Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1147

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
200.291.171/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquête; Toewijzing verzoek, benoeming bestuurder en commissaris

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.291.171/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 26 april 2021

inzake

de stichting

STICHTING OMROEP LIMBURG,

gevestigd te Maastricht,

VERZOEKSTER,

advocaten: mr. R.A.J.C. Huijs en mr. M.J. Huisman, beiden kantoorhoudende te Eindhoven,

t e g e n

1. de stichting

STICHTING OMROEP LIMBURG,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TELEVISIEBEDRIJF LIMBURG B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OMROEPBEDRIJF LIMBURG B.V.,

4. de vennootschap onder firma

RECLAMEMAATSCHAPPIJ L1 V.O.F.,

alle gevestigd te Maastricht,

VERWEERSTERS,

advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,

e n t e g e n

1 deONDERNEMINGSRAAD L1,

gevestigd te Maastricht,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,

2 [A] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. E. Jansberg, kantoorhoudende te Eindhoven,

3 [B] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen worden in deze beschikking als volgt aangeduid:

  • -

    Stichting Omroep Limburg als SOL;

  • -

    Televisiebedrijf Limburg B.V. als Televisiebedrijf;

  • -

    Omroepbedrijf Limburg B.V. als Omroepbedrijf;

  • -

    Reclamemaatschappij L1 v.o.f. als Reclamemaatschappij;

  • -

    SOL, Televisiebedrijf, Omroepbedrijf en

Reclamemaatschappij tezamen als L1;

  • -

    Ondernemingsraad L1 als ondernemingsraad;

  • -

    [A] als [A] ;

  • -

    [B] als [B] .

1.2

SOL, vertegenwoordigd door haar raad van commissarissen, heeft bij verzoekschrift van 9 maart 2021 de Ondernemingskamer – zakelijk weergegeven – verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van L1 en voorts bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:

  1. een tijdelijk bestuurder van SOL te benoemen, naast [A] ;

  2. een verbod op te leggen vertrouwelijke, geheime en/of onjuiste informatie te verspreiden;

  3. althans zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nodig acht,

kosten rechtens.

1.3

L1 heeft bij verweerschrift van 25 maart 2021 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van SOL toe te wijzen en hetzelfde verzocht bij wijze van zelfstandig verzoek. L1 heeft voorts verzocht om de leden van de ondernemingsraad te veroordelen om de verplichting tot geheimhouding op de voet van artikel 20 lid 1 WOR na te komen op straffe van een dwangsom en de proceskosten te compenseren.

1.4

De ondernemingsraad heeft bij verweerschrift van 24 maart 2021 de Ondernemingskamer zakelijk weergegeven verzocht:

  1. de beslissing op het verzoek tot het gelasten van een onderzoek, althans de bepaling van de reikwijdte van het onderzoek en de aanwijzing van de onderzoeker(s) aan te houden voor de duur van drie maanden;

  2. het in 1.2 sub b genoemde verzoek van SOL af te wijzen;

  3. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen:

a. een tijdelijk bestuurder van SOL te benoemen;

b. [A] te schorsen als bestuurder van SOL, vooralsnog voor de duur van drie maanden, althans [A] de bevoegdheid te ontnemen besluiten te nemen als bestuurder van SOL;

c. een commissaris van SOL te benoemen die als enige stemrecht heeft binnen de raad van commissarissen.

1.5

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 april 2021. De advocaten hebben toen de standpunten van de partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities en tevoren toegezonden nadere producties overgelegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. SOL heeft ter zitting haar verzoek aangevuld aldus dat zij tevens verzoekt dat de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treft met het oog op de vertrouwelijkheid van het onderzoek. L1 heeft haar verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangevuld aldus dat zij tevens verzoekt een onafhankelijke voorzitter van de ondernemingsraad te benoemen en de huidige voorzitter van de ondernemingsraad als voorzitter – niet als lid – te schorsen.

2 Inleiding en feiten

Inleiding

2.1

L1 is de regionale omroep van Limburg en is actief op radio, televisie en internet. Er doet zich binnen L1 een crisis voor, die zich uit in verstoorde verhoudingen, in het bijzonder tussen de raad van commissarissen en de bestuurder enerzijds en de ondernemingsraad en de hoofdredactie anderzijds.

2.2

De Ondernemingskamer deelt de opvatting van partijen dat zonder extern ingrijpen de problemen van L1 niet opgelost kunnen worden. Deze beschikking bevat een beschrijving van de gebeurtenissen en de overwegingen op grond waarvan de Ondernemingskamer een onderzoek zal gelasten en bepaalde tijdelijke maatregelen zal treffen.

De structuur en governance van L1

2.3

SOL is voor de provincie Limburg aangewezen als regionale publieke media-instelling in de zin van de Mediawet. Bij L1 werken circa 235 mensen waarvan ongeveer de helft als freelancer. In 2019 had L1 € 14,5 miljoen aan inkomsten, waarvan 80% bestond uit een bijdrage van het ministerie van OCW.

2.4

[A] is sinds september 2020 enig bestuurder van SOL. De raad van commissarissen van SOL bestaat uit [C] (voorzitter), [D] en [E] (hierna: [C] , [D] respectievelijk [E] ). SOL is enig bestuurder van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf en houdt alle certificaten van aandelen in Televisiebedrijf en alle aandelen in Omroepbedrijf. De activiteiten van L1 op het gebied van televisie en internet (waaronder sociale media) worden verzorgd door Televisiebedrijf en de radioactiviteiten worden verzorgd door Omroepbedrijf. Televisiebedrijf en Omroepbedrijf zijn de vennoten van Reclamemaatschappij. Reclamemaatschappij zorgt voor advertentie-inkomsten.

2.5

[B] is hoofdredacteur van L1.

2.6

De ondernemingsraad van L1 heeft zeven leden. [F] (hierna: [F] ) is de voorzitter en [G] (hierna: [G] ) is de vicevoorzitter.

2.7

De statuten van SOL houden onder meer het volgende in:

  • -

    de raad van commissarissen benoemt, schorst en ontslaat het bestuur (artikel 6);

  • -

    de leden van de raad van commissarissen worden door de raad van commissarissen benoemd, geschorst en ontslagen (artikel 11);

  • -

    de mediaraad is onder meer bevoegd tot het vaststellen van het media-aanbodbeleid en het vaststellen en evalueren van het media-aanbod; de mediaraad (thans bestaande uit 16 leden) is zodanig samengesteld dat hij representatief is voor de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen in Limburg (artikel 17 en 18);

  • -

    de hoofdredacteur van L1 is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het media-aanbod overeenkomstig het beleid dat vastgesteld wordt door de mediaraad; de raad van commissarissen is bevoegd tot benoeming en ontslag van de hoofdredacteur; alvorens de raad van commissarissen besluit tot ontslag van de hoofdredacteur stelt hij de mediaraad en de redactieraad in de gelegenheid advies uit te brengen over het voorgenomen ontslag en de mediaraad kan het ontslag van de hoofdredacteur om zwaarwegende redenen afwijzen (artikel 22).

2.8

L1 heeft een redactiestatuut in de zin van artikel 2.88 Mediawet ter waarborging van de journalistieke rechten en plichten van de werknemers van L1. Daarin staat onder meer het volgende:

  • -

    de directie vrijwaart de (hoofd)redactie van commerciële en politieke invloeden op de uitvoering van de redactionele taken (artikel 3.1.1);

  • -

    de directie en de hoofdredacteur overleggen tenminste één keer per 14 dagen over de onderlinge afstemming van hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (3.1.2);

  • -

    besluiten van de directie over benoeming, schorsing en ontslag van medewerkers van de redactionele afdelingen worden in onderlinge afstemming met de hoofdredacteur genomen (artikel 3.1.5);

  • -

    L1 kent een redactieraad van vier tot zes gekozen leden; de voorzitter van de redactieraad fungeert als aanspreekpunt voor hoofdredactie en redactieleden van L1.

Relevante gebeurtenissen in chronologische volgorde

2.9

In 2017 en 2018 heeft overleg plaatsgevonden over een (bestuurlijke) fusie tussen L1 en Omroep Brabant. Nadat die fusie in maart 2018 afketste en de toenmalige bestuurders en commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf waren afgetreden, heeft de waarnemend bestuurder op 16 april 2018 aan de ondernemingsraad advies gevraagd over het voorstel om twee leden van het managementteam te benoemen als bestuurder. Na advisering door de ondernemingsraad zijn dienovereenkomstig [H] en [I] (hierna: [H] respectievelijk [I] ), die deel uitmaakten van het managementteam van L1, per 15 augustus 2018 benoemd als bestuurders van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf.

2.10

Het Commissariaat voor de Media heeft op 16 november 2018 aan L1 laten weten dat zij haar bestuurlijke organisatie in overeenstemming moet brengen met de Beleidsregels governance en interne beheersing van het Commissariaat. Naar aanleiding daarvan is tussen de besturen van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf per 1 juli 2019 een personele unie tot stand gebracht door [H] en [I] tevens te benoemen tot bestuurders van SOL. [H] en [I] waren tijdelijk benoemd, hangende een evaluatie van de topstructuur van L1, die zou moeten uitmonden in een nieuw bestuursmodel uiterlijk per 1 juli 2020. De overeenkomsten die met Lemmers en [I] waren gesloten liepen op die datum af. Per 1 juli 2019 zijn voorts de statuten van SOL gewijzigd en zijn [C] , [D] en [E] benoemd als commissarissen van SOL. Voordien waren zij vanaf 1 januari 2019 commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf.

2.11

De raad van commissarissen had aanvankelijk een voorkeur voor een éénhoofdig bestuur van SOL, maar is tegemoet gekomen aan de wens van de ondernemingsraad voor een tweehoofdig bestuursmodel. Op 23 december 2019 is aan de ondernemingsraad advies gevraagd over een voorgenomen besluit van de raad van commissarissen over de invulling van de topstructuur van L1 door een tweehoofdig collegiaal bestuur voor een periode van vier jaar. In aanvulling op deze adviesaanvraag heeft de raad van commissarissen op 15 januari 2020 aan de ondernemingsraad laten weten dat, gelet op de beleidsregels van het Commissariaat voor de Media, het voorgenomen besluit tevens inhoudt dat de bestuurders openbaar zullen worden geworven. Bij brief van 19 februari 2020 heeft de ondernemingsraad aangedrongen op (her)benoeming van [H] en [I] als bestuurders en op 31 maart 2021 heeft de ondernemingsraad laten weten dat hij het openbaar werven van twee bestuurders zeer onwenselijk vindt en dat het zijn doel is [H] en [I] te behouden. Na verdere discussie over het bestuursmodel heeft de raad van commissarissen op 17 april 2020 aan de ondernemingsraad laten weten dat een aanvang zal worden gemaakt met het openbaar werven van twee bestuurders en dat de ondernemingsraad te zijner tijd op de voet van artikel 30 WOR advies zal worden gevraagd over een voorgenomen benoemingsbesluit.

2.12

Het wervings- en selectieproces, waaraan [H] en [I] naast externe kandidaten hebben deelgenomen, heeft geresulteerd in een voornemen van de raad van commissarissen tot benoeming van [A] (die voorheen niet bij L1 betrokken was) en [H] als bestuurders. Medio juni 2020 heeft [H] laten weten dat hij de functie van bestuurder wilde uitoefenen op basis van een managementovereenkomst, terwijl de raad van commissarissen zich op het standpunt stelde dat een benoeming slechts zou kunnen plaatsvinden op basis van een arbeidsovereenkomst.

2.13

De raad van commissarissen heeft vervolgens op 29 juni 2020 op het intranet van L1 bekendgemaakt dat over de benoeming van een bestuurder met het profiel ‘strategisch commercieel’ binnenkort een voorgenomen benoemingsbesluit op de voet van artikel 30 WOR zal worden voorgelegd aan de OR (zoals hij ook heeft gedaan op 30 juni 2020) en dat voor de functie van bestuurder met het profiel ‘strategisch operationeel’ geen geschikte kandidaat is gevonden en dat de managementovereenkomst met [H] per 1 juli 2020 afloopt. Diezelfde dag heeft de ondernemingsraad op het intranet van L1 laten weten “met groot ongenoegen en verbijstering” kennis te hebben genomen van het bericht van de raad van commissarissen. Op 30 juni 2020 heeft een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft de ondernemingsraad in een open brief (ook verzonden aan het Commissariaat voor de Media) aan de raad van commissarissen onder meer geschreven:

De OR is verbijsterd over de ontstane situatie en vraagt zich af hoe de RvC het zover heeft kunnen laten komen. (…) Ook het personeel is verbijsterd en (…) nagenoeg het voltallige personeel [heeft] geen enkel vertrouwen meer (…) in de Raad van Commissarissen. Het handelen van de Raad brengt de continuïteit van L1 in gevaar. (…)

Het personeel van L1 [heeft] veel vertrouwen in [ [H] en [I] ] en [vindt] het schadelijk voor de continuïteit van het bedrijf dat beide directieleden moeten vertrekken.

De redactieraad heeft diezelfde dag op intranet steun betuigd aan de open brief van de Ondernemingsraad.

Op 1 juli 2020 heeft de raad van commissarissen op intranet geschreven dat de berichten van de ondernemingsraad feitelijk onjuist, onvolledig en eenzijdig zijn en dat de privacy van de kandidaten meebrengt dat de raad van commissarissen niet alle informatie kan delen. De raad van commissarissen schrijft onaangenaam te zijn verrast door wendingen in het benoemingsproces die tot gevolg hebben gehad dat een oorspronkelijk beoogde benoeming niet door kon gaan en dat inmiddels aan de ondernemingsraad advies is gevraagd over de benoeming van één bestuurder.

2.14

Op 4 juli 2020 heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad waarbij is afgesproken dat met behulp van een bemiddelaar binnen twee weken zal worden bezien of tussen de raad van commissarissen en [H] alsnog overeenstemming kan worden bereikt over benoeming van [H] als bestuurder, dat [J] , die eerder betrokken was bij L1 als (interim) bestuurder van SOL, als interim bestuurder wordt aangesteld en dat de adviesaanvraag op de voet van artikel 30 WOR over de benoeming van [A] zal worden opgeschort in afwachting van de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] . De raad van commissarissen en de ondernemingsraad hebben de afspraken in een gezamenlijk bericht op intranet bekend gemaakt en de intentie uitgesproken hun samenwerking te verbeteren.

2.15

De bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] , waarbij de voorzitter van de ondernemingsraad als toehoorder aanwezig was, is niet binnen de beoogde twee weken voltooid. De raad van commissarissen heeft vervolgens aangedrongen op advisering door de ondernemingsraad over de voorgenomen benoeming van [A] . Op 3 september 2020 heeft de ondernemingsraad herhaald niet te zullen adviseren voordat de bemiddeling is afgerond.

2.16

De raad van commissarissen heeft [A] op 4 september 2020, met ingang van 7 september 2020 benoemd als bestuurder van SOL. Op 7 september 2020 heeft de ondernemingsraad de raad van commissarissen tevergeefs gesommeerd tot intrekking van het benoemingsbesluit. In reactie op een uitnodiging van [A] voor een informele kennismaking, heeft de ondernemingsraad op 8 september 2020 aan [A] geschreven dat zijn benoeming volgens de ondernemingsraad in strijd met de wet is en dat de ondernemingsraad dan ook niet kan ingaan op de uitnodiging.

2.17

De ondernemingsraad heeft in een kort geding tegen de raad van commissarissen de schorsing gevorderd van het besluit van 4 september tot benoeming van [A] . Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2020 is die vordering afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de ondernemingsraad ten onrechte heeft volhard in zijn standpunt dat hij op grond van de afspraken van 4 juli 2020 nog niet hoefde te adviseren en dat de ondernemingsraad inmiddels voldoende tijd heeft gehad om te adviseren. Op 14 oktober 2020 heeft de ondernemingsraad alsnog geadviseerd over de benoeming van [A] . Het advies (door de ondernemingsraad zelf betiteld als ‘aanbevelingen’) vermeldt onder meer dat de ondernemingsraad het vonnis van 9 oktober 2020 zal respecteren, dat [A] niet gaat over redactionele zaken, dat [A] moet gaan werken aan het actualiseren van zijn kennis van het medialandschap, dat de ondernemingsraad aandringt op succesvolle afronding van het bemiddelingstraject met [H] en dat [A] nog niet heeft laten zien dat hij beschikt over verbindende kwaliteiten en “gewenst gedrag” nog niet heeft laten zien. Op 16 oktober 2020 heeft De Limburger over het advies van de ondernemingsraad gepubliceerd onder de kop “L1-directeur mag zich niet bemoeien met redactie”.

2.18

In het weekend van 24/25 oktober 2020 hebben één of meer medewerkers van L1 een zwart kruis geplakt op het raam naast de deur van de werkkamer van [A] en zijn enkele uitroeptekens, afgedrukt op A3 formaat, op de ramen van zijn werkkamer geplakt. Daarbij is een afgesloten ruimte betreden waar zich de financiële administratie bevindt. De uitroeptekens zijn geplaatst achter de tekst “Wij willen onze directie terug”, in letters op A3 formaat aangebracht op de ramen van het kantoorgebouw zodat deze tekst vanaf de straat leesbaar is. Voorts is het naambordje van de assistente van [A] verwijderd. Gebleken is dat alleen [F] (voorzitter van de ondernemingsraad) dat weekend gebruik had gemaakt van de A3-print/kopieerfaciliteiten. Op 27 oktober 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [F] in aanwezigheid van [G] (vicevoorzitter van de ondernemingsraad). Het verslag van het gesprek houdt in dat [F] op de vraag wat op zaterdagavond is geprint/gekopieerd, heeft geantwoord dat hij niet weet of hij deze vraag wil beantwoorden zonder advocaat. Vervolgens heeft [F] verklaard dat hij A3 prints/kopieën heeft gemaakt ten behoeve van de mediationbijeenkomst op 27 oktober 2020 tussen de raad van commissarissen en [H] (waar hij als toehoorder aanwezig was). De volgende dag heeft [F] zich ziek gemeld. In een videoboodschap van 1 november 2020 heeft [A] zich voorgesteld aan de medewerkers van L1, aandacht besteed aan de weerstand die zijn benoeming binnen de organisatie heeft opgeroepen en te kennen gegeven dat het incident op 24/25 oktober en ander intimiderend gedrag niet getolereerd zal worden. In een op 4 november 2020 op het intranet gepubliceerde reactie hebben de ‘dagchefs en hoofden redactie’ te kennen gegeven die reactie buitenproportioneel te vinden en dat als gevolg van de reactie “een angstcultuur en verdeeldheid op de werkvloer” dreigt te ontstaan. Bij brief van 23 november 2020 heeft de ondernemingsraad aan [A] kritische vragen gesteld over het feit dat [A] inlogactiviteiten heeft geraadpleegd naar aanleiding van het incident op 24/25 oktober 2020. Op 28 november 2020 is in dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “Directeur L1 controleert personeel”.

2.19

Ten tijde van zijn benoeming tot bestuurder van L1 was [A] lid van de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Hij heeft deze nevenfunctie op 10 november 2020 neergelegd.

2.20

Eind november 2020 is de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] over diens mogelijke benoeming tot tweede bestuurder van L1 (zie 2.14) geëindigd zonder dat overeenstemming is bereikt.

2.21

De raad van commissarissen heeft op 24 december 2020 de ondernemingsraad uitgenodigd voor een open gesprek. In reactie daarop heeft de ondernemingsraad zich op 11 januari 2021 op het standpunt gesteld dat de raad van commissarissen eerst met “het personeel” zou moeten praten. De ondernemingsraad heeft het standpunt op 12 januari 2021 op intranet gepubliceerd.

2.22

Op 5 januari 2021 heeft een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden onder begeleiding van de externe vertrouwenspersoon. Daarna heeft de vertrouwenspersoon twee gesprekken gevoerd met [A] .

2.23

Binnen L1 bestaat geen privacyreglement. Dit is besproken tussen de ondernemingsraad en [A] op 9 november 2020 en op 9 december 2020 heeft de ondernemingsraad aan [A] laten weten er belang aan te hechten om tezamen met de bestuurder na te denken over het te implementeren privacyreglement. [A] heeft vervolgens een concept-privacyreglement laten opstellen door advocatenkantoor Boels Zanders. Dit concept houdt onder meer het volgende in:

  • -

    Het reglement heeft tot doel te voldoen aan de verplichtingen uit de AVG en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te beschermen tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (artikel 2.2).

  • -

    L1 is zich ervan bewust dat in een journalistieke organisatie als de hare de bescherming van persoonsgegevens een belangrijk thema is en handhaaft het uitgangspunt van dataminimalisatie, dat wil zeggen het verzamelen en bewaren van zo min mogelijk persoonsgegevens (artikel 2.3).

  • -

    Het kantoor en terrein van L1 is beveiligd door een cameraobservatiesysteem dat exclusief tot doel heeft de veiligheid en eigendommen van L1 en haar medewerkers te waarborgen en niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden (artikel 6.1).

  • -

    L1 behoudt zich het recht voor (verborgen) camera’s op de werkplek in te zetten met dien verstande dat daarbij onder meer de volgende waarborgen in acht worden genomen:

a. L1 dient een gerechtvaardigd belang te hebben bij het (verborgen) cameratoezicht dat er onder andere in kan zijn gelegen dat het ondanks allerlei inspanningen niet gelukt is een einde te maken aan diefstal, fraude of ander onrechtmatig gedrag;

b. het (verborgen) cameratoezicht moet noodzakelijk zijn en kan slechts worden toegepast indien geen minder ingrijpend middel beschikbaar is om hetzelfde doel te bereiken;

c. het gebruik van (verborgen) camera’s is tijdelijk;

d. L1 zal voorafgaand een data protection impact assessment uitvoeren en indien daaruit naar voren komt dat de inzet van (verborgen) camera’s een hoog privacyrisico oplevert, zal L1 met de Autoriteit Persoonsgegevens overleggen voordat het cameratoezicht wordt gestart;

e. L1 informeert werknemers en opdrachtnemers achteraf over het gebruik van verborgen camera’s.

Aan het concept-privacyreglement is een stuk gehecht getiteld “Beleid e-mail, internet, social media gebruik”. Dit stuk houdt onder meer het volgende in.

  • -

    Het wordt vastgesteld en kan slechts worden gewijzigd met instemming van de ondernemingsraad (artikel 1.1 en 2.3).

  • -

    L1 zal persoonsgegevens over internetgebruik, zoals tijdsbesteding en bezochte sites, wel registreren en niet controleren. Dit laat onverlet dat controles op incidentele basis vanwege een zwaarwichtige reden kunnen plaatsvinden (artikel 5.3).

  • -

    Medewerkers en freelancers mogen zich op social media niet negatief uitlaten over L1 (artikel 6.3).

  • -

    Controle op e-mail-, internet- en social media-gebruik vindt slechts plaats met inachtneming van onder meer de volgende beperkingen (artikel 7.1):

a. controle in het kader van begeleiding en/of individuele beoordeling vindt steekproefsgewijs plaats en beperkt zich tot uitsluitend zakelijke mailberichten. De direct leidinggevende voert de controle uit en kondigt de controle te voren aan;

b. controle in het kader van het tegengaan van verboden gebruik vindt in beginsel geanonimiseerd en slechts steekproefsgewijs plaats.

c. controle in het kader van kosten- en capaciteitsbeheersing worden beperkt tot verkeersgegevens (tijd, hoeveelheid, omvang en dergelijke).

  • -

    Uitsluitend als L1 een redelijk vermoeden heeft dat een medewerker, freelancer of opdrachtnemer of een groep van medewerkers, freelancers en of opdrachtnemers de regels van de regeling overtreedt, controleert L1 het e-mail- en/of internetgebruik gedurende een van tevoren vastgestelde zo kort mogelijk durende periode gericht en op de inhoud (artikel 7.2).

  • -

    L1 controleert geen e-mailberichten van leden van de ondernemingsraad onderling, van bedrijfsartsen en van iedere andere medewerker, freelancer en of opdrachtnemer die zich op grond van zijn functie op enige vertrouwelijkheid moet kunnen beroepen, behoudens zwaarwichtige redenen (artikel 7.5).

2.24

Op 15 januari 2021 heeft het hoofd HR van L1 het concept-privacyreglement ter commentaar aan de ondernemingsraad en het managementteam gezonden. Bij brief van 23 januari 2021 hebben de ondernemingsraad, de redactieraad, de hoofdredactie en een aantal afdelingen van L1 onder meer het volgende geschreven aan de raad van commissarissen, met afschrift aan [A] en de mediaraad:

L1 verkeert in grote nood. De autoritaire wijze van leidinggeven van enig bestuurder [A] , in combinatie met een gebrek aan verbindende initiatieven van zijn zijde, leiden tot een onhoudbare situatie op de werkvloer. De ontstane crisis heeft niks te maken met het verleden, maar is een gevolg van het doen en laten van de bestuurder die op 4 september 2020 is benoemd.

(…)

De bestuurder heeft (…) wantrouwen in mensen als uitgangspunt en dat bederft het dagelijkse werkklimaat.

Wantrouwen als uitgangspunt blijkt ook uit het concept-beleid over controle op alle digitale activiteiten van L1-medewerkers. Zo wil de bestuurder alle mails, zelfs van OR-leden onderling en bedrijfsartsen, kunnen inzien als daar ‘zwaarwichtige redenen’ voor zijn. En hij bepaalt in zijn eentje wat ‘zwaarwichtige redenen’ zijn.

(…)

In het persbericht bij de benoeming van [A] (…) heeft de RvC (…) aangekondigd dat er nog een tweede bestuurder wordt benoemd. Gesprekken met de beoogde tweede bestuurder (…) liepen zo’n acht weken geleden mis. Daarna heeft de organisatie niets meer gehoord. (…)

Wij vragen uw raad dringend om uiterlijk over een week inhoudelijk te reageren, inclusief op zijn minst het begin van een oplossing. (…)

2.25

In reactie op de brief heeft de raad van commissarissen op 24 januari 2021 de ondernemingsraad opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. De ondernemingsraad heeft op 25 januari 2021 te kennen gegeven bereid te zijn om samen met een delegatie van het personeel een toelichting te geven op de brief en de raad van commissarissen opnieuw verzocht inhoudelijk te reageren op de brief. Op 26 januari 2021 heeft de website Villamedia aan [A] vragen gesteld over de inhoud van de brief van 23 januari 2021 en op 26 januari 2021 is in dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “Autoritaire leiding. Personeel L1: omroep in grote nood” en op 28 januari 2021 een artikel onder de kop: “NVJ zeer bezorgd over noodsituatie bij L1”. In dat laatste artikel staat ook dat de NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten) gekant is tegen het lidmaatschap van [D] van de raad van commissarissen omdat zij ook lid is van Provinciale Staten van Limburg.

2.26

Naar aanleiding van de aanstelling van een interim manager mediafaciliteiten, heeft de ondernemingsraad bij brief van 26 januari 2021 aan [A] geschreven dat daarover overleg gepleegd had moeten worden met de ondernemingsraad en daarover advies had moeten worden gevraagd op grond van artikel 25 lid 1 sub f WOR. In reactie daarop heeft [A] op 31 januari 2021 aan de ondernemingsraad geschreven dat overleg over de benoeming niet heeft plaatsgevonden omdat de overlegvergadering van 18 januari 2021 door de ondernemingsraad is geannuleerd en dat geen sprake is van een adviesplichtig besluit.

2.27

Het Commissariaat voor de Media heeft bij brief van 29 januari 2021 aan SOL geschreven dat bij de benoeming van de commissarissen en [A] de Mediawet en de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat niet zijn overtreden.

2.28

Op 2 februari 2020 hebben twee anonieme medewerkers van L1 aan de ondernemingsraad klachten kenbaar gemaakt over het functioneren van [A] . De klachten houden onder meer in dat [A] veranderingen wil doorvoeren zonder voldoende op de hoogte te zijn van de binnen L1 gebruikelijke gang van zaken.

2.29

Op 2 februari 2021 heeft de hoofdredactie aan de ondernemingsraad, met cc aan [A] , het volgende geschreven in reactie op het verzoek van de ondernemingsraad aan de hoofdredactie om een reactie op het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet en social media gebruik:

De hoofdredactie heeft met verbijstering kennis genomen van onderdelen van het concept Privacyreglement (met name verborgen camera’s) en van het concept Beleid e-mail, internet en social media. Zeker het tweede document raakt de persvrijheid binnen ons bedrijf.

Of voor de gekozen aanpak voldoende juridische grondslag bestaat kunnen wij niet beoordelen. Wij nemen aan dat de OR (instemmingsrecht) zich juridisch laat bijstaan. (…)

Bronbescherming is cruciaal in de journalistiek. In beide concept-regelingen komt het woord niet eens voor. Sterker, de voorgestelde regeling over mail, online en social media vormt een ernstige bedreiging voor L1-journalisten die hun bronnen moeten beschermen.

(…)

In het Beleid e-mail, internet, social media gebruik, staat dat de controle onder meer is bedoeld voor ‘individuele beoordeling’ van werknemers. Deze formulering biedt de bestuurder kennelijk de mogelijkheid redacteuren persoonlijk (inhoudelijk) te controleren. Dat zou een rechtstreekse inbreuk op de persvrijheid betekenen. (…) En persoonlijke beoordeling van medewerkers is sowieso geen taak van de bestuurder maar van de leidinggevende van betrokken redacteur.

(…)

De bestuurder wil verder onder voorwaarden het installeren van verborgen camera’s op de redactie mogelijk maken (…).

Als hoofdredactie maken wij ernstig bezwaar tegen dit paardenmiddel (…). In een cultuur waar vrijheid van pers hoog in het vaandel staat, horen in onze ogen geen geheime camera’s thuis.

In de regelingen staat niets over checks and balances. Wij vinden het voorgestelde beleid voor een publieke media-instelling onacceptabele controlecultuur geconcentreerd bovendien bij één persoon.”

2.30

Op 3 februari 2021 heeft er een korte demonstratieve werkonderbreking bij L1 plaatsgevonden. Dezelfde dag heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad. Bij aanvang van dit overleg heeft de ondernemingsraad aan de raad van commissarissen een stuk overhandigd met opmerkingen van medewerkers van L1 over het functioneren van [A] als bestuurder en met vragen aan de raad van commissarissen over zijn rol in reactie op die bezwaren. Het stuk houdt voorts in dat het niet de bedoeling is dat de ondernemingsraad met de raad van commissarissen in discussie gaat over de inhoud van de bezwaren en de vragen van de medewerkers. De raad van commissarissen heeft in het gesprek het lekken van informatie aan de pers aan de orde gesteld. Na afloop van de bespreking heeft de voorzitter van de ondernemingsraad aan de commissarissen geschreven dat de vragen en opmerkingen van het personeel geen indruk op de raad van commissarissen lijken te maken, dat het personeel de volgende dag een schriftelijke reactie van de raad van commissarissen verwacht en dat het personeel eist dat de raad van commissarissen voor 15 februari 2021 met een concrete oplossing voor de vertrouwensbreuk komt. Op 4 februari 2021 is op de website van NRC Handelsblad een artikel gepubliceerd onder de kop “Spreekverbod voor ondernemingsraad na werkonderbreking bij omroep L1”. In het stuk staat onder meer dat [A] zich het recht wil voorbehouden om bij door hem te bepalen zwaarwegende redenen verborgen camera’s op te hangen om het gedrag van personeelsleden te kunnen bekijken en dat hij e-mailverkeer, ook van leden van de ondernemingsraad, bedrijfsartsen en redacteuren, wil kunnen inzien.

2.31

Bij brief van 5 februari 2021 heeft [A] aan de ondernemingsraad geschreven dat hij het concept-privacyreglement intrekt. Als reden daarvoor noemt de brief onder meer dat het nooit de bedoeling is geweest om de journalistieke bronbescherming aan te tasten of te tornen aan de vertrouwelijkheid van de communicatie van de leden van de ondernemingsraad onderling en aan het beroepsgeheim van bedrijfsartsen en dat het betreurenswaardig is dat dit beeld is ontstaan, omdat het concept juist aansluit bij de gangbare normen voor de omgang met persoonsgegevens door werkgevers en de door de Autoriteit Persoonsgegevens opgestelde kaders. Kort daarna is in de Whatsappgroep van de dagchefs het volgende bericht verzonden:

Ter info: we publiceren nog even niet. De hoofdredactie komt straks met een reactie. Daarna komt het online. We willen namelijk voorkomen dat de buitenwereld denkt dat nu alles opgelost is. Want dat is wat [A] hiermee wil bereiken. Ons doel is [A] naar elders.

De hoofdredactie heeft in de avond van 5 februari 2021 aan de ondernemingsraad onder meer het volgende geschreven over de intrekking van de concept-reglementen:

Met deze voornemens heeft de bestuurder/directeur – in onze ogen – L1 als journalistieke organisatie afgelopen week grote reputatieschade berokkend.

Er is zowel in vakkringen als door het publiek louter negatief gereageerd op de controleplannen. Dat betreurt de hoofdredactie zeer. De hoofdredactie hoopt dat ons publiek weer alle vertrouwen heeft in de L1 redactie, waar bronbescherming en persvrijheid het grootste goed zijn.

Op 6 februari 2021 is het hierboven geciteerde bericht van de hoofdredactie op intranet gepubliceerd.

2.32

Op 8 februari 2021 heeft de raad van commissarissen aan de ondernemingsraad geschreven en op intranet bekendgemaakt dat hij een enquêteverzoek zal doen bij de Ondernemingskamer. In het bericht schrijft raad van commissarissen onder meer:

Wij nemen de geluiden vanuit het personeel uiterst serieus. Dat geldt niet alleen voor de geluiden zoals die vanuit de briefschrijvers van 23 januari komen, maar ook van andere geluiden die ons bereiken en die op wezenlijke punten ook anders zijn. Samenvattend komen wij tot de conclusie dat er veel meer aan de hand is in de organisatie van L1, dat dit een jarenlange ontstaansgeschiedenis heeft en dus veel langer speelt dan de actuele situatie rondom de bestuurder. Dit vraagt om nader onderzoek en ingrijpen.

2.33

Op 10 februari 2021, 25 februari 2021 en 25 maart 2021 hebben in totaal tien medewerkers van L1 gelijkluidende brieven, gericht aan de raad van commissarissen, in bewaring gegeven bij een notaris. In de brieven staat onder meer:

Zonder partij te kiezen voelen wij ons door een bepaalde groep van onze collega’s geïntimideerd. De trend lijkt te zijn: “ben je het niet met ons eens, dan lig je eruit”.

Blijkbaar mag en kan je in een journalistiek bedrijf als waar wij voor werken geen eigen mening hebben en/of daarvoor uitkomen. Degene die het hardste schreeuwt wint. Daardoor voelen wij ons niet veilig binnen ons bedrijf.

De manier waarop onrust wordt gecreëerd en zaken naar buiten worden gebracht is naar onze mening, op zijn zachtst gezegd, onkies en zeer schadelijk voor het bedrijf (grote imagoschade).

Het structureel lekken van interne informatie naar andere media (…) is naar onze mening ongehoord. Wij kunnen niet begrijpen dat de hoofdredactie hierop niet ingrijpt. Onder “normale omstandigheden” zou dit nooit en te nimmer geaccepteerd worden.

Verder vinden wij het schokkend te constateren, dat in een journalistieke omgeving als de onze, hoor en wederhoor niet/nauwelijks wordt toegepast. Daardoor is er sprake van eenzijdige en tendentieuze berichtgeving in de media.

(…)

Wij roepen u, als Raad van Commissarissen op, actie te ondernemen en orde op zaken te stellen.

2.34

Op 11 februari 2021 heeft [J] , voorzitter van SOL van 2011 tot 1 juli 2019 en interim bestuurder van L1 van 1 juli 2020 tot 7 september 2020, een verklaring afgelegd over zijn ervaringen. De verklaring houdt onder meer in:

Toen ik in mijn eerste periode als interim bestuurder de vacature van bestuurder van L1 zo snel mogelijk moest vullen, kwam [ [B] ] met de opmerking dat een directeur niet nodig was. De bestuursfunctie kon gemakkelijk verdeeld worden over twee afdeling managers. Zo gezegd zo gedaan. Achteraf bleek dat [ [B] ] de grootste viool speelde en dat de managers met een bestuursfunctie niet tegen hem opgewassen waren. Zoals ook duidelijk werd in de evaluatie.

(…)

Begin juli 2020 ben ik begonnen aan mijn tweede periode als interim bestuurder. In mijn eerste MT-vergadering hebben de MT-leden stoom afgeblazen met name over de R.v.C.: “ze weten van niks en ze hebben [ [H] en [I] ] slecht behandeld”. Ik heb gezegd dat ik het een taak en verantwoordelijkheid van het MT vind om rust te bewaren en zich in te zetten voor een oplossing. Ik werd meewarig aangekeken. De geest was uit de fles. (…)

(…)

Op 7 september 2019 treedt [A] aan als nieuwe directeur/bestuurder van SOL/L1. Ik heb [A] verwelkomd en rondgeleid. De volgende dag heb ik de eerste MT-vergadering met [A] ook bijgewoond. Het was allen (MT) tegen één ( [A] ). Ik was met stomheid geslagen toen [ [B] ] van [ [A] ] eiste dat hij zich achter het personeel zou scharen en zich tegen de R.v.C. zou keren!

Verder poneerde [ [B] ] de stelling dat de benoeming van [ [A] ] in strijd was met de Mediawet. Ik heb dit bestreden en na de vergadering een briefje bij [ [B] ] op het bureau gelegd waarom [ [B] ] het mis had. De volgende dag stond toch in de krant en op 1Limburg! Ik heb het MT/[ [B] ] gezegd dat ik deze gang van zaken geen integere journalistiek vindt. Want onder de “journalistieke vlag” worden interne conflicten naar buiten gebracht om druk uit te oefenen.

2.35

Op 3 maart 2021 heeft overleg plaatsgevonden tussen de raad van commissarissen enerzijds en vertegenwoordigers van de NJV, FNV en CNV anderzijds zonder dat dit tot overeenstemming heeft geleid.

2.36

In maart 2021 heeft [K] , sinds 2001 werkzaam bij L1, onder meer als secretaris van de directie en de redactie, in een verklaring over haar ervaringen onder meer geschreven:

Toen halverwege 2020 de interne problemen bij L1 de kop op staken, heeft [J] [B] gewaarschuwd om geen positie te kiezen in het conflict gezien zijn functie als hoofdredacteur/lid van het MT. Desondanks heeft [B] op 1 juli het voortouw genomen om met de andere medewerkers een protest te laten horen richting RvC.

(…) De werkrelatie tussen [J] en de hoofdredacteur kwam onder grote druk te staan aan het eind van de tweede interim-bestuursperiode van [J] in het najaar van 2020. Tijdens een MT-vergadering begin september ontstond een discussie tussen [J] en [B] over de positie en bejegening van de nieuwe benoemde bestuurder, [A] . (…) Als resultaat daarvan is de relatie tussen [J] en [B] na een jarenlange goede samenwerking behoorlijk bekoeld.

Als ik de afgelopen vijf maanden vanuit mijn functie als assistent van de huidige bestuurder [A] moet samenvatten zijn die als dynamisch te betitelen. De persoonlijke en zakelijke kwaliteiten zijn hoog. [A] kwalificeer ik als een zeer sociaal en kundig persoon; hij pakt zaken op en aan. Dat is iets waar de organisatie duidelijk aan moet wennen. (…) Naar mijn smaak heeft de nieuwe bestuurder vanaf de start geen enkele kans gekregen zich in zijn functie waar te maken. De totale L1 organisatie isoleert hem. Bij gebrek aan juiste en volledige informatie over de gang van zaken binnen en met betrekking tot L1 laat de organisatie hem zwemmen om hem later te verwijten dat hij van toeten noch blazen weet.

Vanuit mijn rol als secretaris van het MT-overleg heb ik vele jaren tweewekelijkse vergaderingen meegemaakt. Wanneer ik daar met een helikopterblik op terug kijk zie ik een vast patroon: de hoofdredacteur is in ‘the lead’, de andere MT-leden stellen zich doorgaans volgzaam op. Sinds het aantreden van [A] merk ik dat MT-leden sterk neigen het MT als collectief te gebruiken in plaats van op individuele basis de rol te pakken.

2.37

De hoofdredactie van L1 heeft op 15 maart 2021 in reactie op het door de raad van commissarissen namens SOL ingediende enquêteverzoek aan de raad van commissarissen geschreven dat uit dat verzoekschrift niet blijkt dat de hoofdredactie zich niet houdt aan de bestaande governance structuur en dat derhalve geen sprake is van een strijd om de macht. Voorts acht de hoofdredactie de anonieme beweringen over de bedrijfscultuur bij L1 ongeloofwaardig, aldus de brief.

2.38

De NVJ heeft bij brief van 23 maart 2021 zich op het standpunt gesteld dat uit de voorgenomen invoering van het privacyreglement blijkt “dat de leiding van L1 – de RvC noch de bestuurder – niet begrijpt wat de kernwaarden van de organisatie zijn”. Voorts acht de NJV het vanuit een oogpunt van journalistieke onafhankelijkheid “uiterst zorgwekkend dat in de Raad van Commissarissen van L1 een actieve politica zitting heeft”, omdat dit de schijn van belangenverstrengeling met zich meebrengt.

2.39

SOL heeft verslagen overgelegd van afzonderlijke verklaringen van drie niet met name genoemde medewerkers van L1, afgelegd tegenover mr. Huijs als advocaat van de raad van commissarissen, die onder meer het volgende inhouden:

NN-I

In juni 2020 heeft er op de parkeerplaats een personeelsbijeenkomst plaatsgevonden. De OR heeft toen aangegeven dat het hele traject voor een nieuwe bestuurder achterwege kon blijven, dat [ [H] en [I] ] het prima deden en dat zij herbenoemd moesten worden. (…) Ik heb mij er ook erg om verbaasd dat na die bijeenkomst de OR heeft aangegeven dat het personeel het vertrouwen in de RvC heeft opgezegd. Dat is helemaal niet zo: de OR zou dat doen.

(…)

Pas later via het kort geding heb ik begrepen dat de benoeming van [ [H] ] is afgeketst op zijn salariseisen. Ook dat heeft mij aan het denken gezet: waarom heeft de OR daar toen helemaal niets van gemeld, op de parkeerplaats?

(…)

Zodra bekend was dat [A] in beeld was, is er een negatieve stemmingmakerij ontstaan. Zeker vanuit de hoofdredactie: [A] was meteen al een ‘pipo’ die nergens voor deugde.

(…)

Ik begrijp de hele gang van zaken niet met betrekking tot het privacyreglement. Nadat ik [A] daar zelf over had gesproken, werd mij direct duidelijk dat hij allerminst de bedoeling had om in mensen hun e-mail en dergelijke te gaan kijken. Maar ik snap het professioneel ook niet. Als jij als OR een concept-privacyreglement toegestuurd krijgt, dan kan je daar misschien wat van vinden, ga je bijvoorbeeld bij collega-organisaties kijken en laat je misschien zelf ook juridisch toetsen (…). Wat je niet moet doen is het concept onder de kopieerapparaat leggen en vervolgens overal gaan verspreiden, met verhalen eromheen die niet kloppen. Helemaal niet gelet op de gespannen situatie, dat is bewuste escalatie en dat vind ik de OR verwijtbaar. De voorzitter en de vicevoorzitter zijn gewoon een campagne aan het voeren, anti de bestuurder. (…)

(…)

Ik voel me niet veilig bij L1. Als ik een ander geluid wil laten horen, dan komt dit terecht bij de hoofdredactie die de regie voert tegen de bestuurder en dan trek ik in deze bestaande machtsstructuur altijd aan het kortste eind. (…) Ik kan er al helemaal niet mee naar de OR, want die zitten vol in die anti-campagne.

(…)

In plaats van dat we ons op de journalistiek concentreren, gaat het alleen nog maar over om de bestuurder weg te krijgen, alle tijd gaat daarin zitten. (…) De hoofdredactie wil elk bericht zien dat over deze zaak gaat. Ze geven instructies (…) en sturen de complete berichtgeving.

NN-II

De hoofdredactie runt het bedrijf, dus niet het bestuur of de RvC. De algemene mores is wat de hoofdredacteur wil, is wet. Tegenspraak wordt niet geduld, als je die geeft, werkt het in je nadeel. Dat is al vele, vele jaren zo. Het geldt eigenlijk op alle gebieden.

(…) Ik vind het uiterst merkwaardig zoals de OR zich nu opstelt. Ik kan geen andere conclusie trekken dan dat zaken ook rechtstreeks vanuit de hoofdredactie komen. Er zijn veel overleggen achter gesloten deuren, waarbij de voorzitter en vice-voorzitter van de OR en de hoofdredacteur betrokken zijn.

(…)

Toen is [A] aangesteld en is het eigenlijk één gekke bende geworden. Nadat de actie tegen de RvC was mislukt, werd [A] het doelwit. (…)

(…) Er wordt een privacy-stuk de organisatie in geslingerd en er wordt weer gezegd ‘kijk dit is weer zo’n rare actie van die man, die al onze e-mails wil inzien’. Je bent eerst geneigd dat voor zoete koek te slikken. Inmiddels heb ik ook wel begrepen hoe het werkelijk zit, namelijk dat nog een concept was dat nog bij de OR lag en ook wat juist de goede beweegredenen hiervoor waren. Dat verhaal kregen wij als personeel echter helemaal niet te horen. Als ik alle feiten een rijtje zet dan denk ik dat [A] juist de boel heeft willen beschermen, maar iedereen gaat met het tegenovergestelde verhaal aan de haal en [A] wordt geframed.

(…)

Er is niemand die de hoofdredacteur echt durft tegen te spreken, de andere hoofddirectieleden doen ook precies wat hij zegt. Wij noemen L1 dan ook de zender Leo 1. De bedrijfscultuur met alle lijntjes die er lopen, vanuit hoofdredactie naar OR-leden naar redactie etc. is totaal verziekt.

NN-III

In juni 2020 op de parkeerplaats is het verhaal zoals het tot nu toe loopt, volgens mij begonnen. (…) Dat gebeurde echt vanuit de hoofdredactie: de hoofdredacteur nam het woord en vertelde ons allemaal hoe erg het was dat [ [H] en [I] ] het niet waren geworden. (…) De aanjagers hebben ons nooit verteld dat het wel degelijk de bedoeling van de RvC was geweest om [ [H] ] aanvankelijk te benoemen, maar dat het stukgelopen is omdat [ [H] ] ineens andere salariseisen ging stellen.

(…)

Al voordat [A] op het bedrijf kwam, waren er al plannen om het hem onmogelijk te maken. (…) Nog voordat [A] kwam heeft hij geen kans gehad, het was toen al een en al verhalen van dat er niks van hem deugde (…). Allemaal negatieve verhalen en stemmingmakerij.

(…)

Ik zie het ook duidelijk hoe de berichtgeving wordt gebruikt, wij als media kunnen dat beïnvloeden en zo zie je dat in de berichtgeving de RvC en [A] steeds als de boemannen naar voren komen, terwijl er ook gewoon dingen worden weggelaten die dan even niet uitkomen om ook te vermelden.

(…)

De verhalen over [A] en zijn camera’s die bewust in de organisatie werden verspreid hebben hem tot een karikatuur gemaakt. Ik heb inmiddels zelf wat zaken op een rijtje gezet en zie dat het gecreëerde beeld totaal niet klopt met de werkelijkheid.

Soms denk ik, hoe kan het zijn in een journalistieke organisatie dat er zoveel mensen intrappen? (…)

Als mediabedrijf weten wij vakkundig de media te bespelen en dat zie ik ook gebeuren door het uiterst selectief lekken.

De OR is een verlengstuk van de hoofdredactie geworden. Ik weet dat de hoofdredacteur tegenwoordig ook aanschuift bij OR-overleg.

(…)

Ik heb deelgenomen aan kennismakingsgesprekken met [A] . (…) In werkelijkheid is het beeld dat van deze man binnen de organisatie rondgaat in het geheel niet terug te zien. Ook de ideeën die hij heeft komen op mij over als gericht op een verbetering en professionalisering van de organisatie (en verder niets anders). Maar ik durf dat niet hardop te zeggen (…). Daar wordt je op afgerekend. Tot zover het zogenaamde vrije woord, daar is in werkelijkheid bij L1 geen ruimte voor dat zie ik ook met de berichtgeving vanuit L1 over deze kwestie, daar doet de hoofdredactie nog een slag over voordat het wordt geplaatst en dan komt het geheid nog negatiever voor [A] en de RvC eruit.

(…)

De OR zie ik als de handpop van de hoofdredactie en bij de hoofdredactie zelf kan ik uiteraard niet terecht (…) En [A] ? Ik wil helemaal geen vriendjes worden met de directeur, zo’n type ben ik niet. Ik wil er eigenlijk allemaal niks mee te maken hebben en het liefst op een eerlijke manier mijn werk kunnen doen.

(…)

Het is gewoon ordinair pestgedrag wat je op een middelbare school zou verwachten. Ik schaam me voor de organisatie.

2.40

Een online petitie op 30 en 31 maart 2021 verspreid onder de medewerkers en ondertekend door 88 geanonimiseerde medewerkers, houdt in dat de ondertekenaars nog steeds achter de ondernemingsraad en de brief van 23 januari 2021 staan en hopen dat de Ondernemingskamer de verzoeken van de ondernemingsraad zal toewijzen.

2.41

Op 8 april 2021, voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de verzoeken, heeft de redactie van L1 op de site van L1 een bericht gepubliceerd, waarin onder meer staat:

Ook ontstond er onrust toen bleek dat [A] verborgen camera’s wilde laten ophangen op onder meer de redactie. Dat stond in een concept-privacyreglement.

3 De gronden van de beslissing

De standpunten van partijen

3.1

SOL, vertegenwoordigd door de raad van commissarissen, heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van L1 en dat gelet op de toestand van L1 onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

  1. Binnen L1 bestaat een geschil over de vraag wie het feitelijk voor het zeggen heeft en op welke wijze partijen zich tot elkaar dienen te verhouden.

  2. In strijd met de wettelijke en statutaire bevoegdheden, trachten de ondernemingsraad en de redactie feitelijk te bepalen wie bestuurder van L1 zou moeten zijn. Dat doen zij op een wijze die constructieve medezeggenschap onmogelijk maakt en leidt tot escalatie van de onderlinge verhoudingen.

  3. Bij de raad van commissarissen is uit ontvangen berichten het beeld ontstaan dat de hoofdredactie een sturende rol vervult op de achtergrond en haar positie misbruikt in de interne strijd om de macht.

  4. Extern ingrijpen is noodzakelijk om de interne verhoudingen binnen L1 te normaliseren.

3.2

L1, vertegenwoordigd door haar bestuurder, heeft het verzoek van SOL ondersteund en heeft daaraan en aan haar eigen verzoek onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

  1. De ondernemingsraad, de hoofdredactie en delen van het personeel vinden dat de bestuurder van L1 zich moet gedragen als louter dienstbaar aan de hoofdredactie en miskennen de wettelijke en statutaire verantwoordelijkheden van de bestuurder.

  2. Als gevolg daarvan zijn de verhoudingen binnen L1 fundamenteel en duurzaam ontwricht.

  3. Vanuit L1 wordt een geregisseerde mediacampagne gevoerd waarbij interne informatie selectief wordt gelekt en de publieke opinie wordt beïnvloed met als doel het draagvlak van de bestuurder en de raad van commissarissen te ondermijnen.

  4. Er bestaat binnen L1 al jaren een angstcultuur waarin geen ruimte is voor opvattingen die afwijken van die van de hoofdredactie.

3.3

De ondernemingsraad heeft onder meer het volgende naar voren gebracht. L1 functioneert naar behoren en oefent haar taken als regionale omroep goed uit. Zowel de raad van commissarissen als de huidige bestuurder hebben onvoldoende kennis van en ervaring met de mediawereld. Dat de raad van commissarissen zichzelf niet (meer) in staat acht een tweede bestuurder te benoemen, is een brevet van onvermogen. Er is een onhoudbare situatie op de werkvloer als gevolg van een autoritaire wijze van leidinggeven van [A] . Het personeel heeft geen vertrouwen meer in [A] . De raad van commissarissen blijft zijn keuze om [A] te benoemen als bestuurder ten onrechte verdedigen. De ondernemingsraad betwijfelt of een onderzoek nodig is om tot herstel van goede verhoudingen te komen; schorsing van [A] en benoeming van een tijdelijk bestuurder zijn vooralsnog voldoende. Als een onderzoek wordt gelast, dient het functioneren van de raad van commissarissen daarin te worden betrokken. De ondernemingsraad heeft voorts een schriftelijke reactie van [B] op het verweerschrift van L1 overgelegd. Die reactie houdt onder meer in dat er geen ‘strijd om de macht’ gaande is binnen L1 en dat hij ( [B] ) zijn gezag binnen L1 ontleent aan zijn ervaring en argumenten. [B] vindt dat [A] inhoudelijke discussies uit de weg gaat en dat hij ( [B] ) niet eerder is aangesproken op hetgeen hem thans wordt verweten.

Het oordeel van de Ondernemingskamer

3.4

De Ondernemingskamer deelt de opvatting van partijen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken binnen L1 te twijfelen. Hieronder komen het functioneren van de raad van commissarissen, de bestuurder, de ondernemingsraad en de hoofdredacteur aan de orde. Voorafgaand aan die beschouwingen kan op basis van de hierboven weergegeven feiten al geconstateerd worden dat de problemen binnen L1 in sterke mate samenhangen met een ongezonde dynamiek tussen enerzijds raad van commissarissen en het bestuur en anderzijds de ondernemingsraad en de hoofdredactie. De verhoudingen binnen L1 zijn grondig verstoord. Gevreesd moet worden dat zowel de medewerkers van L1 als de publieke functie van L1 daaronder te lijden hebben.

3.5

Uit onderzoek zal moeten blijken wat de diepere oorzaken van de problemen zijn. Voorshands is aannemelijk dat, anders dan de ondernemingsraad heeft aangevoerd, het functioneren van [A] niet de voornaamste oorzaak van de problemen is. Dat wordt hieronder toegelicht.

Het functioneren van de raad van commissarissen

3.6

De raad van commissarissen heeft namens SOL de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen omdat de raad van commissarissen zich in de gegeven omstandigheden niet zelf in staat acht om maatregelen te treffen ter sanering van de verhoudingen binnen L1. De onmacht van de raad van commissarissen is op zichzelf al gegronde reden om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen. Statutair heeft raad van commissarissen immers verregaande bevoegdheden om in te grijpen (zie 2.7): de raad van commissarissen kan haar eigen samenstelling uitbreiden of wijzigen, bestuurders benoemen en ontslaan en de hoofdredacteur benoemen en ontslaan, zij het dat de mediaraad en de redactieraad over dat laatste kunnen adviseren en – zo begrijpt de Ondernemingskamer – de mediaraad een ontslag van de hoofdredacteur om zwaarwegende redenen kan blokkeren.

3.7

Het is niet onbegrijpelijk dat de raad van commissarissen tot de slotsom is gekomen dat hij thans niet bij machte is het tij te keren. Uit de hierboven weergegeven feiten blijkt dat de verhoudingen binnen L1 zozeer zijn verhard en geëscaleerd dat enerzijds ingrijpen noodzakelijk is en anderzijds ingrijpen door de raad van commissarissen zelf een aanmerkelijk risico van verdere escalatie meebrengt. Hieronder komt aan de orde dat de raad van commissarissen een aandeel heeft gehad in het voortduren en verergeren van de problemen van L1.

3.8

Toen de huidige commissarissen op 1 januari 2019 aantraden (toen nog als commissarissen van Televisiebedrijf en Omroepbedrijf), was bekend dat [H] en [I] tijdelijk waren aangesteld als bestuurders van L1 en dat hun termijn afliep op 1 juli 2020. Uit de stukken is niet duidelijk waarom de raad van commissarissen er niet in geslaagd is om de werving en selectie van twee met ingang van 1 juli 2020 te benoemen bestuurders tijdig af te ronden. De omstandigheid dat de raad van commissarissen kort voor de deadline van 1 juli 2020 nog kon worden verrast door de complicatie dat [H] als voorwaarde voor zijn benoeming als bestuurder stelde dat met hem een managementovereenkomst zou worden gesloten in plaats van een arbeidsovereenkomst, roept vragen op over de regie die de raad van commissarissen op dit punt heeft gevoerd.

3.9

De op 4 juli 2020 tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad gemaakte afspraak om door middel van bemiddeling binnen een tijdsbestek van twee weken te bezien of alsnog overeenstemming kon worden bereikt met [H] (zie 2.14) beschouwt de Ondernemingskamer als een constructieve stap. Niet goed begrijpelijk is hoe het vervolgens heeft kunnen gebeuren dat die bemiddeling zich heeft voortgesleept tot eind november 2020. Het onderwerp van de bemiddeling was immers overzichtelijk, te weten de (arbeids)voorwaarden in geval van benoeming van [H] tot bestuurder. De spoedeisendheid was bovendien gegeven omdat [H] en [I] hun werkzaamheden als bestuurders op 1 juli 2020 hadden beëindigd en omdat met de benoeming van [A] zou worden gewacht in afwachting van de bemiddeling met [H] . Door de inhoud van die afspraken was dus te voorzien dat (aanzienlijke) overschrijding van de beoogde tijdsduur van de bemiddeling (twee weken) tot problemen zou leiden.

3.10

Toen de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] (met een vertegenwoordiger van de ondernemingsraad als toehoorder) eind augustus 2020 nog altijd niet was afgerond, heeft de raad van commissarissen kennelijk geoordeeld dat met de benoeming van [A] niet langer kon worden gewacht en heeft de raad van commissarissen erop aangedrongen dat de ondernemingsraad over de benoeming alsnog zou adviseren. Dat laatste heeft de ondernemingsraad geweigerd met een beroep op de op 4 juli 2020 gemaakte afspraken en met het argument dat advisering over de benoeming van [A] pas goed mogelijk is nadat duidelijk was of [H] tevens als bestuurder zou worden benoemd. Aldus werd de benoeming van [A] – en daarmee [A] zelf – betrokken in het conflict tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad. Dit heeft bijgedragen aan de moeilijke start van [A] als bestuurder, ook omdat, zoals hieronder bij de bespreking van de rol van de ondernemingsraad aan de orde komt, de ondernemingsraad het niet heeft kunnen opbrengen de positie van [A] als bestuurder los te zien van het geschil tussen de ondernemingsraad en de raad van commissarissen over de procedure van zijn benoeming. Niet gebleken is dat de raad van commissarissen zich de vraag heeft gesteld hoe hij zou kunnen voorkomen dat de benoemingsperikelen de start van [A] als bestuurder zouden bemoeilijken.

3.11

Ook in een later stadium, nadat de ondernemingsraad op 9 oktober 2020 het kort geding had verloren en na het incident van 24/25 oktober 2020, heeft de raad van commissarissen, voor zover thans bekend, geen actie ondernomen om de oplopende spanningen tussen [A] enerzijds en de ondernemingsraad en de redactieraad anderzijds te verminderen. Pas op 24 december 2020 heeft raad van commissarissen de ondernemingsraad uitgenodigd voor een open gesprek (zie 2.21).

3.12

Nadat de bemiddeling tussen de raad van commissarissen en [H] eind november 2020 zonder resultaat was geëindigd, heeft de raad van commissarissen geen (zichtbare) activiteiten ontplooid om te komen tot de benoeming van een tweede bestuurder, (zie de in 2.24 aangehaalde brief van 23 januari 2021). Dit roept de vraag op of de raad van commissarissen vanaf juli 2020 rekening heeft gehouden met dit scenario, zoals de ondernemingsraad ook naar voren heeft gebracht.

3.13

Op grond van het bovenstaande constateert de Ondernemingskamer dat er redenen zijn om te twijfelen aan het functioneren van de raad van commissarissen. Het onderzoek zal, overeenkomstig de bedoeling van de raad van commissarissen, daarom mede op het functioneren van de raad van commissarissen betrekking hebben.

3.14

In het functioneren van de raad van commissarissen en in de toestand waarin L1 zich thans bevindt, ziet de Ondernemingskamer aanleiding om bij wijze van onmiddellijke voorziening een tijdelijke commissaris aan te wijzen. De raad van commissarissen is ook zelf van oordeel dat versterking in de vorm van een vierde commissaris nodig is. Dat constateerde hij op grond van een evaluatie van zijn eigen functioneren in februari 2020 en dit geldt nu te meer gelet op de gespannen verhoudingen tussen de raad van commissarissen enerzijds en de ondernemingsraad en de hoofdredactie anderzijds. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is in de gegeven omstandigheden van de benoeming van een commissaris door haar meer heil te verwachten dan door benoeming van een vierde commissaris door de raad van commissarissen zelf. De Ondernemingskamer acht het nodig te bepalen dat de door haar te benoemen commissaris binnen de raad van commissarissen een beslissende stem heeft, teneinde de slagkracht van de raad van commissarissen te vergroten.

3.15

Benoeming van een vierde commissaris draagt ook bij aan een meer evenwichtige samenstelling van de raad van commissarissen. Een van de huidige drie commissarissen, [D] , is tevens (sinds maart 2019) lid van de Provinciale Staten van Limburg. Dat is niet in strijd met de Mediawet en de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat voor de Media, zoals het Commissariaat bij brief van 29 januari 2021 heeft bevestigd (zie 2.27). Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de redactie van L1 gevrijwaard moet blijven van politieke invloeden op de uitvoering van de redactionele taken (artikel 3.1.1 van het redactiestatuut), is wel begrijpelijk dat de redactieraad en de ondernemingsraad in april 2019 en de NVJ in maart 2021 (zie 2.38) zorgen hebben geuit over het risico van politieke invloed op de gang van zaken binnen L1 door de positie van [D] als lid van de Provinciale Staten van Limburg. Overigens heeft geen van partijen gesteld dat feitelijk enige poging is gedaan tot het uitoefenen van politieke invloed.

Het functioneren van het bestuur

3.16

Zoals hierboven al aan de orde kwam heeft de ondernemingsraad vanaf het aantreden van [A] als bestuurder een onwelwillende, zo niet vijandige houding jegens hem aangenomen. De achtergrond hiervan lijkt onvrede bij de ondernemingsraad te zijn over de omstandigheid dat de raad van commissarissen niet eenvoudigweg [H] en [I] als bestuurders heeft willen benoemen en over het verloop van de benoemingsprocedure. Dat zijn kwesties waar [A] buiten staat.

3.17

Aan [A] wordt door de ondernemingsraad een autoritaire wijze van leidinggeven verweten, onder meer in de brief van 23 januari 2021 (zie 2.24). Onduidelijk is waarop dit verwijt precies berust. Noch in de brief van 23 januari 2021, noch in deze procedure heeft de ondernemingsraad concreet toegelicht waaruit blijkt dat [A] een autoritaire wijze van leidinggeven zou hanteren. Over de inhoud van de introductievideo van [A] van 4 november 2020 (zie 2.18) kan verschillend worden gedacht, maar de reactie van de hoofdredactie op intranet dat daarmee “een angstcultuur en verdeeldheid op de werkvloer” dreigt te ontstaan, is overtrokken. Het was wellicht beter geweest als [A] zijn functie van gemeenteraadslid vóór 7 september 2020 had beëindigd en niet pas op 9 november 2020, maar dit tijdsverloop is op zichzelf geen serieus bezwaar tegen het functioneren van [A] . Twee leden van het management team hebben zich ziek gemeld. Dat dit te wijten zou zijn aan de “bestuurscultuur” zoals in de brief van 23 januari 2021 (zie 2.24) staat, is niet gebleken. In de brief van 23 januari 2021 wordt voorts verwezen naar het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik, maar de bewering in die brief dat uit die concepten blijkt dat [A] alle e-mails, zelfs van OR leden onderling en bedrijfsartsen wil kunnen inzien, miskent de in die concepten opgenomen waarborgen en gaat eraan voorbij dat de desbetreffende reglementen slechts kunnen worden vastgesteld met instemming van de ondernemingsraad. Hoe dan ook: de Ondernemingskamer kan uit het voorleggen van deze concepten aan de ondernemingsraad en het management team niet afleiden dat [A] een autoritaire stijl van leidinggeven heeft. De gang van zaken rond deze concepten komt hierna nog nader aan de orde bij de bespreking van de rol van de ondernemingsraad en van de hoofdredacteur en de hoofdredactie. Van de bezwaren tegen het functioneren die twee anonieme medewerkers op 2 februari 2021 aan de ondernemingsraad kenbaar hebben gemaakt (zie 2.28), blijkt niet dat de ondernemingsraad deze met [A] heeft besproken. In het door de ondernemingsraad op 3 februari 2021 aan de raad van commissarissen overhandigde stuk (zie 2.30) staan aanmerkingen van (anonieme) personeelsleden op het functioneren van [A] , maar die zijn weinig concreet en de ondernemingsraad heeft toen uitdrukkelijk geweigerd inhoudelijk van gedachten te wisselen over de aanmerkingen.

3.18

De Ondernemingskamer ziet geen grond voor de aantijging dat [A] de positie van de hoofdredacteur, de redactieraad en de mediaraad niet zou onderkennen of zou willen ondergraven.

3.19

In het te gelasten onderzoek kan aan de orde komen of [A] , geconfronteerd met de opstelling van de ondernemingsraad en de hoofdredactie, een reële kans heeft gehad om zich als bestuurder van L1 te ontplooien. Vanzelfsprekend kan daarbij ook aan de orde komen of [A] door zijn opstelling, wijze van communiceren of anderszins heeft bijgedragen aan de escalatie van de interne verhoudingen. Vooralsnog is dat niet gebleken. Er zijn vooral aanwijzingen, ook in de onder 2.39 aangehaalde verklaringen, dat [A] door de ondernemingsraad en de hoofdredactie doelbewust is tegengewerkt vanaf het moment van zijn aantreden. Ook nadien is [A] op weinig subtiele wijze te verstaan gegeven dat hij niet welkom is (zie 2.18).

3.20

De Ondernemingskamer ziet dan ook geen reden voor toewijzing van het verzoek van de ondernemingsraad tot schorsing van [A] als bestuurder. Niet gebleken is dat zijn functioneren de oorzaak is van de problemen binnen L1. Hem thans schorsen draagt naar de verwachting van de Ondernemingskamer eerder bij aan het voortduren van die problemen dan aan de oplossing daarvan.

3.21

De Ondernemingskamer zal wel, zoals alle partijen hebben verzocht, tijdelijk een tweede bestuurder van SOL benoemen, naast [A] . De Ondernemingskamer beoogt daarmee een normalisatie van de verstandhoudingen tussen het bestuur, de ondernemingsraad en de hoofdredactie te bevorderen in afwachting van de uitkomst van het te gelasten onderzoek. De Ondernemingskamer ziet vooralsnog geen reden om de door haar te benoemen bestuurder binnen het bestuur een beslissende stem te geven en evenmin om een bepaalde taakverdeling tussen [A] en de tijdelijk bestuurder op te leggen. De Ondernemingskamer gaat ervan uit dat beiden, met inachtneming van het uitgangspunt van een collectief bestuur, in onderling overleg zo nodig tot een zekere taakverdeling kunnen komen.

De rol van de ondernemingsraad

3.22

Het functioneren van de ondernemingsraad roept diverse vragen op die hieronder worden besproken.

3.23

L1 ontleent haar positie als regionale omroep aan de aanwijzing van SOL als regionale publieke media-instelling in de zin van de Mediawet. L1 vervult een belangrijke publieke functie in Limburg, wordt voor 80% van haar begroting gefinancierd door de rijksoverheid en heeft meer dan 200 medewerkers. Tegen deze achtergrond ligt het bepaald voor de hand dat een bestuurder van L1 openbaar wordt geworven aan de hand van een openbaar profiel. Die norm wordt dan ook gesteld in artikel 2.2 en 2.3 van de Beleidsregels governance en interne beheersing 2017 van het Commissariaat voor de Media. Niettemin heeft de ondernemingsraad zich begin 2020 op het standpunt gesteld [H] en [I] zonder externe werving (her)benoemd zouden moeten worden als bestuurders en vervolgens in dat standpunt volhard (zie 2.11). Het enkele feit dat beiden in de ogen van de ondernemingsraad goed functioneerden biedt voor die opstelling geen toereikende verklaring. Van aanvang aan was immers duidelijk dat hun benoeming tijdelijk, tot 1 juli 2020 zou zijn in afwachting van de besluitvorming over de inrichting van de topstructuur. Bovendien konden [H] en [I] vanzelfsprekend deelnemen – zoals zij ook hebben gedaan – aan de sollicitatieprocedure, ook in geval van een openbare werving.

3.24

In zijn open brief van 30 juni 2020 reageerde de ondernemingsraad geagiteerd op het bericht van de raad van commissarissen dat advies zou worden gevraagd over de benoeming van een bestuurder met de portefeuille ‘strategisch commercieel’ ( [A] ) en dat geen geschikte kandidaat was gevonden voor de functie van bestuurder met het profiel ‘strategisch operationeel’ (zie 2.13). Deze reactie is niet goed te begrijpen tegen de achtergrond van het feit dat de beoogde benoeming van [H] als tweede bestuurder vooralsnog was afgestuit op de wens van [H] om op basis van een managementovereenkomst en niet op basis van een arbeidsovereenkomst te worden benoemd. Indien dat laatste bij de ondernemingsraad toen niet bekend was, dringt de vraag zich op waarom de ondernemingsraad voorafgaand aan het uiten van een publiek standpunt geen navraag heeft gedaan bij de raad van commissarissen; indien de ondernemingsraad daarvan wel op de hoogte was, is zijn open brief van 30 juni 2020 onoprecht.

3.25

De sommatie van de ondernemingsraad aan de raad van commissarissen om de benoeming van [A] in te trekken (zie 2.16), was gebaseerd op het standpunt dat de raad van commissarissen in strijd had gehandeld met de op 4 juli 2020 gemaakte afspraken over het aanhouden van de desbetreffende adviesaanvraag. Wat er ook zij van de juistheid van dat standpunt, de Ondernemingskamer kan de ondernemingsraad niet volgen in zijn daarop gebaseerde weigering om, hangende het kort geding tegen de raad van commissarissen, te weigeren informeel kennis te maken met [A] (zie 2.16). Nadat de ondernemingsraad dat kort geding op 9 oktober 2020 had verloren (zie 2.17), had het op zijn weg gelegen om alsnog met welwillendheid te streven naar constructieve samenwerking met [A] . Een poging daartoe heeft de Ondernemingskamer in de stukken niet gezien. Wel heeft de ondernemingsraad op 14 oktober 2020 op belerende toon alsnog geadviseerd over de benoeming van [A] en kennelijk met zijn advies onmiddellijk de publiciteit gezocht (zie 2.17).

3.26

Nog bedenkelijker is dat, naar het zich laat aanzien, de voorzitter van de ondernemingsraad betrokken is geweest bij het incident op 24/25 oktober 2020 (zie 2.18). Het opnieuw aanbrengen van de tekst “Wij willen onze directie terug”, bijna vier maanden na het vertrek van [H] en [I] , zes weken nadat [A] was benoemd als bestuurder en twee weken nadat de voorzieningenrechter de ondernemingsraad in het ongelijk had gesteld, getuigt niet van een constructieve opstelling. Het grote zwarte kruis, dat in hetzelfde weekend door een onbekende op het raam van de werkkamer van [A] is geplakt, is, anders dan de ondernemingsraad ter zitting aanvoerde, geen redelijke of begrijpelijke vorm van protest, maar een pesterij waarvoor in een professionele werkomgeving geen plaats is.

3.27

Het is merkwaardig dat de ondernemingsraad niet is ingegaan op de uitnodiging van de raad van commissarissen op 24 december 2020 voor een open gesprek (zie 2.21). Het argument van de ondernemingsraad dat de raad van commissarissen eerst met het personeel zou moeten praten, overtuigt niet, omdat de ondernemingsraad voorafgaand aan deze uitnodiging (en overigens ook nadien) bij herhaling stelde namens (de overgrote meerderheid van) het personeel te spreken (zie bijvoorbeeld 2.13) en de ondernemingsraad ter zitting heeft gezegd dat tot haar werkwijze behoort dat zij intensief contact onderhoudt met zijn achterban.

3.28

De reactie van de ondernemingsraad op het concept-privacyreglement en het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik is onnavolgbaar. Op de voet van artikel 27 lid 1, aanhef en sub k WOR behoefde [A] als bestuurder van L1 de instemming van de ondernemingsraad voor een besluit tot vaststelling van deze reglementen. Het concept-Beleid e-mail, internet, social media gebruik vermeldt dat ook met zoveel woorden (zie 2.23). Bovendien ontbreekt binnen L1 een regeling over dit onderwerp en had de ondernemingsraad op 9 december 2020 aan [A] laten weten te hechten aan overleg over een te implementeren privacyreglement. In lijn hiermee waren de concepten ook uitdrukkelijk ter commentaar aan de ondernemingsraad toegezonden. Het had dan ook op de weg van de ondernemingsraad gelegen zich een eigen oordeel te vormen over de concept-reglementen, zich desgewenst te voorzien van eigen juridisch advies, de bestuurder waar nodig te vragen om opheldering en bezwaren kenbaar te maken. Vervolgens had kunnen blijken of de ondernemingsraad, al dan niet na aanpassing van de concepten, daarmee had kunnen instemmen. In plaats van dit alles heeft de ondernemingsraad de concept-reglementen aan de hoofdredactie voorgelegd, waarna de hoofdredactie verontwaardigd op de concepten heeft gereageerd (zie 2.29), gevolgd door negatieve publiciteit (zie 2.30).

3.29

De hierboven weergegeven overwegingen leiden tot het oordeel dat er reden is te twijfelen aan het functioneren van de ondernemingsraad. Het door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek zal daarop dan ook mede betrekking hebben.

3.30

Artikel 20 lid 1 WOR houdt – voor zover hier van belang – in dat de leden van de ondernemingsraad verplicht zijn tot geheimhouding van alle bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. De Ondernemingskamer zal het verzoek van L1 om bij wijze van onmiddellijke voorziening de leden van de ondernemingsraad te veroordelen deze wettelijke verplichting na te komen op straffe van een dwangsom niet toewijzen. Niet gebleken is dat L1 aan de leden van de ondernemingsraad ten aanzien van bepaalde informatie geheimhouding heeft opgelegd en SOL en L1 hebben niet beargumenteerd dat de leden van de ondernemingsraad hadden moeten begrijpen dat het concept-privacyreglement een vertrouwelijk karakter had. Voor zover het in 1.2 sub b genoemde verzoek van SOL dezelfde strekking heeft, is het daarom evenmin toewijsbaar. Voor zover dat verzoek een bredere strekking heeft, is het te onbepaald om toe te wijzen.

3.31

De Ondernemingskamer zal het verzoek van L1 om [F] te schorsen als voorzitter (niet als lid) van ondernemingsraad en een tijdelijk voorzitter van de ondernemingsraad te benoemen niet toewijzen. Deze voorziening zou, gelet op de aard van de ondernemingsraad als gekozen medezeggenschapsorgaan, zeer ingrijpend zijn en om die reden in dit stadium te verstrekkend.

3.32

Ter zitting hebben [F] en [G] verklaard dat indien geoordeeld mocht worden dat hun functioneren als voorzitter respectievelijk vicevoorzitter van de ondernemingsraad heeft bijgedragen aan de problemen van L1, zij hun positie graag ter beschikking stellen. [F] en [G] maken, zoals ter sprake kwam ter zitting, al meer dan 20 jaar deel uit van de ondernemingsraad. Onervarenheid kan dus niet de verklaring zijn voor de onprofessionele opstelling van de ondernemingsraad. De Ondernemingskamer verwacht dat een wijziging van de samenstelling van de ondernemingsraad inderdaad kan bijdragen aan het verbeteren van het functioneren van de ondernemingsraad. Die wijziging zou bij voorkeur tot stand gebracht moeten worden door verkiezingen, al dan niet te organiseren als de bevindingen van het door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek bekend zijn en het stof enigszins is neergedaald.

De rol van de hoofdredacteur en de hoofdredactie

3.33

[B] is al (bijna) 30 jaar hoofdredacteur van L1 en haar voorganger Omroep Limburg. Enig inzicht in de feitelijke rol en positie van [B] binnen L1 bieden de verklaringen van de in 2.33 bedoelde medewerkers, van [J] (zie 2.34), van [K] (zie 2.36) en van de drie anonieme medewerkers aangehaald in 2.39. Uit die verklaringen komt onder meer het volgende naar voren:

  • -

    [B] heeft binnen L1 al jarenlang een dominantie positie, als hoofdredacteur en als lid van het MT;

  • -

    binnen L1 is geen of weinig ruimte voor andere opvattingen dan die van de hoofdredactie;

  • -

    [B] heeft zich vanaf 30 juni 2020 actief bemoeid met het organiseren van verzet binnen L1 tegen de benoeming van [A] ;

  • -

    [B] bemoeit zich intensief met het sturen van de publiciteit over het conflict met [A] en de raad van commissarissen.

Met dit beeld strookt dat L1 binnenskamers wel wordt aangeduid als ‘ [M] ’ en [B] als ‘ [N] ’. Veelzeggend voor de positie die [B] meende te kunnen innemen in het MT acht de Ondernemingskamer het feit dat [B] een spotprent van [A] tijdens een digitaal overleg in februari 2021 duidelijk zichtbaar achter zich had opgehangen.

3.34

De statutaire zeggenschap van de hoofdredacteur over het media-aanbod en de beschermde positie van de hoofdredacteur zijn van groot belang ter waarborging van de publieke functie van L1. Die publieke functie vergt dat de hoofdredacteur er voor zorgdraagt dat journalistieke berichtgeving fair is en niet wordt beïnvloed door oneigenlijke motieven. Het valt op dat in het conflict met [A] door de ondernemingsraad en/of de hoofdredactie van L1 steeds publiciteit wordt gezocht en dat de berichtgeving steeds sterk gekleurd en op onderdelen feitelijk onjuist is. De Ondernemingskamer verwijst in het bijzonder naar:

  • -

    de publiciteit over het advies van de ondernemingsraad over de benoeming van [A] tot bestuurder (zie 2.17);

  • -

    de publiciteit naar aanleiding van het incident op 24/25 oktober 2020 (zie 2.18);

  • -

    de publiciteit over de brief van 23 januari 2021 (zie 2.25);

  • -

    de publiciteit over het concept-privacyreglement (zie 2.30);

  • -

    de publiciteit over het overleg tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad op 3 februari 2021 (zie 2.30).

3.35

De in 2.31 beschreven gang van zaken geeft zelfs aanleiding voor ernstige twijfel aan de journalistieke integriteit van de hoofdredactie. Uit die gang van zaken lijkt immers te volgen dat de leden van hoofdredactie de inhoud en timing van de berichtgeving – in dat geval over de intrekking van het concept-privacyreglement – laten bepalen door hun expliciete doel: het vertrek van [A] als bestuurder. Een andere verklaring is door geen van betrokkenen genoemd, ook niet in antwoord op een daarop gerichte vraag ter zitting. De op de dag van de zitting door de redactie op de website van L1 gepubliceerde mededeling dat [A] verborgen camera’s wilde laten ophangen op onder meer de redactie (zie 2.41) kan in gemoede niet worden aangemerkt als oprecht. Ook hier lijken persoonlijke motieven van redacteuren het gewonnen te hebben van journalistieke professionaliteit. De Ondernemingskamer ziet daarom aanleiding om het functioneren van de hoofdredactie en van de hoofdredacteur in het bijzonder te betrekken in het onderzoek.

3.36

Tijdens de zitting heeft de Ondernemingskamer ter sprake gebracht of het belang van L1 gediend zou zijn bij een (tijdelijk) terugtreden van [B] als hoofdredacteur. Gelet op de statutaire bevoegdheden van de hoofdredacteur (zie 2.7) is deze te beschouwen als orgaan van SOL en daaruit volgt reeds dat de Ondernemingskamer [B] als hoofdredacteur (niet als werknemer) bij wijze van onmiddellijke voorziening zou kunnen schorsen voor de duur van de procedure. De Ondernemingskamer kan meer of andere onmiddellijk voorzieningen treffen dan zijn verzocht, maar in dit geval acht de Ondernemingskamer van belang dat geen van partijen uitdrukkelijk heeft verzocht [B] te schorsen. Voorts heeft [B] op zichzelf terecht naar voren gebracht dat hij door de raad van commissarissen en de bestuurder niet recent is aangesproken op zijn functioneren. Tenslotte weegt de Ondernemingskamer mee dat de raad van commissarissen bevoegd is tot ontslag van de hoofdredacteur, met dien verstande dat de mediaraad en de redactieraad daarover te voren kunnen adviseren en de mediaraad het ontslag om zwaarwegende redenen kan afwijzen (artikel 22 van de statuten). Vooralsnog is niet gebleken dat die weg onbegaanbaar is. De Ondernemingskamer zal [B] daarom thans niet schorsen als hoofdredacteur.

Timing en reikwijdte van het onderzoek

3.37

De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van SOL, Televisiebedrijf en Omroepbedrijf. Onder het beleid en de gang van zaken van de laatstgenoemde vennootschappen is mede begrepen het beleid en de gang van zaken van Reclamemaatschappij (artikel 2:345 lid 1, slotzin BW).

3.38

De ondernemingsraad heeft verzocht de benoeming van de onderzoeker (en daarmee het onderzoek zelf) vooralsnog voor de duur van drie maanden aan te houden om te bezien of de benoeming van een tijdelijk bestuurder (wat de ondernemingsraad betreft in combinatie met schorsing van [A] ) reeds kan leiden tot sanering van de verhoudingen binnen L1.

3.39

Dat is geen goed idee. Uit de overwegingen van de Ondernemingskamer volgt dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat de problemen binnen L1 zijn veroorzaakt door het functioneren van [A] of kunnen worden opgelost door hem te schorsen als bestuurder. De problemen hebben, naar het zich laat aanzien, een andere, dieperliggende oorzaak, die mede verband houdt met het functioneren van de ondernemingsraad, de hoofdredactie en in het bijzonder de hoofdredacteur en de interne cultuur van en de informele machtsverhoudingen binnen L1. Een onderzoek naar die dieperliggende oorzaak is noodzakelijk om de geledingen van L1, met behulp van de bevindingen van het onderzoek, in staat te stellen zelf orde op zaken te stellen en/of de Ondernemingskamer te verzoeken nadere voorzieningen te treffen. De door de Ondernemingskamer te benoemen bestuurder heeft niet de taak en de bevoegdheden om diepgravend onderzoek te doen. Met het onderzoek kan dus niet gewacht worden. Dat dit kosten met zich meebrengt is te betreuren, maar die kosten zijn in de gegeven omstandigheden noodzakelijk.

3.40

Het onderzoek zal betrekking hebben op het functioneren van alle geledingen van L1, in het bijzonder de raad van commissarissen, het bestuur, de ondernemingsraad en de hoofdredactie. Het onderzoek zal betrekking hebben op de periode vanaf 1 juli 2019, de datum waarop de statuten van SOL zijn gewijzigd, de huidige raad van commissarissen is aangetreden en [H] en [I] zijn benoemd tot bestuurders van SOL.

3.41

De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. De Ondernemingskamer zal de onderzoeker vragen om binnen vier weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.

3.42

SOL heeft bij de mondelinge behandeling voorgesteld dat de Ondernemingskamer een onmiddellijke voorziening treft met het oog op de vertrouwelijkheid van het onderzoek. De Ondernemingskamer ziet daarvoor vooralsnog onvoldoende aanleiding nu de wet (artikel 2:351 lid 4 BW) voorschrijft dat het een ieder is verboden om mededelingen te doen uit de inhoud van het concept-onderzoeksverslag of delen daarvan die hem in het kader van hoor en wederhoor zijn voorgelegd. Voor het overige ligt het op de weg van de onderzoeker om in het op te stellen plan van aanpak aandacht te besteden aan het waarborgen van de vertrouwelijkheid gedurende het onderzoek.

Slotsom en kosten

3.43

De slotsom is dat de Ondernemingskamer een onderzoek zal gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen L1 over de periode vanaf 1 juli 2019. Daarnaast zal de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorzieningen een tijdelijk bestuurder benoemen naast [A] en een tijdelijk commissaris met beslissende stem binnen de raad van commissarissen.

3.44

Omdat de door partijen gemaakte kosten op grond van de hoedanigheid van partijen ten laste komen van L1, is er geen reden voor een proceskostenveroordeling.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. over de periode vanaf 1 juli 2019;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;

houdt in verband met het bepaalde in rechtsoverweging 3.41 de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aan;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Stichting Omroep Limburg, Televisiebedrijf Limburg B.V. en Omroepbedrijf Limburg B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. M.M.M. Tillema tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Stichting Omroep Limburg;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure – voor zover nodig in afwijking van de statuten van Stichting Omroep Limburg – een commissaris van Stichting Omroep Limburg en bepaalt dat deze commissaris binnen de raad van commissarissen een beslissende stem heeft;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en de commissaris ten laste komen van Stichting Omroep Limburg en bepaalt dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en de commissaris zekerheid dienen te stellen vóór de aanvang van de werkzaamheden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en prof. drs. E. Eeftink RA en dr. M.J.R. Broekema, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.