Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1155

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
23-000815-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweemaal poging doodslag door met mes op diverse plekken in het lichaam te steken. Vorderingen benadeelde partijen. Oplegging TBS dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000815-19

datum uitspraak: 22 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2019 in de strafzaak onder de parketnummers

13-741292-17, 13-650450-15 (TUL) en 13-654279-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2021 en 8 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] is/zijn toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval (meermalen) in het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke voren omschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) diefstal in vereniging, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;


1. subsidiair
hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de Oosterdokskade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer camera(‘s) en/of camera-toebehoren, in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, heeft / hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval in het lichaam van voornoemde

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (meermalen) heeft/hebben gestoken en/of gesneden;

1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan dc openbare weg, de Oosterdokskade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer camera(s) en/of camera-toebehoren, in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval in het lichaam van voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (meermalen) heeft/hebben gestoken en/of gesneden;


2. primair
hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 13 juni 2017 tot en met 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (Snor)scooter (gekentekend [kenteken] ), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen (snor)scooter onder zijn, verdachtes bereik heeft gebracht door een middel van een of meer valse sleutel(s) (te weten een sleutel die nog in het contctslot van die (snor)scooter)zat);

2. subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (snor)scooter (gekentekend [kenteken] ) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.
hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [benadeelde 3] (dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 3] (met kracht) een of meermalen in zijn gezicht/gelaat te slaan en/of stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde poging doodslag bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd:

  1. niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet – ook niet in voorwaardelijke vorm – had op de dood van de slachtoffers. Bovendien kan niet precies worden vastgesteld wie van de twee daders welke verwonding bij welke aangever heeft toegebracht;

  2. nu niet kan worden vastgesteld dat goederen daadwerkelijk zijn weggenomen, is er geen sprake van een voltooide diefstal.

Het hof overweegt als volgt:

Op 10 september 2017 omstreeks 00.05 uur ontvingen verbalisanten de melding dat een steekpartij had plaatsgevonden op de Oosterdokskade in Amsterdam. Ter plaatse troffen de verbalisanten twee zwaar gewonde jongens aan, zittend op een bankje. Dit bleken de slachtoffers, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Uit de rechter bovenarm van [benadeelde 1] stak een lemmet van een mes. Beide slachtoffers zaten onder het bloed en zijn overgebracht naar het ziekenhuis. Bij [benadeelde 1] werden steekwonden in de linkerwang, op de voorzijde van het hoofd, twee in de nek en een wond aan de rechterduim vastgesteld. Ook werd in zijn rechterbovenarm een mes aangetroffen. Bij [benadeelde 2] werden zeven steekwonden aangetroffen, twee in zijn rug, drie à vier in zijn linkerbil en één in zijn linkeronderarm.

De slachtoffers hebben hierover het volgende verklaard. Zij waren op de bewuste avond aan het fotograferen in Amsterdam en gekomen op de Oosterdokskade werden zij uit het niets aangevallen door twee mannen, te noemen NN1 en NN2. NN2 greep naar de camera en probeerde daarmee weg te komen, maar hij werd door [benadeelde 1] tegengehouden en vastgehouden aan zijn benen. Op dat moment zag [benadeelde 1] dat NN1 een mes in zijn handen had en dat hij met zijn arm een beweging in zijn richting maakte. Toen [benadeelde 1] opstond en weg wilde rennen, merkte hij dat hij gestoken was. [benadeelde 2] zag dat [benadeelde 1] op de grond lag en de benen van NN2 vasthield en dat NN1 op dat moment aan het insteken was op [benadeelde 1] . Op het moment dat [benadeelde 2] zijn vriend te hulp schoot door NN1 te fixeren, werd hij zelf een aantal keer door NN1 gestoken. Daarna zijn NN1 en NN2 samen weggerend. Zij hebben NN1 omschreven als een negroïde man met dreadlocks en donkere kleren. NN2 hebben zij omschreven als een man van Marokkaanse afkomst met kort gekruld haar, gekleed in een groengeel trainingspak. De slachtoffers hebben verklaard dat NN1 en NN2 hebben getracht goederen weg te nemen en dat goederen als gevolg van het incident door toedoen van NN1 en NN2 zijn beschadigd.

[benadeelde 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de verdachte herkent als NN1.

Getuige [getuige 1] heeft waargenomen dat er een ruzie was tussen vier personen, dat twee Aziatische mannen op de steiger zijn kant op liepen en dat twee andere mannen, waarvan één persoon met rastahaar, de andere kant op renden. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij geschreeuw hoorde, dat zij zag dat meerdere personen op de steiger stonden en ruzie met elkaar hadden en dat twee slachtoffers, die onder het bloed zaten, haar richting op kwamen rennen. De slachtoffers zijn op een bankje gaan zitten, waar zij later door de verbalisanten zwaar gewond werden aantroffen.

De verdachte heeft erkend dat hij die bewuste avond samen met een kennis, die bij hem bekend is onder de (bij)naam “ [bijnaam] ”, op de steiger op de Oosterdokskade was. Volgens de verdachte zijn zij in gesprek geraakt met twee Aziatische jongens (de slachtoffers) en is het tot een confrontatie gekomen met deze jongens in verband met het leveren van nepdrugs. De verdachte heeft verklaard dat hij geen mes op zak had en hij de slachtoffers niet heeft gestoken.

De rol van de verdachte

Gelet op de hiervoor beschreven toedracht van het incident kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de geconstateerde steekverwondingen bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn ontstaan tijdens de confrontatie tussen de slachtoffers met de verdachte en de verder onbekend gebleven “ [bijnaam] ”. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat de verdachte de persoon is die het bij de slachtoffers geconstateerde letsel heeft toegebracht.

Het hof slaat bij de beantwoording van die vraag acht op de verklaringen die de slachtoffers hebben afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris. Deze verklaringen zijn consistent en komen op belangrijke punten met elkaar overeen. Beide slachtoffers hebben verklaard dat NN1, de negroïde man met dreadlocks, zijnde de verdachte, de persoon was die een scherp voorwerp in zijn handen had en lukraak op de slachtoffers heeft ingestoken. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan deze verklaringen. De verklaringen worden ondersteund door de foto’s van het letsel en de uitgebreide letselverklaringen in het dossier, waaruit blijkt dat de slachtoffers tal van steekverwondingen hebben opgelopen op willekeurige plekken in het lichaam. Om die reden staat naar oordeel van het hof vast dat het de verdachte was die de steekverwondingen heeft toegebracht. Daarbij komt ook gewicht toe aan de vaststelling dat NN2 op de grond lag en werd vastgehouden.

Vrijspraak poging moord

Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof poging tot moord niet bewezen, nu niet is gebleken dat de verdachte de slachtoffers bewust heeft opgezocht met de bedoeling hen te doden.

Poging doodslag

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van de slachtoffers, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de slachtoffers zouden komen te overlijden. Uit de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , alsmede uit de letselverklaringen, kan worden afgeleid dat de verdachte met een mes willekeurig op diverse plekken op het lichaam heeft ingestoken op de slachtoffers en dat zij als gevolg daarvan talrijke ernstige steekverwondingen op bijzonder gevaarlijke plekken hebben opgelopen onder meer in het hoofd, de nek, en de rug. Naar algemene ervaringsregels had dit gemakkelijk kunnen leiden tot de dood, gezien de vitale organen en bloedvaten die zich daar bevinden. Dat het voor de slachtoffers uiteindelijk nog redelijk goed is afgelopen is niet te danken aan de verdachte. Door aldus te handelen ontstond een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers. De gedragingen van de verdachte zijn voorts naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op de dood van de slachtoffers dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers ook bewust heeft aanvaard.

Het hof stelt vast dat er geen sprake is van medeplegen, nu uit het dossier niet is gebleken van een vooropgezet plan op de poging doodslag of van een nauwe en bewuste samenwerking met dat doel tussen verdachte en de onbekend gebleven “ [bijnaam] ” en dus zal de verdachte ten aanzien van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Medeplegen poging tot diefstal

Uit de verklaringen van de slachtoffers kan worden geconcludeerd dat de verdachte en de onbekend gebleven mededader samen op de slachtoffers zijn afgerend en zich daarbij in eerste instantie hadden gericht op de goederen van de slachtoffers. De verdachte wilde het statief pakken en de mededader heeft de camera gepakt. Op het moment dat aangever [benadeelde 1] de mededader wilde tegenhouden door hem bij zijn benen vast te pakken, heeft de verdachte ervoor gezorgd dat zijn mededader weg kon komen uit de greep van [benadeelde 1] door op hem in te steken, kennelijk om de uitvoering van de voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, het bezit van het gestolene te verzekeren dan wel straffeloos te blijven. De verdachte en de mededader zijn vervolgens samen gevlucht. Nu uit de inhoud van het dossier niet precies duidelijk is geworden of er goederen daadwerkelijk door de verdachten zijn weggenomen acht het hof een voltooide diefstal niet bewezen. Wel staat vast dat de verdachte en zijn mededader samen hebben gepoogd de goederen van de slachtoffers weg te nemen en het hof acht medeplegen van een poging tot diefstal bewezen.

Feiten 2 en 3

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 subsidiair tenlastegelegde heling van een scooter en de onder 3 tenlastegelegde mishandeling van verbalisant [benadeelde 3] bewezen kan worden verklaard.

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij slechts tegen de scooter leunde en niet op de scooter heeft gereden. Daarnaast heeft hij de verbalisant niet mishandeld, maar heeft hij de verbalisant geraakt op het moment dat hij de hand van de verbalisant wilde wegslaan. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van deze beide feiten.

Het hof constateert dat de verdediging heeft getracht het hoger beroep te beperken door te stellen dat het hoger beroep niet gericht is tot de vrijspraak van feit 2 primair. Nu het niet mogelijk is om een tenlastelegging die in de primair-subsidiaire vorm is geredigeerd te beperken (zie: Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, p. 742 en HR 27 maart 1990, NJ 1990, 655, m.nt. ThWvV) heeft het hof te oordelen over de gehele tenlastelegging.

Vrijspraak diefstal snorscooter

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte was die de snorscooter heeft gestolen, mede gelet op de tijd tussen de diefstal van de scooter op 12 juni 2017 en het aantreffen van de verdachte op de scooter op 15 juni 2017. De verdachte wordt om die reden van de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 2 subsidiair en feit 3

De overtuiging dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, grondt het hof op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden en verwerpt het verweer onder verwijzing naar die bewijsmiddelen. Het arrest zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit arrest te voegen bijlage waarin de inhoud van de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 10 september 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is toegegaan waarna hij met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de armen en/of in de rug en/of in een bil, in het lichaam van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke voren omschreven poging tot doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van een poging diefstal in vereniging, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2. subsidiair
hij op 15 juni 2017 te Amsterdam, een snorscooter (gekentekend [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.
hij op 15 juni 2017 te Amsterdam, ambtenaar, [benadeelde 3] , dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door [benadeelde 3] met kracht in zijn gezicht te stompen.

Hetgeen onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, voorafgegaan en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De verdachte is door rechtbank Amsterdam ter zake het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling gelast en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest, en dat de veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld met dwangverpleging.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de bewezen verklaarde feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan

De verdachte heeft twee slachtoffers onverhoeds meermalen met een scherp voorwerp in het lichaam gestoken, ten gevolge waarvan de slachtoffers ernstig gewond zijn geraakt. Zij zijn onder meer geraakt in het hoofd, de nek, de wang en de rug. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers hierbij daadwerkelijk om het leven zouden komen. Dat dit niet is gebeurd is louter te danken geweest aan de geluksfactor. Aan deze pogingen tot doodslag is een poging tot diefstal in vereniging voorafgegaan. Op het moment dat de voorgenomen diefstal dreigde te mislukken, is de verdachte met een scherp voorwerp op de slachtoffers in gaan steken, zoals hiervoor beschreven.

Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die voor hun leven hebben gevreesd. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op slachtoffers, hetgeen ook blijkt uit de in eerste aanleg voorgedragen slachtofferverklaringen. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde 1] volgt dat het incident zijn leven voorgoed heeft veranderd. Hij kampt met de gevolgen van de onverhoedse aanval. Hij lijdt aan slapeloosheid, nachtmerries en hij heeft PTSS-klachten. Daarnaast heeft hij last van concentratieproblemen en ondervindt hij ook fysieke klachten van de wond in zijn nek. Het litteken op zijn gezicht doet hem dagelijks herinneren aan het incident. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het slachtoffer te kennen gegeven dat hij blijft bij de verklaring die hij in eerste aanleg heeft voorgelezen en dat hij nog steeds last ervaart van het gebeurde. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde 2] blijkt dat het gewelddadig handelen van verdachte ook een enorme impact heeft gehad op zijn leven. Hij heeft steekwonden in zijn linkerarm, rug en linkerbeen opgelopen. Hij heeft na het incident lang niet kunnen studeren, werken of sporten. Hij heeft hierdoor studievertraging opgelopen. Hij heeft last gehad van slapeloosheid, nachtmerries, paniekaanvallen en concentratieproblemen. Bij hem is PTSS geconstateerd, waarvoor hij EMDR-therapie heeft gevolgd.

Het hof houdt er verder rekening mee dat het onder 1 bewezen verklaarde feit een ernstige geweldsdelict is en met een voor de rechtsorde schokkend karakter, dat kan leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De gebeurtenis heeft zich daarbij ook nog eens afgespeeld op de openbare weg, zodat nietsvermoedende derden, ongewild geconfronteerd werden met het explosieve geweld van de verdachte en de gevolgen daarvan. Dit moet indruk hebben gemaakt en hun gevoel van veiligheid hebben aangetast. Ook wakkeren dit soort delicten niet zelden gevoelens van woede en verontwaardiging aan in de samenleving. Een en ander wordt de verdachte ernstig aangerekend.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een snorscooter. Bij de aanhouding van de verdachte voor dat feit heeft hij de verbalisant mishandeld door hem op zijn bovenlip te stompen. Opnieuw een naar geweldsincident dat op de openbare weg heeft plaatsgevonden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

24 maart 2021. Daaruit volgt dat hij meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld ter zake geweldsdelicten, waaronder ook tot vrijheidsbenemende straffen.

Op grond van het bovenstaande zou het hof oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardig achten, indien het eerste, meest strafwaardige feit volledig aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend.

Gedragsdeskundige rapportages en de gevolgtrekkingen van het hof

Er is onderzoek gedaan door psychiater [naam 2] en GZ-psycholoog [naam 3] naar de persoon van de verdachte. Deze deskundigen hebben daaromtrent op 10 april 2020 rapporten uitgebracht. De verdachte heeft meegewerkt aan dit onderzoek.

Deskundige [naam 2] heeft gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen beïnvloeden en versterken elkaar en spelen in meerdere of mindere mate een rol in het dagelijks leven van de verdachte. Volgens [naam 2] is sprake van een gelijktijdigheidsverband tussen de vastgestelde stoornissen en de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, indien bewezenverklaard. Omdat de verdachte ontkent de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd, is het volgens deskundige [naam 2] onduidelijk hoe en in welke mate de vastgestelde stoornissen een rol hebben gepleegd bij het plegen van de feiten. Om die reden onthoudt [naam 2] zich van het geven van een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Wel merkt [naam 2] op dat hij het zorgelijk acht dat de verdachte in beeld blijft komen bij politie en justitie en dat eerdere interventies onvoldoende resultaten hebben opgeleverd dan wel niet hebben beklijfd. Ook vindt hij het zorgelijk dat de verdachte beperkt leerbaar is gebleken. [naam 2] verwoord dit als: “wanneer door de oogharen wordt gekeken en weet hebbende van de risicofactoren die in zijn algemeenheid voorspellend zijn voor gewelddadig gedrag dan kan wel gesteld worden dat onderzochte veel risicofactoren heeft die het risico op een geweldsdelict in de toekomst verhogen”. [naam 2] is er tot slot van overtuigd dat de verdachte niet zelfstandig zijn problemen zal kunnen oplossen.

Deskundige [naam 3] heeft – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd.

(i) Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Daarnaast kampt de verdachte met een stoornis in het gebruik van cannabis.

(ii) De psychische stoornis bestond ook ten tijde van ten laste gelegde en bij een bewezenverklaring kan volgens [naam 3] worden vastgesteld dat de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid van de verdachte daarin hebben doorgewerkt. De verdachte schat geregeld situaties verkeerd in en het lijkt erop dat hij denkt dat hij weg kan komen met grensoverschrijdend gedrag. Ondanks behandeling en begeleiding blijkt dat de verdachte niet in staat te achten is om andere keuzes te maken. De zwakbegaafdheid en de antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken predisponeren de verdachte tot een onjuiste perceptie en beoordeling van situaties. De onjuiste perceptie en beoordeling van situaties beperkt de keuzevrijheid van de verdachte. De zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsstoornis hebben een mate van scheefgroei veroorzaakt die maakt dat de verdachte niet heeft weten te profiteren van de gedragsinterventies die hem in de loop der jaren zijn voorgelegd. De beperkingen in de keuzevrijheid van de verdachte zijn niet opgeheven. [naam 3] adviseert het tenlastegelegde aan verdachte in verminderende mate toe te rekenen.

(iii) De kans dat de verdachte zonder behandeld te zijn opnieuw een geweldsdelict begaat wordt op grond van risicotaxatie-instrumenten als hoog ingeschat. De verdachte heeft weinig sociale steun en is niet gemotiveerd voor behandeling. Bovendien trekt hij zich weinig aan van gezag en ontbeert hij lange termijn doelen. De verdachte is onthecht, weinig empathisch, instabiel en verplaatst zich niet in anderen. Tevens heeft hij een lage frustratietolerantie, weinig veerkracht en gaat hij inadequaat om met stress.

(iv) De verdachte heeft geen ziekte-inzicht, geen probleembesef en geen hulpvraag. Hij ontkent zijn tekorten en beperkingen. In het verleden heeft de verdachte veel begeleiding gekregen en behandeling ondergaan. Ondanks dit alles, viel hij steeds weer terug in grensoverschrijdend gedrag. Volgens [naam 3] maakt dit dat hernieuwde behandeling in een ambulant kader vermoedelijk opnieuw weinig succesvol zal verlopen, zelfs ook wanneer die zou plaatsvinden in het juridische kader van TBS met voorwaarden. De psycholoog meent dat behandeling in het kader van TBS de enige realistische mogelijkheid biedt om het recidiverisico blijvend te verlagen. De psycholoog adviseert om bovengenoemde redenen TBS met dwangverpleging op te leggen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het Reclasseringsadvies van 28 januari 2021 van rapporteur [naam 4] . De Reclassering adviseert negatief over een TBS-maatregel met voorwaarden vanwege het gebrek aan haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Zij ziet te weinig mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen, gelet op de beperkte responsiviteit bij de verdachte. Daarbij heeft de Reclassering eveneens betrokken dat zij inschat dat de verdachte zich niet zal kunnen houden aan een eventueel middelenverbod.

Rapporteur [naam 4] is ter terechtzitting in hoger beroep gehoord als deskundige. Zij heeft te kennen gegeven dat bij de verdachte al diverse toezichten zijn geprobeerd, maar dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. De verdachte heeft veel structuur op FPK-niveau nodig en vrijheden moeten geleidelijk worden aangeboden omdat de verdachte alleen met kleine stappen zijn leven op orde kan krijgen. De deskundige blijft bij het advies TBS met dwangverpleging.

Het hof overweegt als volgt

De onder i) en ii) genoemde conclusies van de psycholoog worden gedragen door zijn bevindingen. Daarom maakt het hof die tot de zijne. Dit betekent dat voor het hof vaststaat dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een psychische stoornis en voorts dat aannemelijk is dat deze heeft bijgedragen aan de totstandkoming van zijn gewelddadige handelwijze. Het hof rekent de verdachte de bewezen geachte feiten dus in verminderde mate toe. Dit heeft een aanzienlijk matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Bij het oordeel omtrent de psychische stoornis weegt het hof mee dat de psychiater die stoornissen ook vaststelt. Daar doet niet aan af dat hij in zijn rapport geen uitspraak heeft gedaan over de toerekenbaarheid – over het gelijktijdigheidsverband zijn de deskundigen immers unaniem.

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een té groot gevaar vormt voor de samenleving. Daartoe is vooral redengevend hetgeen onder iii) is opgenomen. Het hof heeft daarbij tevens acht geslagen op de bevindingen van de psychiater, namelijk dat hij het zorgelijk vindt dat eerdere interventies onvoldoende resultaten hebben opgeleverd en door de oogharen bezien in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de verdachte veel risicofactoren heeft die risico op een geweldsdelict in de toekomst verhogen. Bovendien ziet de psychiater de verdachte niet zelfstandig zijn problemen oplossen. Het recidivegevaar wordt verder onderstreept door het gegeven dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een ernstig geweldsdelict waarvoor hij nota bene tijdens het plegen van de voorliggende feiten in een proeftijd liep.

Het hof zal gelet op het voorgaande, met name hetgeen onder iv) is opgenomen, in onderling verband bezien, het bevel geven dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Uit het voorgaande spreekt dat het hof, anders dan de raadsman, van oordeel is dat oplegging van de TBS-maatregel, afgezet tegen de aard en de ernst van het bewezen delict, wel noodzakelijk is, mede gelet op het grote recidivegevaar dat verdachtes persoonlijkheid in zich bergt. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat de verdachte eerder op succesvolle wijze heeft meegewerkt aan een behandeling terwijl hij woonde in het [plek], waar de verdachte ten onrechte uit is gezet, doet aan het voorgaande niet af, nu het recidivegevaar genoegzaam blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij heeft de motivering van het negatieve advies van de reclassering over een TBS met voorwaarden invloed gehad op de beslissing om TBS met dwangverpleging op te leggen.

Resumerend

Het hof stelt samenvattend vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezen feiten (waarvan het eerste – zoals eerder overwogen – het zwaarst weegt) immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De door de verdachte begane pogingen tot doodslag betreffen een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De maatregel zal worden opgelegd wegens (pogingen tot) doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.

Conclusie

Het hof acht, alles overziend, naast de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, oplegging van een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden.

Verzoek toewijzen deskundigen psychiater [naam 5] en psycholoog [naam 6]

Op 29 oktober 2019 zijn door het hof bovengenoemde deskundigen (“of, indien deze niet op afzienbare termijn beschikbaar zijn, andere door de raadsheer-commissaris aan te wijzen gedragskundigen”) aangewezen. De deskundigen waarvan in het proces-verbaal van die zitting de namen werden genoemd zijn niet de rapporteurs die een rapport omtrent de persoon van de verdachte hebben opgesteld. De raadsman heeft verzocht om alsnog deze twee rapporteurs te laten onderzoeken of de verdachte ook kan worden behandeld binnen het mindere stringente kader van TBS met voorwaarden. Het hof wijst dit verzoek af omdat hiertoe de noodzaak ontbreekt. Het hof acht zich met de voorliggende rapporten van de – op basis van eerder genoemd proces-verbaal – daadwerkelijk benoemde deskundigen voldoende voorgelicht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De vordering van [benadeelde 1] bedraagt € 15.0007,42, bestaande uit € 2.507,20 ter compensatie van materiële schade en € 12.500,00 als vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft een uitkering ten bedrage van € 2.500,00 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ontvangen. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat dit bedrag in mindering wordt gebracht op de vordering ter zake immateriële schade, ten gevolge waarvan thans een vordering van € 10.000,00 ter zake immateriële schade voorligt.

De opgevoerde materiële schade ziet op:

( a) zorgkosten € 385,00

( b) gederfde inkomsten € 338,00

( c) collegegeld € 55,59

( d) kosten sportschool € 199,99

( e) kosten gestolen / beschadigde goederen € 1.420,31

( f) reiskosten, totaal 416,6 km à 0,26 cent per km € 108,31

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de onder (d) en (e) gevorderde kosten ter zake sportschool en goederen moet worden afgewezen wegens ontbreken van een causaal verband. Tevens moet de vordering ter zake immateriële schade worden afgewezen dan wel gematigd worden omdat de benadeelde partij door dader 2 is gestoken en niet door de verdachte.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade, (a) tot en met (c)

Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij omtrent het optreden en de omvang van de schade als onder (a) tot en met (c) genoemd en nu door of namens de verdachte dit deel van de vordering niet is betwist en waar het hof voorts van oordeel is dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde en de vordering het hof in zoverre niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dit deel van de vordering (in totaal € 778,59) als onvoldoende gemotiveerd betwist voor toewijzing gereed.

Kosten sportschool (d)

De vordering van de genoemde kosten is concreet onderbouwd met prijsindicaties. Aan de vordering van de kosten ligt de stelling ten grondslag dat de benadeelde partij vijf maanden niet heeft kunnen sporten door een defecte schouder, hij twee abonnementen had en deze heeft moeten doorbetalen. Deze stelling is door de verdediging niet betwist, zodat het hof dit als uitgangspunt neemt en deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het onder 1 bewezenverklaarde. De kosten zijn onderbouwd en komen het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. Om die reden ligt dit deel van de vordering (groot € 199,99) voor toewijzing gereed.

Kosten beschadigde of verdwenen goederen (e)

Aan de vordering van de onder genoemde kosten ligt de stelling ten grondslag dat de kleding van de benadeelde partij niet meer bruikbaar was en dat er gedurende het voorval goederen beschadigd zijn geraakt en hij zijn horloge en statief is kwijtgeraakt.

Gelet op de verwondingen van de benadeelde partij is het aannemelijk dat de kleding beschadigd is en deze kosten het rechtstreekse gevolg zijn van het onder 1 bewezenverklaarde. De kosten zijn onderbouwd en komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. Om die reden ligt ook dit deel van de vordering (groot € 500,77) voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van de kosten van de volgende goederen: camera, tas, lenzen, Canon lens en cameradop overweegt het hof dat de benadeelde partij heeft gesteld dat deze beschadigd zijn geraakt tijdens het gebeurde. Het komt het hof aannemelijk voor dat goederen beschadigd zijn tijdens het gebeurde en daarom zijn dit, naar oordeel van het hof, rechtstreekse kosten van het onder 1 bewezenverklaarde. De kosten zijn onderbouwd en komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. Om die reden ligt ook dit deel van de vordering (groot € 511,54) voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van de kosten van het statief en het horloge overweegt het hof als volgt. De benadeelde partij heeft in zijn aangifte verklaard dat hij na het voorval deze goederen niet meer had. Niet is vast te stellen hoe de goederen zijn kwijtgeraakt. Omdat het hof een poging tot diefstal bewezen heeft verklaard, en dus niet de voltooide variant daarvan, is niet op eenvoudige wijze de causaliteit tussen de verdwenen goederen en het gebeurde vast te stellen. Om die reden wordt de benadeelde partij voor dit deel van de vordering (groot € 408,00) niet-ontvankelijk verklaard.

Reiskosten, (f)

Hoewel de onder (f) genoemde kosten door of namens de verdachte niet zijn betwist, dient het hof ambtshalve een oordeel te geven over de gevorderde reiskosten. Reiskosten kunnen als rechtstreekse schade worden aangemerkt, indien de benadeelde partij naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit kosten heeft moeten maken voor medische hulp en het doen van aangifte op het politiebureau. In dergelijke gevallen worden de kosten niet in het kader van de vorderingsprocedure gemaakt, maar vloeien deze voort uit het bewezen verklaarde feit. Om die reden zal het hof de vordering toewijzen voor zover de reiskosten zien op de kilometers die zijn gemaakt voor de bezoeken aan het VUMC, de politie, centrum en de huisarts (groot: 25,2 + 134 + 74,8 + 11,4 km = 245,4 km x € 0,26 = € 63,80.)

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten naar de advocaat overweegt het hof als volgt. Reiskosten die in het kader van een vorderingsprocedure en van het strafproces sec worden gemaakt, worden niet aangemerkt als rechtstreekse schade, maar dienen te worden beschouwd als proceskosten. Indien een benadeelde partij proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vordert, dient de benadeelde partij in zoverre ingevolge artikel 361, tweede lid, Sv in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard (vlg. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338).

Deze reiskosten komen echter wel in aanmerking voor vergoeding in het kader van proceskosten in de zin van artikel 532 Sv. Dit betekent dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren ten aanzien van de reiskosten (voor bezoek aan advocaat, groot € 44,51), maar het hof over deze kosten een afzonderlijke beslissing neemt ingevolge art. 361, zesde lid, Sv.

Oordeel over de immateriële schade

Namens de benadeelde partij is in de vordering ter onderbouwing van de hoogte van het gevorderde smartengeld (€ 12.500,00) uiteengezet welke gevolgen de steekpartij voor de benadeelde partij heeft gehad.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij midden op straat is aangevallen en op diverse plekken in zijn lichaam is gestoken met een mes, waaronder in zijn vinger, schedel, nek en wang. Bovendien was in zijn arm een lemmet van een mes achtergebleven, dat in het ziekenhuis verwijderd moest worden. In het ziekenhuis zijn de wonden gehecht en/of gelijmd.

Gelet op het feit dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen én gelet op de omvang van dat letsel en de wijze waarop het is ontstaan, staat voldoende vast dat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW)), waarmee eveneens vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op:
- de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij,
- de aard en ernst van het handelen van de verdachte,
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit heeft afgespeeld, en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.
Alles afwegende, begroot het hof de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op het bedrag van € 12.500,00. Omdat de benadeelde partij de uitkering van de Schadefonds Geweldsmisdrijven van de vordering heeft afgetrokken, zal een bedrag van € 10.000,00 worden uitgekeerd.

De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.

Het hof neemt steeds per onder (a) tot en met (f) genoemde schadepost de volgende data als uitgangspunt, voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, dan wel het gevraagde op grond van de schadevergoedingsmaatregel door de verdachte dient te worden vergoed:

  1. zorgkosten: 1 oktober 2017, zijnde de eerste dag van de maand na het verschijnen van de schade;

  2. gederfde inkomsten: 8 oktober 2017, zijnde de laatste dag van de gederfde inkomsten;

  3. collegegeld: 15 september 2017, zijnde de laatste dag van de gemiste colleges;

  4. kosten sportschool: 1 december 2017, zijnde de datum gelegen in het midden tussen het ontstaan van de eerste schade en de datum van de laatste schade, aangezien het periodiek verschenen schade (sportschoolabonnement) betreft;

  5. kosten beschadigde goederen: 10 september 2017, zijnde de datum van het verschijnen van de schade;

  6. reiskosten: 5 februari 2019, zijnde de datum van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg waarop de vordering is gedaan, nu de afzonderlijke data niet zijn gespecificeerd.

Met betrekking tot de immateriële schade zal het hof voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat, uitgaan van 10 september 2017 zijnde de dag van de schadeveroorzakende gebeurtenis.

Resumerend zal het hof toewijzen een bedrag van € 2.054,69 ter zake vergoeding van de materiele schade en € 10.000,00 ter zake immateriële schade en wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor een bedrag van € 452,51. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals verzocht, worden vermeerderd met de wettelijke rente en het hof zal bovendien de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen om te bevorderen dat de schade wordt vergoed, en wel op de hierna te noemen wijze. Het hof zal voorts een bedrag van € 44,51 toewijzen ter zake proceskosten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering van [benadeelde 2] bedraagt € 16.955,17, bestaande uit € 4.455,17 ter compensatie van materiële schade en € 12.500,00 als vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft een uitkering ten bedrage van € 2.500,00 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ontvangen. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat dit bedrag in mindering wordt gebracht op de vordering ter zake immateriële schade, ten gevolge waarvan thans een vordering van € 10.000,00 ter zake immateriële schade voorligt.

De opgevoerde materiële schade ziet op:

( a) zorgkosten € 770,00

( b) kosten sportschool € 159,60

( c) kosten gestolen / beschadigde goederen € 3.360,27

( d) reiskosten, totaal 635,8 km à 0,26 cent per km € 165,30

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de onder (b) en (c) gevorderde kosten ter zake sportschool en goederen moet worden afgewezen wegens ontbreken van een causaal verband. Tevens moet de vordering ter zake immateriële schade worden afgewezen dan wel gematigd worden omdat de benadeelde partij door dader 2 is gestoken en niet door de verdachte.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering kan worden toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Zorgkosten, (a)

Gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stelling van de benadeelde partij omtrent het optreden en de omvang van de schade als onder (a) genoemd en nu door of namens de verdachte dit deel van de vordering niet heeft betwist en waar het hof voorts van oordeel is dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de vordering het hof in zoverre niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dit deel van de vordering (in totaal € 770,00) als onvoldoende gemotiveerd betwist voor toewijzing gereed.

Kosten sportschool, (b))

De vordering van de onder (b) genoemde kosten is concreet onderbouwd met bankafschriften. Aan de vordering ligt de stelling ten grondslag dat de benadeelde partij acht maanden niet heeft kunnen sporten vanwege zijn rechterschouder. Deze stelling is door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof deze als uitgangspunt neemt en beschouwt als rechtstreekse schade ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De kosten zijn onderbouwd en dit deel van de vordering komt het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. Om die reden ligt ook dit deel van de vordering (groot € 159,60).

Kosten gestolen/beschadigde goederen, (c)

De benadeelde partij vordert i) vergoeding van kleding die door het voorval beschadigd is geraakt en ii) overige materiele schade voor kwijtgeraakte of beschadigde goederen.

Ten aanzien van de onder i) gevorderde kosten voor de kleding overweegt het hof dat, gelet op de gemotiveerde stelling van de benadeelde partij omtrent het optreden en de omvang van de schade, die door of namens de verdachte niet is betwist en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde, waarbij het hof de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, dit deel voor toewijzing gereed ligt (in totaal € 345,66).

Ten aanzien van de onder ii) gevorderde kosten van de volgende goederen: tas, mobiel (scherm), reparatie lens en poot camera overweegt het hof dat de benadeelde partij heeft gesteld dat deze beschadigd zijn geraakt tijdens het gebeurde. Het komt het hof aannemelijk voor dat goederen beschadigd zijn tijdens het gebeurde en daarom zijn dit, naar oordeel van het hof, rechtstreekse kosten ten gevolge van het onder 1 bewezenverklaarde. De kosten zijn onderbouwd en komen het hof niet ongegrond of onrechtmatig voor. Om die reden ligt ook dit deel van de vordering (groot € 961,61) voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor een kwijtgeraakte lens overweegt het hof als volgt. Niet is vast te stellen hoe de lens is kwijtgeraakt. Omdat het hof een poging tot diefstal bewezen heeft verklaard, en dus niet de voltooide variant daarvan, is niet op eenvoudige wijze de causaliteit tussen de verdwenen lens en het gebeurde vast te stellen. Om die reden wordt de benadeelde partij voor dit deel van de vordering (groot € 2.053,00) niet-ontvankelijk verklaard.

Reiskosten, (d)

Hoewel de onder (d) genoemde kosten door of namens de verdachte niet zijn betwist, dient het hof ambtshalve een oordeel te geven over de gevorderde reiskosten. Reiskosten kunnen als rechtstreekse schade worden aangemerkt, indien de benadeelde partij naar aanleiding van het gepleegde strafbare feit kosten heeft moeten maken voor medische hulp en het doen van aangifte op het politiebureau. In dergelijke gevallen worden de kosten niet in het kader van de vorderingsprocedure gemaakt, maar vloeien deze voort uit het bewezen verklaarde feit. Om die reden zal het hof de vordering toewijzen voor zover de reiskosten zien op de kilometers die zijn gemaakt voor de bezoeken aan de huisarts, de politie en Mentaalbeheer (te weten: 104 + 109,6 + 19,4 + 11,4 + 41,6 + 198,4 km = 484,4 km x € 0,26 =

€ 125,94).

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten naar de advocaat overweegt het hof als volgt. Reiskosten die in het kader van een vorderingsprocedure en van het strafproces sec worden gemaakt, worden niet aangemerkt als rechtstreekse schade, maar dient te worden beschouwd als proceskosten. Indien een benadeelde partij proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vordert, dient de benadeelde partij in zoverre ingevolge artikel 361, tweede lid, Sv in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard (vlg. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338).

Deze reiskosten komen echter wel in aanmerking voor vergoeding in het kader van proceskosten in de zin van artikel 532 Sv. Dit betekent dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren ten aanzien van de reiskosten (voor bezoek aan advocaat, groot € 42,33), maar het hof over deze kosten een afzonderlijke beslissing neemt ingevolge art. 361, zesde lid, Sv. Het hof heeft geconstateerd dat de benadeelde partij een rekenfout heeft gemaakt bij het optellen van het aantal kilometers. Nu het hof niet meer mag toewijzen dan is gevorderd, wordt het toe te wijzen bedrag ter zake proceskosten verminderd met € 2,97.

Oordeel over de immateriële schade

Namens de benadeelde partij is in de vordering ter onderbouwing van de hoogte van het gevorderde smartengeld (€ 12.500,00) uiteengezet welke gevolgen de steekpartij voor de benadeelde partij heeft gehad.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij midden op straat is aangevallen en op diverse plekken van zijn lichaam is gestoken met een mes, waaronder in zijn bil, onderarm en rug. Blijkens het behandelplan Mentaal beter Volwassenen heeft de benadeelde partij trauma gerelateerde klachten, waarbij voldoende criteria aanwezig zin om te spreken van een posttraumatisch stressstoornis (primair) en secundaire stemmingsklachten.

Gelet op het feit dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen en gelet op de omvang van dat letsel en de wijze waarop het is ontstaan, staat voldoende vast dat de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW)), waarmee eveneens vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op:
- de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij,
- de aard en ernst van het handelen van de verdachte,
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder zich dit heeft afgespeeld en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.
Alles afwegende, begroot het hof de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op het bedrag van € 12.500,00. Omdat de benadeelde partij de uitkering van de Schadefonds Geweldsmisdrijven van de vordering heeft afgetrokken, zal een bedrag van € 10.000,00 worden uitgekeerd.

De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.

Het hof neemt steeds per onder (a) tot en met (f) genoemde schadepost de volgende data als uitgangspunt, voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, dan wel het gevraagde op grond van de schadevergoedingsmaatregel door de verdachte dient te worden vergoed:

  1. zorgkosten: 1 oktober 2017, zijnde de eerste dag van de maand na het verschijnen van de schade en ten aanzien van het eigen risico in 2018, 31 januari 2018;

  2. kosten sportschool: 1 januari 2018,zijnde de datum gelegen in het midden tussen het ontstaan van de eerste schade en de datum van de laatste schade, aangezien het periodiek verschenen schade (sportschoolabonnement) betreft;

  3. kosten beschadigde goederen: 10 september 2017, zijnde de datum van het verschijnen van de schade;

  4. reiskosten: 5 februari 2019, zijnde de datum van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg waarop de vordering is gedaan, nu de afzonderlijke data niet zijn gespecificeerd.

Met betrekking tot de immateriële schade zal het hof voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat uitgaan van 10 september 2017, de dag van de schadeveroorzakende gebeurtenis.

Resumerend zal het hof toewijzen een bedrag van € 2.362,81 ter zake vergoeding van de materiele schade en € 10.000,00 ter zake immateriële schade en wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor een bedrag van € 2.092,36. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals verzocht, worden vermeerderd met de wettelijke rente en het hof zal bovendien de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen om te bevorderen dat de schade wordt vergoed, en wel op de hierna te noemen wijze. Het hof zal voorts een bedrag van € 39,36 toewijzen ter zake proceskosten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,00.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich opnieuw gevoegd in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het BW naar billijkheid. Het hof let daarbij op de aard en ernst van het handelen van de verdachte. Het hof begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op het bedrag van € 250,00 en zal dit toewijzen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals verzocht, worden vermeerderd met de wettelijke rente en het hof zal bovendien de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen om te bevorderen dat de schade wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 288, 300, 304 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tenuitvoerlegging

- parketnummer 13-650450-15

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

- parketnummer 13-654279-14

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2015 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat dit niet opportuun is gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de gevangenisstraf en de TBS met dwangverpleging.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof termen aanwezig om deze vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder

1. primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.054,69 (twaalfduizend vierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 2.054,69 (tweeduizend vierenvijftig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 44,51 (vierenveertig euro en eenenvijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.054,69 (twaalfduizend vierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 2.054,69 (tweeduizend vierenvijftig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

  • -

    10 september 2017 over een bedrag van € 1.012,31 ter zake van beschadigde kleding en goederen;

  • -

    15 september 2017 over een bedrag van € 55,59 ter zake van collegegeld;

  • -

    1 oktober 2017 over een bedrag van € 385,00 ter zake van zorgkosten;

  • -

    8 oktober 2017 over een bedrag van € 338,00 ter zake van gederfde inkomsten;

  • -

    1 december 2017 over een bedrag van € 199,99 ter zake van kosten sportschool;

  • -

    5 februari 2019 over een bedrag van € 63,80 ter zake van reiskosten;

en van de immateriële schade op 10 september 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.362,81 (twaalfduizend driehonderdtweeënzestig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 2.362,81 (tweeduizend driehonderdtweeënzestig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 39,36 (negenendertig euro en zesendertig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.362,81 (twaalfduizend driehonderdtweeënzestig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 2.362,81 (tweeduizend driehonderdtweeënzestig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

  • -

    10 september 2017 over een bedrag van € 1.307,27 ter zake van beschadigde kleding en goederen;

  • -

    1 oktober 2017 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2017;

  • -

    1 januari 2018 over een bedrag van € 159,60 ter zake van kosten sportschool;

  • -

    31 januari 2018 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2018;

  • -

    5 februari 2019 over een bedrag van € 125,94 ter zake van reiskosten;

en van de immateriële schade op 10 september 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2017.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2016, parketnummer 13-650450-15, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 28 maart 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2015, parketnummer 13-654279-14, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. N. van der Wijngaart en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van

mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

22 april 2021.