Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:1027

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
200.266.437/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoger beroep tegen afwijzing beslissing heropening; appellant niet ontvankelijk; instellen hoger beroep geen misbruik van recht; proceskostenveroordeling conform liquidatietarief

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.266.437/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/648570 / HA ZA 18-542

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 april 2021

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S. van Buuren te 's-Gravendeel,

tegen

1 TALPA TV B.V., voorheenSBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2 NOORDKAAP TV PRODUCTIES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3 [geïntimeerde sub 3]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.A.K. van den Berg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk Talpa c.s. (enkelvoud) en afzonderlijk Talpa, Noordkaap en [geïntimeerde sub 3] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 21 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 22 mei 2019, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Talpa c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven;

  • -

    memorie van antwoord, met producties.

Voorafgaand aan de zitting heeft het hof kenbaar gemaakt dat de zitting zal worden beperkt tot de ontvankelijkheid in hoger beroep en dat, indien [appellant] ontvankelijk in het hoger beroep wordt verklaard, een nadere mondelinge behandeling over de inhoud van de zaak zal plaatsvinden. Partijen hebben met deze werkwijze ingestemd.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 1 maart 2021 doen bepleiten, [appellant] door mr. van Buuren voornoemd en Talpa c.s. door mr. van den Berg voornoemd. Partijen hebben eveneens vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen alsnog toe zal wijzen, met veroordeling van Talpa c.s. in de kosten van beide instanties, met nakosten en rente.

Talpa c.s. heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de volledige kosten.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 de feiten vermeld die zij als vaststaand heeft aangenomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in het geschil zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.

3 Ontvankelijkheid in hoger beroep

3.1

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank waarbij afwijzend is beslist op zijn verzoek tot herroeping van het vonnis van 4 december 2013.

3.2

Op grond van artikel 388, tweede lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) is een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar voor hoger beroep. Het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv ziet zowel op de beslissing tot toewijzing als op die tot afwijzing van een verzoek tot heropening.

3.3

[appellant] meent dat sprake is van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod vanwege schending van twee fundamentele beginselen van procesrecht: het recht op hoor- en wederhoor en het recht op bijstand van een advocaat.

3.4

De wetgever heeft hoger beroep van de beslissing inzake de heropening van het geding uitgesloten. De wetgever heeft evenwel niet tevens cassatieberoep uitgesloten, zodat tegen de beslissing tot heropening van het geding cassatieberoep openstaat. De klacht van schending van beginselen als door [appellant] bedoeld kan in dat cassatieberoep aan de orde worden gesteld en, indien gegrond, eventueel na verwijzing leiden tot heropening van het betrokken geding. De uitsluiting van hoger beroep kan bij deze stand van zaken niet worden doorbroken op één van de in de rechtspraak daartoe erkende gronden. De doorbrekingsjurisprudentie is immers niet van toepassing op het uitsluiten van enkel het hoger beroep zoals geregeld in artikel 388 lid 2 Rv.

3.5

[appellant] kan daarom niet worden ontvangen in dit hoger beroep.

Proceskostenveroordeling; misbruik van recht

3.6

Thans dient nog te worden beslist op de vordering van Talpa c.s. om [appellant] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding in beide instanties, inclusief het volledige honorarium van de advocaat van Talpa c.s. Talpa c.s. legt aan deze vordering ten grondslag dat [appellant] zich schuldig maakt aan misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens Talpa c.s. zijn de vorderingen van [appellant] evident ongegrond, aangezien [appellant] appel instelt in een zaak waarin de wet een appelverbod kent dat niet doorbroken kan worden. [appellant] zou met name procederen om Talpa c.s. het leven zuur te maken, terwijl hij, [appellant] , wist of behoorde te weten dat het voortzetten van de onderhavige procedure zinloos is.

3.7

Het hof is van oordeel dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

3.8

Het hof ziet in de door Talpa c.s. aangevoerde omstandigheden echter onvoldoende grond om bij het begroten van die kosten af te wijken van het liquidatietarief. Artikel 3:13 lid 1 BW, op grond waarvan Talpa c.s. de werkelijke proceskosten vordert, bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, die niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.

3.9

Het hof is van oordeel dat Talpa c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid hoger beroep in te stellen, in die zin dat hij deze bevoegdheid heeft uitgeoefend met geen ander doel dan Talpa c.s. te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende komen vast te staan om te kunnen oordelen dat is voldaan aan de (strenge) vereisten voor een geslaagd beroep op misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod nu dit geen betrekking heeft op stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Talpa c.s. begroot op € 741,00 aan verschotten en op € 3.342,00 voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, E.M. Polak en H. Struik en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.