Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:87

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
200.252.457/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:9484
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot erkenning Russische uitspraken inzake vaststelling van een door man te betalen kinderbijdrage.

Beoordeling aan de hand van door de Hoge Raad ontwikkelde uitleg en erkenningsregels in zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.252.457/01

zaaknummer rechtbank: C13/647189/FARK 18-2763

beschikking van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.F.E. Mackay-Beins te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats B] (Rusland),

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 9 januari 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 oktober 2018.

2.2

De vrouw heeft op 5 maart 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 13 augustus 2019 met bijlagen (producties 9 t/m 20), ingekomen op 14 augustus 2019;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 15 augustus 2019 met bijlagen (bijlagen 14 t/m 16, met een aankondiging van bijlage 17 inhoudende een reactie op bijlage 9 van de wederpartij), ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 augustus 2019 met bijlagen (aanvullingen bij producties 9 en 20), ingekomen op 16 augustus 2019;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 28 augustus 2019, met daarin de mededeling dat de vrouw niet bij de zitting aanwezig zal zijn wegens het ontbreken van de financiële middelen daartoe, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 29 augustus 2019 plaatsgevonden.

De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens is verschenen de advocaat van de vrouw. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.5

De vrouw is niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben tot april 2010 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] (Rusland), [in] 2007.

De man heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] woont bij de vrouw in [woonplaats B] .

De vrouw heeft de Russische nationaliteit en de man - sinds 2012 - de Nederlandse nationaliteit.

3.2

De vrederechter van gerechtelijk arrondissement nr. 97 te Sint-Petersburg (Rusland) heeft op 24 augustus 2010 bepaald dat de onderhoudsbijdrage van de man voor [de minderjarige] één vierde deel van al zijn inkomsten uit arbeid en (of) andere bronnen van inkomsten bedraagt, met ingang van 1 oktober 2010 totdat [de minderjarige] de meerderjarige leeftijd bereikt.

3.3

De districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg (Rusland) heeft voormelde rechterlijke beslissing op 17 november 2010 bekrachtigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de uitspraken van de vrederechter van gerechtelijk arrondissement nr. 97 te Sint-Petersburg (Rusland) van 24 augustus 2010 en van de districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg (Rusland) van 17 november 2010 op verzoek van de vrouw erkend.

Daarnaast is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2017 € 550,- per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderbijdrage), bij vooruitbetaling te voldoen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw, kort gezegd:

  • -

    voor zover nodig beide Russische uitspraken te erkennen en voor tenuitvoerlegging vatbaar te maken, althans datgene te bepalen zodat de beschikking van de Russische rechtbank hier te lande ten uitvoer kan worden gelegd, waarbij de vrouw niet afwijzend staat tegenover de vaststelling van een vast bedrag aan kinderbijdrage per maand, waarbij als richtlijn dient te gelden het bedrag van € 600,- per maand dat de man tot 2017 betaalde;

  • -

    te bepalen dat de man aan de vrouw zal voldoen binnen twee maanden na datum uitspraak het bedrag dat hij verschuldigd is aan achterstallige termijnen aan kinderbijdrage, welk bedrag per 1 april 2018 € 5.950,- bedraagt, vermeerderd met alle komende termijnen die hij niet dan wel onvoldoende betaalt, althans een door de rechtbank te bepalen regeling zodat de achterstallige termijnen op korte termijn alsnog worden voldaan;

  • -

    voor zover noodzakelijk, de beschikking in exequatur – Europese Executoriale titel – op te maken, althans zodanig dat tenuitvoerlegging daarvan in andere lidstaten van de Europese Unie mogelijk is.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - naar het hof begrijpt: de door de vrouw verzochte erkenning van de twee Russische uitspraken af te wijzen, en de kinderbijdrage voor [de minderjarige] voor de periode van 1 april 2017 tot 1 maart 2019 af te wijzen en voor de periode vanaf 1 maart 2019 vast te stellen op € 101,- per maand (1/4 van het gemiddelde salaris in Rusland) dan wel € 174,- per maand (1/4 van de door de man te ontvangen bijstandsuitkering), althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, kosten rechtens.

4.3

De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedures in beide instanties en in de door de deurwaarder reeds gemaakte en te maken kosten ter inning van de onderhoudsbijdrage, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het meenemen van het door de man op 14 augustus 2019 als productie 9 ingediende, naar Nederlands vertaalde juridische verklaring van mr. Svidersky Valentinovich. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij, aangezien het stuk tijdig is ingediend en de vrouw erop heeft kunnen reageren zoals zij ter zitting ook heeft gedaan. De omstandigheid dat het stuk is opgesteld door de zoon van een leningverstrekker van de man, zoals door de man ter zitting erkend, leidt niet tot een ander oordeel.

5.2

De vrouw heeft in eerste aanleg terecht haar verzoek voorgelegd aan de rechtbank [plaatsnaam] , de woonplaats van de man. Op grond van artikel 985 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank van het arrondissement waar de wederpartij van de verzoeker woonplaats heeft en die van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd, bevoegd tot kennisneming van het verzoek.

5.3

De vraag die partijen verdeeld houdt betreft de beslissing tot erkenning van de Russische uitspraken waarin een onderhoudsbijdrage van de man voor [de minderjarige] is vastgelegd en welke beslissing vervolgens is bekrachtigd. Aangezien tussen Rusland en Nederland geen verdragen zijn gesloten op het punt van de erkenning en tenuitvoerlegging van Russische beslissingen over een onderhoudsbijdrage wordt de erkenning en tenuitvoerlegging beheerst door het commune internationale privaatrecht. Zoals de rechtbank heeft overwogen is in dit verband artikel 431 Rv van belang en de uitleg en erkenningsregels die de Hoge Raad heeft ontwikkeld en in zijn arrest van 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2838) heeft vermeld in de volgende vier punten:

“3.6.4 In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

3.6.5

Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 3.6.4 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar (vgl. voor het geval waarin de buitenlandse rechter op grond van een forumkeuzeclausule bij uitsluiting bevoegd was HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, en HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350).”

5.4

Het hof stelt voorop dat er geen verschil van inzicht is over de vraag of de Russische rechter bevoegd was het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie te beoordelen. Naar internationaal algemeen aanvaarde maatstaven is de rechter bevoegd van het land waarin de alimentatiegerechtigde de gewone woonplaats heeft. Evenmin is sprake van een situatie omschreven onder ‘iv’ van de toetsingscriteria.

Een met voldoende waarborgen omklede rechtspleging in Rusland?

5.5

Volgens de man zijn de Russische beslissingen niet na een behoorlijke rechtspleging tot stand gekomen, omdat er geen rekening is gehouden met de door de man overgelegde stukken, waaronder zijn Nederlandse inkomstenverklaring. Evenmin is gekeken naar de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de man.

5.6

De vrouw werpt tegen dat het enkele feit dat niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen in Rusland, de uitspraken nog niet in strijd met de openbare orde doen zijn.

5.7

Het hof overweegt dat uit de Russische uitspraken blijkt dat de man in beide procedures zijn standpunt heeft ingebracht door middel van een procesvertegenwoordiger en dat zijn standpunt in de beoordeling is betrokken. In de procedure bij de vrederechter in Sint-Petersburg heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de rechtmatigheid van de eis werd erkend, maar dat hij de kinderbijdrage op een vast bedrag vastgesteld wilde zien in plaats van op een vierde deel van zijn inkomen. Op basis van een inhoudelijk debat en onder aanhaling van wettelijke bepalingen, heeft de vredesrechter een beslissing gegeven. Het door de man gestelde is derhalve onvoldoende om te kunnen concluderen dat de rechtspleging die heeft geleid tot de uitspraak van de vredesrechter van 24 augustus 2010 met onvoldoende waarborgen omkleed was.

De man heeft deze uitspraak vervolgens laten toetsen door de districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg. Ten aanzien van deze rechtsgang heeft de man aangevoerd dat de rechter geen rekening heeft gehouden met de door de man overgelegde stukken. Uit de uitspraak blijkt evenwel dat de rechter wel degelijk het processtuk van de man bij de beoordeling heeft betrokken. De genoemde ‘conceptopgave van zijn inkomen’ is door de rechter echter niet als wettelijk bewijsmiddel aangemerkt, omdat de man deze zou hebben toegevoegd, zonder vertaling en niet naar behoren gewaarmerkt, zodat dit krachtens art. 60 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Russische Federatie niet kan worden aangemerkt als wettig bewijsmiddel, aldus de vertaling van de beschikking. Het hof heeft derhalve ook ten aanzien van deze Russische beslissing geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het proces niet aan de beginselen van een behoorlijke rechtspleging zou voldoen.

Erkenning van de buitenlandse beslissing in strijd is met de Nederlandse openbare orde?

5.8

De man heeft aangevoerd dat de Russische beslissingen in strijd zijn met de openbare orde, omdat de Russische rechter niet heeft gekeken naar de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de man. Voor wat betreft de draagkracht wordt kennelijk aansluiting gezocht bij 25% van het netto inkomen van de alimentatieplichtige en wordt er geen vast bedrag aan kinderalimentatie bepaald door de Russische rechtbank. Volgens de man had er een inhoudelijke behandeling van de alimentatiekwestie moeten plaatsvinden. Daarbij komt dat het Russische vonnis praktisch niet uitvoerbaar is in Nederland, omdat de kinderbijdrage is bepaald op één vierde van het inkomen van de man.

5.9

Volgens de vrouw voldoen de Russische uitspraken aan de voorwaarden zoals in eerdere jurisprudentie is bepaald en zijn deze derhalve terecht erkend. De man heeft verzuimd aan te geven waarom de geldende Nederlandse jurisprudentie niet van toepassing zijn zou. Zowel in Rusland als in Nederland kunnen deurwaarders alimentatie incasseren. Het is juist dat de Russische uitspraak niet direct in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, vandaar de erkenningsprocedure in eerste aanleg waardoor het thans wel kan.

Er is (dus) geen sprake van strijd met openbare orde, de man voert daartoe geen begin van bewijs aan, aldus nog steeds de vrouw.

5.10

Het hof stelt voorop dat het argument van strijdigheid met de openbare orde niet gehonoreerd wordt als het slechts zou gaan om een andere inhoudelijke beslissing dan de Nederlandse rechter zou hebben gegeven. Een andere staat heeft de autonomie om een eigen stelsel voor de bepaling van kinderalimentatie te ontwerpen. Er zijn ook diverse stelsels bekend als het gaat om het bepalen van kinderalimentatie. Uit de overgelegde Russische uitspraken blijkt dat een alimentatiegerechtigde bij gebreke van een alimentatieovereenkomst kan verzoeken om maandelijkse alimentatie voor één kind van ouders vast te leggen ten bedrage van één vierde deel van het loon en (of) andere inkomsten van de ouders. Ook is er een mogelijkheid om een vast bedrag te laten vaststellen. Uit de beslissing van de districtsrechtbank blijkt echter dat de man geen tegeneis voor de vordering van een ander alimentatiebedrag heeft ingediend.

De man heeft verder aangevoerd dat de Russische beslissingen niet praktisch uitvoerbaar zijn in Nederland. Dit is echter geen argument dat de openbare orde raakt, maar betreft een executieprobleem.

5.11

Er zijn verder geen feiten en omstandigheden gesteld noch gebleken die de erkenning van de Russische beslissingen in de weg zouden kunnen staan. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigen.

Vaststelling van de hoogte van de kinderbijdrage

5.12

De man kan zich niet verenigen met de vaststelling door de rechtbank van de kinderbijdrage van € 550,- per maand alsmede de ingangsdatum daarvan, te weten 1 april 2017.

5.13

Het hof volgt de man daarin, maar om een andere reden. Na de erkenning van de Russische beslissingen heeft de vrouw verzocht om, zo begrijpt het hof, tenuitvoerlegging. Uitgangspunt is dat na de erkenning geen inhoudelijke beoordeling meer hoeft plaats te vinden en dat volstaan kan worden met een veroordeling van de wederpartij tot datgene waartoe hij ook reeds bij de buitenlandse beslissing was veroordeeld. Gelet op de gestelde fluctuatie van het inkomen van de man kan niet een veroordeling tot betaling van een vast bedrag worden gegeven en dient de deurwaarder op basis van één vierde van de inkomsten van de man het verschuldigde te innen.

Het hof zal derhalve de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen en de man tot nakoming van de erkende Russische beslissingen veroordelen.

Wijziging van de kinderalimentatie

5.14

Voor zover de man een wijziging verzoekt van de door de Russische rechter vastgestelde kinderalimentatie stelt het hof voorop dat dit een zelfstandig verzoek is. Een zodanig zelfstandig verzoek kan krachtens artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Dit zou de processuele belangen van de vrouw schaden en haar een feitelijke instantie ontnemen. Het hof zal de man dan ook te dien aanzien niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten en invorderingskosten

5.15

Beide partijen hebben verzocht om de ander in de proceskosten te veroordelen. De vrouw heeft tevens een veroordeling van de man in de proceskosten in eerste aanleg verzocht en een veroordeling van de man in de door de deurwaarder reeds gemaakte en te maken kosten ter inning van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

5.16

Het hof ziet geen aanleiding om de man dan wel de vrouw in de kosten van de procedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) te veroordelen, aangezien een compensatie van deze kosten in familiezaken het uitgangspunt is. De inhoud van de zaak en de beslissing geven geen aanleiding om anders te beslissen.

Het hof zal het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de invorderingskosten afwijzen, aangezien de beslissing tot nakoming al een executoriale titel oplevert en een grondslag vormt voor vergoeding van de deurwaarderskosten.

7 De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 10 oktober 2018 ten aanzien van de erkenning van de uitspraak van de vrederechter van gerechtelijk arrondissement nr. 97 te Sint-Petersburg, Rusland van 24 augustus 2010,

en de erkenning van de uitspraak van de districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg, Rusland van 17 november 2010;

- vernietigt de beschikking voor zover is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2017 € 550,- euro per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 april 2017;

- veroordeelt de man tot nakoming van de uitspraken van de vrederechter van gerechtelijk arrondissement nr. 97 te Sint-Petersburg, Rusland van 24 augustus 2010 en de uitspraak van de districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg, Rusland van 17 november 2010;

- verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover de man is veroordeeld tot nakoming van de uitspraken van de vrederechter van gerechtelijk arrondissement nr. 97 te Sint-Petersburg, Rusland van 24 augustus 2010 en de uitspraak van de districtsrechtbank Krasnoselsky te Sint-Petersburg, Rusland van 17 november 2010.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. M.T. Hoogland en mr. W.K. van Duren, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier en is op 14 januari 2020 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.