Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.291.951/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur. Vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis. Is in het bodemvonnis de uitvoerbaarverklaring van de veroordeling tot ontruiming wel of niet gemotiveerd in de zin van het arrest ECLI:NL:HR:2019:2026? Zelfstandige afweging wederzijdse belangen. Schorsing voor zes maanden in verband met coronacrisis.

Wetsartikelen: 351 Rv, 438 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/10, UDH:S&E HW/50538 met annotatie van Maaike Boomsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.291.951/01 SKG

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 9006009 VV 21-13

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 april 2021

inzake

[appellant sub 1]

en

[appellante sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.P.W. Tonen te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde sub 1]

en

[geïntimeerde sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.P. Groot te IJmuiden.

Partijen worden hierna [appellanten] (afzonderlijk [appellant sub 1] respectievelijk [appellante sub 2] ) respectievelijk [geïntimeerden] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 23 maart 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2021, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden. De dagvaarding bevat de grieven. Op de rol hebben [appellanten] geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding.

De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. [geïntimeerden] hebben toen een memorie van antwoord ingediend. [appellanten] hebben nog een productie overgelegd. Partijen hebben bij monde van hun hiervoor genoemde advocaten hun standpunten nader toegelicht en hebben vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog hun vorderingen zal toewijzen, althans die vordering in die zin zal toewijzen dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming die is uitgesproken bij vonnis van 30 december 2020, wordt geschorst voor een periode van drie maanden vanaf het in deze te wijzen arrest, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten opgesomd de hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Die feiten zijn de volgende.

2.1

[geïntimeerden] zijn eigenaar van een woonboot, thans gelegen op een ligplaats op [adres] (hierna: de woonboot). Voor deze ligplaats is door de gemeente tot op heden geen officiële vergunning afgegeven.

2.2

[geïntimeerde sub 1] heeft de woonboot sinds 2010 verhuurd aan [appellanten] voor een huurprijs van € 500,= per maand.

2.3

[geïntimeerde sub 1] heeft op 4 november 2019 de huurovereenkomst opgezegd per 4 november 2020 met als reden dat hij de woonboot zelf wil gaan gebruiken.

2.4

Bij brief van 10 december 2019 hebben [appellanten] aan [geïntimeerde sub 1] bericht niet akkoord te gaan met de opzegging.

2.5

[geïntimeerden] hebben [appellanten] op 21 januari 2020 gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland en een vordering ingesteld tot (i) veroordeling van [appellanten] tot betaling van achterstallige huur, (ii) primair ontbinding van de huurovereenkomst dan wel subsidiair verklaring voor recht dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en is geëindigd en (iii) veroordeling van [appellanten] tot ontruiming van de woonboot op straffe van verbeurte van een dwangsom, een en ander met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

2.6

De kantonrechter heeft bij vonnis van 30 december 2020 [appellanten] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur vermeerderd met rente, voor recht verklaard dat de huurovereenkomst rechtsgeldig en met inachtneming van een redelijke opzegtermijn is opgezegd en dat de huurovereenkomst per 4 november 2020 is geëindigd en [appellanten] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om de woonboot en de ligplaats binnen drie maanden na betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, een en ander met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.7

[geïntimeerden] hebben het vonnis van 30 december 2020 op 12 januari 2021 aan [appellanten] doen betekenen, zodat [appellanten] in beginsel uiterlijk op 12 april 2021 tot ontruiming van de woonboot en de ligplaats moeten overgaan.

3 Beoordeling

3.1

Bij de inleidende dagvaarding in dit kort geding hebben [appellanten] gevorderd, samengevat, dat de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 30 december 2020 (hierna ook: het bodemvonnis) uitgesproken veroordeling tot ontruiming van de woonboot en de ligplaats wordt geschorst totdat in het tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep is beslist. Zij hebben aan die vordering ten grondslag gelegd dat de kantonrechter in het bodemvonnis (hierna: de bodemrechter) de beslissing de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niet heeft gemotiveerd, zodat overeenkomstig de maatstaf die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019: 2026) heeft geformuleerd, bij de beoordeling van de vordering tot schorsing de belangen van de partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de partij die de veroordeling verkreeg, [geïntimeerden] , zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde partij, [appellanten] , bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist. Die belangenafweging dient volgens [appellanten] in hun voordeel uit te vallen. [geïntimeerden] hebben de vordering tot schorsing weersproken.

3.2

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. Hij heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.

Niet is aangevoerd dat het bodemvonnis berust op een juridische of feitelijke misslag. Het bodemvonnis bevat een uitgebreide afweging van de wederzijdse belangen. Die afweging is weliswaar niet expliciet in de sleutel van de uitvoerbaarheid bij voorraad gesteld, maar impliciet is dit daarin wel meegenomen. Die afweging leidde ertoe dat, hoewel de huurovereenkomst reeds per 4 november 2020 was geëindigd, toch een ontruimingstermijn van drie maanden zou gelden. Doordat [appellanten] geen apart verweer hadden gevoerd tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad, bestond geen noodzaak om dit expliciet te benoemen in de belangenafweging, naast de opschorting van de ontruimingsverplichting met drie maanden. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 kan daarom bij de beoordeling van de vordering van [appellanten] tot schorsing van de executie uitsluitend acht worden geslagen op omstandigheden die de bodemrechter in zijn beslissing niet in aanmerking heeft kunnen nemen doordat zij zich pas daarna hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die beslissing wordt afgeweken. De gezondheidstoestand van [appellante sub 2] is niet een feit dat of omstandigheid die zich pas na het wijzen van het bodemvonnis heeft voorgedaan. Het feit dat [appellant sub 1] door een hernia beperkt is in het doen van opruim- en ontruimingswerkzaamheden vormt geen grond de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis te schorsen, te minder nu [geïntimeerden] hebben aangeboden bij te dragen in de verhuiskosten. Ook het gevaar van dakloosheid is geen nieuw feit waarmee de bodemrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen, aldus nog steeds de kantonrechter.

3.3

In hoger beroep hebben [appellanten] tegen het bestreden vonnis vier grieven aangevoerd.

3.4

Het hof ziet aanleiding te beginnen met grief 2, die is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat de bodemrechter aan zijn beslissing om de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wel degelijk een afweging van de wederzijdse belangen ten grondslag heeft gelegd, zij het impliciet. [appellanten] betogen dat de bodemrechter weliswaar een uitgebreide belangenafweging heeft uitgevoerd bij de beoordeling van de hoofdvorderingen (verklaring voor recht en veroordeling tot ontruiming), maar uit niets blijkt dat die afweging zich ook uitstrekt tot de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Een beslissing die ziet op de termijn van ontruiming (in dit geval drie maanden) heeft een geheel andere strekking en betekenis dan een beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis. Op geen enkele manier is in de motivering van de beslissing tot het geven van een ruimere termijn een verband gelegd met de uitvoerbaarheid bij voorraad. Aldus is onvoldoende duidelijk dat de bodemrechter in dit verband ook iets over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft willen zeggen. Dit verhoudt zich niet met de door de Hoge Raad gestelde voorwaarde van een gemotiveerde beslissing ter zake. Dat [appellanten] tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen afzonderlijk verweer hadden gevoerd, brengt in het voorgaande geen verandering, aldus [appellanten]

3.5

Het hof volgt [appellanten] in dit betoog. Uit het bodemvonnis blijkt onvoldoende duidelijk dat de bodemrechter de wederzijdse belangen ook heeft afgewogen in het kader van de vraag of het belang van [geïntimeerden] bij tenuitvoerlegging van het bodemvonnis zwaarder weegt dan het belang van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist en dat die afweging hem tot de beslissing heeft gebracht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat [appellanten] een ontruimingstermijn van drie maanden is gegeven, zegt in dit verband onvoldoende. Dit betekent dat het bodemvonnis geacht moet worden geen gemotiveerde beslissing op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad te bevatten, als bedoeld in het meergenoemde arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019.

3.6

Het hof zal in dit kort geding dus zelfstandig de belangen van partijen moeten afwegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij is uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hoger beroep, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dat uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tijdens het hoger beroep, ondanks dat uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene op wiens vordering de veroordeling is uitgesproken, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft - daargelaten de zich hier niet aan de orde zijnde situatie dat de veroordeling berust op een kennelijke misslag - de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de rechter de vordering waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft, toewijsbaar heeft geoordeeld en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen.

3.7

[appellanten] hebben als hun belang bij het behoud van de bestaande toestand het volgende naar voren gebracht. Als [geïntimeerden] de woonboot gaan verkopen of verhuren aan een derde, dreigt na ontruiming een onomkeerbare situatie te ontstaan. [appellanten] zijn aangewezen op een sociale huurwoning binnen een bepaalde straal rond de plaats waar [appellant sub 1] zijn werk verricht en het is daarom voor hen niet eenvoudig vervangende woonruimte te vinden. Vanwege de onzekerheid rond de vergunning hebben [appellanten] in de afgelopen jaren al naar vervangende woonruimte gezocht, maar zonder succes. Bij ontruiming dreigt dus dakloosheid. Omdat een besmetting met het coronavirus voor [appellante sub 2] , die COPD en astma heeft, zeer gevaarlijk kan zijn, leeft zij al geruime tijd in thuisquarantaine. Dit maakt tijdelijk onderdak bij familie of vrienden, zo dat al kan worden gevonden, problematisch. [appellant sub 1] heeft op dit moment rugklachten als gevolg van een hernia, waardoor hij niet de ingrijpende verhuis- en opruimwerkzaamheden kan verrichten die behoren bij een ontruiming van een woonboot.

3.8

[geïntimeerden] hebben daar tegenover als hun belang het volgende naar voren gebracht. [geïntimeerden] willen nu de huurovereenkomst is geëindigd, hun handen vrij hebben om de woonboot en de ligplaats te gebruiken op de manier die hun goeddunkt. Doordat de woonboot in de afgelopen tien jaar nooit op de helling is geweest voor inspectie en onderhoud, verkeert die in een slechte staat. [geïntimeerden] willen de woonboot daarom slopen en willen geen verantwoordelijkheid dragen voor de eventuele gevolgen van gebreken bij voortgezet gebruik van de woonboot door [appellanten] Als de vergunning voor de ligplaats wordt verleend, willen [geïntimeerden] een nieuwe woonboot op de ligplaats leggen om zelf te gaan bewonen. Als de vergunning definitief niet wordt verleend, willen [geïntimeerden] de ligplaats leeg opleveren. Vanwege de onjuiste stellingname van [appellanten] dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de verkoop van de boot aan hen, hebben [geïntimeerden] geen vertrouwen meer in [appellanten] en dus ook niet in de toezegging dat zij de woonboot en de ligplaats zullen ontruimen als geen vergunning wordt verleend.

3.9

Het hof moet bij de beoordeling van de vordering tot schorsing tot uitgangspunt nemen dat de huurovereenkomst in november 2020 rechtsgeldig is geëindigd. [geïntimeerden] hebben onder die omstandigheden het recht weer over hun eigendom te beschikken. Gezien de stelling van [appellanten] dat zij al jarenlang tevergeefs op zoek zijn naar geschikte vervangende woonruimte, valt niet te verwachten dat zij in die zoektocht nu op korte termijn succesvol zullen zijn. Van [geïntimeerden] kan zonder huurovereenkomst niet worden gevergd dat zij [appellanten] onderdak verschaffen gedurende de gehele appelprocedure tegen het bodemvonnis, die ook bij vlot doorprocederen door partijen al gauw een jaar zal duren. Verder moet worden voorkomen dat de appelprocedure gaat fungeren als middel om het verblijf in de woonboot te rekken. Het feit dat [appellanten] pas in de laatste week van de appeltermijn en zonder grieven aan te voeren in hoger beroep zijn gekomen van het bodemvonnis, wijst in die richting.

3.10

Anderzijds heeft het hof begrip voor de moeilijke positie waarin [appellanten] en met name [appellante sub 2] , door de coronacrisis zijn komen te verkeren. Tijdelijk onderdak zoeken bij familie of bekenden lijkt onder de gegeven omstandigheden inderdaad niet verstandig. Verwacht mag worden dat over zes maanden de situatie in Nederland wat betreft Corona zoveel zal zijn verbeterd, dat een ontruiming dan verantwoord kan plaatsvinden. Tegen die tijd mag tevens worden verwacht dat [appellant sub 1] weer in staat zal zijn de nodige werkzaamheden in dat verband te verrichten. Van [geïntimeerden] is te vergen dat zij [appellanten] dit respijt nog geven. Het hof zal daarom de veroordeling tot ontruiming schorsen voor een periode van zes maanden. In zoverre slagen de grieven 1, 3 en 4.

Slotsom en kosten

3.11

De grieven hebben gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis wordt vernietigd, met uitzondering van de kostenveroordeling. De tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming wordt alsnog geschorst tot zes maanden na de datum van dit arrest. Nu partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld worden, moeten zij ieder de eigen kosten van het hoger beroep dragen.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

schorst de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 30 december 2020 door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland uitgesproken veroordeling tot ontruiming van de woonboot en de ligplaats tot zes maanden na de dagtekening van dit arrest;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.C.W. Rang en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.