groter werden, hetgeen alleen verklaard kan worden door scheurvorming.

3.9.

De Verzekeraars betwisten dat scheurvorming in de lassen van de skidbeams is opgetreden, althans dat dit zou zijn vastgesteld. De Verzekeraars wijzen daartoe allereerst op het rapport van Element van 15 november 2013 waaruit volgt dat ook op de locaties waar volgens QIS indicaties waren waargenomen, in de gemaakte dwarsdoorsneden geen scheurvorming werd aangetroffen (rov. 2.16); ook niet bij nader onderzoek in december (rov. 2.21). De Verzekeraars wijzen er verder op dat uit de rapporten van Applus (rov. 2.23), Element en het BIL (rov. 2.28) blijkt dat aan de hand van ultrasoon onderzoek geen zekerheid verkregen kan worden over de aard van de geconstateerde indicaties, maar dat het een kwestie blijft van interpretatie van de resultaten door de onderzoeker. Daarbij is van belang dat in het rapport van Element en het rapport van het BIL een alternatieve verklaring wordt gegeven voor de door QIS en MMT waargenomen indicaties, terwijl afgezien van de verklaringen [K] en [M] geen enkel direct bewijs voor het bestaan van scheuren in de lassen voorhanden is. In dat kader wijzen de Verzekeraars er nog op dat [B] heeft gezegd dat foto’s zouden zijn gemaakt van de in de skidbeams gevonden scheuren, maar dat op de door hem op 25 november 2013 (rov. 2.18) en 2 december 2013 (rov. 2.13) toegestuurde 6 foto’s deze scheuren niet te zien zijn en dat in ieder geval één van deze foto’s blijkens de EXIF-metadata gemaakt lijkt te zijn op 11 oktober 2013, dat wil zeggen voordat de skidbeams door ERS op 18 oktober 2013 werden afgekeurd.

3.10.

Het hof is van oordeel dat op basis van de op dit moment in het dossier aanwezige gegevens, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Verzekeraars niet als vaststaand kan worden aangenomen dat nadat de laswerkzaamheden goed waren uitgevoerd, alsnog scheurvorming in de lassen van de skidbeams is opgetreden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.11.

Het bewijs voor de stelling van ASK Romein rust vooralsnog op twee peilers; de na 18 oktober 2013 door QIS en MMT gevonden indicaties en de verklaringen van [K] en [M] . Ten aanzien van de indicaties volgt uit de rapporten van Applus, Dekra en het BIL dat door middel van ultrasoon onderzoek weliswaar afwijkingen in de samenstelling van een las kunnen worden waargenomen, maar dat het antwoord op de vraag waardoor de waargenomen afwijkingen worden veroorzaakt uiteindelijk een kwestie van interpretatie is van het gevonden beeld, waarbij de ervaring van de onderzoeker steeds van belang is en dat die vraag op basis van uitsluitend ultrasoon onderzoek niet met zekerheid kan worden beantwoord. Uit het rapport van Applus blijkt bovendien dat in dit geval de controle door middel van ultrasoon metingen slechts vanuit één positie (staande lassen) of twee posities (liggende lassen) gedaan konden worden, waar normaal gesproken vanuit drie posities wordt gecontroleerd. [K] stelt daar in zijn rapport van 22 mei 2014 (rov. 2.24) weliswaar tegenover dat hij er van overtuigd is dat de gemeten afwijkingen wel degelijk te karakteriseren zijn, maar ook [M] heeft als getuige verklaard dat het vaak lastig te zien is wat de indicaties aangeven en dat hij niet weet of de gevonden indicaties een scheur waren of iets anders: Met een meting sec kun je niets uitsluiten. Als je met je taster indicaties opvangt kun je nooit uitsluiten dat het iets anders is dan scheurvorming.

3.12.

Verder is van belang dat in de rapporten van Element en het BIL een mogelijke alternatieve verklaring voor de waargenomen indicaties wordt gegeven. Element schrijft dat: During ultrasonic testing linear indications were found at the root of the welds prior to repair, which were not found in this investigation. Based on the findings on the submitted sections this may be (partly) related to the large degree of excessive penetration. This caused a deep relative narrow gap between the root and the side of the transverse stiffener plate, which could easily be mistaken for a linear defect. The gap of the original weld was in all cases positioned outside the load carrying cross section of the diaphragm plate and thus does not affect the static strength of the weld seam. Furthermore at least part of the reported UT indications relate to the lack of accessibility of the weld joint for proper NDE inspection. Het BIL onderschrijft dit: We kunnen ons aansluiten bij het feit, dat de meeste indicaties (zowel voor als na herstelling) - zoals in het rapport ook aangegeven - zijn veroorzaakt door een overdreven doorlassing, die op het uiteinde een bindingsfout vertonen. (…)De secties die genomen zijn voor herstelling vertoonden vooral overmatige doorlassing. De secties na herstelling vertoonden vooral bindingsfouten. (…)Aangezien Element geen significante indicaties heeft kunnen terugvinden die ontstaan zijn na het afkoelen van de las, lijkt het zeer waarschijnlijk dat de indicaties die gevonden zijn tijdens het UT onderzoek (zowel voor als na de herstelling) afkomstig zijn van de overmatige doorlassing en/of van bindingsfouten.

3.13.

Deze alternatieve verklaring voor de waargenomen indicaties wordt niet uitgesloten door de getuigenverklaringen. Integendeel. [M] verklaart: Ik heb die dagen ook ultrasone onderzoek uitgevoerd bij de bakken die terugkwamen. (…) Ik zag bij het onderzoek signalen die afkeurbaar waren, dat betrof signalen die uit de root, dat wil zeggen uit de punt van de las kwamen. (…) De platen waren 25mm dik, ik weet niet meer precies de diepte van de waarnemingen. Ik weet zeker dat het startte vanaf 25mm, dus vanaf de andere kant. (…) Niet alleen fouten in de las maar ook de geometrie van de las, dat wil zeggen de buitenkant, brengen signalen terug. [P] verklaart: Aan de hoogte van je signaal kan je bepalen wat de grootte van de indicatie is. Ik kon dat toen zien bij het onderzoek aan de teruggekeerde balken. (…) Ik weet dat de indicatie van de scheur achter de root zat. De indicatie was van achter, aan de binnenkant van de bak naar voren. Daar zagen wij de grootste indicaties. Deze verklaringen laten de mogelijkheid open dat, zoals Element en het BIL suggereren, de opening of kerf tussen de uitstulping van de doorlas en het moedermateriaal aan de achterzijde van de zijplaten de oorzaak van de waargenomen indicaties is geweest in plaats van scheurvorming in de las zelf.

3.14.

Ten aanzien van de verklaringen van [K] en [M] stelt het hof voorop dat deze bijna drie jaar na het ontstaan van de schade zijn afgelegd. Verder is voor de weging van hun verklaringen van belang dat [K] en [M] respectievelijk bestuurder en werknemer waren van QIS, en dat zij aanvankelijk op basis van de gedane ultrasoon metingen hadden geconcludeerd dat de lassen van de skidbeams niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen, waardoor de werkzaamheden opnieuw uitgevoerd moesten worden. In het kader van het getuigenverhoor werd hen in feite gevraagd om drie jaar na dato te bevestigen dat hun bevindingen destijds juist waren geweest. Onder deze omstandigheden moet rekening gehouden worden met de natuurlijke neiging om meer waarde te hechten aan informatie waarmee de eigen ideeën of hypothesen worden bevestigd, ook wel confirmation bias genoemd.

3.15.

[K] heeft verklaard: Op locaties werden dezelfde indicaties aangetroffen als op de beams die al afgeleverd waren. We zijn toen heel voorzichtig gaan slijpen, zodat de scheuren niet zouden veranderen door eventuele hitte. We hebben niet de methode gutsen toegepast waarbij veel hitte wordt geproduceerd. Bij de slijpmethode die we hebben toegepast wordt wel hitte afgegeven door het slijpen. Op 12 à 13 mm diepte werden scheurtjes zichtbaar. We hebben dat toen op 5 à 6 locaties van de beams bekeken. Op alle locaties werd hetzelfde geconstateerd, er waren scheurtjes.

[M] heeft verklaard: Uit onderzoek op locaties waar wij al indicaties hadden gezien, werd na uitgutsing van de las gezien dat het scheurvorming betrof. Op die grond veronderstelden we dat dat dezelfde oorzaak betrof als wanneer wij die indicaties weer zagen.

Het hof stelt vast dat uit de verklaring van [M] niet met zoveel woorden blijkt dat hij ook zelf heeft waargenomen dat sprake was van scheurvorming. Verder geldt dat zijn verklaring in zoverre afwijkt van die van [K] dat hij verklaart dat scheurvorming werd gezien nadat de las was uitgegutst in plaats van uitgeslepen, terwijl [K] juist benadrukt dat was gekozen te gaan slijpen, zodat de scheuren niet zouden veranderen door eventuele hitte van het gutsen.

3.16.

Tegenover de verklaringen van [K] [M] staan de bevindingen van Element. Vast staat dat in de door Element onderzochte proefstukken - zowel het niet herstelde proefstuk, als het herstelde proefstuk - bij ultrasoon onderzoek indicaties werden waargenomen. Element schrijft: According to ASK Romein BV both sections showed indications with UT at the root over the complete section length. Verder staat vast dat Element aanvankelijk drie dwarsdoorsnedes van elk van de proefstukken heeft gemaakt op locaties waar indicaties waren waargenomen, maar dat zij bij microscopische inspectie van die dwarsdoorsnedes geen scheuren heeft aangetroffen. Naar aanleiding van deze bevindingen is Element gevraagd nogmaals dwarsdoorsnedes te maken en deze te onderzoeken, waarbij het er specifiek om ging vast te stellen of zich ter plaatse van de waargenomen indicaties nu wel of geen scheurvorming had voorgedaan. Element schrijft vervolgens op 17 december 2013: Er zijn 2 doorsnedes gemaakt ter plaatse van de indicaties zoals afgetekend door QIS. Het gaat om doorsnede 1 bij een UT indicatie van 7 mm en doorsnede 2 bij een UT indicatie van 5mm. (…) In beide gevallen was lokaal wel iets van een oppervlakkige lineaire indicatie te zien, maar in alle gevallen buiten de dragende doorsnede en op de fusielijn. Daarmee hebben ze zeer waarschijnlijk de zelfde kenmerken als de in het eerste onderzoek gevonden indicaties.”

3.17.

Tot slot is van belang dat zich, afgezien van hetgeen hiervoor is besproken in het dossier geen aanvullende bewijsmiddelen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat in de lassen van de skidbeams scheuren zijn ontstaan. Het hof stelt vast dat op de door [B] toegestuurde foto’s zoals die zich in het dossier bevinden geen scheurvorming is waar te nemen, terwijl vooralsnog evenmin duidelijk is wanneer die foto’s zijn gemaakt. De getuige [P] heeft niet verklaard dat hij scheurvorming heeft gezien en nader deskundigenonderzoek heeft niet meer plaatsgevonden omdat daarvoor na herstel van de skidbeams geen onderzoeksmateriaal meer aanwezig was.

3.18.

Het hof is onder deze omstandigheden, waarbij op basis van ultrasoon onderzoek geen zekerheid kan worden verkregen en tegenover de verklaringen van [K] en [M] staat dat Element bij de door haar verrichte onderzoeken geen scheuren heeft aangetroffen, van oordeel dat ASK Romein vooralsnog niet is geslaagd in het door haar tegenover de gemotiveerde betwisting door de Verzekeraars te leveren bewijs van haar stelling dat nadat de laswerkzaamheden goed waren uitgevoerd, alsnog scheurvorming in de lassen van de skidbeams is opgetreden. Het hof zal ASK Romein, overeenkomstig haar bewijsaanbod in de gelegenheid stellen dat bewijs desgewenst alsnog te leveren.

heeft ASK Romein de Verzekeraars onvoldoende geïnformeerd en/of misleid?

3.19.

De Verzekeraars hebben aangevoerd dat ASK Romein, met het opzet om hen te misleiden, de expert van de Verzekeraars ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zelf eventuele scheurvorming in de lassen van de skidbeams te inspecteren. De Verzekeraars stellen daartoe dat ASK Romein met het herstel van de skidbeams is begonnen, ondanks dat zij er uitdrukkelijk op was gewezen dat de oorzaak van de scheurvorming nog moest worden vastgesteld (rov. 2. 8 en 2.15) en dat zij ook nadat op 15 november 2013 uit het rapport van Element bleek dat in de lassen geen scheuren waren aangetroffen (rov. 2.16) het herstel niet heeft stilgelegd. [B] heeft verder geen gehoor heeft gegeven aan het uitdrukkelijk verzoek van [A] van 21 november 2013 om de herstelwerkzaamheden aan de skidbeams stil te leggen, zodat nader onderzoek naar het bestaan van de scheuren gedaan zou kunnen worden (rov. 2.17) en pas op 25 november 2013 laten weten dat geen materiaal voor inspectie meer aanwezig was (rov. 2.18). Verder heeft [B] gezegd dat foto’s beschikbaar zouden zijn waarop de scheurvorming te zien was (rov. 2.19) en dat hij deze zou toesturen. Op de ontvangen foto’s is de scheurvorming evenwel niet te zien, terwijl in ieder geval een van die foto’s is gemaakt nog voordat de skidbeams door ERS werden afgekeurd.

De Verzekeraars betogen dat ASK Romein door het uitvoeren en niet tijdig staken van de herstelwerkzaamheden en het toesturen van foto’s waarvan zij wist of had moeten weten dat de scheurvorming daarop niet te zien was, niet heeft voldaan aan haar verplichting om alle inlichtingen te verschaffen die voor de Verzekeraars van belang waren om hun uitkeringsplicht te kunnen beoordelen, met als gevolg dat niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld of er scheurvorming in de skidbeams is opgetreden en wat daarvan de oorzaak is geweest. De Verzekeraars menen dat zij daardoor in hun redelijke belangen zijn geschaad, met als gevolg dat op grond van artikel 10.2 van de voorwaarden het recht op schadevergoeding is komen te vervallen. De Verzekeraars stellen verder dat ASK Romein daarbij de opzet heeft gehad om de Verzekeraars te misleiden, zodat ook op grond van artikel 7:941 lid 5 BW het recht op uitkering is komen te vervallen.

3.20

ASK Romein heeft op haar beurt er op gewezen dat zij de schade onmiddellijk heeft gemeld (rov. 2.5), waarna door de Verzekeraars BosBoon als expert is benoemd (rov. 2.7). In het overleg met [A] is steeds op basis van de waargenomen indicaties als vaststaand aangenomen dat sprake was van scheurvorming in de lassen. BosBoon is volledig op de hoogte gehouden van de gang van zaken, en [A] heeft het bestaan van de scheuren nooit ter discussie gesteld. [A] heeft bij zijn bezoek aan ASK Romein op 23 oktober 2013 de scheuren in de lassen ook zelf kunnen waarnemen. [A] heeft daarna weliswaar aangedrongen op een onderzoek naar de oorzaak van de scheurvorming (rov. 2.8), maar dat was omdat de Verzekeraars een nieuwe schade na herstel niet zouden dekken indien de oorzaak van de eerdere schade niet was onderzocht en weggenomen. Nadat op 7 november 2013 was aangekondigd dat de herstelwerkzaamheden zouden beginnen (rov. 2.15) heeft BosBoon daartegen geen bezwaar gemaakt. Pas bij het gesprek op 21 november 2013 (rov 2.17) is voor het eerst ter discussie gesteld of zich al dan niet scheurvorming in de lassen van de skidbeams had voorgedaan. ASK Romein heeft mede onder verwijzing naar een bij memorie van grieven overgelegde schriftelijke verklaring van [B] betoogd dat [B] na het overleg naar de locatie in Roosendaal is gegaan, maar dat alle zijschotten al bleken te zijn verwijderd. [B] heeft daarvan foto’s gemaakt. Dit is op maandag 25 november 2013 aan [A] doorgegeven (rov. 2.18) en daarbij zijn ook de beschikbare foto’s opgestuurd. ASK Romein stelt dat op de foto’s een opengeslepen las te zien is waarin een scheur is blootgelegd en zij betwist dat de foto’s (deels) dateren van voor het ontdekken van de indicaties in de lassen. ASK Romein meent dat zij aldus aan alle op haar rustende verplichtingen heeft voldaan en dat zij er tot 21 november 2013 geen rekening mee hoefde te houden dat het bestaan van de scheurvorming in de lassen van de skidbeams nog ter discussie zou worden gesteld. Het feit dat er op dat moment geen materiaal voor nader onderzoek meer voorhanden was kan niet aan ASK Romein worden verweten en moet voor risico van de Verzekeraars komen. Van opzet te misleiden is geen sprake, aldus ASK Romein.

3.21.

Het hof stelt met ASK Romein vast dat tot 21 november 2013 tussen partijen niet ter discussie heeft gestaan dat sprake was van scheurvorming in de lassen van de skidbeams. ASK Romein heeft er verder nooit een geheim van gemaakt dat zij zo snel mogelijk wilde beginnen met het herstel van de skidsbeams. Zij heeft dit meteen bij haar melding van de schade op 18 oktober 2013 al aangekondigd en vervolgens op 7 november 2013 gemeld dat zij met de herstel werkzaamheden zou beginnen daarbij het met Saipem afgesproken herstelplan met de bijbehorende tijdsplanning aan [A] toegezonden. Weliswaar is juist dat [A] op 24 oktober 2013 en op 7 november 2013 heeft gewaarschuwd dat het van belang zou zijn om de oorzaak van de schade te achterhalen voordat de skidbeams werden werd hersteld, maar die waarschuwing had uitdrukkelijk betrekking op het feit dat verzekeraars het opnieuw ontstaan van dezelfde schade na herstel niet meer als een verzekerbaar onzeker evenement zouden aanmerken. De waarschuwing betrof dus een eventuele toekomstige schade en niet de vraag of de al gemelde schade bij uitblijven van nader onderzoek gedekt zou zijn. De Verzekeraars of BosBoon hebben ondanks dat zij wisten dat de schade zou worden hersteld, tot 21 november 2013 ook overigens nooit verzocht om of aangedrongen op een nader onderzoek naar het bestaan van de scheurvorming in de lassen van de skidbeams. Ook niet nadat [A] op 16 november 2013 het rapport van Element kreeg toegezonden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat pas tijdens de bespreking van dat rapport op 21 november 2013 duidelijk werd dat Element geen scheurvorming in de lassen had aangetroffen en dat pas op dat moment voor het eerst ter discussie kwam te staan of zich wel scheurvorming in de lassen van de skidbeams had voorgedaan. Bij deze stand van zaken neemt het hof als vaststaand aan dat ASK Romein tot aan 21 november 2013 steeds heeft voldaan aan de op haar jegens de Verzekeraars rustende verplichtingen tot het verschaffen van inlichtingen en dat haar dienaangaande geen verwijt kan worden gemaakt.

3.22.

Het hof begrijpt de stellingen van de Verzekeraars voor het overige aldus dat zij in de kern stellen dat [B] (i) opzettelijk heeft nagelaten de herstelwerkzaamheden onmiddellijk op 21 november 2013 stil te laten leggen, waardoor op dat moment nog wel beschikbaar materiaal voor nader onderzoek alsnog verloren is gegaan en (ii) opzettelijk op 25 november 2013 en 2 december 2013 aan [A] foto’s heeft toegestuurd waarvan hij wist dat daarop geen aangetroffen scheurvorming is waar te nemen, met het oogmerk [A] te doen geloven dat dit daarop wel te zien zou zijn. Het hof is van oordeel dat indien deze stellingen van de Verzekeraars juist zijn, dit in beginsel tot een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 10.2 van de voorwaarden en/of artikel 7:941 lid 5 BW zou kunnen leiden. Nu de Verzekeraars zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stellingen, rust op hen de last om die stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door ASK Romein te bewijzen. Zij zijn daar vooralsnog niet in geslaagd. Het hof zal de Verzekeraars overeenkomstig hun bewijsaanbod in de gelegenheid stellen dat bewijs desgewenst alsnog te leveren.

slotsom

3.23.

Het hof ziet in het hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding een verschijning van partijen te gelasten teneinde met partijen te bespreken of en, zo ja, op welke wijze zij het hiervoor genoemde bewijs willen en kunnen leveren. De comparitie zal tevens kunnen worden benut voor het beproeven van een schikking. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat ASK Romein toe tot het leveren van het hiervoor onder rov. 3.18 genoemde bewijs;

laat de Verzekeraars toe tot het leveren van het hiervoor onder rov. 3.22 genoemde bewijs;

bepaalt dat partijen, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, tot het hiervoor onder 3.23 omschreven doel zullen verschijnen ten overstaan van mr. A.W.H. Vink, daartoe als raadsheer commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur.

bepaalt dat elk van partijen uiterlijk op 18 mei 2021 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de periode van juni tot en met september 2021 aan het hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

verzoekt partijen, voor het geval zij zich ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk 2 weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan de raadsheer commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.W.H. Vink en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.