Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1251

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
23-003908-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepteelt, diefstal van elektriciteit, het veroorzaken van een stoornis in het elektriciteitswerk waardoor gevaar is ontstaan en het toebrengen van beschadigingen aan een huurwoning. Rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003908-18

datum uitspraak: 3 mei 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-701705-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 05 april 2013 te Amsterdam (in perceel [adres 2]), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1089, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 05 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen circa 21.042 kWh, in elk geval een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door de zegels van de hoofdaansluitkast en/of de railkast te verbreken, in elk geval door middel van braak en/of verbreking;

3.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 05 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig elektriciteitswerk heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk heeft veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door

-de zegels van de hoofdaansluitingskast te verbreken en/of

-de zegels van de (naast de hoofdaansluitingskast gemonteerde) railkast te verbreken en/of

-(in de railkast) een illegale elektriciteitsaansluiting te maken en/of

-deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om te laten lopen en/of,

-niet te voldoen de veiligheidsmaatregelen die gelden voor buigzame leidingen, waarbij verhindering of bemoeilijking van stroomlevering ten algemenen nutte is ontstaan en/of waarvan gemeen gevaar voor goederen (brandgevaar) te duchten is en/of waarvan levensgevaar voor een ander (brandgevaar en/of elektrocutie) te duchten is;

4.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2012 tot en met 05 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

-de wanden en/of,

-de plafonds en/of,

-de deuren en/of,

-de vloerafwerking en/of,

-de vitrages,

van/behorende bij, de (huur)woning gelegen aan [adres 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [BV] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een hennepplantage in voornoemde woning in te (laten) richten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat de hennepkwekerij niet van de verdachte was en hij in het pand slechts bouwwerkzaamheden heeft verricht. Er is geen steunbewijs voor de verklaring van [getuige] dat de verdachte bij de huur van de woning betrokken was. Dat [getuige] de verdachte heeft aangewezen, lijkt het gevolg te zijn van sturende vragen door de politie. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens de terechtzitting in hoger beroep, dient als uitgangspunt te worden genomen. Op grond daarvan kan enkel het aanwezig hebben van de hennepplanten worden bewezen. Voor de feiten 2, 3 en 4 bestaat onvoldoende bewijs. Uit het dossier blijkt immers niet welke concrete materiële bijdrage de verdachte aan die feiten zou hebben geleverd.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Feit 1 (hennepteelt)

Uit het dossier komt naar voren dat [getuige] in november 2012 een huurovereenkomst met [BV] B.V. heeft gesloten ten behoeve van de huurwoning aan [adres 2] in Amsterdam, met als aanvangsdatum 1 december 2012. Op 5 april 2013 zijn in de woning 1.089 hennepplanten aangetroffen. [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij de woning onderverhuurde aan de verdachte, waarvoor hij een vergoeding ontving. Het hof ziet geen redenen om aan deze verklaring te twijfelen. Dat [getuige] door sturende vragen van de politie de verdachte heeft aangewezen, valt niet uit de verklaringen af te leiden en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dat de verdachte de feitelijke onderhuurder van de woning was, vindt steun in de omstandigheden dat de verdachte meermalen bij de woning is gezien door buurtbewoners. Dat de verdachte ook daadwerkelijk betrokken was bij de aangetroffen hennepkwekerij, blijkt uit zijn eigen verklaring dat hij een (houten) constructie voor de hennepkwekerij in de woning heeft gebouwd en “wel iets aan de elektriciteit heeft gedaan”, hij de sleutels van de woning in zijn bezit had en de aangetroffen hennepknippers hebben verklaard dat zij door de verdachte zijn ingeschakeld. Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat de verdachte moet worden beschouwd als de teler van de hennepkwekerij.

Feit 2 (diefstal elektriciteit)

De fraudespecialist van Liander N.V. heeft waargenomen dat de zegels van de hoofdaansluitkast en de daarnaast gemonteerde railkast waren verbroken. In de railkast bleek een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepkwekerij. Op die wijze werd de kwekerij voorzien van elektriciteit. Het kan niet anders dan dat de verdachte, zijnde de bouwer van de kwekerij en de teler van de hennep, tevens verantwoordelijk was voor het aanleggen en/of gebruiken van de illegale elektriciteitstoevoer en daarmee van de diefstal van elektriciteit. In deze lijn ligt ook voornoemde verklaring van de verdachte iets met de stroom te hebben gedaan. Dat de verdachte in hoger beroep heeft verklaard dat hij “slechts” kabels aan apparatuur heeft vastgemaakt en niet wist van de illegale elektriciteitsaansluiting, acht het hof niet geloofwaardig.

Feit 3 (stoornis elektriciteitswerk waardoor gevaar is ontstaan)

Een elektrische installatie dient te voldoen aan minimumvoorschriften om de algemene veiligheid te waarborgen. De fraudespecialist van Liander N.V. heeft geconstateerd dat de elektrische installatie van de hennepkwekerij, geheel bestaande uit niet-toegestane buigzame leidingen, niet aan deze minimale eisen voldeed. Ten gevolge daarvan was gevaar voor goederen (brandgevaar) en levensgevaar voor anderen (brandgevaar en elektrocutiegevaar) te duchten. Nu verdachte, als hiervoor overwogen, voor de aansluiting verantwoordelijk kan worden gehouden, acht het hof ook dit feit bewezen.

Feit 4 (vernieling)

De woning aan de [adres 2] is gestoffeerd opgeleverd aan [getuige]. Na het aantreffen en ontruimen van de hennepkwekerij bleken de wanden, plafonds, deuren, vloerafwerking en vitrages van de woning te zijn beschadigd. Nu de verdachte de persoon is geweest die in de huurwoning naar eigen zeggen kluswerkzaamheden heeft verricht en als teler van de hennep wordt aangemerkt, is bewezen dat hij de beschadigingen heeft verricht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam, in perceel [adres 2], opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van in totaal 1.089 hennepplanten.


2.
hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen circa 21.042 kWh, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door de zegels van de hoofdaansluitkast en de railkast te verbreken;

3.
hij in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam opzettelijk enig elektriciteitswerk heeft beschadigd en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk heeft veroorzaakt en een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door

-de zegels van de hoofdaansluitingskast te verbreken en

-de zegels van de naast de hoofdaansluitingskast gemonteerde railkast te verbreken en

-in de railkast een illegale elektriciteitsaansluiting te maken en

-deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om te laten lopen en

-niet te voldoen aan de veiligheidsmaatregelen die gelden voor buigzame leidingen, waarbij verhindering van stroomlevering ten algemenen nutte is ontstaan en waarvan gemeen gevaar voor goederen (brandgevaar) te duchten is en waarvan levensgevaar voor een ander (brandgevaar en/of elektrocutie) te duchten is;

4.
hij in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk

-de wanden en

-de plafonds en

-de deuren en

-de vloerafwerking en

-de vitrages,

behorende bij de huurwoning gelegen aan [adres 2], toebehorende aan [BV] B.V., heeft beschadigd door een hennepplantage in voornoemde woning in te richten.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een elektriciteitswerk beschadigen en/of stoornis in de gang of in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman heeft primair verzocht om geen straf of maatregel op te leggen, althans toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, omdat het nut van strafoplegging voor de feiten, die dateren van 2012 en 2013, niet meer bestaat. Subsidiair bepleit hij om geen hogere straf op te leggen dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van een zeer aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten. Mede gelet op de hoeveelheid planten heeft de verdachte daarbij kennelijk gehandeld uit financieel gewin. Het gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en leidt vaak tot verschillende vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij, waarbij een brandgevaarlijke situatie is ontstaan, en aan beschadiging van de huurwoning waarin de kwekerij was opgezet. Door zo te handelen heeft de verdachte de netbeheerder en de verhuurder van het pand benadeeld.

Het hof is van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten. Daarbij is van belang dat de hennepkwekerij was gevestigd in een woonwijk en door manipulatie van de stroomvoorziening een levensgevaarlijke situatie voor anderen was ontstaan. Het hof heeft voorts daarbij gelet op de straffen die voor dergelijke feiten door rechters worden opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden. Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de straf rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, terwijl die overschrijding niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Om die reden zal het hof de op te leggen taakstraf matigen tot de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Hoewel de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de onderhavige feiten en omstandigheden niet kan worden volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij Liander N.V. (t.a.v. Mw. [naam 1])

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.234,24. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de volledige vordering wordt toegewezen.

De raadsman heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De volmacht die door Liander N.V. aan de heer [naam 2] (verder: [naam 2]) zou zijn verleend voor het voeren van een schadevergoedingsprocedure namens Liander N.V. is niet volledig ingevuld. Daarnaast is het de vraag of het voeren van procedures onder een dergelijke volmacht valt.

Het hof overweegt dat Liander N.V. op 29 november 2010 een volmacht aan [naam 2] heeft verleend om Liander N.V. te vertegenwoordigen inzake handelingen op het gebied van incasso van te vorderen bedragen ten gevolge van energiefraude. Het formulier inhoudende de vordering tot schadevergoeding is ondertekend door [naam 2]. Het hof gaat er van uit dat [naam 2] dezelfde persoon is als de gevolmachtigde [naam 2], mede gelet op de handtekening waarin ‘[naam 2]’ is te lezen. Het feit dat zijn naam niet vermeld is onder het kopje ‘Gemachtigde’ of ‘Machtiging’ in het schadevergoedingsformulier doet hier niet aan af.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2, 3, 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe dat uit de brief ‘aansprakelijkstelling Energie Fraude’, in samenhang met de aangifte met bijlagen van Liander N.V. van 16 april 2013, voldoende is gebleken welke kosten gemaakt zijn voor het uit te voeren onderzoek naar de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 161bis, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Liander N.V. (t.a.v. Mw. [naam 1])

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Liander N.V. (t.a.v. Mw. [naam 1]) ter zake van het onder 2, 3, 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.234,24 (drieduizend tweehonderdvierendertig euro en vierentwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Liander N.V. (t.a.v. Mw. [naam 1]), ter zake van het onder 2, 3, 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.234,24 (drieduizend tweehonderdvierendertig euro en vierentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 december 2012.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.L.M. van der Voet en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 mei 2021.

=========================================================================

[…]