Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1214

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
23-004284-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Biodiesel, witwassen. De verdachte heeft het plegen van een grootschalige beleggingsfraude door onder meer haar echtgenoot mede mogelijk gemaakt. Dit in het volle besef dat haar man zowel zakelijk als privé failliet was verklaard. Daardoor heeft zij ook geweten dat op die manier ook alle financiële middelen waarover ze de beschikking hadden en kregen buiten het zicht van de curator en de schuldeisers in de faillissementen bleven. De beleggers in dit illusoire project zijn hun geld kwijt geraakt en er lijkt niets van over te zijn. Haar echtgenoot en de verdachte hebben van de door beleggers ingelegde gelden bijna anderhalf miljoen euro ontvangen en daarvan – ruim – geleefd. Dat laatste is het strafrechtelijke verwijt dat haar in deze wordt gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004284-18

Datum uitspraak: 29 april 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer

15-996503-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1943,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

15 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 5 maart 2012 te Haarlem en/of Heerhugowaard en/of (elders) in Nederland, en/of te Brasschaat en/of Wuustwezel en/of (elders) in België, en/of te Enns en/of (elders) in Oostenrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, van één of meerdere voorwerpen, te weten:

één of meer geldbedragen van in totaal 1.408.739,84 euro (SFO OR V-001 en V-003), althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) was en/of voornoemd(e) voorwerp(en) voorhanden had, en/of

voornoemd(e) voorwerp(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van voornoemd(e) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, dan wel (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren) en/of geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

A. Afkomstig van enig misdrijf

Standpunt Openbaar Ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Zo had de verdachte, vanwege haar werkervaring bij de Rabobank op de dealing- en emissieafdeling, ruime ervaring op het gebied van financiële aangelegenheden, heeft zij actief bijgedragen aan het wegmaken van verhaalsmogelijkheden en heeft de verdachte bewust ‘weggekeken’. Het openbaar ministerie kan zich derhalve vinden in de bewezenverklaring van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van het openbaar ministerie weersproken: de verdachte behoefde juist niet redelijkerwijs te vermoeden dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. De verdachte had geen directe relatie met het [project] en had daardoor ook geen inhoudelijke kennis over het project. Bovendien heeft haar echtgenoot en medeverdachte, [medeverdachte 1] , verklaard dat de verdachte alleen stukken ondertekende.

Beoordeling

Het hof zal allereerst ingaan op de vraag uit welk voorafgaand misdrijf de geldbedragen afkomstig zijn. De rechtbank heeft overwogen dat het voorafgaande misdrijf de verduistering van geldbedragen door [medeverdachte 1] betreft. Het hof volgt de rechtbank daarin niet en overweegt daartoe als volgt.

Op 4 mei 2010 heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van mogelijk gepleegde strafbare feiten.1 Als bijlage is gevoegd een onderzoeksrapport.2 In het onderzoeksrapport zijn de bevindingen vastgelegd aan de hand van door de vennootschap [Vennootschap 1] B.V. ( [Vennootschap 1] ) overgelegde gegevens, door derden overgelegde gegevens, en openbare gegevens. 3

De bevindingen van de AFM zijn in de onderhavige zaak niet in geschil en dienen derhalve het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.

Het prospectus

[Vennootschap 1] heeft vanaf 1 maart 2007 obligaties uitgegeven ter financiering van de bouw en exploitatie van een oliemolen en [Vennootschap 1] productiefabriek in Enns (Ennshafen) aan de Donau in Oostenrijk.4 [Vennootschap 1] geeft in het begeleidende "Prospectus [Vennootschap 1] Ennshafen Oostenrijk" (het prospectus) aan dat voor de financiering van de [Vennootschap 1] een bedrag van € 72 miljoen nodig is. Het bedrag van € 72 miljoen zou worden verkregen uit overheidssubsidies en -kredieten (€ 12,5 miljoen), inbreng aandelenkapitaal door [Vennootschap 1] (€ 1 miljoen), inbreng kapitaal obligatiehouders (€ 6 miljoen) en een hypothecaire lening van [SA 1] S.A. ( [SA 1] ) (€ 52,5 miljoen).5 In het prospectus is vermeld dat een offerte van [SA 1] voor een hypothecaire lening is verkregen. De voorwaarden van deze financiering zouden definitief zijn, aldus het prospectus.6

In het prospectus is op pagina 18 beschreven dat het initiatief van het project afkomstig is van "de bij de vennootschap betrokken Partners". Hoofdstuk 6.2. beschrijft de vennootschap [Vennootschap 1] en toont dat er drie aandeelhouders zijn:

  1. [Vennootschap 2] N.V. ( [Vennootschap 2] ), een vennootschap opgericht naar Belgisch recht, gevestigd te Brasschaat België, vertegenwoordigd door de verdachte;

  2. [Vennootschap 3] B.V ( [Vennootschap 3] ), gevestigd te Haarlem, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht, vertegenwoordigd door de medeverdachte en stiefzoon van de verdachte, [medeverdachte 2] ;

  3. [Vennootschap 4] B.V. ( [Vennootschap 4] ), een vennootschap opgericht naar Nederlands recht, gevestigd te Heerhugowaard, vertegenwoordigd door de medeverdachte [medeverdachte 3] .7

[Vennootschap 1] heeft de AFM een afschrift verstrekt van een Aanvulling op de Aandeelhouders–overeenkomst (Aanvulling) inzake [Vennootschap 1] B.V. tussen [Vennootschap 3] en [Vennootschap 2] , zoals afgesloten op 15 december 2007. In de Aanvulling is opgenomen dat door de aandeelhouders is besloten dat "gezien deze hernieuwde taakverdeling de vergoedingen in voorschotten door genoemde maatschappij(en) of door hen nader te noemen gelieerde maatschappen mogen worden gefactureerd vanaf februari 2007." Het document is op 31 januari 2008 getekend door de medeverdachte [medeverdachte 2] namens [Vennootschap 3] Investment, [Vennootschap 1] en [bedrijf 1] en door de medeverdachte [medeverdachte 1] , als bestuurder van [Vennootschap 2] .8

Op de website van [Vennootschap 1] , [website 1] , is in het onderdeel 'Het Project team [Vennootschap 1] B.V.' over de initiatiefnemers het volgende vermeld: "De heren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de initiatiefnemers en "trekkers" van het gehele [Vennootschap 1] Project in Oostenrijk." In het prospectus wordt verder vermeld dat [Vennootschap 1] een procedure voor het verkrijgen van de overheidskredieten en subsidies is gestart, "maar het is nog niet bekend of deze daadwerkelijk zullen worden verkregen. Als de verwachten subsidies en laagrentende overheidskredieten niet of gedeeltelijk worden verstrekt, zal het verschil worden gefinancierd door [SA 1] S.A.". [Vennootschap 1] heeft de AFM op geen enkel moment – daarnaar gevraagd – documenten verstrekt die zulks konden bevestigen.9

In de nieuwsbrief aan de obligatiehouders van 26 september 2008 vermeldt [Vennootschap 1] dat een definitieve koopovereenkomst voor een stuk grond, bedoeld voor de bouw van de [Vennootschap 1] , op

15 september 2008 is ondertekend. Later verzuimt [Vennootschap 1] de obligatiehouders mee te delen dat de grondovereenkomst inmiddels in 2009 was ontbonden.10

Op pagina 13 van het prospectus is onder 'De financiering in het project' vermeld: "Gestreefd wordt dat door middel van de Emissie een bedrag van EUR 6.000.000 wordt bijeengebracht. Deze opbrengst zal tezamen met de investering van [BV 1] van EUR 1.000.000 door de Vennootschap als kapitaal worden gestort in [gmbh] GmbH. In totaal wordt EUR 7.000.000 als kapitaal gestort in [gmbh] GmbH"11. Genoemde [BV 1] heeft hierover echter te kennen gegeven dat hij ‘die mensen’ – het hof begrijpt: de medeverdachten [medeverdachte 1] – weliswaar kent, maar niets heeft geïnvesteerd.12

Op pagina 50 en 51 van het prospectus zijn de 'betrokken partijen' vermeld. Blijkens het prospectus is één van de betrokken partijen [BV 2] B.V. ( [BV 2] ) Op 23 oktober 2008 heeft [BV 2] echter een brief naar [Vennootschap 1] verstuurd waarin wordt geschreven dat de vermelding onjuist en misleidend is richting de lezers van de website en onrechtmatig is jegens [BV 2] .13

Bij brief van 5 juni 2009 zijn de inschrijfformulieren voor de obligatieklassen I tot en met IV aan de AFM gestuurd. In de inschrijfformulieren van voornoemde obligatieklassen is onder meer vermeld dat de beleggers, door ondertekening van het inschrijfformulier, kennis hebben genomen van en in hebben gestemd met de volledige inhoud van het prospectus [Vennootschap 1] , gedateerd 1 maart 2007 (…)14.

Juistheid van de inhoud van het prospectus

De obligatiehouders mochten uitgaan van de juistheid van alle gegevens in het prospectus. Uit vorengaande feiten en het hierna volgende volgt echter dat het prospectus valselijk is opgemaakt door onjuiste informatie in het prospectus op te nemen. [Vennootschap 1] heeft onder meer met behulp van het prospectus potentiële obligatiehouders weten te interesseren en hen bewogen tot de aanschaf van obligaties. Door ondertekening van de inschrijfformulieren hebben de obligatiehouders verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de volledige inhoud van het prospectus.

In het prospectus staat als belangrijkste financier van het [project] [SA 1] genoemd als "Luxemburgse venture capitalist". Uit het ingestelde onderzoek volgt dat [SA 1] feitelijk een Luxemburgse rechtspersoon betrof die werd aangekocht door de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op of rond 24 november 2006 en vervolgens door hen gebruikt werd in een constructie met [SA 2] S.A. uit Luxemburg, alsof het een derde partij was die het [project] mede zou financieren. Met deze constructie werd door de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , in onderlinge samenwerking, opzettelijk, de indruk gewekt dat [SA 1] een Luxemburgse investeerder betrof die bereid zou zijn een bedrag van € 52,5 miljoen te investeren. Nadat de samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte 3] werd beëindigd, op of omstreeks 8 augustus 2007, hebben medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deze constructie naar het zich laat aanzien voortgezet. Over [SA 1] heeft [medeverdachte 3] verklaard dat [SA 1] geen ander doel had dan het ontvangen van de geldbedragen.15 Zo moest het geld onder meer uit het zicht blijven van de ex-vrouw van [medeverdachte 3] en buiten het faillissement van [medeverdachte 1] blijven16.

Een tweede financier van het [project] die in het prospectus staat vermeld, voor een bedrag van

€ 1.000.000,00, is [BV 1] . Volgens hun verklaringen hebben deze partijen, zoals hiervoor al kort aangestipt, geen toezegging gedaan deze investering voor het beoogde [project] te willen doen. Zij zijn niet gekend in de vermelding als zodanig in het prospectus.

Ten slotte staat in het prospectus een bedrag van € 12.500.000,00 als financiering opgenomen dat zal worden verkregen van de Oostenrijkse overheden in de vorm van kredieten en subsidies. Het was vóór het opmaken van het prospectus al bekend dat een dergelijke financiering, als die al kon worden verkregen, pas achteraf kon worden toegekend. Het bedrag van € 12.500.000,00 staat echter in het prospectus wel begroot voor de bouw en installatie van de beoogde [Vennootschap 1] .

Naar potentiële beleggers toe werd op die manier de indruk gewekt dat de financiering van het beoogde project al rond was, terwijl er feitelijk geen geld was om het beoogde project ooit te kunnen realiseren. Daarnaast werd aan beleggers volgens "Prospectus [Vennootschap 1] Ennshafen Oostenrijk" een hoog rendement voorgespiegeld, onder het mom van een milieuvriendelijke belegging, terwijl in ieder geval de medeverdachten vooraf wisten dat dit nimmer aan de investeerders betaald kon worden omdat er geen geld was om het project feitelijk te kunnen realiseren. Het genoemde prospectus is daarom valselijk opgemaakt.

Totstandkoming en gebruik van het prospectus

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in onderlinge samenwerking een prospectus tot stand hebben gebracht en dat het prospectus is gebruikt om beleggers te overtuigen om deel te gaan nemen in het voorgestelde project. Op 8 juni 2006 stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] en in kopie aan zijn zoon [medeverdachte 2] een emailbericht over een "globaal raamwerk voor businessplan" en hij stuurt een document mee over een " [Vennootschap 1] ". Delen van deze tekst zijn later terug te vinden in het "Prospectus [Vennootschap 1] Ennshafen Oostenrijk".17 In een besluitenlijst van een vergadering, gedateerd 19 oktober 2006, waar volgens de lijst [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig waren, staat vermeld dat [medeverdachte 3] het benodigde eigen kapitaal bijeen brengt door middel van het plaatsen van obligaties, waarbij alle zaken zoals Brochure en Prospectus door hem worden verzorgd.18 In een besluitenlijst van een vergadering, gedateerd 21 december 2006, waar volgens de lijst aanwezig waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] staat, onder andere, vermeld: "businessplan, prospectus en de site dienen met spoed afgerond te worden voor o.a. investeerders en om verder stagnatie in de planning te voorkomen".19 Ook op 23 februari 2007 ontvangt [medeverdachte 3] van [getuige 1] van [bedrijf 2] pdf.bestanden, de ene op basis van druk en de andere voor het web, betreffende het "emissieprospect [Vennootschap 1] " dat hij via een email doorstuurt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .20 Ten aanzien van het opmaken van het "Prospectus [Vennootschap 1] Ennshafen Oostenrijk" werd door de getuige [getuige 1] van de onderneming [bedrijf 2] , de vermoedelijke ontwerper van het prospectus, het volgende verklaard:

" [medeverdachte 3] vertelde mij dat hij samen met partners een nieuw project ging starten en vroeg of ik een prospect of prospectus wilde gaan maken om beleggers te werven. Ik herinner mij dat [medeverdachte 3] vertelde dat hij samen met 2 partners samenwerkte. Dat waren een vader en zoon met de naam [medeverdachte 1] , ik weet dat de zoon in [plaats] woonde. Ik heb zelf nooit persoonlijk contact gehad met die heren [medeverdachte 1] , ik heb wel via de telefoon en de e-mail contact gehad met de zoon [medeverdachte 2] , dacht ik. Zijn naam is [medeverdachte 2] ." 21

De samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] komt ten einde op of rond 8 augustus 2007. Nadat per aangetekende brief van 8 augustus 2007 de samenwerking met [Vennootschap 4] B.V./ [medeverdachte 3] in [Vennootschap 1] B.V. in oprichting is opgezegd zijn verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen doorgegaan met het [project] . Om dit te formaliseren is in [Vennootschap 1] B.V. (voorheen [Vennootschap 1] B.V.) een aandeelhoudersovereenkomst afgesloten tussen [Vennootschap 3] B.V. en [Vennootschap 2] N.V. De datering daarvan is 15 december 200722.

Het hof constateert dat de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bij – inmiddels – onherroepelijk vonnis van 2 november 2018 (onder meer) zijn veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift door het prospectus te verstrekken en digitaal beschikbaar te stellen aan beleggers in het in het prospectus genoemde project.

Inleg

Beleggers hebben elk een persoonlijke overweging gehad bij de besluitvorming alvorens hun geld over te maken en hebben daarvoor23 als argumenten genoemd: het geboden rendement, het "groene" aspect van de belegging, subsidie of bijdrage door Oostenrijkse overheid, ideologische aspecten, een bekend pomp-/benzinemerk [merk] en een goede financiering voor het project. Volgens de getuige [getuige 2] was er ook sprake van een grote investeerder: [SA 1] . De betreffende informatie ten behoeve van hun overwegingen hebben zij voornamelijk gehaald uit het prospectus, gedrukt of in digitale vorm. Mede op grond van deze informatie hebben 191 verschillende beleggers geld overgemaakt naar achtereenvolgens de bankrekeningen van [Vennootschap 4] , [Vennootschap 1] B.V. i.o., notariskantoor [notariskantoor] en de Stichting [stichting] . In totaal is door beleggers in de periode 29 januari 2007 tot en met 20 mei 2009 € 4.162.478,36 ingelegd op rekeningen van [Vennootschap 4] B.V., [Vennootschap 1] B.V. (i.o.), voorheen [Vennootschap 1] B.V. / [Vennootschap 1] B.V. en Stichting [stichting] .24

Oplichting

Op grond van voornoemde feiten is het hof van oordeel dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] nooit de intentie hebben gehad om het [project] van de grond te krijgen, maar wel de inleggelden wilden verkrijgen en dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich aldus schuldig hebben gemaakt aan oplichting. [Vennootschap 1] bood vanaf 1 maart 2007 obligaties aan. De medeverdachten hebben daarbij in strijd met de waarheid valse informatie in het prospectus opgenomen. Van het project is niets gerealiseerd: geen financiering door anderen dan de beleggers, geen subsidies en geen vergunningen verkregen. De aankoop van de grond is, na aanbetaling, niet doorgegaan. De tekst in het prospectus is gemaakt door de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in gezamenlijke vergaderingen en door middel van mailverkeer tussen hen. De uiteindelijke formuleringen zijn bewust zo vermeld om potentiële beleggers te bewegen obligatieleningen aan te gaan en hun geld af te geven. Ten tijde van het aantrekken van het geld van beleggers wisten de verdachten dat de vermelde financiering van het in het prospectus genoemde project niet reëel was. Dat een deel van het ingelegde geld wel degelijk naar Oostenrijk is gegaan of anderszins aan werkzaamheden van derden ten behoeve van het project is besteed, zegt in dit verband niets en is juist kenmerkend voor beleggingsfraudeconstructies. Zo kan onderbouwd de indruk worden gewekt jegens de beleggers – door middel van nieuwsbrieven, die ook in de onderhavige zaak zijn verstuurd – dat het project gaande is. Verder is relevant dat de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ook geen enkele kennis en ervaring hebben op het gebied van oliemolen- en biodieselproductie. De enige partij die uiteindelijk geld heeft ingelegd zijn de obligatiehouders. De inleg van de obligatiehouders is slechts een klein aandeel gebleken van het totale bedrag dat nodig zou zijn geweest voor het project (€ 4,1 miljoen van de benodigde € 72 miljoen). Een gedeelte van dat geld is bij de verdachte en haar echtgenoot terecht gekomen.

Wetenschap van de verdachte

Standpunt Openbaar Ministerie

Volgens de advocaat–generaal is de verdachte een doortastende vrouw met een goede opleiding, die jaren heeft gewerkt bij een bank. Ze heeft het zakelijke en persoonlijke faillissement van haar man meegemaakt en ze wist dat zij en haar man in verband hiermee geld moesten terugbetalen aan de curator. Ze heeft bankrekeningen en rechtspersonen op haar naam gezet dan wel laten zetten omdat haar man vanwege het faillissement niets op eigen naam kon zetten. Ze heeft onder meer als bestuurder van [Vennootschap 2] NV diverse documenten getekend. Van een bestuurder van een rechtspersoon mag worden verwacht dat diegene op zijn taak is berekend en deze taak nauwkeurig vervult. De verdachte wilde niet weten waar het geld vandaan kwam en ze heeft telkens bewust haar kop in het zand gestoken. De advocaat–generaal acht schuldwitwassen daarmee bewezen.

Verweer

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geen directe relatie heeft gehad met het [project] . Ze had weinig tot geen inhoudelijke kennis van het project, van het prospectus of het aantrekken van beleggers. De verdachte wist dat haar man bezig was met het [project] , maar heeft hem slechts ondersteund. Dit deed zij door sommige stukken te tekenen omdat haar man geen rekening op zijn naam kon zetten. Ze vroeg haar man om uitleg zodat ze globaal wist waar ze voor tekende. Ze was niet mede verantwoordelijk voor het uitgeven van het prospectus. Ze hoefde niet op de hoogte te zijn van de inhoud en het gebruik hiervan als bestuurder van [Vennootschap 2] NV. Ze had geen zicht op geldstromen omdat ze zich niet met bankafschriften bezighield – dat deed haar man – en [Vennootschap 2] NV fungeerde niet feitelijk als bestuurder van [Vennootschap 1] BV. De verdachte kon en mocht vertrouwen op haar echtgenoot met wie zij jarenlang lief en leed heeft gedeeld. De levensstandaard na de start van het [project] was niet nieuw voor haar omdat zij in het verleden ook beiden goed betaalde functies hebben gehad. Zij wist niet dat de bedragen die zij voorhanden heeft gehad en uitgegeven van misdrijf afkomstig waren. Ook als zij nader onderzoek had gedaan, kon en hoefde zij dit niet redelijkerwijs (te) vermoeden. De verdediging concludeert tot vrijspraak.

Beoordeling

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij zich samen met anderen, dan wel alleen, schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen van een bedrag van in totaal € 1.408.739,84 euro. Voor de vraag of de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat de daarvan deel uitmakende geldbedragen geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf, acht het hof het volgende van belang.

De financiële situatie

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte inkomsten hebben ontvangen via (buitenlandse) vennootschappen uit het [project] , waarbij de medeverdachte [medeverdachte 1] en/of de verdachte directeur-grootaandeelhouder en tekeningsbevoegd waren aangaande betalingen gedaan ten laste van deze vennootschappen.

Voorop staat dat de verdachte goed op de hoogte was van de financiële situatie van haar man, de medeverdachte [medeverdachte 1] , voordat het [project] werd gestart. Ze wist dat zijn onderneming in 2002 failliet was verklaard en ook dat hij in 2005 privé failliet was verklaard25. De verdachte is in verband hiermee ook zelf door de curator aangesproken tot (terug)betaling van door haar opgenomen c.q. ontvangen gelden26. Na het faillissement van haar man was er geen geld meer, terwijl ze wel verder moesten leven27. Haar man kon juridisch niets meer, aldus de verdachte28. In 2012 liep het faillissement nog steeds29.

De verdachte was in 200130, samen met haar man, verkoper van de blote eigendom van de boot/het motorjacht de ‘ [verdachte] ’ aan de zonen van haar man. De zonen hebben blijkens de desbetreffende akte de koopsom betaald met van hun vader geleend geld, en vervolgens is bedongen dat de verdachte en haar echtgenoot het levenslang vruchtgebruik van de boot zouden hebben. De boot is later weer terug verkocht aan de verdachte31 en verder doorverkocht32 en op 1 december 2004 door een derde verkocht aan [naam 1] voor € 390.000,0033. Er is toen weer geregeld dat de man van de verdachte met de boot kon blijven varen. In de praktijk hebben de verdachte en haar man al die tijd via verschillende constructies het gebruik van de boot gehouden. Vanaf december 2004 werd maandelijks een bedrag van € 3.900,00 betaald voor het gebruik van het schip34. De betalingen hiervoor zijn afkomstig van rekeningen op naam van de verdachte of van rekeningen van vennootschappen die op haar naam staan. De verdachte verklaart hierover dat zij denkt dat het streven van haar man is geweest te voorkomen dat de boot in het faillissement zou worden meegesleept35. Ze was er ten slotte mee bekend dat van het huis waarin zij woonden de blote eigendom was overgedragen aan de zonen van haar man36.

De verdachte was daarnaast directeur-grootaandeelhouder van [BV 3] B.V. ( [BV 3] ) en [BV 4] B.V. ( [BV 4] ) De verdachte heeft hierover verklaard:37

Daarom staan ook allerlei bankrekeningen op mijn naam. [medeverdachte 1] was natuurlijk failliet en kon geen bankrekeningen op zijn naam hebben. Daarom had ik bankrekeningen op mijn naam, ook via vennootschappen, in Nederland en België. (..)

Ik wist wel dat er geld binnenkwam, dat kan gewoon niet anders. Er kwam natuurlijk geld uit [Vennootschap 1] BV waar we van konden leven.”

Zoals overwogen heeft de medeverdachte [medeverdachte 3] verklaard dat [SA 1] geen ander doel had dan het ontvangen van de geldbedragen.38 Zo moest het geld onder meer uit het zicht blijven van de ex-vrouw van de medeverdachte [medeverdachte 3] en buiten het faillissement van [medeverdachte 1] blijven39.

Uit de genoemde redengevende feiten en omstandigheden volgt dat – hoewel zulks niet als zodanig is tenlastegelegd – het onmiskenbaar de bedoeling is geweest van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte om de inkomsten uit het zicht van de curator en het faillissement te houden en dat de verdachte daar actief aan heeft bijgedragen. Zulks levert in ieder geval een schending op van de inlichtingenplicht (art. 105 Faillissementswet (Fw) jo art. 194 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarbij mogelijk schuldeisers zijn benadeeld (art. 20 Fw jo art. 341 aanhef en onder 1 (oud) Sr.

Betrokkenheid en wetenschap

De verdachte was op de hoogte van de aanloop van het project en van de personen die hierbij waren betrokken. Zo heeft de verdachte de brochure van 1 maart 2007 voor de [Vennootschap 1] thuis zien liggen40. In het businessplan [Vennootschap 1] Enns is vermeld dat [Vennootschap 2] , vertegenwoordigd door de verdachte, één van de drie initiatiefnemers/aandeelhouders is van [Vennootschap 1]41. In de inschrijvingsbrochure is vermeld dat [Vennootschap 2] 15 jaren ervaring en kennis heeft over het plaatsen van emissies op de euro kapitaalmarkt voor een Nederlandse bank42. Ook wist de verdachte dat haar man in de periode 2002 tot en met 2005 ene [naam 2] had ontmoet in Duitsland43 en dat dit ging over een [Vennootschap 1] . [naam 2] is vermeld als partner in de inschrijvingsbrochure44. De medeverdachte [medeverdachte 3] kwam in beeld en over hem wist ze dat hij betrokken was bij fraude bij de Rabobank en dat hij beleggers kon aantrekken. Ze was op de hoogte van de problemen met de medeverdachte [medeverdachte 3] en dat de medeverdachte [medeverdachte 2] , verdachtes stiefzoon, enig directeur werd van [Vennootschap 1] . Er werd in België een technische man, [naam 3] , gevonden.

De verdachte was bekend met de grote financiële problemen van het project. Ze wist dat obligatiehouders 6 miljoen moesten inleggen en ze hoorde haar man praten over grote bedragen45. Ze wist dat grond in Oostenrijk was aangekocht en dat er na de aanbetaling geen geld was om de eigenaar van de grond te betalen. Haar man vertelde de verdachte dat hij het allemaal vreselijk vond omdat er geen geld was voor de aankoop. Ook was ze ermee bekend dat in Oostenrijk alle vergunningen eerst voor elkaar moesten zijn en dat dan pas geld voor subsidies kon worden verkregen46. Op een vraag tijdens één van de verhoren over de herkomst van het geld voor het [project] , afgezien van de 6 miljoen en de Oostenrijkse subsidies, verklaart de verdachte dat er nog wel heel veel geld bij moest komen47.

Ook was ze op de hoogte van belangrijke aspecten van de inhoud van het project. De verdachte wist dat de aanvankelijke gedachte om koolzaad te gebruiken voor het project, te duur was en dat op zoek werd gegaan naar een alternatief. Prijzen van een toe te voegen product waren zo hoog dat het geen zin meer had om een [Vennootschap 1] te bouwen, aldus de verdachte48. Over een reis die de verdachte vervolgens met haar man naar India maakte voor een alternatief, heeft ze verklaard dat die werd betaald uit het geld van beleggers omdat zij dat zelf niet konden betalen49.

Over de betrokkenheid van vennootschappen bij het [project] heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard. Ten tijde van de aankoop van [Vennootschap 2] , waarvan de verdachte bestuurder was en welke vennootschap één van de oprichters van [Vennootschap 1] was, had zij geld en ze weet dat er later wel aandelen van [Vennootschap 4] in terechtgekomen zijn50. Ze wist dat bij [BV 4] , waarvan [BV 3] directeur-aandeelhouder was51, en bij [BV 3] geld binnenkwam voor de door haar als hand- en spandiensten betitelde activiteiten van haar man. Ze had zelf zogenaamd een marketingrol en ze heeft verklaard dat ze natuurlijk ook wel heeft meegeholpen. In haar woorden: “Mijn bijdrage is ook het stimuleren van mijn man, je doet het samen.” Ze wist dat er geld binnenkwam52 en dat geld uit [Vennootschap 1] kwam waar ze van konden leven, zo verklaart zij op 7 maart 201253. In haar vierde verhoor heeft ze verklaard dat ze niet wilde weten waar het geld vandaan kwam54. Niet is gebleken dat er iets van dit geld is overgebleven.

De verdachte was op de hoogte van negatieve aandacht voor het project. In dit verband heeft ze verklaard dat er na een publicatie in [tijdschrift] over het [project] geen geld meer binnen kwam, minder in ieder geval55. Ook wist ze dat [BV 1] (het hof begrijpt: [BV 1] B.V.) voor één miljoen in het prospectus stond. Haar man had haar verteld dat [BV 1] eruit wilde en zij heeft toen namens [BV 4] een brief56 getekend waarin zij bevestigde dat [naam 4] op geen enkele wijze deelnam in [Vennootschap 1] .

Tot slot wist ze dat werd geprobeerd om op verschillende manieren geld te vergaren. Ze was bijvoorbeeld op de hoogte van een overeenkomst van 11 juni 2009 met [naam 5] om

$ 200.000,00 over te maken om zo geld te verdienen omdat het zo slecht ging met het project. Ze maakte deel uit van een conference call omdat haar Engels beter was dan dat van haar man57.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte bekend was met de financiële problemen van haar en haar man voorafgaand aan de start van het [project] . Ze werkte immers actief mee om de nadelige gevolgen hiervan zo veel mogelijk te beperken. Het buiten de boedel houden van vermogensbestanddelen en het op haar naam zetten van vennootschappen en bankrekeningen onderstrepen dit. Over het [project] wist ze dat er grote bedragen nodig waren om tot realisatie over te kunnen gaan en dat dit vanaf het begin op problemen stuitte. Ook tijdens het project had de verdachte informatie over het gebrek aan financiële middelen en de kosten hiervan zodat het project geen gestalte kon krijgen. Zij en haar man leefden vanaf de start van het project (ruim) van geld waarvan de verdachte wist dat dit was ingelegd door beleggers ten behoeve van het project. Ze was ermee bekend dat dit mede door haar gebruikte geld nooit zou worden besteed aan de voorgespiegelde investering en de beleggers zouden dit geld ook niet meer terugzien. Ondanks de negatieve publiciteit over het project bleef de verdachte het geld, afkomstig van beleggers, gebruiken.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte wist dat deze gelden afkomstig waren uit misdrijf.

Gebruik maken van door misdrijf verkregen gelden

Het hof acht op grond van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en haar echtgenoot, de medeverdachte, [medeverdachte 1] , destijds woonachtig in Wuustwezel (België)58 de door misdrijf verkregen geldbedragen hebben gebruikt.

Zo hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat zij hebben geleefd van het geld dat afkomstig was van [BV 3] B.V., [BV 4] B.V. (beide B.V.’s waren gevestigd in Heerhugowaard59) en [Vennootschap 1] B.V. (gevestigd in Hoofddorp60) Ook zijn de geldbedragen gebruikt voor het doen van investeringen in een zogeheten "High Yield Program" en een "Private Placement Program” en is het geld verder uitgegeven aan het motorjacht de ‘ [verdachte] ’. Ten slotte zijn er uitgaven gedaan ten gunste van de (stief)zoon [naam 6] .61

Uit het ingestelde onderzoek door de Fiscale Inlichtingen– en Opsporingsdienst (FIOD) volgt dat in totaal door beleggers in de periode van 29 januari 2007 tot en met 20 mei 2009 € 4.162.478,36 is ingelegd op rekeningen van [Vennootschap 4] B.V., [Vennootschap 1] B.V. (i.o.), voorheen [Vennootschap 1] B.V. / [Vennootschap 1] B.V. en Stichting [stichting] .62 Van het totale ingelegde bedrag groot € 4.162.478,36 is in totaal € 1.409.967,82 overgemaakt op rekeningen waar de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte de beschikking over hadden. Dit betreffen overboekingen van de bankrekeningen ten name van [Vennootschap 4] B.V. (rek.nr. [nummer 1] ), [Vennootschap 1] B.V. i.o. (rek.nr. [nummer 2] ) en [Vennootschap 1] B.V. / [Vennootschap 1] B.V. (rek.nr. [nummer 3] ) op de bedrijfsrekeningen van [BV 3] B.V. (€ 420.660,18), [BV 4] B.V. (€ 269.014,92) en een privé­rekening van [verdachte] (€ 2.500,00).63 Verder zijn er via de Luxemburgse vennootschappen [SA 1] S.A., [SA 3] S.A. en [sarl] S.a.r.l. betalingen aan of ten gunste van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] gedaan voor een totaalbedrag van € 717.792,72.64 Ook dat geld is uiteindelijk afkomstig van de beleggers.

De tenlastelegging is beperkt tot een bedrag van € 1.408.739,84, zodat het hof het witwassen van dit bedrag bewezen zal verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 5 maart 2012 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met een ander, van een bedrag van 1.408.739,84 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zoals die in de voetnoten bij dit arrest zijn vermeld, zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen witwassen

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De verdachte is door de rechtbank ter zake van het medeplegen van schuldwitwassen van een bedrag van ruim 1,2 miljoen euro veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar en daarnaast een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, een en ander met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van schuldwitwassen zal worden veroordeeld tot uitsluitend een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De gemachtigd raadsman heeft, bij een eventuele veroordeling, geconcludeerd tot oplegging van een straf als door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het plegen van een grootschalige beleggingsfraude door onder meer haar echtgenoot mede mogelijk gemaakt. Daarbij is in totaal rond de 4 miljoen euro aan inleggelden binnengehaald. De beleggers in dit illusoire project zijn hun geld kwijt geraakt en er lijkt niets van over te zijn. De verdachte heeft bij deze oplichting betrokken vennootschappen en bankrekeningen op haar naam gezet. Zij liet zich daarbij zowel als enig aandeelhouder als bestuurder inschrijven. Dit in het volle besef dat haar man zowel zakelijk als privé failliet was verklaard. Daardoor heeft zij ook geweten dat op die manier ook alle financiële middelen waarover ze de beschikking hadden en kregen buiten het zicht van de curator en de schuldeisers in de faillissementen bleven.

Haar echtgenoot en zij hebben van de door beleggers ingelegde gelden bijna anderhalf miljoen euro ontvangen en daarvan – ruim – geleefd. Dat laatste is het strafrechtelijke verwijt dat haar in deze wordt gemaakt. Kennelijk was het enige wat van belang was voor de verdachte dat er geld binnenkwam. Hoe dat gebeurde en of dat in overeenstemming met wetten en regels was, lijkt haar niet te hebben geïnteresseerd.

In een zaak als de onderhavige waarbij het witwassen heeft plaatsgevonden in een frauduleuze context wordt in de regel de LOVS oriëntatiepunten voor fraude toegepast. Het hof wijst in dit verband op de toelichting bij genoemde oriëntatiepunten. Mede gelet op deze oriëntatiepunten zou op zichzelf de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van minimaal 24 maanden op haar plaats zijn. Het hof ziet in de houding van de verdachte ook geen aanknopingspunten die strafverminderend zouden moeten zijn.

De verdachte heeft op geen enkele manier haar verantwoordelijkheid genomen of willen nemen. Hoewel ze gezien haar arbeidsverleden genoeg verstand van zaken had om te kunnen doorzien wat er gebeurde, wil ze het doen voorkomen alsof ze daarvoor bewust de ogen heeft gesloten. Ze verwijst in alles naar haar man. Daarbij spreekt ze zichzelf tegen, aangezien ze enerzijds stelt nergens van af geweten te hebben en anderzijds zegt ze nooit klakkeloos haar handtekening te hebben gezet, maar haar man altijd gevraagd te hebben waar het voor was. Ze is ook op geen enkele rechtszitting verschenen om uitleg over haar gedrag te geven, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep. Van enig gevoel van spijt of schaamte is niet gebleken. Integendeel, uit haar uiteindelijk bij de FIOD afgelegde verklaring komt eerder een gevoel van verongelijktheid en slachtofferschap naar voren. Het hof kan hier geen begrip voor opbrengen en acht de hele gang van zaken en de opstelling van de verdachte hierin uiterst laakbaar en verwerpelijk.

Het hof heeft echter ook rekening te houden met factoren die aanleiding geven om de op te leggen straf te matigen. Allereerst is daar de inmiddels hoge leeftijd van de verdachte. Daarnaast is er de omstandigheid dat zij blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 maart 2021 nooit eerder voor enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen.

Verder is het hof ermee bekend dat aan de echtgenoot en stiefzoon van de verdachte door de rechtbank slechts voorwaardelijke gevangenisstraffen in combinatie met taakstraffen zijn opgelegd, die inmiddels onherroepelijk zijn geworden. Voor deze aan de medeverdachten opgelegde straffen ontbreekt een toereikende motivering voor afwijking van de oriëntatiepunten van de LOVS, die als uitgangspunt hebben te gelden in soortgelijke gevallen. Deze straffen doen dan ook, mede gelet op de hoogte van het totale bedrag waarvoor beleggers zijn opgelicht, geen recht aan het strafwaardige karakter van grootschalige beleggingsfraudeconstructies als de onderhavige. Voor wat betreft de verdachte zou het echter niet juist zijn als aan haar, voor een geringer aandeel, een beduidend hogere straf zou worden opgelegd.

Ten slotte is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 13 april 2011 is in het kader van deze strafzaak de woning van de verdachte doorzocht. Daarna is zij op 5 maart 2012 aangehouden, in verzekering gesteld, en gehoord. Pas in augustus 2014 is de zaak weer opgepakt en is de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord–Holland verzocht een regiebijeenkomst te beleggen en zo nodig nader onderzoek te verrichten. De eerste inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Deze is onderbroken en pas in oktober 2018 weer hervat en afgerond, waarna de rechtbank op 2 november 2018 vonnis heeft gewezen. De rechtbank heeft daarbij een termijnoverschrijding van bijna vijf jaren en zeven maanden vastgesteld. In hoger beroep wordt nu op 29 april 2021 arrest gewezen. Ook in deze fase is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van in beginsel twee jaren, zij het in veel mindere mate dan in eerste aanleg het geval is geweest.

Het vorenstaande levert een reden voor een aanzienlijk verdergaande strafmatiging op.

Alles in aanmerking nemend zal het hof, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen, met een daarbij geldende proeftijd van twee jaar. Daarnaast acht het hof de oplegging van de maximale taakstraf van 240 uur passend en geboden. Het hof is niet gebleken dat de verdachte fysiek of mentaal niet in staat zou zijn een taakstraf in eventueel voor haar aangepaste vorm te verrichten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van

mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

29 april 2021.

=========================================================================

[…]

1 Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte van de AFM (D-1).

2 Een schriftelijk bescheid, zijnde een onderzoeksrapport (D-2).

3 Een schriftelijk bescheid, zijnde een onderzoeksrapport (D-2), p. 7.

4 Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte van de AFM (D-1), p. 1 en 2.

5 Idem, p. 3.

6 Een schriftelijk bescheid, zijnde een onderzoeksrapport (D-2), p. 9.

7 Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte van de AFM (D-1), p. 3.

8 Idem, p. 4.

9 Idem, p. 16.

10 Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte van de AFM (D-1), van 4 mei 2010, p. 20.

11 Een schriftelijke bescheid, zijnde prospectus [Vennootschap 1] Ennshafen Oostenrijk (D-051).

12 Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte van de AFM (D-1), van 4 mei 2010, p. 22.

13 Idem, p. 22.

14 Idem, p. 26.

15 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhouden de verklaring van [medeverdachte 3] (V-004-01), van 5 maart 2012, p. 17.

16 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhouden de verklaring van [medeverdachte 3] (V-004-01), van 5 maart 2012, p. 20.

17 Een schriftelijk bescheid, zijnde een mail van 8 juni 2006 van [medeverdachte 1] aan [BV 5] BV (IS 1).

18 Een schriftelijk bescheid, zijnde een mail van 22 oktober 2006 van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] en [email] (D-146).

19 Een schriftelijk bescheid, zijnde Besluitenlijst van een vergadering op 21 december 2006 (IS-21).

20 Een schriftelijk bescheid, zijnde een mail van 23 februari 2007 van [Vennootschap 1] BV aan [medeverdachte 2] (IS-29).

21 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] (G-24) van datum 14 oktober 2011, pag. 2.

22 Een op ambtseed opgemaakt overzichtsproces-verbaal (OPV-01, [medeverdachte 1] ) van 23 november 2012, p. 124.

23 Een op ambtseed opgemaakt overzichtsproces-verbaal (OPV-01, [medeverdachte 1] ) van 23 november 2012, p. 95.

24 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal geldstroom totaal in en hoeveel naar Oostenrijk (AH-16) van 5 november 2010.

25 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-01), van 5 maart 2012, p. 3.

26 Een schriftelijk bescheid, zijnde een Openbaar verslag nr. 8 ex artikel 73a Faillissementswet in het faillissement van de [groep] (SFO D-077), p. 6.

27 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 2.

28 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-06), van 7 maart 2012, p. 2.

29 Een schriftelijke bescheid, zijnde een faillissementsverslag van [medeverdachte 1] . (SFO D-099), van 21 juni 2012.

30 Een schriftelijk bescheid, zijnde een akte (SFO- D-072), van 13 december 2001.

31 Een schriftelijk bescheid, zijnde een akte van levering (SFO D–073), van 6 mei 2002.

32 Een schriftelijk bescheid, zijnde een akte van levering, tevens inhoudende afstand vruchtgebruik (SFO D–074), van 15 oktober 2003.

33 Een schriftelijk bescheid, zijnde een akte levering schip (SFO D-075), van 1 december 2004.

34 Een proces-verbaal van het bureau ontnemingswetgeving OM (SFO AH–007), van 19 november 2012, paragraaf 3.1, alsmede de daar in de marge genoemde documenten.

35 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 6.

36 Idem, p. 5.

37 Idem, p. 5.

38 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3] (V-004-01), van 5 maart 2012, p. 17.

39 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3] (V-004-01), van 5 maart 2012, p. 20.

40 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-01), van 5 maart 2012, p.6

41 Een schriftelijk bescheid, zijnde het Businessplan [Vennootschap 1] Enns + bijlagen (D-304), p. 7.

42 Een schriftelijk bescheid, zijnde een print van 11 april 2007 van de site van [website 2] (D-075), p. 4.

43 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 2.

44 Een schriftelijk bescheid, zijnde het Businessplan [Vennootschap 1] Enns + bijlagen (D-304), p. 7.

45 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 6.

46 Idem, p. 2.

47 Idem, p. 4.

48 Idem, p. 2 en 3.

49 Idem, p. 3.

50 Idem, p. 6.

51 Een schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-009).

52 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 5.

53 Idem, p. 5.

54 Idem, p. 6.

55 Idem, p. 4.

56 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [verdachte] (V003-04), van 7 maart 2012, p. 7 en een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een brief van 24 november 2008 van [BV 4] B.V. aan [BV 1] B.V. (D-263).

57 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhouden de verklaring van de verdachte (V003-05), van 7 maart 2012, p. 3.

58 Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhouden de verklaring van de verdachte (V003-01), van 5 maart 2012, p. 3.

59 Schriftelijke bescheiden, zijnde twee uittreksels uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-008 en D-009).

60 Een schriftelijk bescheid, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-006).

61 Een op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor inhoudende de verklaring van de verdachte (V003-04), van 7 maart 2012, p. 5 en de op de zitting van 1 oktober 2018 afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 1] , p. 4, 5 en 6.

62 Op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, zijnde proces-verbaal geldstroom totaal in en hoeveel naar Oostenrijk (AH-016) van 5 november 2010 en proces-verbaal van ambtshandeling inzake de verdeling van het beleggersgeld (SFO AH-051) van 26 april 2021. Een schriftelijk bescheid, zijnde D-356.

63 Op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, zijnde proces-verbaal van bevindingen inzake bankrekening [nummer 1] tnv [Vennootschap 4] B.V. en [nummer 5] tnv [Vennootschap 1] BV (SFO AH-040) van 28 december 2011, proces-verbaal van bevindingen inzake bankrekening [nummer 2] van [Vennootschap 1] B.V. (SFO AH-048) van 31 januari 2012 en proces-verbaal van bevindingen inzake bankrekeningen [nummer 4] ten name van voorheen [Vennootschap 1] B.V./ [Vennootschap 1] B.V. (SFO AH-050) van 26 april 2012.

64 Op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen inzake binnengekomen beleggersgeld op Luxemburgse rekeningen (SFO AH-053) van 13 februari 2012.