Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:851

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
200.266.919/01 en 200.266.919/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Schorsingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.266.919/01 en 200.266.919/02

zaaknummer rechtbank: C/15/285557 / FA RK 19-1190

beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verzoeker in het incident,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.M. Hueting te Rhoon,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D. Klein te IJmuiden.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:

- de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 11 september 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 27 september 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 13 november 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De man heeft op 30 december 2019 een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 oktober 2019 met bijlagen, per fax ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 november 2019 met bijlage, per fax ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de man van 27 januari 2020 met bijlagen, per fax ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 januari 2020 met bijlagen, per fax ingekomen op diezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2.6

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof partijen in gelegenheid gesteld hun jaaropgaaf 2019 in te dienen.

2.7

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 6 februari 2020 met bijlagen, ingekomen op 11 februari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 10 februari 2020 met bijlage, ingekomen op 11 februari 2020.

2.8

Met het journaalbericht van de man is onder andere overgelegd een e-mailbericht van de man aan zijn advocaat over de aankoop en afbetaling van zijn keuken. Het hof zal hier geen acht op slaan nu het hof de behandeling op 5 februari 2020 heeft gesloten en partijen slechts de ruimte heeft gelaten om nadien de jaaropgaaf 2019 in te dienen.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben tot 2018 een relatie met elkaar gehad.

3.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2018.

3.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad op verzoek van de vrouw de maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) ten laste van de man met ingang van 1 september 2018 bepaald op € 228,-.

4.2

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 43,- per maand zal bijdragen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum.

Voorts heeft de man verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen.

4.3

De vrouw verzoekt het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw zich verweerd tegen het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling aan het hof liggen voor het verzoek van de man inzake de kinderalimentatie alsmede zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

In de zaak met zaaknummer 200.266.919/01

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

5.2

De man is van mening dat van hem niet kan worden verwacht dat hij eerder dan vanaf de datum van de beschikking van dit hof, dan wel vanaf de datum van de bestreden beschikking, de kinderalimentatie dient te voldoen, omdat de voormalig advocaat van de man onbehoorlijk functioneerde als gevolg waarvan zij is geschorst. In de tussenliggende periode heeft hij bovendien voldaan aan zijn betalingsverplichting door geld over te maken aan de vrouw en te sparen voor de toekomst van [de minderjarige] .

5.3

De vrouw voert aan dat, indien de door de man te betalen bijdrage wordt gewijzigd, de ingangsdatum opnieuw op 1 september 2018 dient te worden bepaald omdat dat de eerste dag is van de maand volgend op de datum waarop de voormalig advocaat van de man is verzocht om zijn financiële gegevens en de man derhalve redelijkerwijs rekening kon houden met een bijdrage in de kosten van [de minderjarige] .

5.4

Het hof overweegt als volgt.

Gebruikelijk is om aan te haken bij de datum waarop het inleidend processtuk is ingediend omdat vanaf die datum rekening kan worden gehouden met een bepaalde betalingsverplichting. Dat de man in eerste aanleg onbehoorlijk is bijgestaan door zijn voormalig advocaat dient niet voor rekening en risico te komen van de vrouw. Nu de man pas vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift op de hoogte was van de concrete bijdrage die de vrouw van hem verlangde, acht het hof het – mede gelet op het feit dat de man reeds daarvoor bedragen ten behoeve van [de minderjarige] aan de vrouw betaalde – redelijk en ziet het geen aanleiding om af te wijken van dat wat gebruikelijk is, en zal derhalve als ingangsdatum 7 februari 2019 bepalen als zijnde de datum waarop de vrouw haar inleidend processtuk heeft ingediend bij de rechtbank.

Behoefte [de minderjarige]

5.5

Uit de door de man achter productie 10 in hoger beroep overgelegde alimentatieberekening volgt een behoefte van € 83,- per maand. In die berekening brengt de man het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget in aftrek op de behoefte van [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man beaamd dat voornoemde methode achterhaald is door de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011). Zonder aftrek van het kindgebonden budget komt de man in de door hem overgelegde berekening uit op een behoefte van € 180,- per maand.

5.6

De vrouw voert aan dat het in mindering brengen van het kindgebonden budget op de behoefte van [de minderjarige] een onjuiste wijze van berekenen is. Het kindgebonden budget dient ingevolge voornoemde uitspraak van de Hoge Raad bij de draagkracht van de vrouw te worden opgeteld. Rekening houdend met het feit dat partijen niet hebben samengewoond, is de behoefte van [de minderjarige] op basis van het besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van de relatie € 234,- per maand, aldus de vrouw.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Omdat de man en de vrouw het oneens zijn over de hoogte van de behoefte en deze niet eerder is vastgesteld, ziet het hof aanleiding de behoefte te berekenen. Het hof zal de behoefte berekenen aan de hand van de inkomensgegevens van de man en vrouw over 2018 omdat dit het laatste jaar is waarin zij een relatie met elkaar hebben gehad alsook het jaar waarin [de minderjarige] is geboren. Omdat partijen nooit in gezinsverband hebben samengeleefd berekent het hof conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen de behoefte van [de minderjarige] door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van man en de behoefte op basis van het inkomen van de vrouw.

Het hof gaat uit van een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de man van € 2.136,- per maand, gebaseerd op een inkomen van € 33.655,- bruto zoals volgt uit de jaaropgave 2018. Aan de zijde van de vrouw gaat het hof uit van een netto besteedbaar inkomen van € 1.308,- per maand, gebaseerd op de uitkeringsspecificatie Wajong over juli 2018. Zodoende komt het hof op basis van de behoeftetabel 2018 op een behoefte bij de man van € 303,- per maand, en bij de vrouw van € 160,- per maand. Het gemiddelde daarvan - en daarmee de behoefte van [de minderjarige] - bedroeg in 2018 aldus € 230,- per maand. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte € 234,- per maand.

Draagkracht vrouw

5.8

De man voert aan dat in eerste aanleg is uitgegaan van onjuiste, dan wel onvolledige gegevens. Er is uitgegaan van een inkomen aan de zijde van de vrouw uit een Wajong-uitkering op basis van inkomensspecificaties uit 2018. Inmiddels dient te worden uitgegaan van de wettelijke verhoging per 1 januari 2019. Bovendien verdient de vrouw naast haar uitkering inkomen uit arbeid. Zij werkt bij [restaurant] . Met het door haar te genereren inkomen uit arbeid dient rekening te worden gehouden. Ook is bij de berekening geen rekening gehouden met de door de vrouw te ontvangen aanvullingen op haar inkomen van overheidswege uit hoofde van bijvoorbeeld het kindgebonden budget. Concluderend kan de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening niet berusten op een correcte weergave van de werkelijkheid, aldus de man.

5.9

De vrouw betwist dat zij een aanvullend inkomen uit arbeid zou hebben. Zij ontvangt enkel inkomen uit haar Wajong-uitkering. Daarnaast ontvangt zij kindgebonden budget en huur- en zorgtoeslag.

5.10

Het hof overweegt als volgt.

Zoals genoemd onder punt 2.7 is op 11 februari 2020 een journaalbericht van de zijde van de vrouw ingekomen met daarbij haar jaaropgaaf 2019. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw haar netto besteedbaar inkomen over 2019 tot uitgangspunt. De man heeft zijn stelling dat de vrouw inkomsten uit arbeid geniet, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet nader onderbouwd zodat het hof daaraan voorbij gaat. Het hof gaat daarom aan de zijde van de vrouw uit van inkomen uit haar Wajong-uitkering te vermeerderen met het door haar te ontvangen kindgebonden budget.

De vrouw, geboren [in] 1991, heeft de volgende inkomsten:

- een Wajong-uitkering van € 16.248,- blijkens de jaaropgaaf 2019;

- een kindgebonden budget van € 1.166,- per jaar;

- een alleenstaande ouderkop van € 3.139,- per jaar.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2019 vast op € 1.423,- per maand.

5.11

Conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2019, wordt de draagkracht van de vrouw bepaald op € 63,- per maand.

Draagkracht man

5.12

De man geniet al enkele jaren ongeveer hetzelfde inkomen bij dezelfde werkgever, te weten € 2.495,- bruto per maand. Hij heeft verklaard dat hij niet onwelwillend tegenover het betalen van kinderalimentatie staat en om die reden ten behoeve van [de minderjarige] maandelijks een bedrag aan de vrouw betaalt en daarnaast sinds de geboorte van [de minderjarige] geld overmaakt naar verschillende spaarrekeningen met het oog op de toekomst van [de minderjarige] . Daarnaast dient volgens hem rekening te worden gehouden met verschillende schulden die hij heeft. In de door de man overgelegde berekening houdt hij rekening met een schuldenlast, ter zake waarvan hij een bedrag van € 238,- per maand (af)betaalt.

5.13

De vrouw is van mening dat de door de man aan de vrouw betaalde bedragen onvoldoende zijn om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Deze zijn onredelijk laag gezien het inkomen van de man. Voorts vormen de betalingen van de man op spaarrekeningen voor [de minderjarige] geen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en kunnen deze niet als voldoening aan zijn betalingsverplichting worden aangemerkt. Met de door de man opgevoerde schulden dient bovendien geen rekening te worden gehouden, omdat het schulden zijn die niet gedurende de relatie van partijen zijn aangegaan. Bovendien heeft een onderhoudsbijdrage voor een kind voorrang op dergelijke kosten. De schulden van de man dienen dan ook niet in mindering te worden gebracht op de draagkracht van de man, aldus de vrouw.

5.14

Het hof overweegt als volgt.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen over 2019 tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.625,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 950,- aan overige lasten, eventueel te vermeerderen met extra lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

De man, geboren [in] 1980, heeft de volgende inkomsten:

- een belastbaar loon van € 35.489,- blijkens de jaaropgaaf 2019.

Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2019 vast op € 2.273,- per maand.

5.15

Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde last uit hoofde van de lening bij de ING Bank die hij op 26 september 2019 heeft aangevraagd, nu die last ziet op een vermijdbare schuld, in die zin dat de man deze lening heeft aangevraagd nadat hij bekend was met zijn betalingsverplichting jegens de vrouw en hij niet heeft aangevoerd wat de noodzaak was van het aangaan van deze verplichting en waarom deze betalingsverplichting prioriteit verdient boven de te betalen kinderalimentatie. Ook zal het hof geen rekening houden met de door de man opgevoerde lasten uit hoofde van zijn belastingverplichtingen jegens de Belastingdienst en de Gemeente Rotterdam, nu dit lasten zijn die onder de gewone verplichtingen van een huishouden vallen en uit zijn vrije ruimte dienen te worden voldaan.

5.16

Het hof houdt wel rekening met de betalingsverplichting van de man uit hoofde van de lening bij de ING Bank die hij op 10 april 2017 heeft aangevraagd ten bedrage van € 46,- per maand, nu die verplichting ziet op een niet vermijdbare, niet verwijtbare schuld, in die zin dat de man deze schuld is aangegaan voordat hij bekend werd met zijn betalingsverplichting. Bovendien staat het bestaan ervan niet ter discussie. Dit brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met die last zal verhogen.

5.17

Rekening houdend met voornoemde lening en een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 1.678,- per maand, stelt het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2019, vast op € 416,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.18

De behoefte van [de minderjarige] bedraagt € 234,-. De totale draagkracht van de man en de vrouw bedraagt in deze periode € 479,- (€ 416,- + € 63,- ) per maand en is daarmee voldoende om te voorzien in die behoefte. Het hof zal de beschikbare draagkracht van de vrouw en de man dan ook verdelen naar rato van deze behoefte. Dit leidt tot een aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 203,- (€ 416,-/€ 479,- x € 234,-) per maand.

Zorgkorting

5.19

De man is van mening dat redelijkerwijs rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15% omdat tussen de man en [de minderjarige] omgang wordt opgezet en men naar een dergelijke frequentie toewerkt.

5.20

De vrouw is van mening dat ten hoogste rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 5%. De vrouw verwacht geen grote toename in de omgang tussen [de minderjarige] en de man omdat het traject tot het opzetten van de omgang al lange tijd niets heeft opgeleverd.

5.21

Het hof overweegt als volgt.

De kosten van de omgang worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen thans enige tijd bezig zijn met het opzetten van de omgang. Hoe en wanneer de omgang zal worden uitgebreid zoals de man voor ogen heeft is onduidelijk. Derhalve acht het hof het reëel vast te houden aan de door de vrouw voorgestelde zorgkorting van 5%. Zodra de man meer omgang heeft met [de minderjarige] , kunnen partijen een hoger zorgkortingspercentage in mindering brengen.

5.22

Gelet op de behoefte van [de minderjarige] bedraagt de zorgkorting € 12,- per maand. Aangezien partijen gezamenlijk voldoende draagkracht hebben om in de gehele behoefte van [de minderjarige] te voorzien, dient overeenkomstig de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen de volledige zorgkorting in mindering te worden gebracht op het aandeel van de man. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof met vermindering van de zorgkorting van 5% de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal bepalen op € 191,- per maand.

In de zaak met zaaknummer 200.266.919/02

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad

5.23

De man verzoekt tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking omdat hij – kort samengevat – van mening is dat betaling niet van hem kan worden gevergd omdat zijn voormalig advocaat onbehoorlijk functioneerde waardoor geen verweer is gevoerd in eerste aanleg.

5.24

Nu bij deze beschikking einduitspraak in de hoofdzaak wordt gegeven, is daarmee het belang van de man bij een beslissing op het schorsingsverzoek komen te ontbreken. Het schorsingsverzoek zal derhalve worden afgewezen.

5.25

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.266.919/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 11 september 2019, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 februari 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 191,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.266.919/02:

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M.T. Hoogland en mr. J.M van Baardewijk, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 17 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.