Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1256

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.282.859/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming ex artikel 1:253a BW voor verhuizing en inschrijving op een school. De belangen van de vrouw en haar gezin, waarin het kind opgroeit, wegen zwaarder dan de belangen van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.282.859/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/681906 / FARK 20-1768

Beschikking van de meervoudige kamer van 20 april 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.M. Berendsen te Amsterdam.

Als (overige) belanghebbende is aangemerkt:

- de minderjarige [dochter] (verder te noemen: [de minderjarige] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 22 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 9 september 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 22 juli 2020.

2.2

De man heeft op 28 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vrouw van 21 januari 2021 met bijlagen, ingekomen op 25 januari 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 28 januari 2021 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 1 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw J. Ibrahim.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit de ( [in] 2016) verbroken relatie van de vrouw en de man (hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders) is [de minderjarige] geboren, [in] 2014 te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

Bij het ouderschapsplan van 15 november 2016 zijn partijen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een zorgregeling overeengekomen inhoudende dat [de minderjarige] een weekend in de veertien dagen van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur en (wekelijks) een doordeweekse dag van 18:00 uur tot 18:00 uur bij de man verblijft. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat [de minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij ieder van de ouders verblijft.

3.3

De vrouw woont samen met een nieuwe partner. Uit deze relatie is [in] 2019 te [geboorteplaats] [kind A] geboren. De vrouw en haar nieuwe partner hebben in maart 2020 een huis gekocht in [plaats B] .

3.4

De man woont eveneens samen met een nieuwe partner. Uit deze relatie is [in] 2020 te [geboorteplaats] [kind B] geboren.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen en haar in te schrijven op een (nader genoemde) basisschool in [plaats B] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank naar aanleiding van het zelfstandige verzoek van de man de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [de minderjarige] eens in de twee weken van vrijdagavond 17.30 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijft en daarnaast iedere woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat aan haar alsnog vervangende toestemming wordt verleend om met [de minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen en [de minderjarige] in te schrijven op [school 1] te [plaats B] , dan wel, indien daar geen plek is, bij de basisscholen [school 2] , [school 3] en/of [school 4] te [plaats B] .

Voor het geval de verhuizing wordt toegewezen verzoekt de vrouw een zorgregeling vast te stellen zoals genoemd in een van de opties in randnummer 148 van haar beroepschrift, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, een en ander zoals het hof het juist acht.

Voor het geval de verhuizing wordt afgewezen, verzoekt de vrouw primair te bepalen dat [de minderjarige] bij de man verblijft de ene week van vrijdagavond 17:30 uur tot maandagochtend naar school en de andere week een doordeweekse dag, en subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] bij de man verblijft een weekend per veertien dagen van vrijdagavond 17:30 uur tot zondagavond 18:00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school, alsmede de helft van alle schoolvakanties en feestdagen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en alle verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Vervangende toestemming voor verhuizing naar en inschrijving op een school in [plaats B]

5.1

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag, waaronder het onderhavige geschil over een voorgenomen verhuizing van het kind, een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter volgens vaste rechtspraak aan de hand van alle omstandigheden van het geval de belangen van de betrokkenen in aanmerking te nemen en af te wegen. Het belang van de minderjarige dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

5.2

De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoeken strekkende tot vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen en haar daar naar school te laten gaan, heeft afgewezen en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Zij heeft het recht haar leven opnieuw in te richten en de afwijzing van haar verzoeken ervaart zij als een blokkade daarvan. Zij meent dat zij de noodzaak voor de verhuizing naar [plaats B] heeft aangetoond. Zij heeft onderbouwd dat het gezin van de vrouw letterlijk uit de huidige woning is gegroeid. De kinderen worden steeds groter, er is de wens van verdere gezinsuitbreiding en er is meer werkruimte nodig, omdat meer thuis gewerkt wordt. De oppervlakte van de huidige woning is 103,57 m2 (inclusief de berging/meterkast van 3,2 m2), heeft oorspronkelijk slechts twee slaapkamers en een volledig betegeld tuintje op het noorden van 31 m2. Inmiddels is een derde slaapkamer gecreëerd. De slaapkamer van [de minderjarige] van 10 m2 fungeert tevens als logeerkamer voor de oppasoma’s, als bergruimte en als werkkamer voor de partner van de vrouw. Zowel de vrouw als haar partner werken in verband met COVID-19 zoveel mogelijk thuis, hetgeen met twee jonge kinderen in de huidige woning onhoudbaar is. De werkgever van haar partner heeft al kenbaar gemaakt dat thuiswerken waarschijnlijk permanent wordt. Mocht dit niet zo zijn, dan moet de partner naar [bedrijf] in [plaats C] reizen. Deze reis is vanuit [plaats A] lang en kent vaak vertraging. Bovendien hebben de vrouw en hij samen één auto, omdat het niet mogelijk is om meerdere parkeervergunningen aan te vragen. Omdat de vrouw voor haar werk en de kinderen de auto nodig heeft, is haar partner aangewezen op het openbaar vervoer. Naast het feit dat de huidige woning geen goede werk-/kantoorruimte heeft en erg gehorig is, is er geen ruimte voor een slaapkamer voor een derde kind of een logeerkamer voor de oppasoma’s, te weinig opbergruimte, geen bad voor de kinderen en weinig buitenruimte. De woning ligt in een drukke stedelijke omgeving, waardoor de kinderen niet zelf buiten kunnen spelen en [de minderjarige] voorlopig niet zelf op de fiets naar school of haar vader kan. De vrouw heeft samen met haar partner onderzocht of het mogelijk is om de huidige woning te vergroten en of in [plaats A] alternatieve woonruimte beschikbaar is die aan de wensen van het gezin tegemoet komen. De door de vrouw onderzochte alternatieven bleken financieel of praktisch niet haalbaar. Ruimere woningen binnen de zogenoemde ring zijn alleen te vinden in [plaats A] -Noord aan de andere kant van [de rivier] . Dit is niet op fietsafstand van [de minderjarige] ’s basisschool of de woning van de man. De alternatieven die de man in zijn verweerschrift heeft aangedragen, bieden geen passende oplossing. Huren is ook geen haalbare optie gebleken.

De woning in [plaats B] die de vrouw en haar nieuwe partner hebben gekocht, komt tegemoet aan alle wensen van het gezin. [plaats B] is goed te bereiken vanuit [plaats A] , zowel met de auto als met het OV en de afstand tot de man zou niet te groot worden. Voor de partner van de vrouw zal de reistijd naar [plaats C] verbeteren. Voor de vrouw is het een gunstige locatie, omdat veel van haar klanten en verwijzers uit het midden en oosten van het land komen. Er kan vrij geparkeerd worden. Ook aan een sociaal netwerk is in [plaats B] geen gebrek. [de minderjarige] laat geregeld blijken hoe graag zij naar het huis in [plaats B] zou willen verhuizen. De vrouw kan in het huis in [plaats B] , door het kantoor aan huis, veel meer thuis werken dan voorheen, waardoor [de minderjarige] en [kind A] hun moeder meer om zich heen zullen hebben. Beide kinderen zijn gebaat bij meer bewegingsruimte binnenshuis en buitenshuis. Het netwerk van [de minderjarige] in [plaats A] (de man, zijn partner en oma) kan in stand blijven. Ook de zorgregeling met de man kan in stand blijven. Daarbij is [de minderjarige] erg veerkrachtig. Ook in de situatie dat [de minderjarige] in [plaats B] woont, kan zij onverminderd en in dezelfde frequentie contact hebben met haar vader. De vrouw heeft de verhuizing goed doordacht en zorgvuldig voorbereid. De ouders zijn in staat tot onderlinge communicatie en overleg. Tot slot heeft de vrouw meerdere maatregelen aangeboden om de gevolgen van de verhuizing te verzachten en te compenseren, voor zover nodig. Zij is onder meer bereid om tot een (redelijke) financiële compensatie over te gaan, [de minderjarige] meer te halen en te brengen, dan wel de omgangsdagen te wisselen. Eventuele lidmaatschappen en/of hobby’s kunnen worden afgestemd, aldus de vrouw.

5.3

De man betoogt dat de rechtbank de vrouw terecht de toestemming heeft onthouden om met [de minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen en haar daar naar school te laten gaan. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De huidige woning biedt het gezin van de vrouw voldoende ruimte en een tuin, zodat er geen noodzaak is om te verhuizen. Er is bovendien genoeg alternatieve, grotere woonruimte beschikbaar in [plaats A] . Gezien de aankoopsom van de woning in [plaats B] , het feit dat de vrouw en haar partner geen overbruggingshypotheek hebben afgesloten, de huidige woning nog niet is verkocht en deze een overwaarde heeft van ten minste € 431.000, meent de man dat het voor de vrouw en haar partner mogelijk moet zijn een huis te kopen van minimaal € 1.396.000. Een dergelijk budget levert op de website van Funda 86 resultaten in [plaats A] op waarvan een groot deel binnen de ring en een aantal zelfs in de buurt van de man is gelegen. De man staat niet negatief tegenover een wisseling van basisschool binnen [plaats A] , mits deze school op fietsafstand van de woning van de man is. De vrouw heeft ook de mogelijkheid de huidige woning te verbouwen en aan te passen. De man betwist dat sprake is van een gehorige woning zoals de vrouw stelt. Verder vraagt de man zich af of de vrouw daadwerkelijk het alternatief van huren heeft onderzocht. Daar de partner van de vrouw grotendeels thuis werkt, spelen de reistijd naar [plaats C] en de noodzaak voor aanschaf van een tweede auto geen rol meer. De goede treinverbinding tussen [plaats A] en [plaats B] doet niet ter zake, nu zowel de man als de vrouw niet in de buurt van een treinstation (zullen) wonen. Verder betwist de man dat de groenere omgeving in [plaats B] in [de minderjarige] ’s belang is en dat er een sociaal netwerk in [plaats B] is waarop de vrouw kan terugvallen. De verhuizing is bovendien niet in [de minderjarige] ’s belang, omdat de huidige zorgregeling daarna niet in stand kan blijven. Anders dan de vrouw doet voorkomen, is de communicatie tussen de ouders niet heel goed. Het contact van de man met [de minderjarige] zal verminderen en verwateren en zij zal een eigen sociaal leven in [plaats B] ontwikkelen. Als hij [de minderjarige] ’s ochtends naar school moet brengen in [plaats B] , moet zij een uur eerder opstaan, en dus een uur eerder naar bed gaan en deze negativiteit zal zij associëren met het slapen bij de man. Daarnaast moet de man forse kosten maken, omdat hij in dat geval zijn auto moet parkeren bij zijn werk. De man wenst geen weekendvader te zijn en hij heeft om die reden zelf een woning dichtbij [de minderjarige] gekocht, hoewel ook hij liever in een andere buurt had gewoond. Sporten, hobby’s, speelafspraken en feestjes zullen ten koste gaan van de tijd die de man met [de minderjarige] heeft en [de minderjarige] zal daarvoor veel meer moeten reizen als zij bij de man is in het weekend. De verhuizing en het daaraan inherente verminderde contact van de man met [de minderjarige] zal leiden tot een verdere uitholling van het vaderschap en de band die de man (en zijn familie) en [de minderjarige] hebben. De man heeft het recht op een zinvolle invulling van zijn ouderrol waarin plaats is voor onverminderd contact met zijn kind, dat bovenal een recht van het kind betreft. De door de vrouw voorgestelde compenserende maatregelen zijn inadequaat en komen onvoldoende tegemoet aan de bezwaren voor [de minderjarige] en de man. De rechtbank heeft dan ook terecht het verzoek om vervangende toestemming afgewezen, aldus de man.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht het lastig te vinden in de onderhavige zaak te adviseren. De vrouw heeft reeds een woning in [plaats B] gekocht en dit zet de situatie onder druk. Een verhuizing zal hoe dan ook plaatsvinden, nu de huidige woning te klein lijkt voor het gezin.

In het algemeen geldt dat [de minderjarige] nu de meest ideale leeftijd heeft voor een verhuizing. In deze leeftijds- en ontwikkelingsfase krijgen kinderen steeds meer besef van afstanden en data. Daarnaast beschikken kinderen op deze leeftijd – qua sociaal-emotionele ontwikkeling – over voldoende veerkracht om met een verhuizing om te gaan. Duidelijk is dat [de minderjarige] zich bij beide ouders thuis voelt. De fysieke afstand doet iets met de perceptie, maar de raad ziet in de afstand in deze zaak niet direct een contra-indicatie voor een verhuizing. De raad heeft begrip voor de wens van de man dat [de minderjarige] per fiets van de ene ouder naar de andere ouder kan gaan. In het geval van een verhuizing zal zij wellicht meer gebruik gaan maken van het openbaar vervoer. [de minderjarige] zal hoe dan ook bij één van haar ouders een groter netwerk opbouwen. Positief is dat beide ouders zich inzetten voor de zorgregeling en elkaar het contact met [de minderjarige] gunnen. Dat geeft de raad het vertrouwen dat ook bij een verhuizing de band met de man in stand blijft. De raad ziet dan ook geen ontwikkelingsbedreiging aan de zijde van [de minderjarige] in het geval van een verhuizing. Al met al kan niet worden gezegd dat het niet in haar belang zou zijn om te verhuizen, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

De man neemt inmiddels een substantieel deel van de verzorging van [de minderjarige] op zich, maar de vrouw is sinds [de minderjarige] ’s geboorte haar hoofdverzorger en [de minderjarige] heeft haar hoofverblijf steeds bij de vrouw gehad. Zoals de vrouw heeft gesteld, heeft zij in beginsel het recht om na de relatiebreuk haar leven met [de minderjarige] in te richten op een manier die haar goed lijkt. Daaronder valt ook de vrijheid om met [de minderjarige] op een andere plek te gaan wonen Wel is het zo dat naarmate de man daardoor meer wordt beperkt in de invulling van zijn leven met [de minderjarige] , er meer reden moet zijn om die verandering van woonomgeving te rechtvaardigen.

De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar huidige woning te klein is geworden voor haar gezin. Zij heeft met stukken onderbouwd dat deze woning een woonoppervlakte van circa 103 m2 en een betegelde buitenruimte van circa 31 m2 heeft. Anders dan de man ziet het hof geen reden om hieraan te twijfelen. In 2017 is haar partner bij de vrouw ingetrokken, in 2019 is haar tweede dochter [kind A] geboren en zij hoopt in de nabije toekomst een derde kind te mogen verwelkomen. De uitbraak van het virus COVID-19 heeft de huisvestingssituatie nijpender gemaakt, nu zij en haar partner genoodzaakt zijn thuis te werken en in de woning twee werkplekken gecreëerd moesten worden. Met de vrouw gaat het hof ervan uit dat thuiswerken ook na de pandemie steeds meer de norm zal zijn, zoals ook de werkgever van de partner van de vrouw in een overgelegde e-mail heeft bevestigd. Het hof is dan ook van oordeel dat de noodzaak om te verhuizen voldoende is komen vast te staan. De vraag is of naar de reeds aangekochte woning in [plaats B] verhuisd moet worden.

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat een groenere, minder stedelijke, woonomgeving, met meer ruimte in en om de woning in het belang van haarzelf, haar partner en van [de minderjarige] en [kind A] is. Een dergelijke woonomgeving is naar valt aan te nemen niet op fietsafstand van de man in [plaats A] te vinden. Mede gelet op de huidige krapte op de woningmarkt is aannemelijk dat een ruimere woning in [plaats A] slechts met veel moeite te vinden is en een ruimere woning met tuin en groen eromheen is nog zeldzamer. Nog daargelaten de vraag of een dergelijke woning op korte afstand van de man zal zijn. De vrouw heeft onderbouwd dat zij voor het bedrag dat zij heeft besteed aan de woning in [plaats B] , geen ruimere (vergelijkbare) woning in [plaats A] heeft kunnen vinden. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de vrouw en haar partner over een aankoopbudget van minimaal € 1.396.000,- (hebben) kunnen beschikken. De vrouw heeft een e-mail van haar financieel adviseur in het geding gebracht, waarin te lezen valt dat een aankoopbedrag van € 1.200.000,- het maximaal verantwoord te besteden bedrag (het hof begrijpt: inclusief kosten) is. Mede gelet op de gegeven toelichting dat het noodzakelijk is om een deel van de overwaarde van de woning in [plaats A] te reserveren voor een – op dit moment gebrekkige – pensioenvoorziening acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat het aankoopbedrag van de woning in [plaats B] (€ 965.000,- exclusief kosten) tegen de grenzen van een verantwoord budget van de vrouw en haar partner aanloopt.

Als de vrouw niet naar [plaats B] mag verhuizen met [de minderjarige] , wordt ook haar partner gedwongen in [plaats A] te blijven, terwijl hij weg wil uit deze stad. Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat voor de vrouw een zekere noodzaak bestaat om te verhuizen naar [plaats B] , nu met de woning in [plaats B] aan al haar woonwensen en die van haar gezin wordt voldaan Het belang van de vrouw om met [de minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen, is dan ook zonder meer zwaarwegend.

5.6

Tegenover dit belang van de vrouw en haar gezin staan echter belangen, die eveneens zwaar wegen. Dat is het belang van de man en [de minderjarige] om de omgang die zij met elkaar hebben – thans een weekend per twee weken van vrijdag 17:30 uur tot maandag naar school en elke woensdag uit school tot donderdag naar school – te kunnen voortzetten. Bovendien heeft de man belang erbij [de minderjarige] in zijn directe omgeving te zien opgroeien en op een natuurlijke en makkelijke manier contact met haar te kunnen onderhouden. En ook [de minderjarige] heeft belang erbij om in de omgeving van haar vader te kunnen opgroeien en daar door hem te worden begeleid. Een verhuizing naar [plaats B] zal op deze belangen inbreuk maken.

5.7

Bij de afweging van alle genoemde belangen is voor het hof relevant of en hoe de man, in geval van een verhuizing van [de minderjarige] naar [plaats B] , betrokken kan blijven bij haar verzorging en opvoeding. Met de raad is het hof van oordeel dat een verhuizing van [de minderjarige] naar [plaats B] een goed contact met de man niet in de weg hoeft te staan en dat zijn betrokkenheid in het leven van [de minderjarige] ook na de verhuizing voldoende is gewaarborgd. De reistijd van ongeveer 40 minuten per auto hoeft geen onoverkomelijke belemmering te zijn bij de uitvoering van de huidige zorgregeling. Bovendien heeft de vrouw aangegeven bereid te zijn de man tegemoet te komen bij het halen en het brengen van [de minderjarige] . Op dit moment beoefent [de minderjarige] nog geen sport of hobby, zodat de ouders bij het uitkiezen van een sport of hobby rekening kunnen houden met de bestaande zorgregeling. Zo heeft de vrouw geopperd dat [de minderjarige] kan paardrijden bij de manege in het Amsterdamse Bos.

De door de man uitgesproken verwachting dat hij op den duur minder bij [de minderjarige] betrokken zal raken en dat hem en [de minderjarige] spontane contactmomenten worden ontnomen, acht het hof onvoldoende overtuigend. Zoals de raad ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, is het immers niet ongewoon dat een kind na een scheiding een groter sociaal netwerk bij de ene dan bij de andere ouder heeft. Dit hoeft nog niet te betekenen dat daarmee het belang van het kind en/of de band tussen kind en uitwonende ouder worden geschaad. Veeleer is voor het kind en de band met de uitwonende ouder van belang dat beide ouders elkaar de band met het kind gunnen. [de minderjarige] heeft een goede band met haar vader en dat hoeft door de verhuizing niet anders te worden, zeker nu de zorgregeling goed loopt en deze door de verhuizing niet ernstig belemmerd zal worden. Het hof acht het invoelbaar dat de man de voorkeur geeft aan één leefomgeving voor [de minderjarige] met beide ouders op fietsafstand, maar zoals is overwogen, is dit voor het gezin van de vrouw waarin [de minderjarige] opgroeit niet langer haalbaar.

Ten slotte is voor het oordeel van het hof van belang dat niet gesteld of gebleken dat een verhuizing naar [plaats B] zorgen doet ontstaan met betrekking tot de ontwikkeling van [de minderjarige] of dat de verhuizing anderszins niet in haar belang is.

5.8

Alles tegen elkaar afwegend komt het hof tot de conclusie dat de belangen van de vrouw en haar gezin, waarin [de minderjarige] opgroeit, zwaarder moeten wegen dan de belangen van de man zodat aan de vrouw vervangende toestemming zal worden verleend om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats B] en [de minderjarige] daar in te schrijven op een basisschool. De vrouw heeft als productie 38 een e-mail in het geding gebracht waaruit blijkt dat op [school 3] te [plaats B] een plek beschikbaar is voor zowel [de minderjarige] als [kind A] . De man heeft zich in de procedure niet verzet tegen deze keuze als zodanig. Het hof zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.

Zorgregeling

5.9

De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte, althans niet of onvoldoende gemotiveerd, de door de man in eerste aanleg verzochte zorgregeling heeft toegewezen, inhoudende dat [de minderjarige] eens in de twee weken van vrijdagavond 17:30 uur tot maandagochtend naar school bij de man verblijft en daarnaast iedere woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school, alsmede de helft van alle schoolvakanties en feestdagen. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de gelijke verdeling van de vakanties.

De man had al wekelijks een doordeweekse dag met [de minderjarige] . Partijen hebben, om de wisselingen te beperken, de doordeweekse dag om de week aan het weekend geplakt. In de andere week was [de minderjarige] van dinsdagavond tot woensdagochtend bij de man.

Aan de door de rechtbank vastgestelde regeling kleven praktische bezwaren. De vrouw wenst het aantal wisselmomenten te beperken. Juist de vorige regeling zorgde voor rust en stabiliteit. Zij heeft geen bezwaar tegen uitbreiding van de regeling zoals die bestond, maar de nieuwe regeling is te belastend voor [de minderjarige] , aldus de vrouw

5.10

De man betwist dat [de minderjarige] last heeft van de wisselingen tussen de ouders. Als er al sprake zou zijn van onrust, dan is dat volgens de man waarschijnlijk een kwestie van gewenning. Het wekelijkse verblijf op woensdagmiddag tot donderdagochtend geeft [de minderjarige] juist duidelijkheid en voorspelbaarheid. De man ziet dan ook niets in het verzoek van de vrouw om de zorgregeling weer te wijzigen. De man betwist dat zijn partner op de woensdagen de zorg voor [de minderjarige] op zich neemt. Hij is degene die [de minderjarige] uit school ophaalt, met haar luncht en haar vervolgens naar zwemles brengt. Alle praktische oplossingen die de vrouw voorstelt, zijn een aanzienlijke vermindering van de uren die hij nu met [de minderjarige] heeft, aldus de man.

5.11

Het hof is van oordeel dat, nu [de minderjarige] binnen afzienbare tijd zal verhuizen naar [plaats B] , de zorgregeling in haar belang wijziging behoeft. Partijen geven op dit moment uitvoering aan de door de rechtbank vastgestelde regeling en deze regeling kan in beginsel worden voortgezet na de verhuizing. De man heeft echter ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat in het geval van verhuizing een doordeweeks verblijf vanwege de reistijd naar school praktisch niet uitvoerbaar althans niet wenselijk is. De vrouw heeft daarop voorgesteld dat de man [de minderjarige] iedere vrijdag uit school ophaalt en dat zij de ene week tot vrijdagavond of zaterdagochtend bij de man verblijft en de andere week tot zondagavond bij hem verblijft.

Met de rechtbank acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat zij regelmatig en substantieel contact heeft met haar vader en dat een vaste middag tot de daaropvolgende ochtend daarbij past. Volgens de vrouw heeft [de minderjarige] in [plaats B] op de vrijdagen een korte schooldag (tot 12.00 uur). Teneinde de wisselmomenten voor [de minderjarige] te beperken, en aangezien de man geen bezwaren naar voren heeft gebracht tegen een omgangscontact op de vrijdag, zal het hof de door de rechtbank vastgestelde regeling aanpassen. Het hof volgt de vrouw niet in haar voorstel de door het hof vast te stellen regeling te laten eindigen op zondagavond, nu dit een beperking oplevert van de omvang van de zorgregeling en dat is niet zonder meer in [de minderjarige] ’s belang. Het hof zal dan ook bepalen dat [de minderjarige] de ene week van vrijdag uit school tot zaterdagochtend en de andere week van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijft. Mochten partijen het niet wenselijk vinden dat [de minderjarige] op de maandagochtend vanuit [plaats A] naar school wordt gebracht, dan staat het hun vrij [de minderjarige] op zondagavond terug naar [plaats B] te laten gaan.

Tussen partijen bestaat geen geschil over de verdeling van de vakanties bij helfte.

5.12

Het voorgaande leidt de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2020 en opnieuw rechtdoende:

verleent de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] naar [plaats B] ;

verleent de vrouw vervangende toestemming tot inschrijving van [de minderjarige] op de basisschool [school 3] in [plaats B] , althans [school 1] te [plaats B] , [school 2] te [plaats B] dan wel [school 4] te [plaats B] ;

bepaalt, met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 15 november 2016 in zoverre, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vrouw en de man aldus dat [de minderjarige] bij de man verblijft:

- de ene week van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school;

- de andere week van vrijdag uit school tot zaterdagochtend;

- gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. L.M. Coenraad, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 20 april 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.