Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
19/00308
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:1167, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Giftenaftrek.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.32
Wet inkomstenbelasting 2001 6.39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1011
FutD 2021-1421
Viditax (FutD), 28-04-2021
NTFR 2021/1636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 19/00308

20 april 2021

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. N. Aydogdu)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5262 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 2 juni 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.942.

1.2.

Na tegen de hiervoor vermelde aanslag gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar (gedagtekend 20 oktober 2017), die aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 15 februari 2019 heeft de rechtbank het tegen de hiervoor vermelde uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 maart 2019, aangevuld bij brief van 28 april 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

In hoger beroep heeft de inspecteur zijn in eerste aanleg gedane beroep op de geheimhouding als bedoeld in art. 8:29 Awb gehandhaafd. Het gaat daarbij om een rapport van een controle bij [een Stichting] (hierna ook: de Stichting). Daarop heeft gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat indien het Hof beslist dat beperkte kennisname van voormeld stuk gerechtvaardigd is, belanghebbende toestemming verleent mede op grondslag van dat stuk uitspraak te doen (conform het bepaalde in het vijfde lid van art. 8:29 Awb). Verwijzing naar een andere kamer is derhalve niet noodzakelijk, aldus de gemachtigde van belanghebbende.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7.

Het Hof heeft bij belanghebbende schriftelijke inlichtingen ingewonnen, die zijn verstrekt bij brief van 22 september 2020. Een afschrift van die brief (met bijlagen) is aan de inspecteur gezonden die van de hem geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt bij brief van 6 november 2020, schriftelijk op de inlichtingen te reageren. Een afschrift daarvan is aan belanghebbende gezonden.

1.8.

Beide partijen hebben het Hof vervolgens toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Feiten

1. Eiseres heeft met dagtekening 27 maart 2015 een aangifte ib/pvv 2014 ingediend. Hierin heeft zij de volgende bedragen als gift in aftrek gebracht:

- € 2.500 aan [de Stichting]

- € 100 aan [A] .

2. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld bij [de Stichting] . Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat de kasadministratie van [de Stichting] geen werkelijk beeld geeft van de geldstromen. Verweerder heeft op 14 december 2016 met terugwerkende kracht tot 2 januari 2010 de ANBI-status van [de Stichting] ingetrokken.

3. Bij het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2014 heeft verweerder de door eiseres gestelde giften niet in aanmerking genomen.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.2.

Belanghebbende heeft de volgende twee op kwitanties gelijkende stukken overgelegd:

[afbeelding 1]

[afbeelding 2]

De persoon die als ontvanger op de stukken staat, [B] , is (zo is door de gemachtigde van belanghebbende verklaard) de broer van belanghebbende die bevoegd was om namens de Stichting dergelijke kwitanties te ondertekenen en af te geven.

2.3.

Tot de dossierstukken behoren voorts de volgende (donatie)verklaringen van [C] (d.d. 25 april 2017):

“Hierbij verklaar en bevestig ik namens [de Stichting] dat de heer [D] aan onze stichting op 12 februari 2014 een bedrag van €1500,- met kwitantienummer [1765432] heeft gedoneerd als gift”; en

“Hierbij verklaar en bevestig ik namens [de Stichting] dat de mevrouw [X] aan onze stichting op 25 september 2014 een bedrag van €1000,- met kwitantienummer [1234567] heeft gedoneerd als gift”.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of een bedrag van € 2.500 als aftrekbare giften in aanmerking moet worden genomen, hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur bestrijdt. Belanghebbende doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

Giftenaftrek

9. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften periodieke giften en andere giften. Giften zijn: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat (artikel 6.33, onderdeel a, van de Wet IB 2001). Andere giften zijn giften aan in Nederland gevestigde instellingen (artikel 6.35 van de Wet IB 2001).

10. Ingevolge artikel 6.32, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6.35 van de Wet IB 2001 zijn giften aan instellingen aftrekbaar. Artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 bepaalt dat onder instellingen worden verstaan: door de inspecteur als zodanig aangemerkte kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen, gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen, Aruba of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid, alsmede elders gevestigde, door onze Minister als zodanig aangemerkte instellingen, indien en zolang zij voldoen aan de door hem te stellen voorwaarden.

11. Eiseres stelt bedragen contant te hebben geschonken aan [de Stichting] en [A] . Het ligt op haar weg om dit met schriftelijke bescheiden te staven. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, gelet op het gemotiveerde verweer van verweerder, met de door haar overgelegde kwitanties, donatieverklaringen en bankafschriften niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Bij het boekenonderzoek bij [de Stichting] is gebleken dat er geen verband kan worden gelegd tussen de ontvangsten en contante stortingen door [de Stichting] bij de bank, omdat sommige giften waarvoor kwitanties zijn afgegeven niet, en andere giften dubbel, in de kasadministratie zijn verwerkt. Over de gehele controleperiode ontbreken 10.000 kwitanties. Voorts is daarbij gebleken dat er geen verband is te leggen tussen de ontvangen giften en bankstortingen, omdat bij een volgens de kasadministratie aanwezig hoog kassaldo (€ 50.000) een geringe storting plaatsvindt (€ 20) of juist bankopnames plaatsvinden. Op zichzelf heeft eiseres gelijk dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de wijze waarop [de Stichting] haar administratie voert, maar deze bevindingen doen wel afbreuk aan de bewijskracht van de afgegeven kwitanties. In dat verband heeft verweerder onweersproken gesteld dat de nummers van de kwitanties in de gehele periode uit acht cijfers bestaan, terwijl de nummers van de kwitanties die eiseres heeft overgelegd uit zeven cijfers bestaan. Ook wat betreft de herkomst van middelen heeft eiseres de giften aan [de Stichting] onvoldoende aannemelijk gemaakt, aangezien de data waarop blijkens de bankafschriften geld is opgenomen en de bedragen van de opnamen niet aansluiten bij de data en bedragen vermeld op de kwitanties. Gelet op de omstandigheid dat de gestelde gift aan [A] ruim beneden de wettelijke drempel om voor giftenaftrek in aanmerking te kunnen komen ligt, behoeft deze kwestie bij deze stand van zaken geen bespreking meer.”.

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.

De rechtbank gaat in haar rechtsoverwegingen 9 en 10 van het juiste juridische toetsingskader uit. Van dat toetsingskader zal ook het Hof uitgaan en voegt daaraan nog toe dat andere giften dan periodieke giften aftrekbaar zijn voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet IB 2001). In geval van betwisting door de inspecteur, zoals hier het geval is, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op giftenaftrek.

5.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij in 2014 giften in contanten van (in totaal) € 2.500 aan de Stichting heeft gedaan. Ter voldoening aan de op haar rustende bewijslast heeft belanghebbende twee kwitanties, donatieverklaringen en bankafschriften overgelegd (zie ook hiervoor onder 2.2 en 2.3).

5.3.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de Stichting niet kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij (onder meer) op de bevindingen uit het onderzoek dat heeft plaatsgevonden bij de Stichting en een kopie van een proces-verbaal, waarbij door de voorzitter van de Stichting aangifte wordt gedaan van oplichting.

5.4.

Uit hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de Stichting werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de Stichting niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de door belanghebbende overgelegde kwitanties met een krul zijn ondertekend (zie onder 2.2), hetgeen minst genomen een niet erg voor de hand liggende wijze van ondertekenen van een voor bewijs dienend stuk is. Het ligt dan op de weg van belanghebbende (op dat punt) nader bewijs te leveren.

5.5.

Met de overgelegde bankafschriften en de daarop vermelde geldopnames, heeft belanghebbende dat aanvullende bewijs niet geleverd, reeds omdat met een geldopname niet vaststaat dat (een deel van) de opgenomen gelden ook daadwerkelijk aan de Stichting ten goede zijn gekomen. De stelling dat belanghebbende gelet op de omvang van de contante opnames in staat was om dergelijke giften te kunnen doen maakt dit niet anders. De financiële ruimte om giften te kunnen doen zegt niets over de omstandigheid dat deze giften ook daadwerkelijk zijn gedaan. Ook met de overgelegde donatieverklaringen (zie onder 2.3) is het aanvullende bewijs niet geleverd. Deze bescheiden zijn jaren later (d.d. 25 april 2017) dan de gestelde giften (d.d. 12 februari 2014 en 25 september 2014) opgesteld. Dit nog daargelaten dat die verklaringen zijn afgelegd door [C] van welke persoon gesteld noch gebleken is wat zijn relatie tot de Stichting is.

5.6.

Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de Stichting (een verklaring van de broer van belanghebbende, [B] , dat de giften door hem namens de Stichting in ontvangst zijn genomen en hij de kwitanties daadwerkelijk met een krul heeft ondertekend is bijvoorbeeld niet (meer) ingebracht), acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in het onderhavige jaar giften aan de Stichting heeft gedaan. Bij die stand van het geding komt het Hof niet toe aan de behandeling van het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel inhoudende dat zij erop mocht vertrouwen dat de Stichting voldeed aan de eisen van een ANBI, ook wat betreft de administratie en de geldstromen. De inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de onderhavige aanslag terecht opgelegd.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, C.J. Hummel en

J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 20 april 2021 uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.