Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
200.230.212/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Afspraak tussen particulieren. Partij maakt € 400.000,- over aan wederpartij om dit bedrag vast te zetten in Brazilië tegen een rente van 6% per jaar. Bedrag wordt hiertoe aanvankelijk gestald op een spaarrekening bij een bank in Brazilië, maar later uitgeleend aan een natuurlijke persoon, zonder medeweten van geldverstrekker. Dit levert een tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, die ontbinding rechtvaardigt. Verplichting tot terugbetaling. Aanvullende schadevergoeding. Vergeefs beroep op ‘vriendendienst’. Artt. 6:76, 6:217, 6:265, 6:271, 6:277 en 7:400 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.230.212/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : C/13/614465 / HA ZA 16-875

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. van Solkema te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 14 december 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 oktober 2018 doen bepleiten, [appellant] door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat en [geïntimeerde] door mr. J.M. Veldhuis, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid hebben partijen voorts enige vragen van het hof beantwoord.

[appellant] heeft zijn eis in reconventie vermeerderd en geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vorderingen in conventie van [geïntimeerde] zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – de vermeerderde eis in reconventie van [appellant] zal toewijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] haar op grond van het bestreden vonnis heeft betaald, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en de vermeerderde eis in reconventie van [appellant] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met inbegrip van nakosten en wettelijke rente.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.6, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In de memorie van grieven klaagt [appellant] over hetgeen de rechtbank daarbij onder 2.2 heeft vastgesteld. Het hof zal die klacht hierna, bij de beoordeling van het hoger beroep, voor zover daarvoor van belang, in zijn overwegingen betrekken. Voor het overige bestaat over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten geen geschil, zodat in zoverre ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of [appellant] verplicht is aan [geïntimeerde] een geldsom van € 400.000,- terug te betalen, te vermeerderen met 6% rente per jaar, welke geldsom [geïntimeerde] aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld op grond van een afspraak tussen beiden. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn goede bekenden van elkaar. [geïntimeerde] heeft op enig moment een bedrag van € 400.000,- verkregen uit een erfenis. Zij heeft met [appellant] gesproken over het behalen van zoveel mogelijk rendement over dat bedrag. [appellant] , die is gehuwd met een Braziliaanse vrouw, heeft haar daarop gezegd dat zijn echtgenote en hij op een door hen aangehouden spaarrekening bij een bank in Brazilië een rente van 6% per jaar ontvingen. Hierdoor aangetrokken heeft [geïntimeerde] van 26 juni 2013 tot 18 maart 2014, met diens instemming, bedragen tot in totaal € 400.000,- aan [appellant] overgemaakt. Partijen hebben afgesproken dat [appellant] dit bedrag voor [geïntimeerde] zou vastzetten in Brazilië met het doel daarover eenzelfde rendement van 6% per jaar te behalen. Gedurende een jaar heeft [appellant] een deel van het genoemde bedrag, te weten € 90.000,-, vastgezet op een spaarrekening bij een bank in Brazilië tegen het genoemde rentepercentage. Hiertoe is gebruik gemaakt van de spaarrekening van [appellant] zelf en zijn echtgenote. Bij e-mail van 1 oktober 2015 heeft [appellant] [geïntimeerde] geschreven: ‘Het geld staat keurig geparkeerd op die renterekening in Brazilië en in overleg met jou hebben we vorig jaar september het geld voor 6 jaar vastgezet, teneinde die 6% te kunnen behouden (de rente ging ineens omlaag voor kortlopende termijnen nl.).’

3.3.

Na verloop van een jaar, vanaf een datum in de tweede helft van 2014, heeft [appellant] het bedrag dat hij van [geïntimeerde] had ontvangen, niet langer ondergebracht op de hierboven bedoelde spaarrekening en evenmin op een andere spaarrekening bij een bank in Brazilië, ook niet gedeeltelijk. Op de datum van de hierboven aangehaalde e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] was dat jaar reeds verstreken. Volgens de stellingen van [appellant] heeft zijn echtgenote het betrokken bedrag, althans de tegenwaarde daarvan in Braziliaanse real, voor de duur van zes jaar uitgeleend aan een medewerker van een Braziliaanse politicus, te weten [A] , tegen een rente van 6% per jaar. Een op deze lening betrekking hebbende, door [appellant] in kopie overgelegde onderhandse overeenkomst van geldlening bepaalt dat de geleende hoofdsom, vermeerderd met 6% rente per jaar, aan het einde van de overeenkomst moet worden terugbetaald en vermeldt als ingangsdatum van de overeenkomst 30 september 2014 en als einddatum 30 september 2020. [appellant] heeft [geïntimeerde] niet ingelicht over de door hem gestelde geldlening vóór het aangaan daarvan. Bij e-mail van 12 oktober 2015 heeft hij [geïntimeerde] geschreven: ‘Ik heb in opdracht en op verzoek van jou, geld vastgezet en het enige wat er te weten valt, is dat ik 400.000 euro tegen de toen geldende koerswaarde naar Brazilië heb getransfereerd en in overleg met jou heb vastgezet voor 6 jaar tegen 6% rente.’ Partijen hebben hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd.

3.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld, naar de kern genomen, dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan die [appellant] verplichtte het bedrag van € 400.000,- dat [geïntimeerde] aan hem ter beschikking had gesteld, vast te zetten op een spaarrekening bij een bank in Brazilië om daarover een rendement van 6% per jaar te behalen en dat [appellant] deze verplichting toerekenbaar niet is nagekomen. Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat de genoemde overeenkomst met ingang van 8 juli 2016 is ontbonden en heeft zij [appellant] veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 400.000,- aan [geïntimeerde] , te vermeerderen met rente zoals in het vonnis onder 5.3 bepaald. In reconventie is een tegenvordering van [appellant] strekkend tot vergoeding van de onkosten die hij ten behoeve van [geïntimeerde] stelt te hebben gemaakt, afgewezen. In het nu voorliggende hoger beroep heeft [appellant] die tegenvordering gehandhaafd en deze aangevuld met een vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] tot schadevergoeding wegens door haar na het vonnis ten laste van [appellant] gelegde, volgens hem onrechtmatige, beslagen.

3.5.

In hoger beroep heeft [appellant] elf grieven aangevoerd tegen de beslissingen van de rechtbank bij het bestreden vonnis, in conventie en in reconventie, en tegen de overwegingen waarop deze berusten. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij leiden echter niet tot een wezenlijk andere beoordeling van de zaak of tot andere beslissingen dan in eerste aanleg gegeven en evenmin tot toewijzing van de hierboven genoemde vermeerderde eis in reconventie van [appellant] . Hiertoe is het volgende bepalend.

3.6.

Het antwoord op de vraag of tussen partijen een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, hangt af van hetgeen de betrokken partijen hebben verklaard en van hetgeen zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Bij de toepassing van deze maatstaf staat het volgende voorop. Vast staat dat de afspraak op grond waarvan [geïntimeerde] € 400.000,- aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld, is gemaakt nadat [appellant] [geïntimeerde] had verteld over een door hem en zijn echtgenote aangehouden spaarrekening bij een bank in Brazilië waarop een rente van 6% per jaar werd behaald en dat deze mogelijkheid ook [geïntimeerde] aansprak. Vast staat verder dat [appellant] een deel van het genoemde bedrag, te weten € 90.000,-, na ontvangst gedurende een jaar heeft vastgezet op diezelfde spaarrekening tegen datzelfde percentage en dat hij na afloop van dat jaar – naar partijen bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep eenparig hebben verklaard – rente aan [geïntimeerde] heeft afgedragen. Vast staat bovendien dat [appellant] , onder verwijzing naar de spaarrekening van hemzelf en zijn echtgenote, op 1 oktober 2015 aan [geïntimeerde] heeft geschreven dat haar geld ‘keurig geparkeerd [stond] op die renterekening in Brazilië’ en was vastgezet voor de duur van zes jaar ‘teneinde de 6% te kunnen behouden.’ Ten slotte staat vast dat [appellant] [geïntimeerde] niet tevoren heeft ingelicht dat het door haar ter beschikking gestelde bedrag van de hiervoor bedoelde bankrekening zou worden opgenomen en niet langer op een spaarrekening bij een bank in Brazilië zou worden ondergebracht.

3.7.

Uit de hierboven genoemde omstandigheden volgt dat partijen aan hun afspraak over het ter beschikking stellen van het bedrag van € 400.000,- door [geïntimeerde] , uitsluitend de betekenis hebben mogen toekennen, en ook hebben toegekend, dat dit bedrag door [appellant] op een spaarrekening bij een bank in Brazilië zou worden ondergebracht met het doel daarover een rendement van 6% per jaar te behalen. [appellant] had [geïntimeerde] over deze mogelijkheid verteld, [geïntimeerde] is hierop ingehaakt, partijen hebben niet over een andere mogelijke bestemming van het genoemde bedrag gesproken, [appellant] heeft een aanzienlijk deel van dat bedrag aanvankelijk ook daadwerkelijk op een spaarrekening bij een bank in Brazilië gezet en aan [geïntimeerde] rente afgedragen, [appellant] heeft uitdrukkelijk aan [geïntimeerde] bevestigd dat haar geld op die rekening stond en hij heeft haar niet gekend in het opnemen van het door haar ter beschikking gestelde bedrag teneinde dat, volgens zijn stellingen, uit te lenen aan de onder 3.3 genoemde derde. Dit geheel van verklaringen en gedragingen wettigt de gevolgtrekking dat [appellant] zich tegenover [geïntimeerde] heeft verbonden om € 400.000,- op een spaarrekening bij een bank in Brazilië onder te brengen, waarbij partijen een rente van 6% per jaar voor ogen heeft gestaan. Tussen partijen is aldus een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, met [geïntimeerde] als opdrachtgever en [appellant] als opdrachtnemer. Deze overeenkomst van opdracht is door [appellant] ook onderkend in zijn aangehaalde e-mail van 12 oktober 2015, waarbij hij [geïntimeerde] heeft geschreven dat hij ‘in opdracht en op verzoek van jou, geld [had] vastgezet.’ Aan de totstandkoming van de bedoelde overeenkomst doet niet af dat [appellant] niet beroepshalve of bedrijfsmatig is opgetreden en evenmin dat hij volgens zijn stellingen belangeloos een vriendendienst heeft willen verlenen, zonder een resultaatsverplichting op zich te hebben willen nemen. Een en ander laat onverlet dat partijen enkel hebben gesproken over de mogelijkheid om het geld van [geïntimeerde] op een spaarrekening bij een bank in Brazilië te zetten, dat zij hierop met elkaar in zee zijn gegaan en dat [appellant] aan [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij het betrokken bedrag overeenkomstig die mogelijkheid had ‘geparkeerd’, hetgeen hij aanvankelijk ook heeft gedaan, zodat ervan moet worden uitgegaan, en [geïntimeerde] in ieder geval redelijkerwijs mocht aannemen, dat [appellant] zich daartoe had verbonden.

3.8.

Zoals onder 3.3 beschreven, heeft [appellant] het door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde bedrag na verloop van een jaar, vanaf een datum in de tweede helft van 2014, niet langer ondergebracht op een spaarrekening bij een bank in Brazilië. Volgens de stellingen van [appellant] is dat bedrag, althans de tegenwaarde daarvan in Braziliaanse real, toen voor de duur van zes jaar uitgeleend aan een derde, namelijk een natuurlijke persoon in Brazilië, tegen een rente van 6% per jaar. Hiermee staat vast dat [appellant] zijn verbintenis om het betrokken bedrag op een spaarrekening bij een bank in Brazilië onder te brengen, niet is nagekomen. Dit wordt niet anders als ervan wordt uitgegaan dat [geïntimeerde] na verloop van een jaar heeft ingestemd met het vastzetten van het door haar ter beschikking gestelde bedrag voor de duur van zes jaar om een rente van 6% per jaar te blijven behalen. Daarmee heeft [geïntimeerde] nog niet ingestemd, ook niet stilzwijgend, met het uitlenen van dat bedrag aan bovenbedoelde derde in plaats van het onderbrengen ervan op een spaarrekening bij een bank in Brazilië. [appellant] heeft redelijkerwijs evenmin mogen aannemen dat [geïntimeerde] instemde met het door hem gestelde uitlenen van dat bedrag, alleen al omdat hij haar daarover niet had ingelicht en voorts omdat het uitlenen van een geldsom aan een natuurlijke persoon, ongeacht het overeengekomen rentepercentage, niet vergelijkbaar is met of gelijk te stellen is aan het vastzetten daarvan op een spaarrekening bij een bank. Het zonder instemming van [geïntimeerde] uitlenen van het betrokken bedrag aan een natuurlijke persoon zou alleen dan verenigbaar zijn met de overeenkomst tussen partijen, als [geïntimeerde] daarbij aan [appellant] de vrije hand had gegeven over het beheer van het door haar ter beschikking gestelde bedrag teneinde het beoogde rendement van 6% per jaar te verwezenlijken. De overeenkomst tussen partijen voorziet hierin echter niet en de onder 3.6 genoemde omstandigheden bieden daarvoor ook niet de minste aanwijzing. Het rendement dat partijen voor ogen stond, wettigt geen ander oordeel, aangezien daaruit niet volgt dat het [appellant] vrijstond dit rendement anders dan door middel van een spaarrekening bij een bank in Brazilië te verwezenlijken.

3.9.

Het niet onderbrengen van het door [geïntimeerde] ter beschikking gestelde bedrag op een spaarrekening bij een bank in Brazilië levert dus een tekortkoming van [appellant] op in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. Die tekortkoming kan hem worden toegerekend, ook als hij bij de uitvoering van de overeenkomst gehinderd is door een gebrek aan eigen kennis en kunde en gebruik heeft gemaakt van de hulp van zijn echtgenote, zich op haar heeft verlaten en pas achteraf door haar op de hoogte is gebracht van het uitlenen van het betrokken bedrag aan een derde, zoals hij stelt. Deze omstandigheden komen op grond van het bepaalde in artikel 6:76 BW alle voor rekening van [appellant] . De tekortkoming van [appellant] rechtvaardigt de door de rechtbank aangenomen ontbinding van de overeenkomst tussen partijen: zij betreft de kern van en staat haaks op hetgeen partijen zijn overeengekomen, zodat niet kan worden gezegd dat zij vanwege haar geringe betekenis die ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Artikel 6:266 BW, waarop [appellant] zich nog beroept, mist toepassing en verzet zich evenmin tegen ontbinding. Op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW verplicht de ontbinding van de overeenkomst [appellant] tot terugbetaling van het bedrag van € 400.000,- dat hij van [geïntimeerde] heeft ontvangen, waartoe de rechtbank hem dan ook terecht heeft veroordeeld. Het valutarisico, voor zover zich dit zou hebben verwezenlijkt, komt daarbij voor zijn rekening. Nu de tekortkoming [appellant] kan worden toegerekend, is hij eveneens verplicht de schade te vergoeden die [geïntimeerde] lijdt doordat geen nakoming van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij zijn e-mails van 1 oktober 2015 en 12 oktober 2015 bericht dat hij het genoemde bedrag had vastgezet voor de duur van zes jaar tegen 6% rente, zodat ervan moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde] bij behoorlijke nakoming, gedurende die periode op dat rentepercentage aanspraak had kunnen maken. Op goede gronden, waarmee het hof zich verenigt en die het tot de zijne maakt, heeft de rechtbank [appellant] dan ook veroordeeld tot betaling van rente aan [geïntimeerde] zoals in het bestreden vonnis onder 5.3 bepaald. Nu de overeenkomst tussen partijen is ontbonden, valt niet in te zien op welke grond [appellant] aanspraak heeft op vergoeding van onkosten door [geïntimeerde] zoals door hem gevorderd, daargelaten nog dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het daarbij gaat om onkosten als bedoeld in artikel 7:406, eerste lid, BW die in het kader van de uitvoering van de overeenkomst zijn gemaakt. Zijn tegenvordering tot vergoeding van die kosten is daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Dit laatste geldt ook voor de vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens de door [geïntimeerde] na het vonnis gelegde beslagen, alleen al omdat die beslagen gelet op de bij dat vonnis terecht toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] niet onrechtmatig zijn.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat het bestreden vonnis in zijn geheel zal worden bekrachtigd. De vermeerderde eis in reconventie zal als ongegrond worden afgewezen. [appellant] heeft in hoger beroep geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven, zodat zijn bewijsaanbod in de memorie van grieven, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie;

wijst af de eis in reconventie van [appellant] zoals in hoger beroep vermeerderd;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.649,- aan verschotten en € 14.034,- voor salaris advocaat en op € 157,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de zojuist genoemde kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden alsmede, als betaling binnen veertien dagen uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente over de genoemde bedragen vanaf de datum van het verstrijken van de genoemde termijn tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, D. Kingma en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.