Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.273.802/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:9395
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie, Partijen zijn bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen worden overgegaan indien de man stelt, en aannemelijk wordt geoordeeld dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Inkomen van de man, zelfstandig ondernemer, is gewijzigd. Niet aannemelijk is geworden dat de man zijn verlies van inkomen zelf heeft veroorzaakt of had kunnen voorkomen, zodat het hof concludeert dat hem van dat verlies geen verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.273.802/01

zaaknummer rechtbank: C/15/282088 / FA RK 18-6693

beschikking van de meervoudige kamer van 20 april 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude,

(voorheen: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude)

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G. Raap te Almere.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 13 november 2019 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 7 februari 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 13 november 2019.

2.2

De vrouw heeft op 24 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 3 augustus 2020 met een bijlage, ingekomen op 4 augustus 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 oktober 2020 met bijlagen, ingekomen op 16 oktober 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 26 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen. De man is bijgestaan door zijn toenmalige advocaat mr. Y.A.R. Seen, advocaat te Noord-Scharwoude, de vrouw is bijgestaan door mr. Raap voornoemd. Mr. Seen heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2.5

Na de mondelinge behandeling is ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 3 november 2020 met een bijlage, ingekomen per fax op dezelfde dag;

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De man en de vrouw zijn [in] 2006 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen, welk huwelijk op 23 juni 2014 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 11 juni 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

In de echtscheidingsbeschikking is, overeenkomstig het door partijen overeengekomene, bepaald dat:

a: de man € 1.844,- bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

b: het aangehechte echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking.

3.4

Partijen hebben op 17 april 2014 het onder 3.3 vermelde echtscheidingsconvenant (hierna: convenant) ondertekend.

In het convenant is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 1.2.

Partijen hebben door de advocaat-mediator een alimentatieberekeningen laten uitvoeren (bijlage 1). Deze berekeningen zijn de basis geweest bij de afspraken over de partneralimentatie. Het netto inkomen voor de scheiding van de man bedroeg € 3.931,-. De vrouw heeft geen inkomen. De huwelijksgerelateerde behoefte volgens de hofnorm is € 2.358,- netto per maand.

1.3

Bij de berekening van de draagkracht is uitgegaan van de volgende gegevens. Voor het inkomen van de man is uitgegaan van het gemiddelde resultaat uit onderneming in de jaren 2011-2013, van € 74.000,-.

Voor de hypotheekrente is uitgegaan van het bedrag in de aangifte 2012, € 1.111 bruto per maand. De WOZ-waarde (2013) is € 420.000,-. De premie lijfrente en de premie arbeidsongeschiktheid zijn overgenomen uit de aangifte 2012. Aan de uitgavenkant is rekening gehouden met nominale premies ziektekosten van € 169 en een verplicht eigen risico van € 360 per jaar. Op de hypotheek wordt niet afgelost. In navolging op de keuze van de rechtbank in de voorlopige voorziening is de premie van de levensverzekering die aan de hypotheek is verbonden buiten beschouwing gelaten. Met het inkomen van de nieuwe partner van de man is geen rekening gehouden aangezien dit zeer beperkt is en de vrouw minder valide is.

1.4

Op basis van de draagkracht van de man is overeengekomen dat de onderhoudsbijdrage van de man met ingang van de datum van echtscheiding € 1.844 bruto per maand zal bedragen, welk bedrag maandelijks bij vooruitbetaling aan haar zal worden voldaan.

3.5

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2018 € 1.951,29, met ingang van 1 januari 2019 € 1.990,32 en met ingang van 1 januari 2020 € 2.040,08 per maand.

3.6

De man heeft de partneralimentatie tot en met juli 2018 zonder indexering betaald. In augustus 2018 heeft de man € 400,- betaald aan het LBIO. De man heeft de partneralimentatie sindsdien voldaan, al dan niet na tussenkomst van het LBIO.

3.7

Bij beschikking van de rechtbank van 3 juli 2019 betreffende voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn de verzoeken van de man om de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 mei 2019 voor de duur van de wijzigingsprocedure op nihil te stellen en om zijn betalingsverplichting te schorsen voor de duur van de wijzigingsprocedure, afgewezen.

3.8

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de man afgewezen. De man had, na wijziging van zijn verzoek, verzocht te bepalen dat de door hem te betalen partneralimentatie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking:

-primair: wordt beëindigd;

-subsidiair: op nihil wordt gesteld;

-meer subsidiair: wordt gewijzigd naar een bedrag dat de rechtbank juist acht en daarbij te bepalen dat de alimentatie wordt afgebouwd en gelimiteerd tot de duur van het huwelijk;

-zowel primair, subsidiair als meer subsidiair: met ingang van 12 of 24 juli 2018, dan wel per datum indiening verzoekschrift te weten 27 november 2018.

4.2

De man verzoekt in hoger beroep om, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidende verzoek alsnog toe te wijzen, alsmede te bepalen dat de vrouw de alimentatie die vanaf de door het hof te bepalen ingangsdatum door de man is betaald, dan wel op hem is verhaald, binnen 48 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking, aan de man dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.

4.3

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man heeft primair verzocht de partneralimentatie te beëindigen. Voor zover de man daarmee heeft bedoeld te verzoeken dat zijn wettelijke verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud wordt beëindigd, heeft hij daarvoor onvoldoende gesteld.

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven en wijziging van omstandigheden.

5.2

De rechtbank heeft het beroep van de man op de wijzigingsgrond van art.1:401, lid 5 BW verworpen. Daartegen richt zich grief 1 van de man.

Hij voert in hoger beroep, kort samengevat, het volgende aan. De behoefte van de vrouw is te hoog berekend doordat enerzijds geen rekening is gehouden met de kosten van de kinderen en anderzijds geen rekening is gehouden met het eigen vermogen van de vrouw.

Voorts is uitgegaan van een te hoge draagkracht aan zijn zijde en is geen rekening gehouden met de zogeheten jusvergelijking waardoor de vrouw meer te besteden overhoudt dan hij, aldus de man.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat, voor zover al sprake is geweest van een situatie waarbij van de wettelijke maatstaven is afgeweken, partijen dit bewust hebben gedaan om verdere onzekerheid en discussie in een procedure te voorkomen.

5.3.

Het hof overweegt als volgt. Uit het convenant blijkt dat partijen door de advocaat-mediator alimentatieberekeningen hebben laten uitvoeren, en dat deze berekeningen de basis zijn geweest bij de afspraken over de partneralimentatie. In de aan het convenant gehechte alimentatieberekening is de berekeningssystematiek van het rapport alimentatienormen toegepast. Daarbij is voor het inkomen van de man uitgegaan van het gemiddelde resultaat uit onderneming (2011-2013) van € 74.000,-. Uit de berekening volgt een maximale alimentatie volgens draagkracht van € 1.844,- en een maximale alimentatie volgens jusvergelijking van

€ 1.392,-. Partijen zijn in het convenant een door de man te betalen partneralimentatie van

€ 1.844,- overeengekomen.

Het hof ziet aanleiding eerst het punt van de jusvergelijking en de premie levensverzekering te bespreken. Indien, na betaling van een bepaald bedrag aan partneralimentatie, de ‘jus’ (dat wil zeggen de vrije ruimte om te voorzien in de niet in de berekening verwerkte uitgaven en luxe uitgaven) van de onderhoudsgerechtigde groter is dan die van de onderhoudsgerechtigde, bestaat op grond van de aanbevelingen in het rapport Alimentatienormen van de gelijknamige expertgroep reden een lagere alimentatie vast te stellen, in beginsel een zodanige alimentatie waarbij partijen een gelijke vrije (bestedings)ruimte hebben. De rechter zou met toepassing van de alimentatienormen niet hebben beslist om het bedrag dat als maximale draagkracht uit de berekening volgt als alimentatie op te leggen, maar het bedrag dat uit de jusvergelijking volgt. Dat bedrag is bijna 25 % lager. (de vrouw heeft de juistheid van de jusvergelijking niet betwist). Voorts volgt uit de alimentatienormen van de expertgroep dat het redelijk is om bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen rekening te houden met verplichte aflossing van de hypotheek of met de verschuldigde premies voor een aan de hypothecaire lening gekoppelde levensverzekering. De man heeft onbetwist gesteld dat de levensverzekering (Delta Lloyd) was gekoppeld aan de hypothecaire lening voor de woning. Naar het oordeel van het hof is zeer aannemelijk dat de rechter in een bodemzaak bij het bepalen van de draagkracht met de premie levensverzekering geheel of gedeeltelijk rekening zou hebben gehouden. Het betrekken van deze – fiscaal niet aftrekbare - last in de berekening zou eveneens hebben geleid tot het opleggen van een aanmerkelijk lagere partneralimentatie.

De vraag die beantwoord moet worden is of de alimentatie die partijen hebben afgesproken in het licht van het voorgaande is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarmee wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Naar het oordeel van het hof is van die wanverhouding in deze zaak gebleken. Op beide hiervoor genoemde punten zou een rechter (zeer waarschijnlijk) anders hebben beslist. Naar het oordeel van het hof is het hieruit voortvloeiende verschil tussen hetgeen partijen zijn overeengekomen en datgene waartoe een rechter zou hebben beslist zodanig groot dat gesproken kan worden van een apert onredelijke verhouding.

Thans beoordeelt het hof of op deze punten bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de man immers in zoverre geen beroep toe op het bepaalde in artikel 1:401, lid 5 BW.

Wat de premie levensverzekering (Delta Lloyd) betreft overweegt het hof daartoe het volgende. In het convenant staat met zoveel woorden vermeld (art. 2.5) dat de levensverzekering is verpand aan de Argenta Bank. In het overgelegde verslag van het door partijen met de mediator gevoerde bemiddelingsgesprek staat, voor zover van belang, vermeld:

’Op de hypotheek wordt niet afgelost. Wel is er een levensverzekering aan de hypotheek verbonden met een premie van € 484,- per maand. De rechtbank heeft in de voorlopige voorziening met dit bedrag geen rekening gehouden. Niet helemaal terecht, denk ik, omdat deze premie gelijk wordt gesteld met aflossing (op termijn) van de hypotheek. Ik heb hem – in navolging van de keuze die de rechtbank heeft gemaakt – er buiten gelaten. Op basis van deze gegevens is de draagkracht voor de partneralimentatie € 1844 bruto per maand. (….) Maar, zoals gezegd, sommige gegevens in de alimentatieberekening zijn discutabel waardoor de alimentatie, als de rechtbank die zou moeten vaststellen, hoger of lager zal kunnen uitvallen (….) Afgesproken is dat ik de berekening aan dit verslag zal hechten, zodat u dit nog desgewenst met uw advocaat kunt bespreken,’

Partijen zijn er blijkens het hiervoor aangehaalde citaat uit het bemiddelingsgesprek op gewezen dat het niet helemaal terecht zou zijn om de premie levensverzekering die aan de hypotheek is verbonden buiten beschouwing te laten. Voorts blijkt uit de aan het convenant gehechte alimentatieberekening uitdrukkelijk het verschil tussen de maximale alimentatie volgens draagkracht (€ 1.844,-) en de maximale alimentatie volgens jusvergelijking

(€ 1.392,-). De man heeft gesteld dat hij vertrouwde op de expertise van de mediator en dat hij ervan uitging dat zij een correcte berekening gemaakt had. Zijn toenmalige advocaat heeft slechts het convenant gezien en niet de onderliggende berekening en mediationverslagen, aldus de man. Onvoldoende is echter komen vast te staan dat de man ontoereikend is voorgelicht met betrekking tot genoemde punten en de gevolgen daarvan voor de door hem te betalen alimentatie. Daarbij komt dat de man gedurende de mediation werd bijgestaan door een advocaat. De man heeft niet weersproken dat partijen de bemiddelingsverslagen en de alimentatieberekeningen voorafgaand aan het ondertekenen van het convenant hebben ontvangen. De – kennelijk – door hem gemaakte keuze om de verslagen en de berekening verder niet meer aan zijn advocaat te tonen, kan hij de vrouw thans niet tegenwerpen. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat partijen op beide genoemde punten bewust zijn afgeweken van de wettelijk maatstaven.

Hetgeen door de man is aangevoerd met betrekking tot de kosten van de meerderjarige kinderen, het vermogen van de vrouw en (toekomstige) aflossingsverplichtingen op de hypothecaire lening rechtvaardigt niet de conclusie dat ook in zoverre sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daartoe overweegt het hof als volgt:

* Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren. Zowel de man als de vrouw heeft kinderen uit een eerdere relatie. Begin 2014 waren de kinderen van de man respectievelijk 32, 29, 27 en 25 jaar oud. De kinderen van de vrouw waren respectievelijk 29 en 25 jaar oud. Noch uit de wet, noch anderszins volgt dat bij het bepalen van de behoefte van de vrouw rekening diende te worden gehouden met kosten van meerderjarige kinderen ouder dan 21 jaar. Hetgeen de man overigens heeft gesteld met betrekking tot gemaakte kosten voor één of meer van de kinderen, is onvoldoende om te concluderen dat de alimentatieafspraak van partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Dat [kind 1] en [kind 2] (beiden destijds 25 jaar oud) samenwoonden in de omgebouwde schuur op het terrein van partijen leidt niet tot een ander oordeel, mede gelet op het feit dat zij daarvoor € 600,- huur per maand betaalden en de man de stelling van de vrouw dat de kinderen allen een eigen inkomen hadden onvoldoende heeft betwist.

* Uit het als bijlage 2 bij het convenant gevoegde Opstelling Vermogen & Verdeling blijkt dat partijen zijn uitgegaan van een vermogen na scheiding aan de zijde van de man van € 145.011,- (50 % gemeenschappelijk vermogen) en aan de zijde van de vrouw van € 331.751,- (50 % gemeenschappelijk vermogen en € 186.740,- privévermogen). De door de man aan de vrouw te betalen overbedelingsvergoeding hebben partijen – bij wijze van vaststellingsovereenkomst – vastgesteld op € 40.260,-. Uit het convenant en de daarbij gevoegde alimentatieberekening blijkt dat noch bij het bepalen van de behoefte, noch bij het bepalen van de draagkracht rekening is gehouden met vermogen. Gelet op het daadwerkelijk beschikbare vermogen van partijen bij echtscheiding is dat niet onbegrijpelijk. Aan de zijde van de vrouw is in dit verband het volgende van belang. De vrouw heeft uiteengezet (verweerschrift hoger beroep nrs. 19 t/m 22 en productie 2) hoe de door haar voor en tijdens het huwelijk verkregen erfenissen en schenkingen tijdens het huwelijk van partijen zijn besteed. Daarnaast heeft zij gemotiveerd uiteengezet dat zij het bedrag van € 122.500,- dat zij in het kader van de verdeling heeft ontvangen, heeft besteed om de door haar bewoonde woning te kopen, en dat dit voornemen ook al bekend was ten tijde van de mediation. De man heeft daartegenover onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat de vrouw na de scheiding daadwerkelijk nog beschikte over een vermogen van € 331.751,- althans een zodanig (groot) vermogen dat van haar mocht worden verlangd dat zij dat geheel of ten dele zou aanwenden om in haar behoefte te voorzien.

* Dat in de draagkrachtberekening geen rekening is gehouden met (het hof begrijpt: toekomstige) maandelijkse aflossingen op de hypotheek, leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Er was (toen) immers geen sprake van een aflossingsverplichting (aflossingsvrije hypotheek). Daarbij komt dat door de man niet is gesteld met welk (toekomstig) aflossingsbedrag in de alimentatieberekening dan rekening had moeten worden gehouden.

5.4

Het voorgaande brengt het volgende mee. Met betrekking tot de beide punten waarvan vastgesteld is dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven geldt dat slechts in zoverre tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen worden overgegaan indien de man stelt, en aannemelijk wordt geoordeeld dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Met betrekking tot overige posten, feiten of omstandigheden die voor het bepalen van de verschuldigde alimentatie van belang waren en/of zijn, is niet gebleken dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Partijen zijn niet een beding als bedoeld in art. 1:159 overeengekomen.

Wijziging van omstandigheden

5.5.

De man heeft gesteld dat de omzet van zijn onderneming in de loop van 2018 drastisch is gedaald. Hij kan het inkomen waarvan in het convenant is uitgegaan sindsdien niet meer behalen (en heeft dat ook niet behaald in 2018 en 2019). Hij gaat gebukt onder de zware

alimentatielast en heeft inmiddels noodgedwongen zijn huis, dat volledig was aangepast aan de behoeften van zijn ernstig zieke vrouw, moeten verkopen.

De man heeft toegelicht dat hij zijn [bedrijf] sinds 1994 heeft en dat hij zeer lange tijd heeft gewerkt met twee man personeel. Als gevolg van de krappe arbeidsmarkt hebben echter in 2018 de twee personeelsleden ontslag genomen. De man kan sindsdien in zijn eentje bij lange na niet de omzet genereren die hij had toen de twee personeelsleden nog in dienst waren. Hij kan niet meer hetzelfde aantal manuren in een klus stoppen en ook niet dezelfde klussen doen als voorheen. Hij kan noodgedwongen geen grote klussen in onder-aanneming meer aannemen. Hij beperkt zich tot uitvoeringswerk. Het uitvoeringswerk doet hij regelmatig samen met een andere eenmanszaak, zodat hij toch ook wat grotere klussen kan aannemen. De man heeft connecties bij het Regio College en heeft met een wervingstekst op zijn bus rondgereden, maar tot nu toe is het niet gelukt nieuwe personeelsleden aan te trekken. De man wijt dit naast de arbeidsmarkt aan zijn leeftijd (hij is thans 61 jaar oud) – de perspectieven van nieuw aan te nemen personeel zijn daardoor minder aantrekkelijk – en zijn beperkte inzetbaarheid. De man is twaalf jaar geleden van een dak gevallen, en in mei 2017 zes meter diep in een trapgat gevallen, waardoor hij chronische rugklachten heeft. Hij werkt niet meer vijf dagen in de week en kan zelf niet meer de zware klussen uitvoeren, zoals hij voorheen wel deed met zijn werknemers. Als gevolg van deze omstandigheden en zijn leeftijd is hij niet meer in staat het inkomen te verdienen dat hij eerder had. Om de vaste lasten te verminderen, is hij inmiddels verhuisd naar een goedkopere woning.

5.6

Het hof overweegt als volgt. De man legt aan zijn verzoek tot wijziging van de alimentatieovereenkomst onder meer ten grondslag dat het resultaat uit onderneming aanmerkelijk is gedaald ten opzichte van het gemiddelde resultaat waarvan in het convenant is uitgegaan. Bij het bepalen van de draagkracht van de man is – wat zijn inkomsten betreft – in het convenant uitgegaan van een gemiddeld resultaat uit onderneming. Partijen zijn in dit opzicht niet afgeweken van de wettelijke maatstaven. De man kan dan ook volstaan met een beroep op de wijzigingsgrond van art. 1:401, lid 1 BW; de hiervoor onder 5.4 vermelde strenge maatstaf geldt niet.

5.7

De vrouw heeft niet betwist dat de beide personeelsleden sinds augustus 2018 niet meer in dienst zijn. Evenmin heeft zij betwist dat de omzet (dientengevolge) is verlaagd. Zij betwist echter dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.

De man had immers ten tijde van het ondertekenen van het convenant al jarenlang rugklachten, en werkte toen ook al vier dagen per week. Dat zijn omzet is verlaagd, betekent volgens de vrouw niet automatisch dat ook het inkomen van de man lager is, aangezien ook de kosten door het wegvallen van het personeel veel lager zijn. Het is reëel om uit te gaan van een omzet van € 113.280,- per jaar. Geen rekening moet worden gehouden met de posten ‘afschrijvingen’, ‘verkoopkosten’, ‘algemene kosten’ en ‘autokosten’ De gevolgen van de gewijzigde bedrijfsstructuur komen naar mening van de vrouw voor rekening en risico van de man en zijn voor herstel vatbaar. Hij kiest er zelf voor zijn bedrijf zonder personeel voort te zetten en van pogingen om nieuw personeel te werven, is niet gebleken. In de bouw is volop werk en de man kan meer verdienen dan voorheen. Met verwijzing naar ECLI:NL:GHDHA:2016:2197 stelt de vrouw dat niet is gebleken dat de man er alles aan doet om zijn verdiencapaciteit optimaal te benutten.

5.8

Voor zover de vrouw haar standpunt nog heeft willen handhaven dat de man zijn beide personeelsleden zelf heeft ontslagen, oordeelt het hof dat zij haar stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de man – zo zijn de beide opzeggingsbrieven overgelegd – niet heeft onderbouwd. Het hof acht het voorts, in het licht van de door de man gegeven uitleg, aannemelijk dat hij sinds het vertrek van het personeel zijn inkomen niet heeft kunnen herstellen en dat de aard van zijn werkzaamheden sindsdien is veranderd, doordat hij geen grote onder-aannemingsklussen meer heeft kunnen aannemen. De vrouw heeft gesteld dat de man weer personeel kan aantrekken en dat het werk van de man niet noodzakelijk hoefde te veranderen. Bovendien werkt hij voornamelijk als uitvoerder. Dat is minder zwaar, en er is werk genoeg. Het hof volgt de vrouw hierin niet. De man heeft genoegzaam toegelicht dat het bedrijf alleen andere (grotere) klussen kan aannemen als er personeel in dienst is. Thans is dat niet meer mogelijk. Niet gebleken is dat de man zich onvoldoende heeft ingespannen om nieuw personeel te werven. Zo heeft hij een jaar lang met een advertentie op zijn auto gereden en via de relevante opleidingen en zijn leermeesterschap geprobeerd aan nieuwe medewerkers te komen. Andere, grotere bedrijven zijn echter aantrekkelijker voor in aanmerking komende mensen. Zij bieden hogere salarissen en het perspectief is ook beter. De leeftijd van de man – 61 jaar – zal daaraan mede debet zijn. Voorts is uit de medische verklaring van de chiropractor van 25 juli 2018, de schriftelijke voorlichting betreffende de behandeling bij Heliomare die vanaf augustus 2019 plaatshad en de verklaring van de huisarts voldoende aannemelijk geworden dat de man door de ongelukken die hij tijdens het werk heeft gehad, lichamelijke beperkingen heeft opgelopen, die hem verhinderen om zelf nog zware klussen te verrichten. Ook zijn leeftijd, de man is 61 jaar, is in dit opzicht van belang. Niet aannemelijk is geworden dat de man zijn verlies van inkomen zelf heeft veroorzaakt of had kunnen voorkomen, zodat het hof concludeert dat hem van dat verlies geen verwijt kan worden gemaakt. Gebleken is dat de man zijn verdiencapaciteit in stand probeert te houden, onder meer door samen te werken met een andere eenmanszaak.

Al met al is voldoende komen vast te staan dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1: 401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt.

Ingangsdatum

5.9

De man verzoekt een eventuele wijziging van de partneralimentatie te laten ingaan met ingang van 12 of 24 juli 2018, dan wel per 27 november 2018. Het hof zal de ingangsdatum van een eventuele wijziging bepalen op 24 juli 2018 aangezien de toenmalige advocaat van de man de advocaat van de vrouw bij brief van 24 juli 2018 heeft aangeschreven over de onderhoudsplicht van de man. Vanaf dat moment had de vrouw rekening kunnen houden met een mogelijke wijziging van de alimentatie.

De draagkracht van de man

Periode 24 juli 2018 tot 1 januari 2019

5.10

De man heeft in 2018 met [bedrijf] nog een winst uit onderneming gerealiseerd van € 83.821,-. De twee personeelsleden zijn tot begin augustus 2018 nog in dienst geweest, en ondanks de door de man gestelde grote daling in omzet vanaf augustus 2018 is er over het gehele jaar nog een winst gerealiseerd die hoger is dan het inkomen waarvan in het convenant nog is uitgegaan. Anderzijds bestaat onvoldoende aanleiding om voor het jaar 2018 uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2016 tot en met 2018. Gebleken is dat de omzetdaling inmiddels al een aantal jaren bestaat. Het hof acht het dan ook redelijk voor de bepaling van de draagkracht in 2018 uit te gaan van het resultaat uit onderneming in dat (gehele) jaar. Bij het bepalen van de draagkracht van de man is voorts rekening gehouden met de volgende lasten en gegevens van de man:

- het eigenwoningforfait van de woning in [plaats B] (2018) van € 3.367,- + € 679 = € 4.046,;

- de aftrekbare hypotheekrente van € 7.405,-;

- de aftrekbare vergoeding wegens renteherziening hypotheek van € 16.760,-

- de aftrekbare premie lijfrenteverzekering van Aegon van € 5.811,- per jaar;

- de aftrekbare premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van TAF van € 3.883,- per jaar;

- het saldo inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 3.086,-;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

- de premie ziektekostenverzekering van € 148,- per maand;

- het verplichte eigen risico van € 385,- per jaar.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Gelet op de bewuste afwijking door partijen op het punt van de premie levensverzekering bij Delta Lloyd, zal geen rekening worden gehouden met de premie van € 318,- per maand. De man heeft in zijn draagkrachtberekening (2019) een bedrag opgenomen voor aflossing op de hypotheek van € 6.195,-. Met betrekking tot 2018 is geen draagkrachtberekening overgelegd en is (ook overigens) door de man geen aflossingsbedrag vermeld. De vrouw heeft de verplichting tot aflossing en het opgevoerde bedrag betwist. De man heeft daartegenover onvoldoende gesteld om in 2018 met een aflossingsbedrag rekening te houden.

5.11

Het hof heeft bij de vaststelling van de draagkracht, in navolging van het in art. 1.3 van het convenant bepaalde, geen rekening gehouden met de partner van de man. Aannemelijk is dat de partner (nog steeds) onvoldoende inkomsten heeft om bij te dragen in de woonlasten.

Wel heeft zij voldoende inkomsten - volgens de voorlopige aanslag 2019 IB bedragen die € 9.646,- - om haar (verdere) eigen kosten te betalen, op grond waarvan het hof bij de berekening van de draagkracht van de man, ook nog steeds in navolging van de alimentatieberekening bij het convenant, de bijstandsnorm voor een alleenstaande heeft toegepast. Het hof zal rekening houden met een draagkrachtpercentage van 60.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat de man als mantelzorger voor zijn huidige echtgenote een PGB kan aanvragen en dus via die weg inkomen kan genereren. Zij heeft echter nagelaten die stelling nader te concretiseren, hetgeen wel op haar weg lag, zodat het hof daaraan verder voorbij gaat.

Verder heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat een minimale huuropbrengst van

€ 750,- (exclusief) uit de verhuur van het bij de woning behorende appartement in een omgebouwde schuur reëel zou zijn (geweest). Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat het appartement al langere tijd wordt bewoond door [kind 2] , een zoon van de man (aanvankelijk samen met een dochter van de vrouw). Ook staat vast dat daarvoor al langere tijd – ook toen partijen nog bij elkaar waren – een huur van € 600,- in rekening wordt gebracht. De man heeft in zijn appelschrift gesteld dat de huur lager was dan de kosten, maar hij heeft dat standpunt niet nader onderbouwd. Dat lag wel op zijn weg, gelet op de verklaring van zijn advocaat op de zitting bij de rechtbank dat er € 300,- per maand overblijft (proces-verbaal terechtzitting 26 september 2019). Bij die stand van zaken zal het hof rekening houden met netto inkomsten uit verhuur tot een bedrag van € 300,- per maand.

Voorts heeft de vrouw gesteld dat de man over vermogen beschikt(e) uit de verkoop van de bedrijfshal die partijen gemeenschappelijk toebehoorde. Die bedrijfshal is op 14 december 2017 verkocht voor € 175.000,-. Na aftrek van de hypothecaire schuld van ongeveer € 90.000, en het aan de vrouw uitgekeerde bedrag van € 15.000,- resteerde voor de man een bedrag van € 70.000,- , aldus de vrouw. Het hof oordeelt als volgt. Hoewel partijen met elkaar van mening verschillen over de hoogte van het bedrag dat de man aan de verkoop van de bedrijfshal overhield (€ 36.000,- volgens de man), bestaat onvoldoende aanleiding om aan de zijde van de man rekening te houden met een zodanig vermogen, dat daarmee bij het bepalen van zijn draagkracht in 2018 rekening moet worden gehouden. In dit verband is van belang dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2018 blijkt dat de totale waarde van de (box 3) bezittingen man per 1 januari 2018 – dus kort na de levering van de bedrijfshal - € 55.794,- bedroeg.

Ten slotte heeft de vrouw aangevoerd dat de man aanspraak kan maken op een uitkering uit hoofde van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering als hij stelt beperkingen te ondervinden wegens rugklachten De man heeft daartegenover gemotiveerd uiteengezet, onder meer met verwijzing naar de acceptatiebrief van TAF van 9 juni 2013 (prod. 15 eerste aanleg), dat hij een aanvraag tot uitkering onder de polis heeft gedaan, maar dat die niet is gehonoreerd omdat de rugklachten niet onder de dekking vallen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de man geen aanspraak kan maken op inkomsten uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De stelling van de vrouw met betrekking tot het premievrij maken van de verzekering kan verder onbesproken blijven.

5.12

Het hof zal geen rekening houden met de opgevoerde schuld aan de vader van de man. De schuld bestaat volgens de man uit drie leningen bij zijn vader. De eerste is aangegaan op 21 januari 2015 in verband met een betaling aan de vrouw. Het hof gaat ervan uit dat dit de afhandeling van de scheiding en deling betreft. Het hof zal dit niet betrekken in de alimentatieberekening nu de noodzaak tot het aangaan van de lening onvoldoende is aangetoond, en evenmin (thans nog) de onvermijdelijkheid. Ook de lening betreffende de uitkoop van de vrouw bij de verkoop van de bedrijfshal van 28 november 2016, zal het hof niet meenemen omdat het hof ervan uitgaat dat daartegenover de opbrengst van de bedrijfshal staat. Ten slotte zal het hof evenmin de lening van 17 januari 2019 meenemen, nu dit de betaling van de alimentatie betreft die bij deze beschikking opnieuw berekend wordt.

5.13

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man in 2018 voldoende draagkracht om de door partijen overeengekomen partneralimentatie te betalen.

Dat sprake is van een situatie waarbij de vrouw, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afgesproken alimentatie niet langer mocht verwachten, voor zover het het buiten beschouwing laten van de premie levensverzekering (Delta Lloyd) betreft, is niet gebleken.

Hetgeen de man overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

1 januari 2019 tot 1 augustus 2019

5.14

Gelet op de hiervoor besproken omzetdaling van het bedrijf ziet het hof voor de jaren vanaf 2019 aanleiding uit te gaan van het verminderde resultaat uit onderneming (2019) en de prognose voor 2020. Het hof zal aldus uitgaan van een gemiddeld resultaat van € 42.219,-. Uit de jaarstukken 2019 blijkt een netto-omzet van € 60.559,- . Indien de man gedurende 45 weken 32 uren per week zou werken tegen een uurtarief van € 41,- per uur zou dat leiden tot een netto-omzet van € 59.040,-. In zoverre is genoemd uitgangspunt reëel.

De vrouw heeft aangevoerd dat geen rekening moet worden gehouden met de post ‘afschrijvingen’ in de jaarrekening aangezien dit slechts een fiscale aftrekpost betreft. Voorts heeft zij de posten ‘verkoopkosten’, ‘algemene kosten’ en ‘autokosten’ betwist. Het hof ziet geen aanleiding de resultaten zoals die uit de jaarstukken 2019 blijken te corrigeren, en evenmin de prognose 2020. De door de vrouw genoemde posten zijn gespecificeerd (productie 24 hoger beroep) en verder heeft de man een toelichting gegeven op de autokosten, die aannemelijk is. De post afschrijvingen heeft betrekking op gereedschappen/inventaris en vervoermiddelen. Gelet daarop, en in aanmerking nemend dat niet is gebleken dat is afgeweken van de fiscaal toegestane mogelijkheden, bestaat geen aanleiding een correctie aan te brengen.

5.15

Bij het bepalen van de draagkracht van de man tot 1 augustus 2019 heeft het hof rekening gehouden, naast een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 42.219,- met de volgende lasten en gegevens:

- huurinkomsten uit het appartement van € 300,- netto per maand;

- het eigenwoningforfait van de woning in [plaats B] van € 3.165,- + € 988 = € 4.153,-;

- de aftrekbare hypotheekrente van € 6.782,- op jaarbasis (aangifte Inkomstenbelasting 2019);

- de aftrekbare premie lijfrenteverzekering van Aegon van € 5.811,- op jaarbasis;

- de aftrekbare premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 971,- op jaarbasis (welk bedrag volgt uit de aangifte IB 2019);

- het saldo inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 1.713,-;

- de aflossing op de hypotheek van € 6.195,-, op jaarbasis;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

- de premie ziektekostenverzekering van € 151,- per maand;

- het verplichte eigen risico van € 385,- per jaar, derhalve € 32,- per maand;

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.16

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de man in staat geacht van 1 januari tot 1 augustus 2019 een bedrag van € 664,- bruto per maand aan de vrouw te voldoen.

Dat sprake is van een situatie waarbij de vrouw, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de alimentatieovereenkomst niet langer mocht verwachten, voor zover het het buiten beschouwing laten van de premie levensverzekering (Delta Lloyd) betreft, is niet gebleken.

Hetgeen de man overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Vanaf 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020

5.17

Bij het bepalen van de draagkracht vanaf 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 houdt het hof rekening met de hiervoor onder 5.14 en 5.15 vermelde gegevens, behoudens wat betreft de premie lijfrenteverzekering Aegon van € 5.811,- per jaar. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat per 1 augustus 2019 uit deze verzekering een lijfrentekapitaal van € 203.425,- beschikbaar is gekomen. De man heeft ter zitting toegelicht dat hij dit kapitaal per 1 november 2019 heeft gestort op de AanvullendPensioenSparen polis met nr. L26449619 van Nationale Nederlanden, uit te keren per 1 juli 2026. Gelet op het beschikbaar komen van het lijfrentekapitaal per 1 augustus 2019 zal vanaf die datum geen rekening meer worden gehouden met genoemde premie. Anderzijds kan er niet van worden uitgegaan dat genoemd bedrag van € 203.425,- als besteedbaar vermogen ter aflossing van de hypotheek door de man is ontvangen, zoals de vrouw lijkt te veronderstellen (verweerschrift hoger beroep nr. 40). Het betreft een lijfrentekapitaal dat, zo begrijpt het hof, als pensioenvoorziening dient als de man op 65e leeftijd stopt met werken (en niet de Delta Lloyd levensverzekering die aan de hypotheek is verbonden).

5.18

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man draagkracht voor een partneralimentatie van € 1.028,- bruto per maand.

Dat sprake is van een situatie waarbij de vrouw, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de alimentatieovereenkomst niet langer mocht verwachten, voor zover het het buiten beschouwing laten van de premie levensverzekering (Delta Lloyd) betreft, is niet gebleken.

Hetgeen de man overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Vanaf 1 februari 2020

5.19

Vanaf februari 2020 heeft de man in verband met de verhuizing naar de woning in [plaats A] andere woonlasten. Ook zijn vanaf dat moment zijn huurinkomsten uit het appartement komen te vervallen. Bij het bepalen van de draagkracht van de man wordt, naast het reeds genoemde gemiddelde bedrijfsresultaat van € 42.219,-, rekening gehouden met de navolgende lasten en gegevens:

- het eigenwoningforfait van de woning in [plaats A] van € 2.191,-;

- de aftrekbare hypotheekrente van € 1.336,- per jaar (BLG Wonen);

- de aftrekbare premie arbeidsongeschiktheidsverzekering (TAF) van € 971,- op jaarbasis (aangifte inkomstenbelasting 2019);

- het saldo inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 1.649,-;

- de aflossing op de hypotheek van € 225,- per maand (BLG wonen),

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

- de premie ziektekostenverzekering van € 167,- per maand;

- het verplichte eigen risico van € 385,- per jaar, derhalve € 32,- per maand.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de overwaarde bij verkoop van de woning van de man aan zijn dochter, maar het hof gaat daaraan voorbij. Het hof begrijpt dat de man de gerealiseerde overwaarde heeft aangewend om de bestaande hypothecaire schuld bij Argenta af te lossen. Daarmee heeft hij zijn woonlasten verlaagd (de hypothecaire schuld bedraagt thans nog maar

€ 80.956,-) . Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat de verkoopprijs van de oude woning niet reëel (het hof begrijpt: te laag) was, gaat het hof aan die stelling voorbij. De vrouw heeft haar standpunt onvoldoende onderbouwd.

5.20

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man draagkracht voor een partneralimentatie van € 1.306,- bruto per maand.

Dat sprake is van een situatie waarbij de vrouw, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de alimentatieovereenkomst niet langer mocht verwachten, voor zover het het buiten beschouwing laten van de premie levensverzekering (Delta Lloyd) betreft, is niet gebleken.

Hetgeen de man overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

5.21

Voor zover de hiervoor onder 5,13, 5.16, 5.18 en 5.20 vermelde uitkomsten al aanleiding zouden geven een jusvergelijking toe te passen, zal het hof deze gelet op de bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven door partijen op dit punt achterwege laten. De vastgestelde bedragen zijn in overeenstemming met de maximale draagkracht van de man, en niet is gebleken van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de vrouw, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, op dit punt ongewijzigde instandhouding van de alimentatieovereenkomst niet mag verwachten.

Behoefte van de vrouw

5.22

De man stelt dat ook aan de zijde van de vrouw sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, waardoor haar behoefte opnieuw moet worden beoordeeld. Na het overlijden van haar moeder zijn haar woonlasten van € 600,- per maand weggevallen en heeft zij een erfenis ontvangen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man nog aangevoerd dat de vrouw zich moet inspannen om ten minste voor een deel zelf in haar behoefte te voorzien.

De stellingen van de man falen. In de eerste plaats is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in het echtscheidingsconvenant vastgesteld op € 2.358,- netto per maand (2014). Na indexatie is dat in 2018 bij benadering (partijen hebben het bedrag niet gebruteerd) € 2.495,- netto per maand. Zelfs indien ervan uitgegaan zou worden dat de behoefte van de vrouw door het wegvallen van de huurlast met € 600,- per maand zou zijn verminderd, dan resteert nog steeds een aanvullende behoefte van € 1.895,- netto.

Met betrekking tot de gestelde erfenis heeft de vrouw gemotiveerd uiteengezet dat zij haar huidige woning eerst tijdelijk van haar moeder heeft gehuurd, omdat zij zelf niet over (voldoende) vermogen beschikte, Zij betaalde daarvoor de reeds vermelde huur van € 600,- per maand. Uit de verdeling heeft zij een bedrag van € 122.500,- ontvangen, waarmee zij de woning heeft gekocht. Haar moeder is op 11 mei 2018 overleden. Haar vermogen was zo laag dat zij geen aangifte erfbelasting hoefde te doen. De vrouw heeft ter onderbouwing daarvan in eerste aanleg een brief van de Belastingdienst van 17 augustus 2018 overgelegd. Uit het hiervoor onder 5.3 overwogene blijkt dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij na de echtscheiding niet over een zodanig vermogen beschikte dat van haar mocht worden verwacht dat zij – om (deels) in haar behoefte te voorzien – zou interen op haar vermogen. Niet is komen vast te staan dat die situatie zodanig is gewijzigd na het overlijden van haar moeder, dat het vanaf dat moment wel van haar verwacht zou mogen worden.

De vrouw heeft voorts gemotiveerd betwist dat zij nog verdiencapaciteit heeft. Zij is 61 jaar oud en vast staat dat zij sinds maart 2008 al niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. De man heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de vrouw lichamelijke beperkingen heeft: zij lijdt aan een zeldzame ziekte (polycythemia) en heeft al enige tia’s gehad. Zij heeft een verhoogd risico infecties op te lopen. Aannemelijk is dan ook geworden dat de vrouw niet tot nauwelijks verdienvermogen heeft.

De alimentatie die de man op grond van het voorgaande aan de vrouw dient te betalen overschrijdt het hiervoor vermelde bedrag van € 1.895,- netto per maand niet.

Limitering

5.23

De man heeft verzocht te bepalen dat de alimentatie wordt afgebouwd en gelimiteerd tot de duur van het huwelijk. In november 2012 is de relatie al verbroken. Hij vindt het gelet daarop onredelijk om alimentatieplichtig te zijn voor de duur van twaalf jaren. Voorts is de inkomenspositie van de vrouw op geen enkele wijze beïnvloed door het huwelijk, aldus de man.

Naar het oordeel van het hof bestaat onvoldoende grond de alimentatieduur te bekorten zoals door de man verzocht. De duur van de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is in dit geval wettelijk vastgesteld op twaalf jaren gerekend vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft onvoldoende gesteld om daarvan in dit concrete geval af te wijken. Voor een afbouw bestaat evenmin aanleiding, gelet op de leeftijd van de vrouw en de hiervoor onder 5.22 besproken (gezondheids)beperkingen voor het verrichten van betaalde arbeid.

5.24

Samenvattend dient op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, de man de navolgende uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen:

- tot 1 januari 2019 de door partijen overeengekomen alimentatie van € 1.951,29 per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 tot 1 augustus 2019 van € 664,- per maand;

- met ingang van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 van € 1.028,- per maand;

- met ingang van 1 februari 2020 van € 1.306,- per maand.

Terugbetalingsverplichting

5.25

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de alimentatie die door hem is betaald binnen 48 uur na betekening van deze beschikking aan de man dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat zij leeft van de alimentatie, deze is verbruikt en dat zij geen alimentatie kan terugbetalen.

5.26

Het hof overweegt als volgt. Van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage moet met behoedzaamheid gebruik worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde.

Het belang van de man bij terugbetaling van het door hem teveel betaalde is evident, mede gelet op de omvang van het door hem teveel betaalde bedrag. Dat is, aangenomen dat de man tot heden de verschuldigde alimentatie heeft voldaan, bij benadering € 26.000,-. Zijn spaarsaldi bedroegen per 1 januari 2019 volgens de aangifte inkomstenbelasting 2019 € 43.895,-

Daartegenover staat dat de door de man betaalde alimentatie de behoefte van de vrouw niet overschreed, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de bijdrage door de vrouw is aangewend voor haar levensonderhoud, en aldus is verbruikt. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij nog beschikte over een bedrag van € 15.000,- dat zij apart heeft gehouden om het (mogelijke) verlies aan alimentatie tot aan de AOW leeftijd te overbruggen. Daarnaast heeft zij nog € 8.000,- aan spaargeld. Zij heeft verder toegelicht dat een deel van het saldo zal moeten worden gebruikt om de belasting over de door de man betaalde achterstallige alimentatie te voldoen. Uit de door de vrouw na de zitting in hoger beroep toegezonden aangifte inkomstenbelasting 2019 blijkt dat zij op 31 december 2019 beschikte over bank- en spaartegoeden en premiedepots met een totale waarde van € 44.495,-.

De vrouw is voor haar levensonderhoud afhankelijk van de alimentatie en heeft, blijkens de door haar gegeven toelichting, nauwelijks aanvullend pensioen opgebouwd. Het hof acht het, gelet op alle omstandigheden, aanvaardbaar dat de vrouw van hetgeen de man teveel heeft betaald, een bedrag van € 3.250,- terugbetaalt op de wijze als hierna in het dictum vermeld.

Voor toewijzing van de door de man verzochte wettelijke rente bestaat geen grond.

5.27

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, en beslissen als volgt.

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

6 De beslissing

Het hof:

in hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2014 en het convenant van 17 april 2014 in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2019 tot 1 augustus 2019 op

€ 664,- (ZESHONDERDVIERENZESTIG euro) per maand, met ingang van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 op € 1.028,- (EENDUIZENDACHTENTWINTIG euro) per maand, en met ingang van 1 februari 2020 op € 1.306,- (EENDUIZENDDRIEHONDERDENZES euro) zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw, voor zover de man over de periode vanaf 1 januari 2019 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de hiervoor vastgestelde uitkering, aan de man een bedrag van € 3.250,- dient terug te betalen, uiterlijk twee maanden na deze beschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.T. Hoogland en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Baauw als griffier en is op 20 april 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.