Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:961

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
23-000066-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling door met glas tegen hoofd te slaan. Zwaar lichamelijk letsel is niet bewezen, omdat de littekens qua uiterlijk en locatie niet prominent genoeg zijn om van zwaar lichamelijk letsel te spreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000066-18

datum uitspraak: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer
15-221829-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

primair:

hij op of omstreeks 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere sneeën in zijn gezicht, oor en nek), heeft toegebracht, door die [benadeelde] opzettelijk met een glas in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan;

subsidiair:
hij op of omstreeks 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een glas in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere strafoplegging dan de rechtbank.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De op 17 september 2016 bij aangever [benadeelde] met een glas veroorzaakte verwondingen waren aanzienlijk, bloedden hevig en bevonden zich vlakbij het linkeroog en aan het linkeroor. Dat oor moest op verschillende plekken gehecht worden. De sneeën bij het oog zijn gelijmd. Aan de hand van recente foto’s van de aangever heeft het hof kunnen vaststellen dat zich op die plaatsen weliswaar nog altijd enig littekenweefstel bevindt, maar ook dat de resterende littekens relatief klein zijn en qua kleur nauwelijks afwijken van het verdere huidoppervlak van het gezicht resp. het oor. Het betreft derhalve niet dusdanig prominente littekens dat kan worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Anders de advocaat-generaal, maar met de rechtbank en de raadsman, is het hof daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een glas tegen het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft verklaard dat hij op 17 september 2016 in het café in Zaandam was waar de

onderhavige gebeurtenis zich heeft afgespeeld en daar twee drankjes had gehaald, waarmee hij langs de aangever wilde lopen. Die liet hem niet passeren, waarop een discussie ontstond en de aangever de verdachte een klap in zijn gezicht gaf ter hoogte van zijn nek. Daarop heeft de verdachte naar eigen zeggen gereageerd door de aangever te slaan met het glas dat hij in zijn hand had. Daarbij raakt hij de aangever in het gezicht. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in het verlengde van die verklaring betoogd dat de verdachte heeft gehandeld in noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, omdat hij zich geconfronteerd zag met een (dreigend gevaar voor een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof acht de lezing van de verdachte die aan het verweer ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk, omdat daarvoor in het dossier geen enkele steun is te vinden. In het bijzonder de verklaringen van andere aanwezigen in het café bieden geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de aangever de verdachte de doorgang belette en/of hem als eerste een klap gaf. De kanttekeningen die de raadsman bij verschillende van die verklaringen heeft geplaatst, maken dit niet anders.

Dit brengt mee dat het verweer feitelijke grondslag mist, zodat het wordt verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft op basis van de door de verdachte gepresenteerde lezing (subsidiair) een beroep gedaan op noodweerexces. Dat verweer wordt verworpen, omdat de feitelijke gang van zaken die daaraan ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden, zoals hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot taakstraf van 200 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in het uitgaansleven schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Na de nodige consumptie van alcohol heeft hij in een café een andere bezoeker met een glas in het gezicht geslagen. Deze heeft hierbij flinke snijwonden in zijn gezicht en het oor opgelopen. Aldus heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verwondingen van het slachtoffer hebben geruime tijd een nare aanblik gegeven. De (relatief beperkte) littekens die daarvan zijn achtergebleven, zullen het slachtoffer zijn leven lang aan de mishandeling herinneren. De verdachte mag van geluk spreken dat de gevolgen van zijn handelen niet nog ernstiger zijn, nu de kans op zwaarder letsel, zoals blijvende, in het oog springende en ontsierende littekens, oogletsel of zelfs blindheid, groot was. Bovendien brengt een dergelijk incident gevoelens van ontzetting, angst en onveiligheid teweeg bij het slachtoffer en bij personen die daarvan getuige zijn geweest.

Het hof heeft gelet op de straffen die ter zake van uitgaansgeweld in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Bij first offenders gaat het daarbij niet zelden om een forse taakstraf, vaak aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Die combinatie van straffen acht het hof, alles afwegende, ook in deze zaak passend. Het hof zal de verdachte daarom een taakstraf van 200 uren opleggen. Om de ernst van het bewezenverklaarde te benadrukken en de verdachte ervan te weerhouden nogmaals een soortgelijk misdrijf te begaan, zal hem daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Deze is van enigszins kortere duur dan gevorderd door de advocaat-generaal, vanwege de tijd die sinds het incident is verstreken en omdat de verdachte spijt heeft betuigd over zijn handelen op een wijze die op het hof oprecht overkwam.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.333,45, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.833,45. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen. De raadsman heeft gesteld dat ter compensatie van immateriële schade geen hoger bedrag dan € 400,00 moet worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, mede omdat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die materiële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, hetgeen niet is betwist. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 1.500,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de aard en de ernst van de inbreuk die op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer is gemaakt en de schadevergoeding die door rechters in vergelijkbare zaken is toegekend. De verdachte is in zoverre tot vergoeding van de immateriële schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

De vordering van de benadeelde partij zal, resumerend, worden toegewezen tot een bedrag van in totaal
€ 1.833,45, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.833,45 (duizend achthonderddrieëndertig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 333,45 (driehonderddrieëndertig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.833,45 (duizend achthonderddrieëndertig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 333,45 (driehonderddrieëndertig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
17 september 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 maart 2020.

mrs. J.J.I. de Jong, P.F.E. Geerlings en C.H. Sillen zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]