Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
200.210.681/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:6631
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2192
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling nalatenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2020/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.210.681/01

zaaknummer rechtbank : C/13/565657/HA ZA 14-531

arrest van de meervoudige familiekamer van 17 maart 2020

inzake

[erfgenaam A] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam,

tegen:

[erfgenaam B] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag.

1 De procedure

Partijen worden hierna wederom [erfgenaam A] en [erfgenaam B] genoemd.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 25 juni 2019. Daarbij heeft het hof [erfgenaam A] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de moeder hem in 2008 een bedrag van € 20.000,- heeft geschonken en in 2012 een bedrag van € 5.000,-, alsmede in 2005 een bedrag van € 2.007,- voor de ketel en een nieuwe tafel. Bij H16-formulier heeft de raadsman van [erfgenaam A] meegedeeld, dat [erfgenaam A] afziet van getuigenverhoor of nadere bewijslevering ter zake van voormelde schenkingen. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het afzien van bewijslevering door [erfgenaam A] heeft tot gevolg dat niet bewezen is dat de moeder aan hem schenkingen heeft gedaan tot een bedrag van € 27.007,-. De conclusie is dan ook dat [erfgenaam A] een bedrag van € 27.007,- onrechtmatig heeft onttrokken aan de nalatenschap. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van 12 september 2017, de datum waarop de memorie van antwoord tevens incidenteel appel is genomen en [erfgenaam B] aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke rente. Voormeld bedrag dient in de verdeling te worden betrokken. Grief IV in principaal appel, inhoudende dat geen sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen door [erfgenaam A] aan het vermogen van de moeder, slaagt derhalve slechts gedeeltelijk, en wel voor zover de door de rechtbank in het bestreden eindvonnis vastgestelde onrechtmatige onttrekkingen door [erfgenaam A] het bedrag van € 27.007,- overstijgen.

2.2.

Een en ander leidt tot het hierna te formuleren - enigszins van de eerste aanleg afwijkende - dictum ter zake van de wijze van verdeling van de nalatenschap van de moeder van partijen. Daarbij wordt allereerst uitgegaan van een bedrag op de rekeningen van de moeder dat in de verdeling dient te worden betrokken van € 82.579,77 (zie rechtsoverweging 3.9 van het tussenarrest). Daar komt bij een door [erfgenaam A] aan het vermogen van erflaatster onrechtmatig onttrokken bedrag van € 27.007,- dat als schuld van [erfgenaam A] aan de nalatenschap dient te worden aangemerkt (zie rechtsoverweging 2.1 hiervoor), alsmede een door [erfgenaam B] aan het vermogen van erflaatster onrechtmatig onttrokken bedrag van € 39.290,26 dat als schuld van [erfgenaam B] aan de nalatenschap dienen te worden aangemerkt (zie rechtsoverweging 3.15 van het tussenarrest). Bij deze berekening heeft het hof eenvoudigheidshalve nog geen rekening gehouden met de door partijen verschuldigde vervallen bedragen aan wettelijke rente over de door hen aan de nalatenschap verschuldigde bedragen, nu deze op dit moment nog niet te berekenen is. Het hof gaat ervan uit dat partijen, zo zij daarop aanspraak wensen te maken, onderstaande berekening zullen aanpassen.

2.3

De te verdelen omvang van de nalatenschap bedraagt derhalve € 148.877,03. Hierop strekken in mindering de door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2.26 vastgestelde passiva van in totaal (€ 7.166,37 en € 6.596,77 =) € 13.763,14, zodat resteert € 135.113.89, zodat ieder van partijen in beginsel recht heeft op afgerond € 67.556,94.

[erfgenaam B] heeft - zoals gezegd - daaraan reeds een bedrag van € 39.290,26 onttrokken. Daarnaast heeft hij twee voorschotten ontvangen van in totaal € 28.000,- (zie rechtsoverweging 3.22 van het tussenarrest). Hem komt derhalve een uitkering uit de nalatenschap van de moeder toe van € 67.556,94 minus € 67.290,26 = € 266,68.

[erfgenaam A] heeft – zoals hiervoor uiteen gezet - reeds een bedrag van € 27.007,- onttrokken. Hem komt derhalve nog een uitkering uit de nalatenschap van de moeder toe van € 40.549,94.

In dit kader zal het hof [erfgenaam B] - overeenkomstig het door [erfgenaam A] in principaal hoger beroep onder IX gevorderde - veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het effectueren van de verdeling, waaronder het opheffen van beslagen, betalingen doen van bankrekeningen en opheffing daarvan. Het hof gaat ervan uit dat [erfgenaam B] hieraan zijn medewerking zal verlenen en zal het verzoek van [erfgenaam A] om aan voormelde veroordeling een dwangsom te verbinden, afwijzen. Indien [erfgenaam B] weigerachtig blijft zijn medewerking te verlenen, zal [erfgenaam A] zich zo nodig tot de voorzieningenrechter kunnen wenden.

2.4

Daarnaast zal het hof [erfgenaam B] - overeenkomstig rechtsoverweging 3.12 van het tussenarrest - voor recht verklaren dat [erfgenaam B] een bedrag van € 74.874,- heeft verbeurd aan [erfgenaam A] met de wettelijke rente hierover. [erfgenaam B] is de wettelijke rente hierover verschuldigd met ingang van 6 juni 2017, zijnde de datum waarop de memorie van grieven is genomen en [erfgenaam A] aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke rente over dit bedrag. [erfgenaam B] zal voormeld bedrag met wettelijke rente dienen te voldoen aan [erfgenaam A] .

2.5

Anders dan in het bestreden eindvonnis vermeld, zal de witgouden broche, genoemd in rechtsoverweging 2.22 van dat vonnis, aan [erfgenaam A] worden toegedeeld. Een nadere berekening van de overbedeling ter zake van kunst, antiek en sieraden komt - gelet op rechtsoverweging 3.20 van het tussenarrest - neer op een bedrag van € 7.810,-, dat [erfgenaam A] aan [erfgenaam B] dient te vergoeden.

2.6.

Wat betreft de proceskosten ten slotte is het hof van oordeel dat ook in hoger beroep aanleiding bestaat de proceskosten te compenseren op de wijze als in het dictum vermeld. In familierechtelijke procedures is dit gebruikelijk. Het hof acht in deze zaak niet zodanig bijzondere omstandigheden aan de orde, dat daarvan zou moeten worden afgeweken.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 21 september 2016, doch uitsluitend voor zover:

  • -

    in rechtsoverweging 2.21 de witgouden broche aan [erfgenaam B] wordt toegedeeld;

  • -

    in rechtsoverweging 2.22 de overbedeling van [erfgenaam A] wordt vastgesteld op € 6.960,-, te voldoen aan [erfgenaam B] ;

  • -

    in rechtsoverweging 2.25 de vordering van de nalatenschap op [erfgenaam B] wordt vastgesteld op € 19.730,- en de vordering van de nalatenschap op [erfgenaam A] wordt vastgesteld op een bedrag van € 92.424,35 en dat ieder gerechtigd is tot de helft van het totaal van deze vorderingen;

  • -

    in rechtsoverweging 2.28 is overwogen dat de omvang van de nalatenschap niet kan worden vastgesteld;

een en ander met dienovereenkomstige vernietiging van rechtsoverwegingen 3.1, 3,2 en 3.3 van het dictum van voormeld vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat het saldo van de liquide middelen van de nalatenschap € 82.579,77 bedraagt;

verklaart voor recht dat [erfgenaam A] aan het vermogen van de moeder een bedrag van € 27.007,- onrechtmatig heeft onttrokken en dat [erfgenaam A] dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2017 tot de dag der algehele voldoening, aan de nalatenschap verschuldigd is;

verklaart voor recht dat [erfgenaam B] aan het vermogen van de moeder een bedrag van € 39.290,26 onrechtmatig heeft onttrokken en dat [erfgenaam B] dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2017 tot de dag der algehele voldoening, aan de nalatenschap verschuldigd is;

bepaalt dat [erfgenaam B] recht heeft op een uitkering uit de nalatenschap van de moeder van € 266,68, daarbij (onder andere) rekening houdend met een reeds aan hem betaald voorschot van € 28.000,-;

bepaalt dat [erfgenaam A] recht heeft op een uitkering uit de nalatenschap van de moeder van € 40.549,94;

veroordeelt [erfgenaam B] tot het verlenen van medewerking aan het effectueren van de verdeling, waaronder het opheffen van beslagen, betalingen doen van bankrekeningen en opheffing daarvan;

verklaart voor recht dat [erfgenaam B] aan [erfgenaam A] heeft verbeurd een bedrag van € 74.874,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 2017.

deelt de witgouden broche, genoemd in rechtsoverweging 2.22 van het bestreden eindvonnis aan [erfgenaam A] toe.

veroordeelt [erfgenaam A] tot betaling aan [erfgenaam B] van een bedrag van € 7.810,- wegens overbedeling ter zake van kunst, antiek en sieraden.

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige voor zover aan hoger beroep onderworpen;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Jonkers, A.R. Sturhoofd en C.M.J. Peters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.