Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:866

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.251.731/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leaseovereenkomst auto. Melding van betalingsachterstand bij Bureau Krediet Registratie (BKR) door lessor. Vordering tot verwijdering van de achterstandsmelding is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Betalingsachterstand heeft daadwerkelijk bestaan. Die achterstand is ingelopen en de einddatum ervan is in het kredietinformatiesysteem van BKR vermeld. Geen grond voor oordeel dat handhaving van de achterstandsmelding niet in een redelijke verhouding staat tot de nadelige gevolgen daarvan voor betrokkene, mede in aanmerking genomen het belang van bedrijfsmatige kredietverleners om van die vermelding kennis te nemen en dat daaruit genoegzaam blijkt dat betrokkene inmiddels geen betalingsachterstand meer heeft.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:146.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.251.731/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 6464662 CV EXPL 17-26242

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E.J.M. Brocatus te Apeldoorn,

tegen

FCA CAPITAL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en FCA genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 20 november 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 24 augustus 2018, voor zover onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser in reconventie en FCA als verweerder in reconventie. Het hoger beroep is niet gericht tegen het vonnis dat in conventie tussen partijen is gewezen.

FCA heeft aan [appellant] een exploot zoals bedoeld in artikel 126 Rv doen uitbrengen, waarbij zij hem heeft aangezegd het hoger beroep te zullen aanbrengen tegen een vroegere datum dan in de dagvaarding vermeld. Het hof heeft vervolgens bij arrest van 22 januari 2019 een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Van de desbetreffende zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat tot de gedingstukken behoort.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn oorspronkelijk in reconventie ingestelde vordering zal toewijzen zoals opnieuw verwoord aan het slot van de appeldagvaarding, met veroordeling van FCA in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, dit laatste met inbegrip van nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

FCA heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het hoger beroep zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met inbegrip van nakosten.

[appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.13, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil zodat, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang, ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of FCA verplicht is om een melding te laten verwijderen die zij heeft gedaan aan Stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel, hierna ‘BKR’, ter zake van een achterstand van [appellant] in de nakoming van diens betalingsverplichtingen uit hoofde van een leaseovereenkomst tussen partijen. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn op 27 maart 2015 een leaseovereenkomst aangegaan waarbij FCA aan [appellant] een auto van het merk Alfa Romeo, type Mito, heeft geleased voor de duur van 24 maanden, hierna ‘de overeenkomst’. De overeenkomst is geëindigd op 10 april 2017. Zij verplichtte [appellant] om maandelijks een bepaald vast bedrag te betalen aan FCA, de leasetermijn, met nabetaling van een extra bedrag per gereden kilometer als het aantal daadwerkelijk gereden kilometers per jaar hoger was dan 18.000, voor iedere kilometer die dit aantal te boven ging. In het voorjaar van 2017 heeft FCA aan [appellant] bedragen in rekening gebracht voor (a) leasetermijnen voor de maanden maart en april 2017, (b) nabetaling voor extra gereden kilometers zoals zojuist omschreven en (c) schade aan de leaseauto die, volgens FCA, na het einde van de overeenkomst was gebleken. [appellant] heeft de desbetreffende facturen aanvankelijk onbetaald gelaten. FCA heeft daarop aan BKR een betalingsachterstand van [appellant] gemeld. BKR heeft deze opgenomen in het door haar bijgehouden Centraal Krediet Informatiesysteem.

3.3.

FCA heeft [appellant] in rechte betrokken en, in conventie, diens veroordeling gevorderd tot betaling van de hierboven bedoelde bedragen, met rente en kosten. Tijdens het geding in eerste aanleg heeft [appellant] de vordering van FCA vrijwillig voldaan wat betreft de hierboven onder (a) genoemde leasetermijnen. De vordering ter zake van de onder (b) bedoelde nabetaling voor extra gereden kilometers is, na verrekening met een [appellant] toekomend tegoed wegens de betaalde leasetermijn voor het gedeelte van april 2017 ná het einde van de overeenkomst, door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 702,49. De vordering tot vergoeding van schade aan de leaseauto is afgewezen. [appellant] heeft op zijn beurt, in reconventie, de veroordeling van FCA gevorderd tot intrekking van de achterstandsmelding, althans verwijdering van de negatieve registratie van [appellant] , in het kredietinformatiesysteem van BKR. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen.

3.4.

In hoger beroep komt [appellant] , onder aanvoering van gronden, op tegen de hierboven genoemde beslissing tot afwijzing van zijn vordering in reconventie. Naast de vernietiging van het vonnis in reconventie vordert hij opnieuw de veroordeling van FCA om zorg te dragen voor de verwijdering van zijn negatieve registratie in het kredietinformatiesysteem van BKR. Die vordering is in hoger beroep echter evenmin als in eerste aanleg toewijsbaar. Hierbij staat het volgende voorop.

3.5.

Volgens het door [appellant] overgelegde, onbestreden, op hem betrekking hebbende kredietoverzicht van BKR dat is opgemaakt op 6 november 2018, heeft FCA op 28 mei 2017 aan BKR een melding gedaan van een betalingsachterstand van [appellant] ter zake van de overeenkomst. Deze achterstand blijkt uit de code ‘A’ en de toelichting ‘achterstand’ die in het overzicht zijn vermeld. De datum van de achterstandsmelding is vermeld als ‘datum codering’. Het kredietoverzicht vermeldt verder, voor zover van belang, een ‘werkelijke einddatum’, te weten 19 september 2018. FCA heeft deze einddatum kennelijk afzonderlijk aan BKR gemeld ná de achterstandsmelding, zoals zij ook heeft gesteld. Uit de vermelding van 19 september 2018 als ‘werkelijke einddatum’ kan niet anders worden begrepen dan dat [appellant] op die datum geen achterstand meer had in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, omdat hij daaraan toen volledig had voldaan. Dit strookt ook met de stellingen van partijen in hoger beroep. De code ‘A’ en de toelichting ‘achterstand’ zijn dus feitelijk achterhaald en zien uitsluitend nog op de toestand tussen 28 mei 2017, de ‘datum codering’, en 19 september 2018.

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] de leasetermijnen voor maart en april 2017, wat betreft laatstgenoemde maand tot het einde van de overeenkomst op 10 april 2017, aan FCA verschuldigd is geworden en dat hij deze niet tijdig heeft voldaan. Weliswaar heeft [appellant] de desbetreffende bedragen betaald, maar dit heeft hij pas gedaan nadat FCA hem daartoe in rechte had betrokken en dus niet vóór het begin van de betrokken maand, zoals hij op grond van artikel 15.3 van de toepasselijke algemene voorwaarden had moeten doen.

3.7.

Niet in geschil is verder dat [appellant] wegens gereden kilometers die het aantal van 18.000 per jaar te boven gingen, een bedrag aan FCA verschuldigd is geworden en dat hij uit dien hoofde, ook na daartoe door FCA te zijn aangemaand, niets heeft betaald. In het geding in conventie heeft de kantonrechter geoordeeld dat FCA wegens extra gereden kilometers per saldo een vordering van € 702,49 toekomt. Het vonnis in conventie is in kracht van gewijsde gegaan, zodat rechtens vast staat dat [appellant] dat bedrag op de datum van het vonnis, 24 augustus 2018, nog aan FCA schuldig was.

3.8.

Zowel met betrekking tot de leasetermijnen voor maart en april 2017, wat betreft laatstgenoemde maand tot 10 april 2017, als met betrekking tot de nabetaling voor extra gereden kilometers, heeft [appellant] blijkens het voorgaande een schuld aan FCA en een achterstand in de betaling daarvan gehad. [appellant] heeft niet gesteld dat hij de schuld aan FCA volledig heeft voldaan vóór de ‘werkelijke einddatum’, 19 september 2018, die in het kredietoverzicht van BKR is vermeld, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de achterstand in de betaling van de schuld, in ieder geval tot een deel daarvan, tot die datum heeft bestaan. [appellant] heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat hij tussen de melding van de betalingsachterstand aan BKR en de voldoening van de desbetreffende schuld een opeisbare vordering op FCA heeft gehad, zodat hij niet bevoegd was de betaling van de schuld aan FCA op te schorten. [appellant] heeft evenmin feiten gesteld die de gevolgtrekking wettigen dat hij redelijkerwijs mocht aannemen geen bedragen aan FCA meer verschuldigd te zijn, zodat het hem ook op deze grond niet vrijstond de schuld aan FCA niet volledig te voldoen vóór 19 september 2018. De vermelding van een betalingsachterstand in het kredietinformatiesysteem van BKR met betrekking tot het tijdvak tussen 28 mei 2017 en 19 september 2018 is dus juist.

3.9.

Feiten waaruit volgt dat de handhaving van bovengenoemde vermelding niet in een redelijke verhouding staat tot de nadelige gevolgen daarvan voor [appellant] , zijn door laatstgenoemde niet afdoende gesteld, mede in aanmerking genomen het belang van bedrijfsmatige kredietverleners om van die vermelding kennis te nemen en voorts in aanmerking genomen dat uit de vermelding in het systeem van BKR van 19 september 2018 als ‘werkelijke einddatum’, genoegzaam blijkt dat [appellant] op die datum geen betalingsachterstand uit hoofde van de overeenkomst meer had. Dat hij deze eerder wél heeft gehad, stemt overeen met de werkelijkheid en dat hij daarvan mogelijk gedurende enige tijd nadelige gevolgen ondervindt bij het verkrijgen van krediet, zoals een hypothecaire geldlening, maakt nog niet dat de handhaving van die vermelding niet in een redelijke verhouding staat tot de belangen van [appellant] . Hetzelfde geldt voor de omvang en het, overwegend aan hemzelf te wijten, ontstaan van diens eerdere betalingsachterstand. Het betoog van [appellant] tot het tegendeel snijdt dus geen hout.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat FCA niet verplicht is te zorgen voor verwijdering van de achterstandsmelding die zij aan BKR heeft gedaan, dat de onder 3.4 weergegeven vordering van [appellant] daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar is en dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld. [appellant] heeft in hoger beroep geen feiten gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel, zodat zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Duidelijkheidshalve wordt opgemerkt dat die bekrachtiging uitsluitend betrekking heeft op het vonnis dat in reconventie tussen partijen is gewezen, aangezien het vonnis in conventie geen onderwerp is van het hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van FCA begroot op € 726,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris advocaat en op € 157,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de zojuist genoemde kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, W.H.F.M. Cortenraad en A.S. Dogan en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.