Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:986

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
19/00613
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane. Belanghebbende is ten onrechte als douaneschuldenaar aangemerkt. Uitspraak rechtbank vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-04-2020
FutD 2020-1223
NTFR 2020/1549
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00613

31 maart 2020

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma RB)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/1447 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 februari 2016 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 54.445,76 aan definitieve antidumpingrechten.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 6 februari 2017, de utb gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 februari 2019 op het tegen de hiervoor vermelde uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof per faxbericht ingekomen op 11 april 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende is een nader stuk ontvangen, ingekomen bij het Hof op 26 februari 2020. Hiervan is een kopie aan de inspecteur gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Aldaar is namens belanghebbende verschenen de gemachtigde voornoemd. Van de zijde van de inspecteur zijn verschenen mr. B.C. Brouwer en S. Enkelaar. Het onderzoek in deze zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 19/00614. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiseres heeft in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 4 januari 2016 in naam en voor rekening van [Y] aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van - kort gezegd - zonnepanelen met land van verzending en land van oorsprong Volksrepubliek China onder TARIC-code 8541 40 90 21 B856. Voorts is in de aangiften bescheidcode D017 ingevuld, waarmee wordt aangegeven dat men zich op grond van een in het kader van een verbintenis afgegeven handelsfactuur en een door de Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van machines en elektronische producten (hierna: CCCME) afgegeven verbinteniscertificaat op een vrijstelling van antidumpingrecht (en compenserend recht) beroept. De producent van de zonnepanelen is Ningbo Huashun Solar Energy Technology Co., Ltd.

2. Van de onder 1 bedoelde aangiften zijn er zeven fysiek gecontroleerd. Het betreft aangiften die op 28 en 30 oktober, 18, 19 en 30 november en 14 en 15 december 2015 zijn aanvaard. De zeven controleopdrachten houden in dat de goederen dienen te worden omschreven en in vier gevallen dat tevens het land van oorsprong dient te worden genoteerd. De toelichting op de opdrachten houdt - voor zover thans van belang - in vier gevallen in dat moet worden gecontroleerd op volledige overeenstemming van de goederen met de omschrijving op de verbintenisfactuur, in één geval dat naar eigen inzicht en kennis een overeenstemmingscontrole moet worden uitgevoerd en in drie gevallen dat de bij de aangifte behorende bescheiden moeten worden gecontroleerd.

3. Per e-mailbericht van 5 januari 2016 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat is geconstateerd dat de hiervoor onder 1 bedoelde aangiften hebben plaatsgevonden na de vervaldatum van het gerelateerde verbinteniscertificaat. Op 20 januari 2016 heeft eiseres verweerder per e-mail een overzicht met de aangiften en de te weinig afgedragen rechten bij invoer toegestuurd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder aan eiseres voornoemde utb uitgereikt.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de inspecteur de bestreden utb terecht aan belanghebbende heeft uitgereikt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De door de inspecteur geboekte en aan belanghebbende medegedeelde douaneschulden – waarvan het bestaan door belanghebbende wordt betwist – vinden hun grondslag in artikel 201, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW). Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 201

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a. wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht,

(…)

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

(…).”

In artikel 4, aanhef en onder punt 18, van het CDW is bepaald dat onder de “aangever” wordt verstaan de persoon die in eigen naam een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam een douaneaangifte wordt gedaan.

4.2.

Belanghebbende heeft zich, voor het eerst in hoger beroep, op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte als douaneschuldenaar is aangemerkt, omdat zij niet de aangever van de goederen is en de goederen evenmin door een indirect vertegenwoordiger voor haar rekening zijn aangegeven. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.3.

Uit de aangiftegegevens welke de inspecteur op 16 januari 2019 per e-mail aan de rechtbank heeft gezonden blijkt dat belanghebbende bij het indienen van de desbetreffende aangiften in alle gevallen is opgetreden als direct vertegenwoordiger van [Y] . Dit brengt met zich dat niet belanghebbende maar [Y] op de voet van artikel 4, aanhef en onder 18, van het CDW als de “aangever” wordt aangemerkt. Belanghebbende is daarom ten onrechte als douaneschuldenaar aangemerkt. De utb dient reeds om die reden te worden vernietigd, zodat de overige ingebrachte grieven geen behandeling behoeven.

4.4.

Het Hof verwerpt de stelling van de inspecteur dat belanghebbende zich, door pas in hoger beroep het onder 5.2 genoemde standpunt in te nemen, schuldig maakt aan misbruik van recht. Deze stelling vindt geen steun in het recht.

4.5.

Belanghebbende heeft verzocht de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van “de invorderingsrente conform artikel 241 CDW en artikel 28c lid 3 Invorderings[wet] 1990 in samenhang met het Wortmann arrest”. Het Hof merkt op dat is gesteld noch gebleken dat het in de utb vermelde belastingbedrag is betaald en, zo ja, wanneer. Veronderstellenderwijs er van uit gaande dat de in de utb vermelde douaneschuld door belanghebbende op enig moment is betaald, heeft het volgende te gelden.

4.6.

Hoofdregel is dat een terugbetaling van rechten bij invoer geen aanleiding geeft tot een betaling van rente (artikel 241 CDW, thans artikel 116, lid 6, DWU). Uit het arrest HvJ 18 januari 2017, zaak C-365/15 (Wortmann KG), r.o. 38, volgt dat wel een verplichting tot betaling van rente bestaat indien een terugbetaling plaatsvindt na nietigverklaring door het Hof van Justitie van de verordening op basis waarvan de rechten werden geïnd, zodat de heffing ervan niet in overeenstemming was met het Unierecht. Een dergelijke situatie doet zich in casu evenwel niet voor.

4.7.

Het door belanghebbende genoemde artikel 28c is toegevoegd aan de Invorderingswet 1990 naar aanleiding van het arrest HvJ 18 april 2013, C-565/11 (Irimie), waarin sprake was van een nationale belasting welke strijdig was met het bepaalde in artikel 110 VWEU. Een dergelijke situatie doet zich in casu evenmin voor, nog daargelaten dat hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990, waar artikel 28c deel van uitmaakt, met ingang van 1 mei 2016 geen toepassing meer vindt op rechten bij invoer. Ten overvloede merkt het Hof op dat, indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat artikel 28c Invorderingswet in casu wél toepassing zou kunnen vinden - bijvoorbeeld op grond van het bepaalde in artikel XV van de Wet aanpassingen aan het Douanewetboek van de Unie - de toepassing van deze bepaling vanwege het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger of een door de rechtbank daaromtrent gegeven (neven)beslissing, buiten de grenzen van het geschil in het onderwerpelijke hoger beroep valt (HR 3 maart 2017, 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, r.o. 2.2.5).

Slotsom

4.8.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

5 Kosten

Het Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Het Hof acht geen termen aanwezig voor de door belanghebbende verzochte integrale proceskostenvergoeding. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op 2 [bezwaarschrift, hoorgesprek] x € 261 x 1 (wegingsfactor) = € 522 voor de bezwaarfase en 4 [beroepschrift, zitting rechtbank, hogerberoepschrift, zitting Hof] x € 525 x 1 (wegingsfactor) = € 2.100 voor beroep en hoger beroep, totaal € 2.622.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.622;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 333 (beroep bij de rechtbank) en € 519 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 852 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en W.M.C. Schipper, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. P.L. Cheung als griffier. De beslissing is op 31 maart 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

De griffier is verhinderd

te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.