Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1276

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
200.242.207/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 22 december 2020. Correctie van feitelijke misslag in tussenarrest, zodat grief 7 alsnog slaagt. Vernietiging en alsnog toewijzing van vordering van de appellanten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaak met zaaknummer : 200.242.207/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/612348 / HA ZA 16-731

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer 4 mei 2021

inzake

1 [appellant 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam,

tegen

1 DEUTSCHE NEDERLAND N.V.,

(voorheen Deutsche Bank Nederland N.V.)

gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap naar Duits recht DEUTSCHE BANK A.G.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.R.H. de Leeuw te Amsterdam,

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellanten] en Deutsche c.s. (ook wel de Bank) genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 22 december 2020 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Ingevolge het tussenarrest hebben [appellanten] op 2 februari 2021 een akte genomen, waarna Deutsche c.s. op 2 maart 2021 een antwoordakte hebben genomen. Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest zijn [appellanten] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of het bedrag van € 50.877,67 dat de Bank noemt juist is (zie rov. 3.10 en 3.16 van het tussenarrest). [appellanten] hebben bij akte van 2 februari 2020 meegedeeld dat dit bedrag juist is.

2.2

[appellanten] hebben bij akte van 2 februari 2021 het hof ook verzocht terug te komen van de beslissingen in rov 3.15 van het tussenarrest, waarin het hof het heeft overwogen:

“Met grief 7 betogen [appellanten] primair dat de incidentele vordering ten onrechte niet is toegewezen en subsidiair dat zij ten onrechte zijn veroordeeld in de kosten van het incident. [appellanten] hebben hun incidentele vordering op 5 oktober 2016 ingesteld. Vast staat dat de Bank voordien op 3 oktober 2016, al op eigen kosten de hoofdsom van de renteswap heeft verlaagd van € 5.000.000 naar € 2.925.000. De rechtbank heeft de incidentele vordering dan ook terecht afgewezen. Dat geldt in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen ook voor de bij wijze van voorlopige voorziening gevorderde veroordeling tot betaling van € 250.000 of € 150.000. Bij die stand van zaken heeft de rechtbank [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij terecht veroordeeld in de kosten van het geding in het incident. Voor zover [appellanten] betogen dat de proceskosten in het incident desondanks voor rekening van de Bank moeten komen omdat zij die kosten zelf heeft veroorzaakt door niet tijdig over te gaan tot aanpassing van de hoofdsom van de renteswap, geldt dat de Bank al voor de incidentele vordering tot aanpassing van de renteswap is overgegaan en het incident dus niet ingesteld had hoeven worden. De grief faalt.

2.3

[appellanten] hebben aangevoerd dat de Bank pas op 14 oktober 2016 - met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2016 - de hoofdsom van de renteswap heeft verlaagd van € 5.000.000 naar € 2.925.000, zodat het oordeel van het hof berust op een feitelijke misslag. Deutsche c.s. hebben niet bestreden dat de verlaging van de hoofdsom op 14 oktober 2016 heeft plaatsgevonden, maar menen dat de incidentele vordering van [appellanten] desalniettemin terecht is afgewezen en dat zij terecht in de kosten van het incident zijn veroordeeld.

2.4

Het hof stelt vast dat de Bank op 14 oktober 2016 - met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2016 - de hoofdsom van de renteswap heeft verlaagd en dat het tussenarrest op dit punt een feitelijke onjuistheid bevat. Het hof heeft in het tussenarrest in rov. 3.8 overwogen dat uit de gang van zaken rondom de aflossing van de 10-jarige lening per 1 april 2016 volgt dat [appellanten] het voorstel van de Bank om de hoofdsom van de renteswap aan te passen hebben aanvaard en dat de Bank de hoofdsom van de renteswap daarom per 1 april 2016 op eigen kosten had moeten aanpassen. Thans moet worden vastgesteld dat de Bank dit pas op 14 oktober 2016 heeft gedaan. Daarmee heeft de Bank niet tijdig aan haar verplichtingen jegens [appellanten] voldaan en hen daarmee genoopt op 5 oktober 2016 bij wege van incidentele vordering nakoming te vorderen. Bij die stand van zaken dienen Deutsche c.s. alsnog te worden veroordeeld in de kosten van het incident in eerste aanleg. Het hof komt in zoverre terug van zijn eerdere beslissing in rov 3.15 van het tussenarrest. Grief 7 slaagt.

2.5

De slotsom is dat de grieven ten dele slagen en dat het vonnis van 14 maart 2018 niet in stand kan blijven. Het hof zal het vonnis van 14 maart 2018 vernietigen en de vordering van [appellanten] alsnog toewijzen tot een bedrag van € 50.877,67 te vermeerderen met - nu het hier gaat om nadeelcompensatie - de gewone wettelijke rente vanaf 3 oktober 2016. Dit betekent dat ook grief 8 slaagt. Het hof zal Deutsche c.s. veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.283,88. Deutsche c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep en in de hoofdzaak en in het incident in eerste aanleg. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 14 maart 2018;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Deutsche c.s. aan [appellanten] te betalen € 50.877,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2016 tot aan de dag van de betaling;

veroordeelt Deutsche c.s. aan [appellanten] te betalen € 1.283,88 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt Deutsche c.s. in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] in het incident begroot op € 452 voor salaris en in de hoofdzaak op € 1.642,48 aan verschotten en € 1.788 voor salaris en in hoger beroep tot op heden begroot op € 416,01 aan verschotten en € 7.108,50 voor salaris en op € 157 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt Deutsche c.s. tot terugbetaling aan [appellanten] van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 14 maart 2018 aan Deutsche c.s. hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling door [appellanten] tot aan de dag van de terugbetaling;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis in het incident van 7 december 2016;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Wessels, M.P. van Achterberg en A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 mei 2021 door de rolraadsheer.