Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1125

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
19/00823 en 19/00824
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Aftrek van kosten van levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar. Nieuw feit; ambtelijk verzuim. Gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2021-1418
Viditax (FutD), 28-04-2021
NTFR 2021/1572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 19/00823 en 19/00824

9 maart 2021

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [C] )

tegen de uitspraak van 15 mei 2019 in de zaken met kenmerken HAA 18/3854 en HAA 18/3855 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 5 augustus 2017 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.303.

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar (d.d. 10 juli 2018) de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 5 augustus 2017 voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.091.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar (d.d. 10 juli 2018) de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 15 mei 2019 heeft de rechtbank de tegen voormelde uitspraken op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 juni 2019, aangevuld bij brief van 22 juli 2019. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen op 1 februari 2021.

Deze stukken zijn aan de inspecteur verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiser heeft twee kinderen. Een van zijn kinderen, [A] (geboren [..-..-....] ), stond de onderhavige jaren ingeschreven op het adres van eiser.

2. [A] heeft in 2012 een totaalinkomen genoten van € 7.648 en in 2013 een totaalinkomen van € 8.301.

HAA 18/3854

3. Op 30 mei 2013 heeft de gemachtigde voor eiser diens aangifte ib/pvv voor het jaar 2012 digitaal ingediend en daarin een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 36.883, bestaande uit een bedrag aan belastbare winst uit onderneming van € 5.831, een bedrag aan inkomsten uit vroegere arbeid van € 40.641, een bedrag aan inkomsten uit eigen woning van - € 7.219, een bedrag aan aftrek in verband met uitgaven voor inkomensvoorzieningen van € 950 en een aftrek in verband met kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar van € 1.420. De (primitieve) aanslag, die is gedagtekend 23 januari 2015, is conform de aangifte opgelegd.

4. Op 14 maart 2017 heeft verweerder eiser gevraagd om nadere informatie over de kosten met betrekking tot de eigen woning en de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Op 16 juni 2017 heeft eiser daarop gereageerd. Op 3 juli 2017 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de aangegeven aftrek van € 1.420 in verband met kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar zal worden gecorrigeerd omdat uit informatie blijkt dat de dochter van eiser in 2012 voldoende inkomsten had om in haar eigen onderhoud te voorzien. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 12 juli 2017 waarbij hij een overzicht van de door zijn dochter gemaakte kosten heeft gevoegd.

5. Met dagtekening 5 augustus 2017 heeft verweerder eiser de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 opgelegd.

HAA 18/3855

6. Op 28 april 2015 heeft de gemachtigde voor eiser diens aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 digitaal ingediend en daarin een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 23.671, bestaande uit een bedrag aan belastbare winst uit onderneming van - € 1.089, een bedrag aan inkomsten uit vroegere arbeid van € 31.728, een bedrag aan inkomsten uit eigen woning van - € 5.548 en een aftrek in verband met kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar van € 1.420. De (primitieve) aanslag, die is gedagtekend 29 juli 2015, is conform de aangifte opgelegd.

7. Op 14 maart 2017 heeft verweerder eiser gevraagd om nadere informatie over de kosten met betrekking tot de eigen woning en de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Op 16 juni 2017 heeft eiser daarop gereageerd. Op 3 juli 2017 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de aangegeven aftrek van € 1.420 in verband met kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar zal worden gecorrigeerd omdat uit informatie blijkt dat de dochter van eiser in 2013 voldoende inkomsten had om in haar eigen onderhoud te voorzien. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 12 juli 2017 waarbij hij een overzicht van de door zijn dochter gemaakte kosten heeft gevoegd.

8. Met dagtekening 5 augustus 2017 heeft verweerder eiser de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 opgelegd.”

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.

2.2. (

Het kantoor van) de gemachtigde van belanghebbende is onderwerp (geweest) van een (strafrechtelijk) onderzoek. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal (documentcode [...] ) van verhoor van [B] dat op 24 januari 2017 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

Vraag verbalisanten

Wat is uw functie bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde

Ik ben nu zo’n 4,5 jaar Regiocoördinator bij de Belastingdienst. Sinds april 2015 werk ik hier in Amsterdam. Daarvoor werkte ik in Amersfoort en voerde ik dezelfde functie uit. De regio coördinator is aanspreekpunt voor de medewerkers van het PDB fraudeteam. PDB staat voor Particulieren Dienstverlening Bezwaar. Ik bepaal de werkwijze binnen dit team op de specifieke kenmerken van systeemfraudezaken. In de functie van regio coördinator houd ik mij tevens bezig met de risicoanalyse van systeem fraudesignalen in de breedste zin van het woord.

(…)

Vraag verbalisanten

Wat kunt u verklaren over het onderzoek, en de aanleiding hiertoe, van de Belastingdienst naar [de Maatschap] ?

Antwoord gehoorde

In 2015 is [de Maatschap] opgevallen bij het CAF door het door hun hoge percentage ingediende aangiften IH waarin aftrek zorgkosten voor hun belastingplichtige klanten was opgevoerd. Het percentage lag ongeveer 4 maal hoger dan op basis van het landelijk gemiddelde mocht worden verwacht.

(…)

Voor een groot gedeelte van de klanten van [de Maatschap] waren de aanslagen IH 2014 en eerder al definitief vastgesteld. Voor een ander gedeelte van de klanten welke persoonsgebonden aftrek hadden opgevoerd in de aangiften IH 2014 is dus de afwijkende behandeling toegepast en zijn vragenbrieven verstuurd. Dit om de juistheid van de opgevoerde aftrekposten te kunnen controleren.

(…)

Eind 2015 hadden wij als Belastingdienst de gedachte dat het vaak fout zat met de dieetverklaringen, wij hadden twijfels over de juistheid van de verstrekte dieetverklaringen.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Ten principale is in geschil of belanghebbende heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de voorwaarden zijn vervuld om in aanmerking te komen voor de aftrek van kosten van levensonderhoud van zijn dochter. Indien dit niet het geval is, houdt partijen verdeeld of het ontbreken van een nieuw feit aan de navordering in de weg staat. Indien sprake is van een nieuw feit, is in geschil of het gelijkheidsbeginsel aan navordering in de weg staat.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil - voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen:

Op de zaak betrekking hebbende stukken

10. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, aangezien verweerder de verslaglegging die aan het excelsheet ten grondslag ligt, alsmede het preweegdocument van 9 november 2016 en het verslag van het tripartiteoverleg van 16 november 2016 niet aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat tot de op de zaak betrekking hebbende stukken meer stukken behoren dan verweerder in de loop van de procedure bij de belastingrechter heeft overgelegd. De door eiser genoemde stukken hebben betrekking op het onderzoek naar de gemachtigde van eiser en diens kantoorgenoot. Niet valt in te zien waarom die stukken van belang kunnen zijn voor de beslechting door de belastingrechter van het onderhavige geding. De enkele omstandigheid dat het onderzoek heeft geleid tot het stellen van vragen aan eiser, maakt dat niet anders. Hier komt bij dat verweerder heeft gesteld dat de door eiser genoemde stukken geen onderdeel uitmaken van het fiscale dossier van eiser. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de stukken verweerder niet ter raadpleging ter beschikking hebben gestaan bij het opleggen van de navorderingsaanslagen en ook thans niet ter raadpleging ter beschikking staan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen, zodat ook op die grond geen sprake kan zijn van op de zaak betrekking hebbende stukken ingevolge artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Nieuw feit

11. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

12. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navorderingsaanslag voortvloeit uit een feit dat bij het opleggen van de definitieve aanslag reeds bij verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie mag verweerder bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die eiser in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is verweerder in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (zie HR 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2890 en HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080). Voor twijfel is geen aanleiding als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

13. Eisers primaire, ‘secundaire’ en ‘tertiaire’ standpunt, inhoudende dat er geen sprake is van een nieuw feit omdat:

- in eerste aanleg geen objectieve reden bestond om de cliënten van de gemachtigde en diens kantoorgenoot te bevragen;

- niet van een belastingplichtige verwacht mag worden dat hij vele jaren later nog alles kan aanleveren, te meer daar hiervoor vele overmachtsredenen zijn aan te geven. Er is geen sprake van lichtzinnig of te kwader trouw tot stand gekomen aangiften; en

- op grond van het verleden van de gemachtigde en diens kantoorgenoot op geen enkele wijze iets onbekend of verborgen kan zijn gebleven met betrekking tot hun werkwijze,

miskennen dat het nieuwe feit gelegen is in het feit dat eiser desgevraagd de door hem geclaimde aftrekposten niet heeft kunnen onderbouwen, en kunnen eiser dan ook niet baten. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige al dan niet door overmacht niet in staat is om bewijs te leveren ter onderbouwing van de door hem geclaimde aftrek, wat hier ook verder van zij, niet maakt dat er daarom geen sprake is van een nieuw feit.

14. Uit hetgeen verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting heeft verklaard, blijkt dat hij begin 2015 signalen had ontvangen dat de gemachtigde en diens kantoorgenoot mogelijk onjuiste aangiften voor hun cliënten hadden ingediend. De juistheid van deze signalen moest eerst worden onderzocht door middel van kleinschalig onderzoek. In januari 2016 is voor alle door de gemachtigde van eiser digitaal ingediende aangiften een afwijkende behandeling in het aanslagsysteem van de Belastingdienst aangebracht, zodat deze aangiften zouden worden uitgeworpen voor onderzoek. Bij deze behandelopdrachten is een ondergrens opgenomen, zodat alleen de aangiften waarvan de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen, zijn uitgeworpen. Eiser heeft met hetgeen hij heeft gesteld en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat al vanaf 2011 elke aangifte die naar de gemachtigde of diens kantoorgenoot te herleiden was door verweerder werd onderzocht. Gelet daarop kon verweerder op respectievelijk 23 januari 2015 en 29 juli 2015 definitieve aanslagen opleggen conform de aangiften, zonder dat hij gehouden was eerst onderzoek te doen naar de juistheid van die aangiften. Van een ambtelijk verzuim is in de onderhavige zaken dan ook geen sprake.

Correctiebeleid

15. Het door verweerder gehanteerde correctiebeleid van 30 maart 2011, versie 2.1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden.”

16. De rechtbank overweegt dat het correctiebeleid inhoudt dat geen navordering plaatsvindt indien hetzij de correctie leidt tot een navordering van minder dan € 450, hetzij de aan de navordering ten grondslag liggende inkomenscorrectie minder bedraagt dan € 1.000. Voor zover eiser zich in de onderhavige zaken op het standpunt stelt dat de verweerder in strijd met het correctiebeleid heeft nagevorderd kan de rechtbank eiser hierin niet volgen aangezien de navorderingsaanslagen meer bedragen dan € 450 (zowel inclusief als exclusief belastingrente), alsmede omdat de daaraan ten grondslag liggende inkomenscorrecties meer dan € 1.000 bedragen.

Gelijkheidsbeginsel

17. Eiser heeft ten slotte nog een grote hoeveelheid stukken overgelegd die betrekking hebben op andere cliënten van het kantoor van zijn gemachtigde. Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het correctiebeleid kan dit niet slagen aangezien de rechtbank gelet op de gefragmenteerde informatie die is overgelegd, niet kan vaststellen dat het vergelijkbare gevallen betreft.

Inhoudelijk

18. Tussen partijen is materieel nog in geschil of verweerder de door eiser in beide jaren geclaimde aftrek van € 1.420 in verband met uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar terecht heeft gecorrigeerd. Eiser heeft voor beide jaren een lijst met een opstelling van de door zijn dochter gemaakte kosten overgelegd. Nog daargelaten dat het van een aantal op de lijst voorkomende kosten nog maar de vraag is of die kwalificeren als kosten voor levensonderhoud, heeft verweerder de geclaimde aftrek voor beide jaren terecht geweigerd aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde kosten van zijn dochter ook daadwerkelijk op hem hebben gedrukt. De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:366, en dan met name overweging 4.13, waarnaar door eiser wordt verwezen, leidt niet tot een ander oordeel aangezien het daarin ging om de beantwoording van de vraag of het aan kwade trouw aan de zijde van de belastingplichtige te wijten was dat te weinig belasting was geheven, hetgeen in de onderhavige zaken niet aan de orde is.

19. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Op de zaak betrekking hebbende stukken

5.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn door de rechtbank verworpen stelling herhaald, dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het gaat daarbij om – naar het Hof begrijpt – gegevens met betrekking tot het onderzoek dat is ingesteld door een fraudeteam van de Belastingdienst naar de juistheid van aangiften gedaan door het kantoor van de gemachtigde ( [de Maatschap] ). In het bijzonder gaat het om het zogenaamde pre-weegdocument van 9 november 2016 en de verslaglegging van het op 17 november 2016 gehouden tripartite overleg. Belanghebbende heeft ter zake verwezen naar het arrest Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670.

5.2.

In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak herhaald dat artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.

5.3.

De onder 5.1 genoemde stukken zien op een onderzoek dat is ingesteld naar het kantoor van de gemachtigde en niet valt in te zien waarom die stukken van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van het onderhavige geschil tussen belanghebbende en de inspecteur. Zoals belanghebbende in zijn nader stuk van 29 januari 2021 met juistheid opmerkt, zag voormeld onderzoek op de aftrek van zorgkosten in de aangiften van cliënten van [de Maatschap] . In de onderwerpelijke jaren is in de aangiften van belanghebbende geen sprake van aftrek van zorgkosten. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende, in het licht van het voorgaande, niet voldoende gemotiveerd gesteld dat de door hem genoemde stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. De stukken behoren reeds daarom niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, lid 1, Awb. Ten overvloede merkt het Hof op dat de omstandigheid dat er een onderzoek loopt naar de aftrek van zorgkosten in de aangiften van cliënten van [de Maatschap] er niet aan in de weg staat dat de inspecteur vragen stelt over de aftrek van andere kosten dan zorgkosten in de aangiften van cliënten van [de Maatschap] .

5.4.

Indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat de inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb wel gehouden is de onder 5.1 genoemde stukken over te leggen, verbindt het Hof aan het niet nakomen van deze verplichting, met toepassing van artikel 8:31 Awb, geen gevolgen. Daarbij heeft het Hof overwogen dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij aan de hand van meergenoemde stukken aannemelijk wil maken dat de inspecteur reeds sinds begin 2015 twijfels had bij de juistheid van aangiften van [de Maatschap] en de cliënten van [de Maatschap] dus al veel eerder in het vizier van de Belastingdienst waren dan per 1 januari 2016. Nu de inspecteur ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd dat het onderzoek begin 2015 is gestart, hoeft belanghebbende hier geen bewijs van bij te brengen.

Uitgaven levensonderhoud kinderen jonger dan 21 jaar

5.5.

Ook in hoger beroep betoogt belanghebbende dat hij heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat alle voorwaarden voor de in de beide aangiften geclaimde aftrek van € 1.420 in verband met uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar, zijn vervuld. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen aanvullend bewijs overgelegd. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft overgelegd niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De voor beide jaren overgelegde lijst van uitgaven is niet meer dan een lijst met stelposten, welke stelposten op geen enkele manier nader zijn onderbouwd en waarvan niet is vast te stellen dat deze uitgaven, zo zij al daadwerkelijk zijn gedaan, ook daadwerkelijk op belanghebbende hebben gedrukt. Blijkens de stukken van het geding beschikte de dochter bovendien over een eigen inkomen van € 7.648 in 2012 en € 8.301 in 2013, zodat het daarnaast geenszins vanzelfsprekend is dat belanghebbende zich gedrongen heeft gevoeld om de in genoemde lijst vermelde uitgaven voor zijn rekening te nemen. Evenmin kan daarom worden aangenomen dat aan deze voorwaarde voor aftrek is voldaan. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.

Nieuw feit; ambtelijk verzuim

5.6.

Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat navordering achterwege had moeten blijven, omdat de inspecteur er van op de hoogte was dat aangiften van het kantoor van de gemachtigde mogelijkerwijs onjuist waren. Door voor de jaren 2012 en 2013 aanslagen op te leggen zonder nader onderzoek naar de opgevoerde aftrekposten, is volgens hem sprake van een ambtelijk verzuim. Dientengevolge ontbreekt een nieuw feit, aldus belanghebbende. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.7.

Het Hof stelt voorop dat een inspecteur in beginsel mag afgaan op de ingediende aangifte en mag vertrouwen op de juistheid daarvan. Tot nader onderzoek is hij alleen dan gehouden indien hij – na met normale zorgvuldigheid naar de aangifte te hebben gekeken en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval – redelijkerwijs moet twijfelen aan de juistheid daarvan (zie onder meer HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2019:BK3080, r.o. 3.3.). Redelijke, tot onderzoek nopende twijfel is niet aanwezig indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte (toch) juist is (HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082). Er moeten zich, met andere woorden, omstandigheden voordoen waaraan “een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte [valt] te ontlenen, dat het nalaten van een onderzoek op dit punt [de inspecteur] als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend” (HR 5 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7841, r.o. 4.2, BNB 1987/19).

5.8.

De aangiften van belanghebbende geven op zichzelf beschouwd geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. De opgevoerde bedragen aan uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar zijn niet dermate uitzonderlijk dat de inspecteur nader onderzoek had moeten doen en ook overigens bestond tot nader onderzoek op zichzelf geen aanleiding. De omstandigheid dat de inspecteur de juistheid van de aftrekposten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen heeft onderzocht, vormt derhalve in beginsel niet een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim.

5.9.

De vervolgvraag is of, zoals belanghebbende betoogt, het begin 2015 gestarte onderzoek naar de juistheid van door een aantal advieskantoren, waaronder (het kantoor van) de gemachtigde van belanghebbende, ingediende aangiften en het verdere verloop van het onderzoek naar (het kantoor van) de gemachtigde, tot een ander oordeel moet leiden. Het Hof stelt in dit verband voorop dat, anders dan belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd, de rechtbank zich wel degelijk heeft uitgelaten over deze kwestie. In punt 14 van haar uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de stand van het onderzoek, de inspecteur op 23 januari 2015 en 29 juli 2015 de (primitieve) aanslagen kon opleggen conform de aangiften, zonder dat hij gehouden was eerst onderzoek te doen naar de juistheid van die aangiften.

5.10.

Het Hof sluit zich aan bij voormeld oordeel van de rechtbank. Uit de onder 2.2 aangehaalde verklaring van [B] volgt dat aanvankelijk enkel is komen vast te staan dat het kantoor van de gemachtigde opviel door het hoge percentage ingediende aangiften waarin een aftrek van zorgkosten was opgevoerd. Het percentage aangiften waarin zorgkosten werden opgevoerd lag ongeveer vier maal hoger dan op basis van het landelijk gemiddelde mocht worden verwacht. Deze constatering was aanleiding voor een kleinschalig onderzoek. De eerste stap van dit onderzoek was blijkens de gedingstukken het versturen van 173 vragenbrieven op 30 juni 2015.

5.11.

Het ingestelde onderzoek en het verdere verloop daarvan geeft geen aanleiding tot het oordeel dat de inspecteur in de onderhavige zaken, waarin de primitieve aanslagen zijn opgelegd op 23 januari 2015 en 29 juli 2015, een ambtelijk verzuim heeft begaan door de juistheid van de daarin opgevoerde uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar niet voorafgaand aan het opleggen van deze aanslagen te onderzoeken. Het aanvankelijk op beperkte schaal uitgevoerde onderzoek, dat was gericht op de aftrek van zorgkosten (zie 5.3), hoefde de inspecteur geen aanleiding te geven ook de aangiften van belanghebbende te onderzoeken. Die aangiften konden wel degelijk juist zijn en in ieder geval bestond de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid daartoe.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

5.12.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de inspecteur voor een aantal andere cliënten van de gemachtigde op basis van de door hen verstrekte informatie heeft afgezien van navordering, hoewel deze cliënten “niet alles meer volledig konden aantonen”. Ten aanzien van één cliënt is, naar belanghebbende stelt, sprake van ‘begunstigend beleid’.

5.13.

Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende, die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, te dezen in beginsel de bewijslast rust. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de inspecteur, met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoemde gevallen feitelijk en rechtens gelijke gevallen zijn.

5.14.

Het Hof acht belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd evenmin geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat zich feiten of omstandigheden voordoen die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een schending van het verbod van willekeur. De enkele door belanghebbende genoemde omstandigheid dat bij brief van 14 maart 2017 vragen zijn gesteld over aangiften die zijn ingediend op 30 mei 2013 en 28 april 2015 is daartoe volstrekt onvoldoende. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.

Slotsom

5.15.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, M.J. Leijdekker en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 9 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.