Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
200.277.354/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensregime naar Turks en vervolgens Nederlands recht; niet voldaan aan stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.277.354/01

zaaknummer rechtbank: C/13/673687/FA RK 19-6290

beschikking van de meervoudige kamer van 6 april 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2020 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 22 april 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 februari 2020.

2.2.

De man heeft op 6 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2020 plaatsgevonden. De jongste raadsheer heeft vanwege de op dat moment aan de orde zijnde corona-maatregelen via videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man zelf is niet verschenen; zijn advocaat heeft voor hem het woord gevoerd.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn [in] 2016 gehuwd te [plaats] , Turkije.

3.2.

Het huwelijk is op 31 december 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 november 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De vrouw heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

ten aanzien van de verdeling van de inboedelgoederen:

- aan de vrouw wordt toegedeeld, het bankstel in de woonkamer, de vaatwasser, de porseleinen serviesset en de pannenset, tegen een waarde van € 1.750,-;

- aan de man wordt toegedeeld, de koelkast, het vloerkleed, de televisie, de oven en de keukenkast, tegen een waarde van € 1.700,-.

Daarnaast is het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij een vordering heeft op de man van € 6.000,- afgewezen.

4.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- in het kader van de verdeling de oven en de televisie aan de man toe te delen, waarbij de man aan de vrouw een bedrag van € 300,- dient te voldoen ter zake van overbedeling;

- te bepalen dat de man een bedrag van € 6.000,- zal betalen aan de vrouw, ter zake van een voorhuwelijkse schuld, die de vrouw uit persoonlijk vermogen voor de man heeft betaald.

4.3.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de huwelijkssluiting Turks recht van toepassing was op hun huwelijksvermogensregime.

De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 7 lid 2 sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 met ingang van 5 april 2017 Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, nu partijen vanaf die datum beiden hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland hebben gevestigd. Hoewel de vrouw lijkt uit te gaan van toepasselijkheid van het Turkse recht, heeft zij geen gemotiveerde grief gericht tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof ziet, gelet op de feiten die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd -welke feiten in hoger beroep ook niet zijn bestreden- geen aanleiding van dat oordeel af te wijken. Met ingang van 5 april 2017 is ingevolge het Nederlands huwelijksvermogensrecht een gemeenschap van goederen ontstaan.

5.2.

De vrouw stelt met haar eerste grief aan de orde dat de rechtbank ten onrechte in het kader van de verdeling inboedelgoederen aan de man heeft toegedeeld. De vrouw stelt dat uitsluitend de na het huwelijk aangeschafte inboedelgoederen bij de verdeling kunnen worden betrokken. Volgens haar zijn alleen de oven en de televisie tijdens het huwelijk aangeschaft. Deze kunnen wat de vrouw betreft aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van de helft van de aanschafprijs, respectievelijk € 250,- en € 350,-. De overige inboedelgoederen waren reeds voor het huwelijk door de vrouw aangeschaft, zodat deze niet in de verdeling betrokken hadden moeten worden.

5.3.

De man betwist de stelling van de vrouw. Partijen hebben de inboedel volgens de man in 2017 samen gekocht met het geld dat de man heeft ontvangen als schenkingen op de bruiloft. Slechts een paar - andere dan door de vrouw genoemde - inboedelgoederen had de vrouw reeds voor het huwelijk aangeschaft.

5.4.

Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat de door haar genoemde zaken reeds voor het huwelijk van de vrouw waren, en daarmee buiten de gemeenschap van goederen vallen. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man lag het op haar weg haar stelling dat de betreffende zaken al voor het huwelijk aan haar toebehoorden, nader te onderbouwen. Ook de rechtbank heeft de vrouw gewezen op haar stelplicht, en daarbij voorbeelden gegeven van de wijze waarop daaraan kan worden tegemoetgekomen. Nu de vrouw ook in hoger beroep geen nadere onderbouwde stellingen heeft ingenomen, faalt haar eerste grief.

Het hof wijst er op dat de man in zijn verweerschrift in hoger beroep opmerkt dat persoonlijke spullen in de woning zijn achtergebleven, zoals kleding, een Apple Watch oplader en een Iphone oplader. Ter zitting is hierover met de aanwezigen gesproken, waarbij de vrouw heeft aangegeven dat de man al zijn persoonlijke spullen al eerder heeft meegenomen. Van de zijde van de man is hierop meegedeeld dat de man bij die stand van zaken hiervan niet langer een punt van discussie maakt. Nu de man voorts geen incidenteel appel heeft ingesteld en in het petitum concludeert tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, behoeft dit onderdeel geen verdere bespreking.

5.5.

De tweede grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoek van de vrouw, om vast te stellen dat zij een vordering op de man heeft vanwege een door haar voor hem betaalde privéschuld, dient te worden afgewezen.

De vrouw geeft in de toelichting op haar grief aan dat de man een voorhuwelijkse privéschuld had aan zijn vriend [X] , en dat deze schuld door de vrouw is afgelost door betalingen aan de man, dan wel aan [X] te doen. De vrouw heeft daarvoor haar persoonlijk vermogen (spaargeld en gouden sieraden) aangewend. In totaal heeft zij € 6.000,- betaald. De vrouw geeft een overzicht van door haar gedane betalingen op 4 oktober 2016 (11.890 Turkse Lira, hierna TL, in twee stortingen) aan de man en op 6 juli 2017 (€ 1.000,-), op 11 september 2017 (€ 1.000,-) en op 9 maart 2018 (€ 215,-) aan [X] . Het bedrag van € 3.800,- (11.890 TL) dat zij aan de man heeft betaald, heeft zij contant verkregen door haar sieraden te verkopen in Kayseri (Turkije) en zij heeft vervolgens het ontvangen bedrag aan de man overgemaakt. Het resterende bedrag van ruim € 2.200,- is uit persoonlijk spaargeld van de vrouw betaald. De vrouw betwist dat de man op 6 juli 2016 en 11 september 2017 uit eigen geld een bedrag van € 2.000,- zou hebben overgemaakt, zoals hij stelt. Gelet op het maandinkomen van de man van € 400,- is dit niet mogelijk. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat uit de door de vrouw overgelegde bewijsstukken van geldstortingen niet kan worden opgemaakt dat betalingen zijn gedaan ter aflossing van een privéschuld van de man. De vrouw heeft naast de stortingsbewijzen ook een verklaring van mevrouw [Y] overgelegd, waaruit blijkt dat zij namens de vrouw € 1.000,- heeft betaald aan [X] .

5.6.

De man betwist dat hij een privéschuld had voor het huwelijk en dat de vrouw persoonlijk vermogen heeft aangewend om deze af te lossen. De man geeft een opsomming van overgeboekte bedragen op 4 oktober 2016 (10.000,- TL), op 4 oktober 2016 (1.900 TL) en op 11 september 2017 (€ 1.000,-) naar [X] via de vriendin van de vrouw [Y] , en op 9 maart 2018 € 215,- naar [X] . De man voert aan dat de eerste twee overboekingen van de rekening van de vrouw naar zijn rekening geld betrof dat de man op de bruiloft had ontvangen van familie en vrienden, welk geld nog bij de vrouw was. Hiervan hebben partijen de inboedel gekocht.

Op 11 september 2017 is via een vriendin van de vrouw een bedrag overgemaakt aan [X] , daarnaast is op 9 maart 2018 een bedrag aan hem betaald. Dit zijn gelden die partijen tijdens het huwelijk hebben uitgeleend aan [X] . De man legt een verklaring van [X] over ter ondersteuning van zijn stelling.

De betaling op 6 juli 2017 betreft geld dat is uitgeleend aan de zus van de man. De heer [Z] heeft dit voorgeschoten en op 6 juli 2017 overgemaakt aan [X] , die het geld aan de zus heeft gegeven. De man legt een verklaring van zijn zus over.

De man betwist dat de vrouw persoonlijk vermogen heeft ingezet om de bedragen uit te lenen. Hij begrijpt ook niet hoe zij tot het bedrag van € 6.000,- komt.

Volgens de man zijn alle uitgeleende bedragen terugbetaald en door partijen samen uitgegeven.

5.7.

Het hof stelt voorop dat, nu tussen partijen vanaf 5 april 2017 het huwelijksvermogensregime van de wettelijke gemeenschap van goederen geldt, de stortingen van na die datum eerst tot een aanspraak op vergoeding kunnen leiden, indien de vrouw voldoende stelt en onderbouwt om tot de vaststelling te kunnen komen dat zij vanuit haar privévermogen heeft betaald op schulden van (uitsluitend) de man. De overboekingen waar de vrouw op wijst betreffen alle stortingen via Western Union, waarbij de herkomst van de gestorte gelden tussen partijen in discussie is. De vrouw heeft het hof bij deze stand van zaken onvoldoende feiten voorgelegd die, indien bewezen, tot de vaststelling zouden kunnen leiden dat zij vanuit haar privévermogen deze gelden heeft betaald. Reeds op deze grond komt het hof niet toe aan de vaststelling van enige aanspraak van de vrouw op de man vanwege voor hem betaalde privéschulden.

5.8

Het hof overweegt voorts dat het huwelijksvermogen van partijen vanaf 19 augustus 2016 en tot 5 april 2017 werd beheerst door het Turkse recht. Dat huwelijksvermogensregime heeft als uitgangspunt dat partijen over privévermogens beschikken met (daarnaast) kort gezegd de gelijkgerechtigdheid van partijen tot hetgeen zij tijdens het huwelijk verwerven. Daarmee ligt een ander uitgangspunt voor waar het betreft de twee stortingen van 10.000,- TL en 1.900,- TL op 4 oktober 2016.

De vrouw heeft twee stortingsbewijzen van deze datum in het geding gebracht, en hieromtrent ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nader verklaard dat de man haar na de huwelijkssluiting in 2016 heeft verteld dat hij een (voorhuwelijkse) schuld had. De vrouw bevond zich na de huwelijkssluiting in augustus 2016 nog in Turkije en zij heeft destijds in Kayseri (Turkije) de sieraden, die zij tijdens de huwelijkssluiting van haar familie had gekregen, bij een juwelier ingeruild tegen contant geld, en vervolgens de stortingen op de rekening van de man gedaan. Daarmee kon de man betalen op zijn (voorhuwelijkse) schulden, aldus de vrouw. De lezing van de vrouw wordt ondersteund door de stortingsbewijzen die de vrouw in het geding heeft gebracht; ook de man geeft aan dat de vrouw gelden op een rekening op (uitsluitend) zijn naam heeft gestort. Maar daarmee is nog niet vastgesteld dat deze gelden afkomstig waren uit het privévermogen van de vrouw, en dat deze zijn overgegaan in het privévermogen van de man, hetgeen de rechtbank in eerste aanleg ook aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.De man heeft ook in hoger beroep betwist dat hij voorhuwelijkse schulden had. Hij heeft aangegeven dat het geld voor de aanschaf van inboedel is gebruikt. Ook heeft de man een verklaring in het geding gebracht van de heer [X] , waarin laatstgenoemde aangeeft dat hij (in september 2017 en in maart 2018) gelden heeft ontvangen, maar dan als lening aan hem, in verband met schulden die hij, [X] , bij derden had. Van de zijde van de vrouw is in dit verband nog ter zitting in hoger beroep aangegeven dat zij geen verdere onderbouwing kan geven van het bestaan van de gestelde voorhuwelijkse schulden bij de man.

De vrouw stelt voorts dat het geld dat zij op 4 oktober 2016 heeft gestort, afkomstig was van de verkoop van haar sieraden. Ook deze stelling heeft de man gemotiveerd betwist. Volgens de man betrof het aan hem toekomend geld dat tijdens de bruiloft is verkregen. De vrouw geeft aan dat niet geloofwaardig is dat geld dat vanwege de bruiloft was verkregen, pas na maanden wordt gestort, maar gelet op deze gemotiveerde betwisting lag het op de weg van de vrouw nader te onderbouwen wat de herkomst van het geld was. De vrouw heeft in dit verband in hoger beroep slechts overgelegd een visitekaartje van de juwelier waar zij de sieraden zou hebben ingeruild tegen contanten. Dat is een onvoldoende onderbouwing van haar stelling, zeker indien wordt bedacht dat eenvoudigweg een beschrijving of een foto van de sieraden, een verklaring van de juwelier, een kwitantie en andere stukken konden worden overgelegd, waaruit zou kunnen blijken welk bedrag voor welke sieraden was gekregen.

Vanwege het voorgaande komt het hof dan ook niet tot de vaststelling dat vanuit het privévermogen van de vrouw geld is overgegaan naar het privévermogen van de man. Daarmee bestaat geen grond om te komen tot een toewijzing van het door de vrouw verzochte.

5.9.

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen. De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. J. Jonkers en mr. T.A.M. Tijhuis in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 6 april 2021 uitgesproken in het openbaar.