Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:952

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
200.262.579/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.262.579/ 01

Zaaknummer rechtbank: C/15/267183 / FA RK 17-6971

Beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2020 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [Z] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Bleijendaal te Haarlem,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. N.H. Fridsma te Heemskerk.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 17 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en hersteld bij beschikking van 26 juni 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 15 juli 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 april 2019, zoals hersteld bij beschikking van 26 juni 2019.

2.2

De man heeft op 26 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen een stuk van de zijde van de man, ingekomen op 23 september 2019.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 14 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W.R. Daalderop.

2.5

Na de mondelinge behandeling is een faxbrief van de raad van 14 februari 2020 met bijlagen ingekomen, waarin de raadsvertegenwoordiger zijn ter zitting gegeven advies heeft gecorrigeerd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van de raad.

3 De feiten

3.1

Uit het (op 10 oktober 2018 door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de vrouw en de man is [de minderjarige] geboren op [datum] 2016.

De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 3 november 2017 is, voor zover thans van belang, bij wijze van voorlopige voorzieningen in de echtscheidingsprocedure een zorgregeling bepaald waarbij [de minderjarige] bij de man verblijft op vrijdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur.

3.3

Bij beschikking van 12 september 2018 van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) is, voor zover thans van belang, de raad verzocht ten aanzien van de zorgregeling een onderzoek te verrichten. Tussen de man en [de minderjarige] is een tijdelijke zorgregeling bepaald waarbij [de minderjarige] bij de man is op vrijdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur.

3.4

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de raad van 7 februari 2019. De raad acht het in [de minderjarige] belang om geleidelijk naar tweewekelijkse omgangsweekenden toe te groeien, waarbij hij ook bij de man overnacht. Bij de opbouw van de zorgregeling heeft de raad de jonge leeftijd van [de minderjarige] in aanmerking genomen. Tot [de minderjarige] vier jaar oud is (in [maand] 2020) adviseert de raad hem van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man te laten verblijven. Vanaf het moment dat [de minderjarige] vier jaar oud is, adviseert de raad dat [de minderjarige] bij de man verblijft van vrijdag 14.00 uur tot zondag 18.00 uur. Met betrekking tot de vakanties luidt het advies dat [de minderjarige] in 2020 in de zomer twee aaneengesloten weken en verdeeld door het jaar nog twee keer een week bij de man verblijft. De feestdagen dienen bij helfte te worden verdeeld door de ouders in onderling overleg.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking, zoals hersteld bij beschikking van 26 juni 2019, is bepaald dat de definitieve zorgregeling als volgt zal zijn. [de minderjarige] verblijft bij de man:

  • -

    tot [de minderjarige] vier jaar is ( [datum] 2020): van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en vanaf [datum] 2020 eenmaal per twee weken van vrijdag 14.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    vanaf 1 januari 2020 gedurende de helft van de feestdagen, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;

  • -

    gedurende één week aaneengesloten in de kerstvakantie van 2020;

  • -

    gedurende één week aaneengesloten in de meivakantie van 2021;

  • -

    met ingang van de zomervakantie van 2021 iedere zomervakantie gedurende twee weken aaneengesloten en jaarlijks tweemaal één week in de schoolvakanties verdeeld door het jaar, in onderling overleg te bepalen.

De man had verzocht een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] bij hem is eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

De vrouw had verzocht een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] bij de man is eenmaal per week op zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur, dan wel op vrijdag van 13.00 uur tot 17.00 uur en op zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man te bepalen waarbij [de minderjarige] bij de man is:

- eenmaal per veertien dagen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- vanaf 1 januari 2020 gedurende de helft van de islamitische feestdagen, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;

- met ingang van de kerstvakantie van 2020 tijdens de mei- en kerstvakanties gedurende drie aaneengesloten dagen, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, waarbij tevens de tweewekelijkse weekendregeling doorloopt;

- met ingang van de zomervakantie van 2021 tijdens de zomervakanties tweemaal gedurende vijf aaneengesloten dagen, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, waarbij tevens de tweewekelijkse weekendregeling doorloopt.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw betoogt dat de rechtbank bij de vaststelling van de reguliere zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man de door de raad in zijn rapport van 7 februari 2019 geadviseerde zorgregeling heeft willen volgen, maar dat sprake is van een onjuiste lezing door de rechtbank van dat advies voor zover het de periode tot [maand] 2020 betreft. De formulering door de raad is niet geheel duidelijk, maar de vrouw gaat ervan uit dat het geadviseerde schema bedoeld is als een tweewekelijkse (en niet een wekelijkse) regeling. Dat ligt voor de hand nu de raad spreekt van een opbouwende regeling terwijl in het door de rechtbank bepaalde schema juist sprake is van een afbouwende regeling; tot hij vier jaar oud is ziet [de minderjarige] de man vaker dan vanaf zijn vierde verjaardag. De vrouw wijst er voorts op dat de man niet om een wekelijkse regeling heeft verzocht.

Daarnaast stelt de vrouw dat een wekelijkse regeling niet in het belang van [de minderjarige] is, omdat een dergelijke regeling tot gevolg heeft dat hij geen enkel weekend bij de vrouw doorbrengt. Daardoor verwatert ook [de minderjarige] band met de familie van de vrouw.

5.2

De man stelt dat de rechtbank op juiste wijze het advies van de raad heeft gevolgd. Al sinds de beschikking van 3 november 2017 heeft de man [de minderjarige] elk weekend bij zich op vrijdag en zondag. Het is niet logisch dat de raad zou hebben bedoeld dat die regeling moet worden teruggebracht naar een weekend per twee weken. [de minderjarige] gaat nog niet naar school en de vrouw werkt niet, zodat de vrouw reeds voldoende tijd kan doorbrengen met [de minderjarige] buiten de weekenden om. Pas als [de minderjarige] in [maand] 2020 naar school gaat, heeft de vrouw er belang bij dat [de minderjarige] ook weekenden met haar doorbrengt, vandaar dat de zorgregeling vanaf dat moment wel tweewekelijks is bepaald.

5.3

Uit het rapport van de raad van 7 februari 2019 blijkt onder andere het volgende.

[de minderjarige] ontwikkelt zich goed, hij ervaart zijn beide ouders als zeer positief en hij heeft voldoende draagkracht om contact te hebben met de man. Beide ouders bieden een goede opvoedingsomgeving en zij waarderen de band die [de minderjarige] heeft met de andere ouder. De raad ziet wel een risico op loyaliteitsproblematiek als het conflict tussen de ouders over de zorgregeling voortduurt. Voor [de minderjarige] is nodig dat er een duidelijke, toereikende zorgregeling wordt bepaald en dat die wordt nageleefd.

Ter zitting in hoger beroep heeft de raad geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. [de minderjarige] heeft veel belang bij goed, regelmatig contact met de man. Gezien de leeftijd van [de minderjarige] alsmede gelet op de groei van het vertrouwen tussen partijen, is de door de rechtbank bepaalde reguliere zorgregeling in het belang van [de minderjarige] .

Na de zitting heeft de raad voornoemd advies gecorrigeerd en gesteld dat de raad in zijn rapport van 7 februari 2019 heeft bedoeld te adviseren dat [de minderjarige] tweewekelijks bij de man verblijft, waarbij [de minderjarige] ook overnacht bij de man.

5.4

Het hof stelt vast dat zowel de vrouw als de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat de reguliere zorgregeling wordt uitgevoerd conform de bestreden beschikking, zodat [de minderjarige] iedere week in het weekend bij de man verblijft, en dat die regeling goed verloopt. Voordien verbleef [de minderjarige] ook al wekelijks bij de man, met dien verstande dat hij niet bij hem overnachtte maar twee keer een dagdeel bij de man verbleef.

Uit het raadsrapport blijkt voorts dat [de minderjarige] zich positief ontwikkelt en dat hij met zijn beide ouders een sterke band heeft. Zowel de vrouw als de man biedt [de minderjarige] een goede opvoedomgeving. Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen de jonge leeftijd van [de minderjarige] acht het hof regelmatig contact van [de minderjarige] met de man in [de minderjarige] belang. Zolang hij nog niet naar school gaat, dient hij naar het oordeel van het hof dan ook wekelijks naar de man te blijven gaan, van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur. De wens van de vrouw om ook een weekend met [de minderjarige] door te kunnen brengen is invoelbaar, maar nu zij momenteel (nog) niet werkt en zij [de minderjarige] dus reeds vijf dagen per week bij zich heeft, ziet het hof onvoldoende aanleiding om tegemoet te komen aan die wens van de vrouw. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat zij aangewezen is op de weekends voor het bezoeken van haar familie. Met de vrouw is het hof eens dat [de minderjarige] belang heeft bij het onderhouden van de band met zijn familie moederszijde, maar naar het oordeel van het hof weegt dit belang minder zwaar dan het belang van [de minderjarige] bij regelmatig contact met zijn vader, te meer omdat [de minderjarige] in [maand] 2020 naar school zal gaan en de zorgregeling met de man alsdan zal wijzigen in een tweewekelijkse regeling. Over die regeling bestaat geen geschil. Binnen afzienbare termijn kan de vrouw dus tweemaal per maand een weekend met [de minderjarige] doorbrengen en haar familie bezoeken.

De weekendregeling vangt blijkens de bestreden beschikking op zaterdag aan om 10.00 uur. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht de zorgregeling te bepalen vanaf zaterdag om 12.00 uur. Nu zij dit verzoek om het tijdstip te wijzigen niet heeft toegelicht en het hof ook overigens niet is gebleken dat wijziging van de aanvangstijd noodzakelijk is, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen ten aanzien van de daarin bepaalde reguliere zorgregeling.

5.5

De vrouw heeft ook de vakantieregeling aan de orde gesteld; zij vindt dat die te intensief is voor [de minderjarige] . Sinds zijn geboorte is hij nooit langer dan twee weken gescheiden geweest van haar. Zij vraagt zich bovendien af of de man deze verantwoordelijkheid kan dragen.

5.6

De man stelt dat hetgeen de vrouw als bezwaren tegen de vakantieregeling heeft aangevoerd, onvoldoende zwaarwegend is. Nergens blijkt uit dat de man niet twee weken achtereen voor [de minderjarige] zou kunnen zorgen. Dat dat nog niet eerder is gebeurd, wil niet zeggen dat het niet kan.

5.7

De raad heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd en ontwikkeling twee weken achtereen bij de man kan zijn. Daarbij is het wel van belang dat partijen geen strijd voeren over de vakanties.

5.8

Het hof sluit aan bij dit advies van de raad en zal de bestreden beschikking ook op het punt van de vakantieregeling bekrachtigen. Niet gebleken is dat een verblijf van twee weken bij de man in strijd is met het belang van [de minderjarige] , ongeacht of de man met [de minderjarige] bij zijn ouders verblijft of niet.

5.9

Tot slot heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de regeling tijdens de feestdagen, waarbij de rechtbank de christelijke feestdagen lijkt te bedoelen. De vrouw en [de minderjarige] zijn islamitisch en de vrouw wenst [de minderjarige] dan ook niet mee te geven dat de christelijke feestdagen speciale dagen zijn; op die dagen wil zij dan ook de reguliere zorgregeling handhaven. Zij stemt er wel mee in dat [de minderjarige] gedurende de helft van de islamitische feestdagen bij de man verblijft.

5.10

De man heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat ook hij islamitisch is, maar dat hij op de islamitische feestdagen moet werken. Als [de minderjarige] naar school gaat, zal hij evenmin vrij zijn op de islamitische feestdagen. Aangezien de man wel vrij is op christelijke feestdagen, wil hij een deel daarvan graag met [de minderjarige] doorbrengen. Hij heeft voorts verzocht nader te bepalen hoe de feestdagen moeten worden verdeeld; volgens de man is een feestdag een dag inclusief overnachting, maar de vrouw wenst [de minderjarige] slechts een dagdeel bij de man te laten verblijven.

5.11

Het hof stelt vast dat beide partijen islamitisch zijn en dat zij de christelijke feestdagen niet vieren. Dat neemt niet weg dat [de minderjarige] per [maand] 2020 naar school zal gaan en dat hij vrij zal zijn op de officiële feestdagen zoals Koningsdag, maar ook op christelijke feestdagen zoals Pasen en Pinksteren. Het is in [de minderjarige] belang dat hij een deel van die vrije dagen ook met de man kan doorbrengen. Dat de vrouw [de minderjarige] wegens haar geloofsovertuiging niet wil meegeven dat christelijke feestdagen bijzonder zijn, doet er niet aan af dat het vrije dagen zijn en dat voor die dagen een regeling moet worden getroffen. Ook op dit punt zal de bestreden beschikking dus worden bekrachtigd. Daarbij gaat het hof ervan uit dat een verdeling van de feestdagen bij helfte meebrengt dat [de minderjarige] in geval van één feestdag (zoals Koningsdag) de helft van de dag bij de man is en dat hij in geval van twee feestdagen (zoals Kerstmis en Pasen) één dag daarvan inclusief overnachting bij de man verblijft. Uiteraard staat het partijen vrij in onderling overleg afspraken te maken over het verblijf van [de minderjarige] bij ieder van hen tijdens de islamitische feestdagen.

5.12

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. H.A. van den Berg en mr. J.M. van Baardewijk, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 24 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.