Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:894

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
23-002755-19
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tweemaal poging doodslag, diefstal en artikel 5 WVW voor dollemansrit op en rond luchthaven Schiphol. Voorwaardelijk opzet bewezen gelet op kwetsbaarheid motorrijder en snelheid waarmee werd gereden. Verwerping Porsche arrest-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002755-19

datum uitspraak: 13 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-007377-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedag] 1988,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2020 en van 28 februari 2020, op welke datum alleen de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, waarbij het hof – met op voorhand van de verdediging en de advocaat-generaal daartoe verkregen instemming – enkelvoudig was samengesteld en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegewezen vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a Sv en de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij:

1. primair
op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] (wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [benadeelde 1] is afgereden en

- in zijn richting is gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht (tot op enkele meters) is genaderd,

- waardoor die [benadeelde 1] (met kracht) moest remmen en zijn motor de verhoogde middenberm heeft opgestuurd en van zijn motor is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair
op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland [benadeelde 1] (wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [benadeelde 1] afgereden en

- in zijn richting gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht (tot op enkele meters) genaderd;

2.
primair
hij op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) is afgereden op de hem in hun dienstvoertuig tegemoetkomende [benadeelde 2] en [benadeelde 4] ,

- waarna hij hun dienstvoertuig zeer dicht is genaderd en in hun richting is gestuurd,

- waardoor die [benadeelde 2] moest uitwijken en een vluchtstrook is opgereden,

en

- met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) het dienstvoertuig van die [benadeelde 2] en [benadeelde 4] heeft ingehaald, althans van achteren is genaderd en aan de linker achterzijde heeft geramd, althans daar tegenaan is gereden,

- waardoor die [benadeelde 2] de macht over het stuur is verloren, althans is gaan slingeren en in de berm van de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat / die voorgenomen misdrij(f)(ven) (telkens) niet is voltooid;

2. subsidiair
op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) afgereden op de hem in hun dienstvoertuig tegemoetkomende [benadeelde 2] en [benadeelde 4] ,

- waarna hij hun dienstvoertuig zeer dicht is genaderd en in hun richting is gestuurd, en

- met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) het dienstvoertuig van die [benadeelde 2] en [benadeelde 4] ingehaald, althans van achteren genaderd en aan de linker achterzijde geramd, althans daar tegenaan gereden;

3.
hij op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met daarin elektronica, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


4.
hij op 10 januari 2019 te Schiphol en Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (taxibus, merk Volkswagen Kombi), daarmee rijdende op de weg, de Busbaan A, de Aankomstpassage, De Loevesteinserandweg, H. Walaardt Sacréstraat, Stationsplein Noord-Oost, de Schipholweg, de Fokkerweg (N232) en de Rijkerdreef (N201), althans op diverse wegen in de omgeving van luchthaven Schiphol, terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs,

- via het trottoir van de A-baan een touringbus toebehorende aan [bedrijf] vervoersbedrijven is gepasseerd en daarbij tegen de linkerzijde van die bus is aangereden / geschuurd, en

- meermalen heeft gereden op de rijstrook die is bestemd voor het hem - verdachte - tegemoetkomende verkeer en vervolgens niet is gestopt / uitgeweken voor een hem tegemoetkomende verkeer (politievoertuigen met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) maar met onverminderd hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) op deze voertuigen is afgereden, waardoor de bestuurders moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen, en

- meermalen niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht (maar met onverminderd hoge snelheid van ongeveer 120 km/u is doorgereden), en

- meermalen geen voorrang heeft verleend aan voetgangers die overstaken of aanstalten maakten om over te steken bij een voetgangersoversteekplaats (maar met onverminderd hoge snelheid van ongeveer 120 km/u is doorgereden) en

- rijdend met een snelheid van ongeveer 100 km/u een voertuig (politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen) heeft ingehaald, althans van achteren is genaderd en aan de linker achterzijde heeft geramd, althans daar tegenaan is gereden,

door welke gedragingen gevaar op die wegen werd veroorzaakt, en het verkeer op die wegen werd gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof onder meer op het punt van de bewezenverklaring tot andere beslissingen komt.

Bespreking van het gevoerde verweer met betrekking tot de nietigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 als eerste cumulatief tenlastegelegde feit, nietig is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen volgt dat er twee momenten zijn geweest waarop de verdachte [benadeelde 2] en [benadeelde 4] tegemoet is gereden en zij voor hem zouden hebben moeten uitwijken, zoals ook door deze verbalisanten is gerelateerd in hun proces-verbaal van 10 januari 2019 (doorgenummerde p. 108-112). Derhalve is onvoldoende bepaald op welke situatie de tenlastelegging ziet, zodat de verdediging niet weet waartegen zij zich moet verdedigen.

Het hof is van oordeel dat gelet op de navolgende beslissing, de verdachte geen belang heeft bij nadere bespreking van dit verweer.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en 2 subsidiair telkens als eerste cumulatief ten laste is gelegd, betreffende de situatie waarbij de verdachte in het taxibusje en [benadeelde 2] en [benadeelde 4] in hun dienstvoertuig op elkaar af zijn gereden.

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte tot tweemaal toe op een gevaarlijke manier [benadeelde 2] en [benadeelde 4] tegemoet is gereden. Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen, kan echter niet met een voor een veroordeling voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld wat er bij deze onderscheiden confrontaties precies is gebeurd. De lezing van de feitelijke toedracht, die door verscheidene opsporingsambtenaren is gegeven, onder wie ook [benadeelde 2] en [benadeelde 4] , is daarvoor onvoldoende eenduidig. Daarom zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging en bespreking van de gevoerde bewijsverweren

Het standpunt van de verdediging

In haar tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde strekkende verweer, heeft de raadsvrouw voorafgaand aan haar meer specifieke betoog over de feitelijke toedracht van die onderscheiden feiten, een beroep gedaan op een drietal ervaringsregels. Ten eerste de aan het Porsche-arrest ontleende ervaringsregel dat het niet waarschijnlijk is dat de bestuurder die gevaarlijk gedrag vertoont, de kans op een ook voor hemzelf dodelijke frontale botsing met een andere auto op de koop toeneemt. Ten tweede de ervaringsregel dat wie aan de politie probeert te ontkomen in het algemeen juist geen botsing zal willen veroorzaken en ten derde de ervaringsregel dat een politieagent in het algemeen in een gevaarlijke verkeerssituatie op lijfsbehoud gericht gedrag zal vertonen, waarmee hij er in de regel in zal slagen een ongeval te voorkomen. Deze ervaringsregels werpen horden op om te komen tot de vaststelling van voorwaardelijk opzet op de dood van de betrokken opsporingsambtenaren.

Daar komt bij de verklaring van de verdachte van de strekking dat hij absoluut niet het voornemen had iemand letsel toe te brengen. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte gedurende de achtervolging op diverse momenten verkeersgedrag heeft vertoont waaruit blijkt dat hij ongevallen juist wilde vermijden.

Meer in het bijzonder ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte op het moment dat hij de motorrijder [benadeelde 1] naderde, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het tot een botsing zou komen waardoor [benadeelde 1] gewond kon raken of zou komen te overlijden. Dat standpunt is gegrond op de volgende lezing van de feiten. De verdachte heeft, terwijl hij op de verkeerde weghelft reed, gezien dat de motorrijder [benadeelde 1] vaart minderde en naar de berm uitweek. Daardoor was het voor de verdachte niet nodig om snelheid te minderen of uit te wijken. Als [benadeelde 1] geen snelheid had geminderd en niet was uitgeweken, dan was de verdachte uitgeweken naar de berm aan de linkerkant.

Er zat aanzienlijke afstand tussen de verdachte in het taxibusje en motorrijder [benadeelde 1] op het moment dat [benadeelde 1] uitweek: meer dan 150 meter, zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard. De verklaringen van de getuigen die ertoe strekken dat tussen het uitwijken door [benadeelde 1] en het passeren van het taxibusje zeer korte tijd zat, zijn onbetrouwbaar en moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De eerdere stuurbewegingen die de verdachte maakte bij het op [benadeelde 1] afrijden waren juist gericht op het ontwijken van [benadeelde 1] .

Meer in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 primair als tweede cumulatief tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] en [benadeelde 4] zouden komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zouden lopen. Dat standpunt is gegrond op de volgende lezing van de feiten. De verdachte werd door [benadeelde 2] en [benadeelde 4] klemgereden. Het opzet van de verdachte was er enkel op gericht zelf niet in de berm te geraken. Daarom was hij genoodzaakt naar rechts te sturen. Doordat [benadeelde 2] en [benadeelde 4] snelheid minderden raakte hij hun dienstvoertuig aan de achterkant.

Het oordeel van het hof

Bij zijn beoordeling neemt het hof het volgende in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader tot uitgangspunt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Bij de vaststelling van de feiten heeft het hof niet alleen gebruik gemaakt van de processen-verbaal die kort na het gebeuren zijn opgemaakt door [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4], maar in het bijzonder ook van de door [getuige 1] en [getuige 2] kort na het voorval opgemaakte processen-verbaal en hun verklaringen bij de rechter-commissaris. Die sluiten op relevante onderdelen nauw op elkaar aan en zijn concreet en specifiek over hetgeen is waargenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en evenmin aan de mogelijkheid die de verbalisanten hadden om de waarnemingen te doen waarover zij hebben geverbaliseerd en verklaard.

Opmerking verdient dat de in deze zaak tenlastegelegde strafbare feiten deel uitmaken van een opeenvolging van gebeurtenissen die zich op 10 januari 2019 vanaf omstreeks 11.15 uur, in iets meer dan een kwartier tijd op en rond Schiphol heeft voorgedaan. Zij ving aan voor de aankomsthal met de diefstal door de verdachte van een taxibusje waarvan de chauffeur koffers stond in te laden. Daarop volgde een dollemansrit over de wegen op en rond Schiphol, waarbij leden van de Koninklijke Marechaussee probeerden de verdachte tot stilstand te bewegen. Bij die rit is de verdachte tegen een bus aangereden, van de weg geraakt en tegen een stellage met een verkeersbord gereden, heeft hij voetgangers bij een zebrapad in gevaar gebracht, rode verkeerslichten genegeerd, heeft hij spook gereden, snelheidslimieten overschreden en is hij betrokken geraakt in de hierna te bespreken situaties die onder 1 en 2 ten laste zijn gelegd. De rit eindigde toen de verdachte een doodlopende weg in reed en hij kon worden aangehouden. Reeds deze context van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten maakt dat de vergelijking met het Porsche-arrest mank gaat. Het gaat hier immers om in hoge mate irrationeel verkeersgedrag met een aaneenschakeling van momenten van grote gevaarzetting, met niet alleen voor de bestuurder zelf, maar ook voor degenen die op de drukke wegen rond Schiphol op zijn pad kwamen, een aanzienlijke kans op (dodelijk) letsel.

Ten aanzien van feit 1 primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 10 januari 2019 diverse verbalisanten hebben geprobeerd de verdachte, die in het taxibusje reed, te laten stoppen. Daartoe heeft [benadeelde 1] , die op een als zodanig herkenbare dienstmotorfiets van de Koninklijke Marechaussee (verder: de dienstmotor) reed, de optische en geluidssignalen aangezet en is hij richting de Loevestijnse Randweg gereden om zijn collega’s te assisteren. De verdachte, komend vanuit de tegenovergestelde richting, is op enig moment de verkeerde weghelft opgereden en is spookrijdend met ongeveer 100 km/u motorrijder [benadeelde 1] tegemoet gereden op een weg waarvan de twee weghelften door een verhoogde middenberm van elkaar waren gescheiden en waar een maximumsnelheid gold van 70 km/u. De verdachte minderde op geen enkel moment vaart en naderde motorrijder [benadeelde 1] , die zelf eerst ongeveer 70 km/u reed, heel snel. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat telkens wanneer [benadeelde 1] probeerde uit te wijken, de verdachte richting [benadeelde 1] stuurde. Dat dit pogingen waren van de verdachte om uit te wijken, is niet aannemelijk geworden. Daarop heeft [benadeelde 1] , in een ultieme poging niet met de verdachte in botsing te komen, hard afgeremd en is hij – omdat de afstand met de verdachte zo kort was dat hij niet meer de andere kant het gras in kon rijden – uitgeweken naar de verhoogde middenberm, waar hij met ongeveer 30 km/u tegenop is gereden en waarbij hij ten val is gekomen.

Het hof gaat daarmee uit van een andere lezing van de feiten dan de verdediging en ziet in het aangevoerde geen reden om de verklaringen over het korte tijdsverloop tussen het uitwijken door [benadeelde 1] en het langs hem rijden door de verdachte niet voor het bewijs te gebruiken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een (frontale) aanrijding tussen het taxibusje en motorrijder [benadeelde 1] zou plaatsvinden. Daarbij neemt het hof in overweging dat – gelet op de snelheid van naderen en de kwetsbaarheid van de zich op de dienstmotor bevindende [benadeelde 1] – de kans op een ongeval met voor [benadeelde 1] dodelijke afloop naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was te achten.

Dat de verdachte achteraf, ook ter zitting in hoger beroep, meermalen heeft verklaard dat hij nooit de bedoeling heeft gehad een ander letsel toe te brengen, doet aan het voorgaande niet af: hij heeft die aanmerkelijke kans bewust in het leven geroepen en niets gedaan om de verwezenlijking daarvan te voorkomen. Dat zich geen dodelijk ongeval heeft voorgedaan is daarmee geenszins aan de verdachte te danken, maar uitsluitend aan het adequate – en voor hemzelf nog steeds gevaarlijke – optreden van [benadeelde 1] .

Ten aanzien van feit 2 primair, 2e cumulatief tenlastegelegde

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tijdens de achtervolging [benadeelde 2] en [benadeelde 4] in hun dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee (verder: de dienstauto) met optische en geluidssignalen en ‘STOP’ uitstralend transparant op de N201 vóór de verdachte kwamen te rijden. Zij reden 100 à 120 km/u. De verdachte ging links naast hen rijden en heeft met een ruk naar rechts gestuurd en zodoende de linker achterzijde van de dienstauto geramd. Als gevolg van deze harde klap voelde [benadeelde 2] de achterzijde van de door hem bestuurde auto uitbreken. Hij was bang met de door hem gereden snelheid van ongeveer 100 à 120 km/u in de vangrail te klappen, maar wist dit door direct tegen te sturen te voorkomen. Na zes of zeven verdere door hem uitgevoerde manoeuvres, waarmee hij wist te voorkomen dat de dienstauto de vangrail raakte of tegen het verkeer in zou komen te staan, heeft [benadeelde 2] de auto in de middenberm tot stilstand kunnen brengen.

Die hiervoor beschreven stuurbeweging van de verdachte is door de getuige [getuige 1] waargenomen als een ‘ruk’ en een ‘heel heftige beweging’ naar rechts. De bevindingen met betrekking tot de sporen die zijn aangetroffen op de dienstauto en het taxibusje, zoals weergegeven in het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’, geven steun aan deze verklaringen.

Ook door dit handelen te beschouwen in de context van het overige gedrag van de verdachte om aan de politie te ontkomen, stelt het hof vast dat de verdachte met opzet de dienstauto heeft geramd, om deze uit te schakelen, zodat hij zijn vlucht kon voortzetten. Het hof neemt in zoverre de conclusie van verbalisant [getuige 1] (hierna vermeld in bewijsmiddel 8) over en maakt deze tot de zijne.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dienstauto met daarin [benadeelde 2] en [benadeelde 4] met ongeveer 100 km/u tegen de vangrail zou botsen of anderszins zou verongelukken. Daarbij neemt het hof in overweging dat, gelet op de snelheid waarmee [benadeelde 2] en [benadeelde 4] reden en de plaats en impact van de manier waarop de verdachte hen met het taxibusje heeft geramd, de kans op een ongeval met voor [benadeelde 2] en [benadeelde 4] dodelijke afloop naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was te achten.

Een dergelijke manier van rammen, waarbij op hoge snelheid de achterkant van een auto in een slip wordt gebracht zal, naar algemene ervaringsregels, tot gevolg hebben dat de bestuurder de controle over het stuur zal verliezen, met een aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval tot gevolg.

[benadeelde 2] is aanvankelijk ook de macht over het stuur kwijt geraakt, maar is er met een aantal stuurmanoeuvres in geslaagd de controle terug te krijgen en de auto in de berm te sturen zonder daadwerkelijk te verongelukken.

Het hof verwerpt het verweer dat de verdachte slechts reageerde op het remmen van het dienstvoertuig en enkel wilde voorkomen dat hij zelf met het taxibusje in de berm zou geraken; de verklaringen van de verdachte daarover zijn ongeloofwaardig, omdat zij worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Opmerking verdient ten slotte dat het beroep op de door de verdediging aangehaalde ervaringsregels niet opgaat. Er is in de confrontatie tussen het taxibusje en de voertuigen met [benadeelde 1] en met [benadeelde 2] en [benadeelde 4] geen sprake geweest van situaties waarbij de verdachte de aanmerkelijke kans nam dat hijzelf het leven zou laten. Ook hebben die confrontaties er niet aan in de weg gestaan dat de verdachte zijn rit kon voortzetten, terwijl een beroep op het adequate optreden van de betrokken leden van de Koninklijke Marechaussee de verdachte niet kan baten.

Het verweer wordt dan ook in alle onderdelen verworpen.

De bewijsmiddelen

Ten aanzien feit 1 primair en 2 primair:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg 2 juli 2019. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik een taxibusje stal en dat dit de aanleiding vormde voor mijn achtervolging door de KMar (het hof begrijpt: op 10 januari 2019 te Schiphol). Ik denk dat ik een andere auto heb geschampt op het parkeergedeelte van het vliegveld. Ik weet nog van de rode lichten en de voetganger. Ik heb optische en geluidssignalen gezien en gehoord. Ik was al tegen het verkeer in aan het rijden en toen heb ik de motorrijder waargenomen.

Ik heb het stopteken van [benadeelde 2] en [benadeelde 4] die voor mij reden gezien en begrepen. Ik kwam met hen in botsing. Het klopt dat ik daarna verder ben gereden.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U vraagt mij naar het eerste incident van 10 januari 2019 waarbij de motorrijder [benadeelde 1] betrokken was. Ik reed tegen het verkeer in. De motor kwam mij tegemoet rijden. U houdt mij voor dat agenten hebben gezegd dat ik 100 kilometer per uur reed. Ik heb niet echt op mijn snelheid gelet. Ik heb helemaal niet geremd en ben niet uitgeweken. De motorrijder maakte zigzagbewegingen waarop ik reageerde. De politiesignalen, sirenes en zwaailichten heb ik waargenomen. Ik denk dat de bedoeling van de agenten was om mij tot stoppen te brengen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [benadeelde 1] , wachtmeester der 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee (doorgenummerde pagina’s 115-116). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van [benadeelde 1]:

Op 10 januari 2019 wilde ik mijn collega’s assisteren bij de aanhouding met mijn dienstmotor met optische- en geluidssignalen. Ik zag op de Hendrik Walaardt Sacréstraat, ter hoogte van [restaurant] op de Loevestijnse Randweg, een Volkswagenbusje, grijs van kleur, met een taxibord boven op het voertuig, rijden. Ik zag dat de taxi (het hof begrijpt hier en verder: het taxibusje) vanaf de kruising voor de [restaurant] , op de Loevestijnse Randweg, de verkeerde weghelft opreed. Ik zag dat het voertuig op dezelfde weghelft reed als waar ik reed en ik zag dat hij mij tegemoet reed. Ik zag dat de taxi met zeer hoge snelheid in mijn richting kwam rijden. Ik zag dat de optische en geluidssignalen van mijn dienstmotorfiets geen indruk maakten op de verdachte, omdat hij bleef doorrijden. Ik zag dat de taxi zijn snelheid verhoogde, terwijl hij op mij inreed. Ik zag dat de taxi recht op mij af kwam rijden. Ik heb met beide remmen mijn motorfiets heel hard proberen af te remmen. Ik zag dat ik de rijstrook niet af kon komen zonder hierbij de verhoogde rijbaan afscheiding op te rijden. Ik voelde mij op dit moment erg angstig en kwetsbaar. Ik zag de taxi geen snelheid minderen en zag dat hij nog steeds op mij af reed. Ik was erg bang dat de taxi doelbewust op mij in wilde rijden. Ik dacht dat de bestuurder doelbewust op mij inreed om mij te verwonden, met het taxibusje. Ik voelde mij erg kwetsbaar omdat ik geen mogelijkheid had om mij in veiligheid te brengen zonder hiervoor veel risico te nemen. Ik heb hierop de dienstmotor tegen de rijbaanafscheiding gereden en hierna in het gras losgelaten. Ik ben van de motor afgesprongen om te proberen mijzelf in veiligheid te brengen. Ik reed op dit moment ongeveer 30 km/u. Ik zag dat de taxi nog steeds met zeer hoge snelheid langs mij reed. Ik zag dat de taxi rakelings langs mijn dienstmotorfiets reed. Ik denk dat de taxi ruim over de 100 km/u reed toen hij mij passeerde. Ik was erg opgelucht dat de taxi mij niet had geraakt. Ik zag dat er meerdere eenheden achter de taxi aanreden. Ik ben teruggelopen naar mijn dienstvoertuig en heb de optische en geluidsignalen uitgeschakeld. Ik zag dat de dienstmotorfiets op de valbeugels in het gras lag.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [benadeelde 4] , wachtmeester der 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee en [benadeelde 2] , wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee (doorgenummerde pagina’s 108-112). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisanten of één van hen:

Op (naar het hof begrijpt: 10 januari 2019) wilden wij assisteren naar aanleiding van een noodoproep betreffende een taxibusje. Toen wij de Wallaardt Sacréstraat opreden hoorden wij de collega via de portofoon zeggen dat de bestuurder van het taxibusje tegen het verkeer in ging rijden. Wij zagen dat voor ons collega [benadeelde 1] op zijn dienstmotor reed. Collega [benadeelde 1] had zich ook aangemeld en reed ook met optische- en geluidssignalen. Wij zagen het taxibusje tegen het verkeer inrijden en onder de verkeerslichten rijden ter hoogte van de [restaurant] . De desbetreffende weg bestond uit één rijstrook richting Schiphol centrum met een verhoogde middenberm en aan de andere kant van de verhoogde middenberm één rijstrook vanaf Schiphol centrum richting de Brugstraat.

Wij zagen het taxibusje, een grijze Volkswagen voorzien van Nederlandse taxikenteken [kenteken] , tegen het verkeer in rijden tussen de verhoogde middenberm aan de verdachte zijn rechterkant en een hoge stoeprand aan de linkerkant van de verdachte. Wij zagen dat de taxibus met hoge snelheid reed en recht op ons af kwam rijden. Wij zagen dat collega [benadeelde 1] , welke nog voor ons reed, de middenberm was opgereden en van zijn motor was afgesprongen in een ultieme poging de snel naderende taxibus te ontwijken. Wij zagen dat de bestuurder collega [benadeelde 1] miste.

Wij zijn weer achter de verdachte komen te rijden. Wij bleven achter de verdachte rijden tot we aan het einde van de Fokkerweg waren gekomen. Wij zagen dat dit een scherpe rechterbocht is die halverwege naar links afbuigt. Wij zagen dat de verdachte met zeer hoge snelheid deze bocht nam en bij het verkeerslicht een vrachtwagen rechts inhaalde. Wij zagen toen wij de vrachtwagen inhaalden, dat het taxibusje snelheid had verloren door de manoeuvre. Wij zijn vervolgens voor de verdachte gaan rijden en hebben ons stop transparant aangezet. Wij moesten bijtrekken om de snel accelererende taxi voor te blijven. Wij reden op dat moment tussen de 100 en 120 kilometer per uur. Hierop heb ik, [benadeelde 2] , geprobeerd de snelheid eruit te halen.

Ik, [benadeelde 2] , zag in mijn spiegels dat het taxibusje links achter mij reed. Wij voelden en hoorden kort hierop een harde klap linksachter, ter hoogte van het achterwiel. Wij voelden de auto meteen aan de achterkant uitbreken door de klap waarmee het taxibusje ons raakte. Wij reden op dat moment rond de 100 à 120 kilometer per uur. Ik, [benadeelde 2] , voelde dat de achterwielen van onze auto uitbraken naar rechts. Ik heb toen meteen tegengestuurd om niet tegen de vangrail aan te klappen. Ik heb zes à zeven manoeuvres moeten verrichten om niet te verongelukken tegen de vangrail of tegen het verkeer in te geraken. Ik heb de auto in de middenberm tot stilstand kunnen brengen. Ik voelde toen de taxi ons ramde een pijnscheut in mijn rechterhand. Het ambulancepersoneel had het vermoeden dat er een kneuzing zou zitten in mijn rechterhand. Ik, [benadeelde 2] , was bang dat ik met hoge snelheid in de vangrail zou klappen of dat andere voertuigen tegen ons aan zouden rijden als wij tot stilstand waren gekomen. Ik, [benadeelde 4] , had het gevoel dat we hard tegen de vangrail aan zouden klappen doordat het taxibusje ons ramde.

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [getuige 2] (doorgenummerde pagina’s 132-134). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisant:

Op 10 januari 2019 zag ik dat het taxibusje de Loevestijnse Randweg opreed. Ik zag dat de bestuurder in plaats van te stoppen, accelereerde en probeerde van mij weg te rijden. Ik zag dat de bestuurder steeds harder probeerde weg te rijden. Ik zag dat het taxibusje in de verkeerde rijrichting ging rijden. Ik zag dat hij met hoge snelheid links van de weg reed. Ik zag vervolgens dat het tegemoetkomende verkeer een collega op motor van de Koninklijke Marechaussee was die met optische en geluidssignalen de bestuurder tegemoet reed. Ik zag dat de bestuurder van het taxibusje niet remde of snelheid minderde. Ik zag, dat de bestuurder van het taxibusje richting de motor stuurde. Ik zag dat de motorrijder het talud opreed (het hof begrijpt: de verhoogde middenberm). Ik zag dat de motorrijder hierbij van de motor afviel.

6. Een proces-verbaal van verhoor van 21 juni 2019, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

Ik reed op 10 januari 2019 in een voertuig van de KMar. Ik hoorde inmiddels over de porto dat er collega’s vanuit Oost mijn kant op kwamen. Ik gaf direct een gil over de porto om te waarschuwen dat de verdachte tegen het verkeer in reed. Ik zag een motor ons tegemoet komen. Ik reed op dat moment 90 à 100 km per uur. Ik zat er vrij ver achter omdat ik het taxibusje niet kon bijhouden. Hij reed dus zeker rond de 100. Ik zat er 30 à 40 meter achter. De snelheid van de motor weet ik niet. Hij verminderde wel snelheid en reed de verhoogde middenberm op. Hij had geen keuze ook. Anders was hij er vol op gereden. Hij kon ook niet uitwijken naar de andere kant. Hij had vanuit hem gezien naar rechts niet meer gehaald, daarvoor reed hij teveel aan de voor hem linkerkant van de rijstrook en zat het taxibusje te dicht op hem. De motor ging in ieder geval hard genoeg de middenberm op om flink te kunnen vallen.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [getuige 1] (doorgenummerde pagina’s 135-137). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisant:

Op 10 januari 2019 bevond ik mij te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Ik hoorde dat er een achtervolging plaatshad van een taxibusje. Ik zag dat de taxi op de verkeerde weghelft reed. Ik zag dat er een motorrijder van de Koninklijke Marechaussee op deze weg reed. Ik zag dat de taxi recht op de motorrijder af reed. Ik zag dat de motorrijder moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat de motorrijder vanaf hem zelf gezien naar links uitweek en een hoge berm opstuurde. Ik zag dat de motorrijder in het gras viel.

Ik zag dat het voertuig op de N201 reed. Ik zag dat het voertuig op dat moment ongeveer 140 kilometer per uur reed. Ik zag dat de verdachte het voertuig met een ruk naar rechts stuurde waardoor hij de KM41.01 (het hof begrijpt: de auto waarin [benadeelde 2] en [benadeelde 4] reden) in de linker achterkant van het voertuig ramde. Ik zag dat de KM41.01 links achter een lekke band kreeg. Ik zag dat het voertuig van de verdachte door reed, terwijl de KM41.01 de berm in stuurde.

8. Een proces-verbaal van verhoor van 21 juni 2019, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

Ik was op 10 januari 2019 werkzaam in de basis politiezorg. Ik zag het taxibusje langskomen, daarna mijn collega hondengeleider in een onopvallend voertuig en daarna nog een voertuig dat er niets mee te maken had. Daar achter ben ik aangesloten. Het taxibusje ging tegen het verkeer in rijden. Ik zag dat een motor hem tegemoet kwam rijden. Dat was collega [benadeelde 1] . Ik nam net als de taxi de rijstrook tegen het verkeer in. Er zat nog geen 100 meter tussen het taxibusje en mij in. De afstand bleef ongeveer gelijk. Hij ging harder door de bochten heen dan ik, maar op de rechte stukken kon ik hem weer bijtrekken. De hondengeleider (het hof begrijpt: verbalisant [getuige 2] ) koos in eerste instantie voor de rijstrook de goede kant op. Ik zag het taxibusje recht op motorrijder [benadeelde 1] afrijden. De weg versmalt daar naar één rijstrook links van de middenberm. Rechts is dus de verhoogde middenberm en links ligt er gras. Ik zag dat de motorrijder naar links vanuit mij gezien stuurde en daarna dat het busje diezelfde kant op stuurde, richting het gras dus. Vervolgens stuurde [benadeelde 1] naar rechts richting de middenberm en weer stuurde het busje dezelfde kant op. [benadeelde 1] reed daarop de middenberm op, maar die is te hoog voor een motor, dus viel hij er van af. Op dat moment zat ik er minder dan 100 meter achter. Ik reed daar ongeveer 80 kilometer per uur. Het busjes was daar op mij aan het uitlopen. Hij reed dus harder. De snelheid van [benadeelde 1] durf ik niet te zeggen.

U vraagt mij naar de afstand tussen de motor en het busje op het moment van insturen naar de middenberm door de motor. Het ging heel snel. Ik had het zelf in ieder geval heel eng gevonden in zijn plaats. Ik denk dat ik dezelfde keus zou hebben gemaakt als [benadeelde 1] .

U vraagt mij of hij nog andere opties had. Nee, die had hij niet. Als hij nogmaals naar links had gestuurd dan had die manoeuvre te lang geduurd en was die dus niet geslaagd. Ik had goed zicht op de situatie. Alleen het laatste stukje zag ik de motor even niet, omdat het taxibusje er zo dicht op zat.

U wilt met mij naar het voorval op de N201. [benadeelde 2] en [benadeelde 4] volgden de zelfde weg als het taxibusje. Het taxibusje nam de bocht naar rechts kort voor de aanrijding niet goed en kwam daarbij tegen de vangrail aan. Hierdoor vertraagde het taxibusje iets en konden [benadeelde 2] en [benadeelde 4] er voor komen. Zij deden hun stopbord aan. Ik zag dat het taxibusje hen opnieuw probeerde in te halen. Na het optrekken in de bocht denk ik dat we weer 90 à 100 kilometer per uur reden. Die taxi gaf dus extra gas om er langs te komen. [benadeelde 2] en [benadeelde 4] schoven wat op om de taxi de weg te versperren. [benadeelde 2] en [benadeelde 4] gingen van de linkerbaan iets meer naar het midden toe en verminderden hun snelheid. Ik zag hun remlichten oplichten. Dat zag ik niet bij de taxi gebeuren. Die taxi dook ineens naar links waardoor die al snel voor een deel (ter hoogte van de achterwielen) naar [benadeelde 2] en [benadeelde 4] kwam te rijden. Vervolgens zag ik de taxi een heel heftige beweging naar rechts maken tegen het voertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 4] aan. Ik zie dit niet als een mislukte poging om er voorbij te komen, maar als het opzettelijk van de weg af proberen te rammen. Er was aan de linkerkant gewoon ruimte genoeg om er langs te gaan. Daarna zag ik vonken en ik zag het voertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 4] 6 of 7 keer heen en weer slingeren. Ik zag dat het busje links [benadeelde 2] en [benadeelde 4] passeerde. Ik zag dat het voertuig van [benadeelde 2] en [benadeelde 4] net voorbij de vangrail de middenberm in reed. Ik heb het busje geen snelheid zien minderen, dat was pas 2 kilometer verderop.

9. Een proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’ van 1 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (los in dossier). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Het verkeersongeval (het hof begrijpt: op 10 januari 2019 waarbij [benadeelde 1] betrokken was) had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Loevesteinse Randweg, gelegen buiten de bebouwde kom van Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer. De wettelijk toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 70 km/h. Wij zagen dat de Loevesteinse Randweg ter plaatse het volgende profiel had: één rijstrook richting Schiphol Centrum, één rijstrook voor tegengesteld verkeer in de richting Schiphol Oost, verhoogde middenberm.

Het verkeersongeval (het hof begrijpt: op 10 januari 2019 waarbij [benadeelde 2] en [benadeelde 4] betrokken waren) had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande autoweg, de Rijkerdreef N201, gelegen buiten de bebouwde kom van Schiphol-Rijk, in de gemeente Haarlemmermeer. De wettelijke toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 80 km/h. De Rijkerdreef had het volgende profiel: twee rijstroken voor het verkeer richting Hoofddorp, middenberm met vangrail, twee rijstroken met tegengesteld verkeer richting Aalsmeer.

Wij hebben beide voertuigen (het hof begrijpt: het door de verdachte bestuurde taxibusje van het merk Volkswagen en de door [benadeelde 2] bestuurde dienstauto van het merk Opel) laten overbrengen naar een Forensische voertuig onderzoeksruimte. Aan de hand van de aangetroffen schades en de aangetroffen sporen aan beide voertuigen, werden de voertuigen tegen elkaar geplaatst. Dit om een duidelijk beeld te krijgen hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van de botsing.

Wij zagen dat de afgetekende zwarte veegsporen aan de linker achterzijde van de Opel zeer waarschijnlijk zijn ontstaan door een draaiende band. Wij zagen aan de beweegrichting van deze veegsporen, dat deze sporen zijn ontstaan door een vooruit draaiende band.

Op de rechtervoorband van de Volkswagen (waarin de verdachte had gereden) zagen wij blauwkleurige verf/lakresten, zeer waarschijnlijk afkomstig van de linker achterzijde van de Opel. Wij zagen, tijdens de bepaling van de bots posities, dat deze sporen zeer waarschijnlijk alleen afgetekend konden worden als de band van de Volkswagen naar rechts was ingedraaid op het moment van het ontstaan van deze sporen.

Ten aanzien feit 3:

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2019;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte op 10 januari 2019 van [benadeelde 3] (dossierpagina’s 117-119).

Ten aanzien feit 4 1 :

  • -

    De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2019;

  • -

    Het proces-verbaal van aangifte op 10 januari 2019 door [naam 2] , namens het bedrijf [bedrijf] , gevestigd te Badhoevedorp en fotobijlage (dossierpagina’s 124-127);

  • -

    Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [benadeelde 2] en [benadeelde 4] , opgemaakt en gesloten op 10 januari 2019 (dossierpagina’s 108-112);

  • -

    Een proces-verbaal (van bevindingen en/of verrichtingen) van verbalisant [benadeelde 1] , opgemaakt en gesloten op 10 januari 2019 (dossierpagina’s 115-116);

  • -

    Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [getuige 2] , opgemaakt en gesloten op 10 januari 2019 (dossierpagina’s 132-134);

  • -

    Een proces-verbaal van verhoor als getuige van [getuige 2] op 21 juni 2019 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen);

  • -

    Een proces-verbaal van verhoor als getuige van [getuige 1] op 21 juni 2019 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen);

  • -

    Een proces-verbaal van verhoor als getuige van [benadeelde 2] op 21 juni 2019 door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] (wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet,

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [benadeelde 1] is afgereden en

- in zijn richting is gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht is genaderd,

- waardoor die [benadeelde 1] (met kracht) moest remmen en zijn motor de verhoogde middenberm heeft opgestuurd en van zijn motor is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair
hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en [benadeelde 4] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid van ongeveer 100 km/u het dienstvoertuig van die [benadeelde 2] en [benadeelde 4] aan de linker achterzijde heeft geramd,

- waardoor die [benadeelde 2] de macht over het stuur is verloren, is gaan slingeren en in de berm van de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met daarin elektronica, ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.
hij op 10 januari 2019 te Schiphol en Schiphol-Rijk, althans in de gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (taxibus, merk Volkswagen Kombi), daarmee rijdende op de weg, de Busbaan A, de Aankomstpassage, De Loevesteinserandweg, H. Walaardt Sacréstraat, Stationsplein Noord-Oost, de Schipholweg, de Fokkerweg (N232) en de Rijkerdreef (N201), althans op diverse wegen in de omgeving van luchthaven Schiphol, terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs,

- via het trottoir van de A-baan een touringbus toebehorende aan [bedrijf] vervoersbedrijven is gepasseerd en daarbij tegen de linkerzijde van die bus is aangereden / geschuurd, en

- heeft gereden op de rijstrook die is bestemd voor het hem - verdachte - tegemoetkomende verkeer en vervolgens niet is gestopt / uitgeweken voor hem tegemoetkomend verkeer, en

- meermalen niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht (maar met onverminderd hoge snelheid is doorgereden), en

- geen voorrang heeft verleend aan voetgangers die overstaken of aanstalten maakten om over te steken bij een voetgangersoversteekplaats (maar met onverminderd hoge snelheid is doorgereden), en

- rijdend met een snelheid van ongeveer 100 km/u een voertuig, politieauto met in werking zijnde optische- en geluidssignalen, van achteren is genaderd en aan de linker achterzijde heeft geramd, door welke gedragingen gevaar op die wegen werd veroorzaakt, en het verkeer op die wegen werd gehinderd.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de voormelde bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens: poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 4 bewezen verklaarde is gedeeltelijk in eendaadse samenloop met het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde begaan en levert voor het overige op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden, een geldboete ter hoogte van € 1000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren, en voor het onder 4 ten laste gelegde tot 1 maand hechtenis voorwaardelijk.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw verzocht – in geval van bewezenverklaring – een straf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel het voorarrest niet overstijgt en rekening te houden met de bevindingen in het reclasseringsrapport.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 10 januari 2019 een taxibusje gestolen op de luchthaven Schiphol met daarin onder meer persoonlijke bezittingen van de chauffeur. Vervolgens is hij begonnen aan een dollemansrit, waarbij hij een bus heeft geschampt, tegen een verkeersbord is aangereden, met hoge snelheid meermalen een rood stoplicht heeft genegeerd en geen voorrang heeft verleend aan voetgangers.

Een aantal leden van de Koninklijke Marechaussee heeft met verschillende voertuigen de achtervolging ingezet, waarbij optische- en geluidssignalen zijn gevoerd, die de verdachte heeft genegeerd.

De verdachte is tijdens deze achtervolging opzettelijk, tegen de rijrichting in en met hoge snelheid afgereden op de hem tegemoetkomende motorrijder van de Koninklijke Marechaussee [benadeelde 1] . De verdachte minderde geen vaart en naderde [benadeelde 1] met hoge snelheid, en stuurde daarbij opzettelijk in de richting van [benadeelde 1] . Daarop is [benadeelde 1] hard afgeremd en uitgeweken naar de verhoogde middenberm, waar hij ten val is gekomen. Daarna heeft de verdachte de dienstauto van [benadeelde 2] en [benadeelde 4] aan de linker achterzijde geramd, terwijl zij ongeveer 100 km/u reden, waarna [benadeelde 2] ternauwernood een potentieel dodelijk ongeval heeft weten te vermijden en in de berm van de weg terecht is gekomen. Als gevolg hiervan heeft [benadeelde 2] lichamelijk letsel opgelopen.

Dat zich in beide gevallen geen dodelijk ongeval heeft voorgedaan is niet aan de verdachte, maar aan de adequate reactie van de verbalisanten te danken.

Het hof rekent de verdachte deze feiten zwaar aan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen enkel inzicht gegeven in de beweegredenen achter zijn gevaarlijke gedrag. Uit niets is gebleken van enig inzicht of besef van wat zijn handelen bij de slachtoffers en bij andere weggebruikers heeft veroorzaakt. Dit baart het hof ernstig zorgen en draagt ertoe bij dat het hof de oplegging van een rijontzegging van zeer lange duur noodzakelijk acht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2020 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op al het voorgaande, in het bijzonder de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding deze straf in deels voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en hechtenis van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 27.769,45. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.913,63. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de vordering beperkt tot een bedrag van € 4.059,63.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde tot hechtenis voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.059,63 (vierduizend negenenvijftig euro en drieënzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.059,63 (vierduizend negenenvijftig euro en drieënzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 januari 2019.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. P.C. Kortenhorst en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. L. Pothast, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 maart 2020.

Mrs. P.C. Kortenhorst en R. Kuiper zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 Voor zover de bewezenverklaring van feit 4 onderdelen bevat die wel zijn betwist, zijn de redengevende feiten en omstandigheden daarvoor in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen weergegeven.