Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1112

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
200.282.225/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2020:25
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een kandidaat-notaris. Toepasselijkheid tuchtrecht. Verzwijgen nalatenschap en executeursbenoeming. Schending informatieplicht. Ontzegging waarnemingsbevoegdheid voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.282.225/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/364616/KL RK 20-5

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 25 mei 2021

inzake

[kandidaat-notaris] ,

kandidaat-notaris te [plaats] ,

appellant,

gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo, advocaat te Amsterdam,

tegen

[klaagster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.Th.M. Diks, advocaat te Eindhoven.

Partijen worden hierna de kandidaat-notaris en klaagster genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

De kandidaat-notaris heeft op 19 augustus 2020 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 22 juli 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:25). Het hof heeft op 8 oktober 2020 een aanvullend beroepschrift van de kandidaat-notaris ontvangen.

1.2.

Klaagster heeft op 17 november 2020 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Op respectievelijk 1 en 5 maart 2021 zijn namens de kandidaat-notaris nadere producties ingediend. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen toelating van de buiten de daarvoor gestelde termijn op 5 maart 2021 ingediende aanvullende productie. Het hof zal de producties daarom in de beoordeling betrekken.

1.4.

Het hof heeft voorts de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2021. De kandidaat-notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Namens klaagster is verschenen mr. Hussain, vergezeld van haar gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de kandidaat-notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Feiten

Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

Op 7 november 2009 is overleden [A] (hierna: erflater).

2.2.

Erflater heeft bij testament over zijn vermogen beschikt. Dit testament is op 16 februari 2007 gepasseerd door de kandidaat-notaris, die destijds nog als notaris werkzaam was.

2.3.

In het testament is, onder meer, bepaald: “Ik benoem de te Buitenpost standplaats hebbende notaris dan wel de bewaarder van diens protocol tot executeur”.

2.4.

Klaagster is bij bedoeld testament onder bezwaar van een legaat samen met vier andere erfgenamen tot erfgenaam benoemd. Namens alle erfgenamen is de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

2.5.

Bij verklaring van executele van 18 november 2009 heeft de kandidaat-notaris, ook op dat moment notaris te Buitenpost, de benoeming tot executeur aanvaard.

2.6.

Per 1 maart 2010 heeft de kandidaat-notaris, destijds nog notaris in een maatschapsverband met een andere notaris, de maatschap beëindigd en zijn werkzaamheden in het notariaat gestaakt. In de tweede helft van 2015 heeft de kandidaat-notaris zijn werkzaamheden in het notariaat hervat.

2.7.

Klaagster is op 19 december 2017 door een informeel contact met een buurtbewoner op de hoogte geraakt van het feit dat zij één van de erfgenamen van erflater was. Klaagster heeft toen contact opgenomen met de kandidaat-notaris. Op 16 januari 2018 heeft op het hoofdkantoor van klaagster een bespreking plaatsgevonden met de kandidaat-notaris.

2.8.

Begin februari 2018 hebben de erfgenamen een verklaring ondertekend als bedoeld in artikel 4:150 lid 2b BW, waarbij zij hebben verklaard de bevoegdheid van de executeur tot beheer van de nalatenschap te hebben beëindigd. Hierdoor is de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap komen te liggen bij de gezamenlijke erfgenamen-vereffenaars. Laatstgenoemden hebben dit beheer door een boedelvolmacht opgedragen aan de medewerkers van de besloten vennootschap [X] B.V..

2.9.

Bij brief van 29 januari 2018 heeft klaagster na diverse eerdere verzoeken de kandidaat-notaris onder meer gesommeerd haar alle informatie over de nalatenschap ter beschikking te stellen alsmede rekening en verantwoording af te leggen.

2.10.

Bij e-mail van 5 februari 2018 heeft een kantoorgenoot van de advocaat van klaagster de kandidaat-notaris laten weten dat de hierboven bedoelde informatie nog niet was ontvangen. Namens klaagster is de kandidaat-notaris gesommeerd de gevraagde informatie alsnog te verstrekken voor 12 februari 2018. De kandidaat-notaris is daarnaast gesommeerd een verzoek om ontslag als executeur in te dienen bij de kantonrechter.

2.11.

Op 30 juli 2018 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland de kandidaat-notaris als executeur ontslag verleend voor zover de executele nog niet zou zijn geëindigd.

3 Standpunt van klaagster

3.1.

Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat hij zijn werkzaamheden als executeur in de nalatenschap onzorgvuldig heeft verricht.

De klacht valt uiteen in de volgende klachtonderdelen.

1) Verzwijgen nalatenschap

2) Benoeming en aanvaarding daarvan door executeur niet gecommuniceerd

3) Geen of te weinig informatie over de nalatenschap verstrekt

4) Geen tijdige en deugdelijke boedelbeschrijving verstrekt en opgesteld

5) Geen deugdelijke rekening en verantwoording afgelegd

6) Vertrouwen erflater beschaamd

7) Schending van het algemeen belang door de wijze van afhandeling nalatenschap

4 Beoordeling

4.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster op alle onderdelen gegrond verklaard en aan de kandidaat-notaris de maatregel van ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur opgelegd. Bij diezelfde beslissing is de kandidaat-notaris veroordeeld in de kosten van klaagster (griffierecht € 50,- , overige kosten € 1050,-, totaal € 1100,-) alsmede in de proceskosten (€ 3500,-).

Ontvankelijkheid

4.2.

De kandidaat-notaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de klacht (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover de klacht ziet op zijn handelen/nalaten in de periode 1 maart 2010 tot medio 2015. Gedurende deze periode was de kandidaat-notaris niet werkzaam binnen het notariaat op grond waarvan, aldus de kandidaat-notaris, het notarieel tuchtrecht niet van toepassing is. Klaagster daarentegen sluit zich aan bij hetgeen de kamer in de bestreden beslissing onder rov. 4.2.1. heeft overwogen op grond waarvan op basis van na-werking de kandidaat-notaris ook na zijn vertrek uit het notariaat tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt zodat klaagster – ongeacht op welke periode de klacht betrekking heeft - kan worden ontvangen in haar klacht

4.3.

Een (kandidaat)notaris draagt slechts tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor handelen of nalaten gedurende de periode dat hij binnen het notariaat werkzaam is. Dit wil zeggen dat het hof, anders dan de kamer, van oordeel is dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht voor zover die ziet op de periode 1 maart 2010 tot medio 2015. Gedurende deze periode was de (kandidaat-)notaris immers niet (meer) werkzaam binnen het notariaat. Dat de kandidaat-notaris gedurende deze tijd nog wel boedelwerkzaamheden heeft verricht in zijn hoedanigheid van executeur maakt dit niet anders.

Op basis van artikel 93 lid 2 Wna blijft een (kandidaat) notaris weliswaar aan de tuchtrechtspraak onderworpen ook nadat deze zijn werkzaamheden in het notariaat heeft gestaakt, dit geldt echter uitsluitend voor de tijd dat hij als zodanig werkzaam was. Klaagster kan wél ontvangen worden in haar klacht voor zover de klacht ziet op het handelen en nalaten van de (kandidaat)notaris gedurende de periode 18 november 2009 (aanvaarding executele) – 1 maart 2010 (defungeren notaris) en medio 2015 (herintreding notariaat) tot ongeveer medio februari 2018 (beëindiging executele).

Klacht omtrent de procedure eerste aanleg

4.4.

In hoger beroep voert de kandidaat-notaris aan dat hij in zijn procesrechtelijke belangen is geschaad doordat de kamer een ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur heeft opgelegd zonder dat hij in de gelegenheid is geweest om zijn standpunt op een zitting mondeling toe te lichten. De kamer had bij de selectie van de zaken die in verband met de geldende corona-maatregelen schriftelijk werden afgedaan moeten beseffen dat deze klacht zich niet voor een schriftelijke afdoening leende. Hij zou nooit met de schriftelijke afdoening hebben ingestemd indien hij had beseft dat hem een dergelijke zware maatregel mogelijk zou kunnen worden opgelegd.

Het hof is van oordeel dat dit betoog van de kandidaat-notaris op zichzelf geen nadere bespreking behoeft, nu het hof de zaak opnieuw in volle omvang behandelt en de kandidaat-notaris in hoger beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt ter zitting in hoger beroep kenbaar te maken. Dit neemt niet weg dat het op de weg van de kamer ligt om gedurende de periode dat de corona-maatregelen gelden uitsluitend die zaken te selecteren voor een schriftelijke afdoening die zich, gelet op de ernst van de klacht, naar hun aard ook lenen voor een dergelijke afdoening.

Inhoudelijk

Klachtonderdelen 1 tot en met 5

4.5.

Klaagster brengt naar voren dat terwijl erflater eind 2009 is overleden, klaagster pas in december 2017, nota bene via een informeel buurtcontact, op de hoogte is gesteld van het feit dat zij één van de erfgenamen was. Ook nadat zij hiermee bekend is geworden heeft de kandidaat-notaris klaagster bij herhaling onvoldoende of niet geïnformeerd. Dit gold niet alleen voor haar erfgenaamschap maar ook voor zijn benoeming tot executeur, de omvang en samenstelling van de nalatenschap en de rekening en verantwoording. De kandidaat-notaris heeft naar het oordeel van klaagster nagelaten om op gerechtvaardigde verzoeken van klaagster te reageren en hij heeft evenmin enige vorm van regie gehouden om tot een vlotte afwikkeling te komen. Klaagster streeft een maatschappelijk breed gedragen goed doel na in welk kader zij het handelen van de kandidaat-notaris ernstig verwijtbaar acht.

4.6.

De kandidaat-notaris heeft, ook in hoger beroep, volmondig erkend dat de behandeling van de nalatenschap niet goed is verlopen. Hij had klaagster moeten inlichten over haar erfgenaamschap en haar voortdurend moeten informeren over de stand van zaken. Hij had klaagster eveneens moeten informeren over zijn vertrek uit het notariaat en – behoudens andersluidende wens van de erfgenamen, welke echter ontbreekt – bij zijn vertrek uit het notariaat een behoorlijke voorziening rondom zijn opvolging moeten treffen. In hoger beroep heeft de kandidaat notaris, niet als rechtvaardiging van zijn handelen, op een aantal persoonlijke omstandigheden gewezen op basis waarvan het lange tijdsverloop enigszins kan worden verklaard. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat hij zich persoonlijk heeft ingespannen om het onderhoud van het tot de nalatenschap behorende huis en tuin naar behoren uit te voeren.

4.7.

De kamer heeft in de bestreden beslissing, kort samengevat, ten aanzien van deze klachtonderdelen het volgende overwogen. Vast is komen te staan dat de kandidaat-notaris klaagster gedurende een groot aantal jaren niet heeft benaderd terwijl hij dat wel had moeten doen. Hij had klaagster op de hoogte moeten stellen van haar erfgenaamschap en van zijn benoeming tot executeur. Dat hij dit niet heeft gedaan valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Ook nadat klaagster bekend was geraakt met haar erfgenaamschap heeft de kandidaat-notaris onvoldoende voortvarend gehandeld met het verstrekken van informatie. Met betrekking tot zijn verplichting om een boedelbeschrijving op te maken is de kandidaat-notaris eveneens in gebreke gebleven. Dit geldt ook voor zijn plicht om rekening en verantwoording af te leggen. De klachtonderdelen 1 tot en met 5 zijn daarom door de kamer gegrond verklaard. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen.

Klachtonderdeel 6

4.8.

Klaagster stelt dat de kandidaat-notaris het vertrouwen van de erflater heeft beschaamd omdat de erflater niet voor niets een professional tot executeur heeft benoemd. Van hem had mogen worden verwacht dat hij bij uitstek deskundig is op het gebied van de afwikkeling van nalatenschappen. De kandidaat-notaris voert in hoger beroep als verweer aan dat klaagster niet namens de erflater kan spreken, laat staan klagen. Klaagster heeft geen belang bij dit klachtonderdeel op grond waarvan klaagster niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

4.9.

Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat klaagster niet in deze klacht kan worden ontvangen. Wat van het naar voren gebrachte verwijt ook zij, de stelling dat de kandidaat-notaris het vertrouwen van de erflater heeft beschaamd is hoogstens een consequentie van de verweten gedragingen. Het betreft geen handelen of nalaten dat op basis van artikel 93 lid 1 van de Wna voor een tuchtrechtelijke toets vatbaar is. Dit betekent dat klaagster in klachtonderdeel 6 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Klachtonderdeel 7

4.10.

Klaagster stelt dat als gevolg van de handelwijze van de kandidaat-notaris het doel van algemeen belang dat klaagster nastreeft niet gediend is.

De kandidaat-notaris is van mening dat klaagster ook in dit onderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat klaagster niet om redenen ontleend aan het algemeen belang kan klagen.

4.11.

Het hof is van oordeel dat klachtonderdeel 7 in het licht van het vorenstaande kennelijk als ‘veegklacht’ bedoeld is en eigenlijk geen zelfstandige betekenis heeft. Om deze reden behoeft dit klachtonderdeel geen verdere bespreking.

Strafmaatverweer

4.12.

De kandidaat- notaris heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om een mildere maatregel naar voren gebracht dat hij op freelance basis op verschillende notariskantoren werkt waar hij zich uitsluitend bezig houdt met ondernemingsrechtelijke dossiers. Hij behandelt geen boedels meer en hij heeft, ook ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat nooit meer te zullen doen. Hij heeft spijt heeft van zijn handelwijze jegens klaagster. Op geen enkele manier heeft hij zich verrijkt ten koste van de nalatenschap. Integendeel, de kandidaat-notaris heeft grote bedragen uit eigen zak besteed aan het in stand houden van de nalatenschap, die hem uiteindelijk niet zijn vergoed. Daarnaast heeft hij afgezien van zijn executeursvergoeding over de werkzaamheden die hij wél heeft verricht.

4.13.

Klaagster brengt naar voren dat het voor haar met name van belang is dat er een signaal moet komen dat het de taak van een (kandidaat)notaris is om een goede-doelen instelling adequaat en voortvarend te informeren indien er sprake is van een begunstiging uit een nalatenschap. Het is van belang dat een dergelijke instelling zo snel mogelijk van een erfstelling of een legaat op de hoogte wordt gebracht. Het is niet de intentie van klaagster om het voor de kandidaat-notaris onmogelijk te maken nog langer binnen het notariaat werkzaam te kunnen zijn.

Conclusie en maatregel

4.14.

De klachtonderdelen 1 tot en met 5 zijn, voor zover betrekking hebbende op de periode dat de kandidaat-notaris binnen het notariaat werkzaam was, alle gegrond. Klachtonderdeel 6 is niet-ontvankelijk en klachtonderdeel 7 heeft geen zelfstandige betekenis. Het hof is van oordeel dat de verwijten die de kandidaat-notaris worden gemaakt in ernstige mate het vertrouwen dat de maatschappij in een (kandidaat)notaris moet kunnen stellen raken. Het hof acht dan ook een zware maatregel op zijn plaatst. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat niet is gebleken dat de kandidaat-notaris op enigerlei wijze zijn eigen belang heeft nagestreefd. De door hem gemaakte kosten heeft hij geheel voor eigen rekening genomen. Daarnaast weegt het hof mee dat aan de kandidaat-notaris niet eerder een tuchtmaatregel is opgelegd. Tenslotte heeft het hof nota genomen van de toezegging van de kandidaat-notaris om geen werkzaamheden meer te verrichten in de boedelpraktijk. In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding niet de zwaarste maatregel van een ontzegging van de waarnemingsbevoegdheid voor onbepaalde duur op te leggen maar te volstaan met een ontzegging van de bevoegdheid om waar te nemen voor de duur van vier maanden.

Ingevolge artikel 105 Wna is het aan de kamer om te bepalen op welke datum de aan de kandidaat-notaris opgelegde maatregel van kracht wordt en dit bij aangetekende brief aan de kandidaat-notaris mee te delen. Voor een overzicht van de werkzaamheden die de (kandidaat)- notaris wel en niet mag verrichten gedurende de ontzegging verwijst het hof naar overweging 6.15 van zijn beslissing van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137), voor zover van toepassing op kandidaat-notarissen.

4.15.

Omdat de beslissing van de kamer vernietigd wordt en de kandidaat-notaris gegronde redenen had in hoger beroep te komen, wordt in hoger beroep geen kostenveroordeling uitgesproken.

5 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing voor zover de gegronde klachtonderdelen zien op de periode dat de kandidaat-notaris niet werkzaam was binnen het notariaat;

- vernietigt de bestreden beslissing wat betreft klachtonderdelen 6 en 7 en de opgelegde maatregel;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart alle klachtonderdelen niet-ontvankelijk voor zover deze zien op de periode dat de kandidaat-notaris niet werkzaam was binnen het notariaat;

- verklaart klachtonderdeel 6 niet-ontvankelijk;

- verklaart klachtonderdeel 7 ongegrond;

- legt aan de kandidaat-notaris de maatregel van een ontzetting van de bevoegdheid om waar te nemen voor de duur van vier maanden op;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige, derhalve ook voor wat betreft de veroordeling van de kandidaat-notaris tot betaling van het griffierecht van klaagster van € 50,- en van de kosten van klaagster van € 1050,- in totaal en de veroordeling tot betaling de kosten van behandeling van de klacht door de kamer ad € 3.500,-.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, A.D.R.M. Boumans en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021 door de rolraadsheer.