Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:933

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
200.254.401/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenvoudige gemeenschap. Gefingeerde facturen voor bouwwerkzaamheden ten laste van de gemeenschap. Vordering jegens een deelgenoot tot terugbetaling afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer 200.254.401/01

zaaknummer / rolnummer rechtbank: C/15/245363 / HA ZA 16-409

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2020

inzake

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.B. De Jong te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.D. Edens te Amsterdam.

Appellanten worden hierna ieder afzonderlijk met [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en gezamenlijk met [appellanten] aangeduid. Geïntimeerde wordt aangeduid met [geïntimeerde] .

1 Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 15 januari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem van 19 december 2018, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens houdende een eiswijziging, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 februari 2020 doen bepleiten door voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Namens [geïntimeerde] heeft tevens mr. D. Cohen Tervaert, kantoorgenoot van mr. Edens, het woord gevoerd. Van de zijde van [appellanten] zijn nog nadere producties in het geding gebracht. Nadere producties van de zijde van [geïntimeerde] die bij het hof op 3 februari 2020 zijn binnengekomen heeft het hof op het bezwaar van [appellanten] buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Deze stukken maken geen deel uit van het dossier.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen tot, zo begrijpt het hof, betaling aan [appellanten] van nader in de memorie van grieven genoemde bedragen (zie hierna onder 3.2) en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, met rente.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen de feiten genoemd onder 2.5 en 2.15 hebben [appellanten] respectievelijk de grieven 1 en 3 aangevoerd. Het hof zal in de weergave van de feiten rekening houden met voornoemde grieven, die tevens zullen worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling. Overige feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en voor zover relevant - gezien de omvang van het hoger beroep - en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Bij koopovereenkomst van 26 juni 2006 hebben [appellant sub 3] , [appellant sub 2] en [geïntimeerde] een pand gekocht aan de [adres 1] voor een bedrag van € 1.665.000. Levering heeft plaatsgevonden op 4 september 2006. [appellant sub 3] was voor 50% gerechtigd in de eigendom van het pand, [geïntimeerde] en [appellant sub 2] ieder voor 25%. [appellant sub 3] beheerde de tussen de deelgenoten bestaande gemeenschap. Betalingsverkeer werd door hem verwerkt in een grootboekhouding.

2.2

Het pand aan de [naam straat] is gesplitst in vier appartementsrechten ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] ). Met het oog op de verkoop van de appartementensrechten heeft er een verbouwing van het pand plaatsgevonden. Euro Inventarisatiebureau B.V. (hierna: EIB) heeft verbouwingswerkzaamheden aan het pand uitgevoerd. Die werkzaamheden zijn rond april/mei 2007 afgerond. De appartementsrechten [adres 2] en [adres 5] zijn in 2008 overgedragen aan een derde.

2.3

Tot 21 juni 2006 was [appellant sub 3] enig aandeelhouder van EIB. Op die datum heeft hij de helft van zijn aandelen overgedragen aan [geïntimeerde] . [appellant sub 3] was van 16 april 2003 tot 24 juni 2008 bestuurder. [geïntimeerde] was bestuurder vanaf 21 juni 2006.

2.4

EIB heeft (onder meer) op 13 en 27 november 2007 gefingeerde facturen gestuurd aan “[appellanten]”, voor een totaalbedrag van € 280.000. Volgens de omschrijving van die facturen, zagen die facturen op werkzaamheden aan het pand in de [naam straat] . Deze facturen zijn eind 2007 door [appellant sub 3] betaald en in de grootboekrekening ten laste van de [naam straat] gebracht.

2.5

Bij vonnis van 26 augustus 2008 is EIB failliet verklaard.

2.6

In een procedure die de curator in het faillissement van EIB had geïnitieerd tegen [appellant sub 3] en [geïntimeerde] , hebben laatstgenoemden , blijkens het in die procedure gewezen vonnis van de rechtbank Haarlem van 7 maart 2012, verklaard

(i) dat zij in november en december 2007 een kapitaalinjectie in EIB hebben gedaan van € 280.00;

(ii) dat de betreffende facturen (van 13 november 2007 en 27 november 2007) om fiscale motieven gefingeerd waren;

(iii) dat anders dan de omschrijving van die facturen doet vermoeden, aan die facturen geen werkzaamheden voor het pand aan de [naam straat] ten grondslag lagen;

(iv) dat de werkzaamheden aan dat pand op dat moment al waren afgerond en het pand in de verkoop stond.

2.7

Op 1 januari 2016 is de grootboekhouding van de [naam straat] aldus gewijzigd dat het bedrag van € 280.000 is bijgeboekt op de rekening-courant van [geïntimeerde] .

2.8

Op 29 november 2016 hebben [appellant sub 3] , [appellant sub 2] , [geïntimeerde] (beiden vertegenwoordigd per volmacht door [appellant sub 3] ) en de besloten vennootschap De Hoofdgerechtigde BV, vertegenwoordigd door [appellant sub 3] als bestuurder, het appartementsrecht [adres 3] verkocht voor een bedrag van € 710.000. In de koopakte staat dat de koopprijs voor het deel van De Hoofdgerechtigde BV € 100.000 bedraagt en voor de overige verkopers € 610.000,=, aldus tezamen € 710.000.

2.9

Op 27 juli 2017 hebben [appellant sub 3] , [geïntimeerde] (vertegenwoordigd per volmacht door [appellant sub 3] ) en [appellant sub 2] het appartementsrecht [adres 4] verkocht voor een totaalbedrag van € 771.750. In de koopakte staat dat het appartementsrecht, naast het recht op uitsluitend gebruik van de woning, tevens een onverdeeld aandeel bevat in de gemeenschap bestaande uit het recht van erfpacht. De akte vermeldt voorts dat de koopprijs voor [appellant sub 2] als bloot eigenaar van het verkochte € 100.000 bedraagt en voor het overige € 671.750.

2.10

[appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben op 15 december 2016 een depotovereenkomst met [geïntimeerde] gesloten op grond waarvan de notaris bij de verkoop van de appartementen [adres 3] en [adres 4] steeds een bedrag van € 17.500 in depot heeft gehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure in eerste aanleg.

3 Beoordeling

3.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in reconventie [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 69.230,25, te vermeerderen met rente, en in conventie [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] een bedrag van € 11.183,06 te betalen, te vermeerderen met rente. In conventie en in reconventie heeft de rechtbank het meer of anders gevorderde afgewezen en de kosten gecompenseerd aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen. Aan de beslissing in reconventie heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de uiteindelijke winst na verkoop van het pand aan de [naam straat] € 556,920,97 bedraagt, dat daarvan een bedrag van € 280.000 moet worden afgetrokken omdat dit bedrag destijds ten laste van de gemeenschap van de [naam straat] is gebracht en dat derhalve aan [geïntimeerde] , die voor een kwart gerechtigd was, een bedrag van € 69.230,25 toekomt. De rechtbank heeft overige vorderingen van [appellanten] afgewezen, waaronder:

- een vordering die betrekking had op een negatieve bijstelling van genoemd bedrag in verband met een correctie voor de berekende grondprijs,

- een vordering tot onvoorwaardelijke medewerking van [geïntimeerde] aan doorhaling van de depotakte van 15 december 2016, en

- een vordering tot betaling van rente over de in de inleidende dagvaarding genoemde vordering van € 518.049,96.

3.2

Tegen de beslissing in reconventie en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen komen [appellanten] met vijf grieven op. De vierde grief betreft daarbij tevens een beslissing van de rechtbank in conventie. In hoger beroep vorderen zij:

  1. in verband met de gefingeerde nota’s van € 280.000: dat [geïntimeerde] -uitgaande van een aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor dit volledige bedrag en rekening houdend met het reeds aan [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 69.230,25, - wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van € 210.000 dan wel van € 105.000, dan wel van € 69.230,25 dan wel dat het hof bepaalt dat het bedrag van € 280.000wordt toegerekend aan de gemeenschap van de [naam straat] ;

  2. in verband met de reële grondwaarde van de appartementen [adres 3] en [adres 4] : dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van € 106.434,21, dan wel van € 76.315,79, dan wel een in goede justitie te betalen bedrag;

  3. vanwege proceskosten, incassokosten en misbruik van procesrecht: dat [geïntimeerde] word veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van € 10.000, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. vanwege onnodige deurwaarderskosten: dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van een bedrag van € 770,54, dan wel een in goede justitie te betalen bedrag;

  5. wettelijke rente over de voornoemde bedragen.

3.3

[geïntimeerde] heeft in zijn verweer primair gesteld dat [appellant sub 1] , die was betrokken bij andere projecten die in eerste aanleg ter beoordeling stonden, geen belang heeft bij het hoger beroep nu dit zich toespitst op het conflict met betrekking tot het pand aan de [naam straat] . Het hof verwerpt dit verweer, al was het maar omdat het hoger beroep zich tevens uitstrekt over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. [geïntimeerde] heeft zich ook overigens verweerd. Voor zover nodig zal het hof dit verweer bij de beoordeling betrekken.

ad a de gefingeerde facturen van € 280.000

3.4

In grief 1 keren [appellanten] zich tegen de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen betalingsverplichting heeft van € 280.000 jegens de gemeenschap van de [naam straat] . Volgens [appellanten] was het [geïntimeerde] die als bestuurder van EIB de facturatie regelde en daarvoor verantwoordelijkheid droeg. [geïntimeerde] was de “ubo” van EIB, hij was daarvan volgens [appellanten] niet alleen enig aandeelhouder, maar ook enig bestuurder. Dat [appellant sub 3] met [geïntimeerde] samen is opgetrokken in de procedure tegen de curator (zie hierboven onder 2.6) doet aan de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] met betrekking tot het opstellen en versturen van die facturen niet af. [appellant sub 3] heeft pas op 4 juli 2011, de dag voorafgaand aan een comparitie in het kader van het faillissement van EIB, vernomen dat [geïntimeerde] gefingeerde facturen aan de gemeenschap van de [adres 1] had gestuurd en [appellant sub 2] heeft dat pas in 2016 vernomen. Bovendien heeft [geïntimeerde] aan [appellant sub 3] toegezegd dat hij het bedrag van € 280.000,= bij de uiteindelijke verdeling zou terugbetalen. [geïntimeerde] heeft als deelgenoot de andere deelgenoten benadeeld door valse facturen op te stellen. Daarmee heeft hij voor zichzelf op onaanvaardbare wijze met een bedrag van € 280.000 ten laste van de gemeenschap willen bevoordelen, hetgeen jegens [appellanten] onrechtmatig is. Subsidiair stellen [appellanten] zich op het standpunt dat [geïntimeerde] door te handelen als hiervoor geschetst, zijn aandeel in de gemeenschap heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 BW. In verband daarmee hebben zij hun eis ten opzichte van hetgeen zij hebben gevorderd in eerste aanleg gewijzigd en van [geïntimeerde] een bedrag gevorderd van € 69.230,25 (zie hierboven onder 3.2).

3.5

Het hof verwerpt de grief. Pas door het overleggen van productie 30 bij de MvA is duidelijk geworden dat [appellant sub 3] ten tijde van het opstellen van de gefingeerde facturen zowel bestuurder was van EIB, tezamen met [geïntimeerde] , als 50% aandeelhouder. Hij heeft dat in eerste aanleg noch in hoger beroep uit zichzelf naar voren gebracht en heeft zich in dat verband bediend van versluierend taalgebruik. Zijn betoog ter terechtzitting dat hij er, ondanks registratie bij de Kamer van Koophandel, destijds niet van op de hoogte was dat hij bestuurder van deze vennootschap was, acht het hof ongeloofwaardig gezien het voorgaande in het licht van artikel 21 Rv en gelet op de gemotiveerde stelling van [geïntimeerde] , dat [geïntimeerde] als aannemer een andere rol had in het bestuur, dat [appellant sub 3] over de boekhouding ging en dat juist hij degene was die zich bezig heeft gehouden met opstellen en versturen van de gefingeerde facturen. Hoewel het opstellen en het versturen van gefingeerde facturen aan [appellanten] op zich zelf onrechtmatig is, ontbreken in het betoog van [appellanten] voldoende concrete aanknopingspunten waaruit valt af te leiden dat [geïntimeerde] als bestuurder in persoon hiervoor aansprakelijk is. De vennootschap (onder verantwoordelijkheid van het bestuur) stelde de gefingeerde facturen op en verstuurde deze en niet is komen vast te staan dat hiervan aan (uitsluitend) [geïntimeerde] een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken. Het hof acht het daarbij bepaald niet aannemelijk dat [appellant sub 3] als bestuurder ten tijde van die betalingen niet op de hoogte was van het feit dat deze facturen gefingeerd waren. Ook in zijn hoedanigheid van beheerder van de gemeenschap van de [naam straat] moet er van worden uitgegaan dat hij van de aard van die facturen op de hoogte was. [appellant sub 3] voerde deze betalingen uit en het moet hem toch opgevallen zijn, in een periode dat de verbouwingswerkzaamheden waren afgerond en het pand in de verkoop stond, dat er facturen binnenkwamen voor verbouwingswerkzaamheden met een totaalbedrag van € 280.000. Zijn standpunt dat hij in blind vertrouwen handelde, acht het hof niet aannemelijk. Daarbij laat het hof niet onvermeld dat de betalingen ten laste van de gemeenschap van de [naam straat] uiteindelijk mede ten goede moeten zijn gekomen aan [appellant sub 3] als 50% aandeelhouder van EIB. Voorts heeft [appellant sub 3] geen afdoende toelichting kunnen geven hoe zijn verklaring in de procedure die door de curator was geïnitieerd waarin hij tezamen met [geïntimeerde] heeft uiteengezet dat en waarom de facturen gefingeerd waren (zie hierboven onder 2.6), zich verhoudt tot zijn standpunten en verklaringen in de onderhavige procedure. Een en ander valt niet goed met elkaar te rijmen.

3.6

Daarnaast ziet het hof geen enkel aanknopingspunt voor het bestaan van een overeenkomst waarin [geïntimeerde] zou hebben toegezegd het bedrag van € 280.000 in het kader van de verdeling van de opbrengst van de [adres 1] terug te betalen. De betreffende stelling van [appellanten] is onvoldoende toegelicht.

3.7

Voor het verbeurd verklaren van het aandeel van [geïntimeerde] in de gemeenschap ziet het hof, mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen, geen grondslag.

3.8

De conclusie luidt dat geen der door [appellanten] ingenomen stellingen er toe leiden dat [geïntimeerde] in verband met de gefingeerde facturen in persoon aansprakelijk kan worden gehouden jegens de gemeenschap van de [naam straat] voor het bedrag van € 280.000. Daarop ketst een verplichting tot betaling van enig gevorderd bedrag zoals hierboven weergegeven onder 3.2 sub a aan [appellanten] af en daarom bestaat er geen grond voor de vordering dat het bedrag van € 280.000 aan de gemeenschap moet worden toegerekend. Het hof overweegt in dat verband ten aanzien van het subsidiair gevorderde bedrag onder 3.2 sub a van € 210.000 nog het volgende. Uitgangspunt van [appellanten] ten aanzien van deze vordering is, zo begrijpt het hof, dat [appellant sub 3] en [geïntimeerde] ieder bij helfte aansprakelijk zijn jegens de deelgenoten in de gemeenschap van de [naam straat] voor het bedrag van € 280.000. Nu het hof hiervoor heeft overwogen dat [geïntimeerde] in persoon niet aansprakelijk kan worden gehouden, strandt ook deze vordering, nog daargelaten dat [geïntimeerde] in zijn verweer gemotiveerd heeft betoogd - zie hiervoor onder 3.6 - dat het juist [appellant sub 3] was die als bestuurder verantwoordelijk was voor het opstellen van de gefingeerde facturen, die hij vervolgens als beheerder van de gemeenschap van de [naam straat] heeft uitbetaald aan EIB.

3.9

In grief 2 gaan [appellanten] er van uit dat zij recht hebben op de bedragen zoals gevorderd en dat in verband daarmee de rechtbank te onrechte de vordering tot medewerking aan doorhaling van de depotakte heeft afgewezen. Grief 2 hangt samen met grief 1 en wordt alleen al daarom verworpen. Daarnaast heeft [geïntimeerde] onbetwist gesteld dat inmiddels het bedrag dat in depot stond bij de notaris is uitbetaald. [appellanten] hebben derhalve geen belang meer bij de grief.

ad b de grondwaarde van de appartementen [adres 3] en [adres 4]

3.10

In grief 3 hebben [appellanten] aan de orde gesteld dat het uiteindelijke resultaat van € 556,920,87 verder dient te worden bijgesteld in verband met een correctie van de berekende grondprijs, welke volgens [appellanten] hoger ligt dan de bedragen van € 100.000 die in de koopaktes van de appartementen [adres 3] en [adres 4] worden genoemd. Zij stellen dat er te veel winst is toegekend aan de gemeenschap van de [naam straat] , waardoor er uiteindelijk een te hoog bedrag aan [geïntimeerde] is toebedeeld. Zij menen dat [geïntimeerde] hierin een rol heeft gehad.

3.11

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] geen rechthebbende was van de bloot eigendom van de grond van [adres 3] en [adres 4] . Ter terechtzitting is door [appellanten] bevestigd dat de erfpacht op de grond in appartementsrechten is gesplitst en dat daarmee de bloot eigendom buiten de splitsing is gebleven. Blooteigenaren van de appartementen [adres 3] en [adres 4] waren respectievelijk De Hoofdgerechtigde BV en [appellant sub 2] . In de hierboven onder 2.8 en 2.9 aangehaalde koopovereenkomsten met betrekking tot de appartementsrechten [adres 3] en [adres 4] wordt tevens de bloot eigendom verkocht. De betreffende koopakten bevatten een onderverdeling in de prijs voor de appartementsrechten en voor de bloot eigendom (de grond). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet valt in te zien - mede gezien de bewijskracht van de aktes - dat thans een andere grondprijs dient te worden gehanteerd dan de prijs van € 100.000, die in die akten voor ieder appartement wordt genoemd, nu de betrokken partijen (waaronder de blooteigenaren) met de kopers blijkens die akten daarover overeenstemming hebben bereikt. Daarbij wijst het hof er op dat [geïntimeerde] volmachten had afgegeven aan [appellant sub 3] met betrekking tot het aangaan van de koopovereenkomsten en dat [appellant sub 3] , handelend voor zich zelf en volgens de volmachten, met de genoemde verdeling van de bedragen heeft ingestemd. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat de stelling dat [geïntimeerde] op enigerlei wijze een rol heeft gehad in die verdeling en dat die rol er toe moet leiden dat het uiteindelijke resultaat van € 556,920,87 moet worden bijgesteld, onvoldoende is toegelicht. De grief faalt.

ad c proceskosten en incassokosten; misbruik van procesrecht

3.12

Grief 4 ziet op de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van proceskosten en incassokosten. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat partijen (in een meer omvattend geschil dan thans in hoger beroep aan de orde) over en weer in het ongelijk zijn gesteld en heeft zij op die grond de proceskosten gecompenseerd in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen. De gevorderde incassokosten met betrekking tot de in conventie toegewezen vordering van € 11.183,06 heeft de rechtbank in het bestreden vonnis afgewezen omdat niet was gebleken dat [appellanten] kosten hadden gemaakt, anders dan ter voorbereiding van de procedure. Naar het oordeel van het hof, blijkt uit de in hoger beroep door [appellanten] ingenomen stellingen niet dat die incassokosten met betrekking tot de betreffende vordering gemaakt zouden zijn, zodat ook in hoger beroep geen aanleiding bestaat een daartoe strekkende vordering toe te wijzen. De stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde] misbruik zou hebben gemaakt van procesrecht en dat op die grond de door hen gevorderde kostenveroordeling in afwijking van het liquidatietarief moet worden toegewezen, wordt door het hof van de hand gewezen: die stelling heeft onvoldoende handen en voeten om te kunnen spreken van misbruik van procesrecht. De grief is zonder succes voorgesteld.

ad d deurwaarderskosten

3.13

[appellanten] hebben tot slot gesteld (in hun gewijzigde eis) dat [geïntimeerde] naar aanleiding van het vonnis waarvan beroep onnodig beslag heeft gelegd op diverse panden van [appellant sub 3] en dat dit misbruik van executiebevoegdheid heeft opgeleverd. De vordering wordt afgewezen. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat [appellant sub 3] en [appellant sub 2] niet vrijwillig voldeden aan betaling van de in beroepen vonnis uitgesproken veroordeling tot betaling van € 69.230,25.

ad e wettelijke rente

3.14

Grief 5 faalt eveneens. De grief heeft betrekking op door de rechtbank afgewezen vordering tot betaling van wettelijke rente over niet toegewezen bedragen. Nu het hof de gevorderde bedragen niet zal toewijzen (ook niet de nog hierna te noemen vorderingen) is er evenmin plaats voor toewijzing van de rentevordering.

3.15

Het hof overweegt dat [appellant sub 2] zijn positie in de door [appellanten] opgeworpen grieven niet afzonderlijk - voor zover relevant - heeft toegelicht en dat er dus voor het hof geen aanleiding bestaat om die positie afzonderlijk te beoordelen.

Slotsom

3.16

De grieven falen. Het bewijsaanbod van [appellanten] wordt afgewezen nu het niet is gerelateerd aan voldoende geconcretiseerde stellingen, dan wel niet ter zake dienend is. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1684,- aan verschotten en € 7.838,- voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar. C.A.H.M. ten Dam en B.J.P.G. Roozendaal en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.