Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:840

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.272.624/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.272.624/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/673513 / JE RK 19/944 en C/13/673942 / JE RK 19/978

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 (bij vervroeging) inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam,

en

1 de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

2 [de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.G. Kempenaars.

Als belanghebbenden zijn mede aangemerkt:

- de minderjarige [A] (hierna: [kind A] );

- de minderjarige [B] (hierna: [kind B] );

- de minderjarige [C] (hierna: [kind C] );

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 22 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 20 januari 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 22 oktober 2019.

2.2

De moeder heeft op 5 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de vader van 20 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 21 januari 2020;

- een brief van de raad van 29 januari 2020, ingekomen op 30 januari 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader (hierna ook: de ouders) zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [kind B] , [in] 2011 te [geboorteplaats] ;

- [kind C] , [in] 2013 te [geboorteplaats] (hierna ook: de kinderen).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 10 oktober 2019 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 10 januari 2020. Daarnaast is afgewezen het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van de kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de voorlopige ondertoezichtstelling, zoals uitgesproken bij voormelde beschikking van 10 oktober 2019, gehandhaafd en zijn de kinderen met ingang van 22 oktober 2019 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 22 oktober 2020.

4.2

De vader verzoekt de bestreden beschikking, waarbij de ondertoezichtstelling werd uitgesproken tot 22 oktober 2020, te vernietigen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De vader betoogt dat de kinderen ten onrechte onder toezicht zijn gesteld, waartoe hij onder andere het volgende aanvoert. Hoewel het anders in de bestreden beschikking staat vermeld, was hij het ook in eerste aanleg niet eens met de ondertoezichtstelling. De vader ontkent dat aanhoudend sprake is geweest van huiselijk geweld, dat hij de kinderen naar Afghanistan of Amerika zou willen meenemen en dat de moeder onvoldoende weerbaar is. Ook zijn de kinderen niet bang voor hem en willen ze juist omgang met hun vader. Zowel de vader als de moeder zijn altijd bereid geweest om vrijwillige hulpverlening en onderzoek naar (een eventuele behandeling van) de kinderen te aanvaarden. Er zijn dus geen gronden voor een ondertoezichtstelling. Tot slot is de ondertoezichtstelling alleen maar schadelijk geweest, omdat de kinderen drie maanden niet naar school zijn gegaan, niet meer in hun vertrouwde omgeving wonen en er nog steeds geen omgang tussen de vader en de kinderen is.

5.3

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd. De raad is – kort gezegd – van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De kinderen zijn kwetsbaar en hebben veel meegemaakt. Daarom is het nodig dat een derde partij meekijkt naar wat de kinderen nodig hebben. Dit maakt ook dat het tijdens de omgangsmomenten belangrijk is dat voor de begeleider kenbaar is waarover het tussen de vader en de kinderen gaat. Daarnaast zal dit voor alle partijen helpen om vertrouwen in elkaar te krijgen. Het is belangrijk dat de kinderen ook contact met hun vader hebben en het is aan de ouders om invulling te geven aan de ouderlijke verantwoordelijkheid die zij hebben. Nu de veiligheid gebiedt dat tijdens de bezoeken Nederlands wordt gesproken, is het van belang dat de vader daaraan meewerkt en gaat samenwerken met de GI.

5.4

De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen terecht onder toezicht zijn gesteld, ondanks haar zorgen over de uitvoering ervan tot nu toe. Volgens de moeder is genoegzaam gebleken van aanhoudend huiselijk geweld en het negatieve effect hiervan op de kinderen, waarbij de ouders niet met elkaar kunnen communiceren en de gedwongen hulpverlening nog moeizaam verloopt. De man handelt niet in het belang van de kinderen door zelf in de echtelijke woning te blijven. Daarnaast houdt hij zich niet aan de veiligheidsafspraken. Hij laat zich negatief uit over anderen, bespreekt volwassen zaken met de kinderen, doet beloftes die hij niet nakomt en weigert Nederlands met de kinderen te spreken. Als gevolg hiervan vindt momenteel enkel telefonisch contact tussen de kinderen en de man plaats, waarbij de moeder het toezicht moet houden. De kinderen zijn erg in de war, willen weten waar ze aan toe zijn en missen hun vader. Tot slot is de moeder voornemens een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen bij de rechtbank, alsmede een voorlopige voorzieningenprocedure te starten in het kader waarvan zij om het voorlopig gebruik van de echtelijke woning zal verzoeken.

5.5

De GI heeft ter zitting in hoger beroep onder andere het volgende uiteen gezet. Bij [kind A] was eerst sprake van veel verzet, maar hij is nu rustiger geworden. [kind B] heeft veel vragen over waarom ze niet terug kan naar huis, haar oude school en vriendinnetjes. [kind C] is rustiger en laat het meer over zich heen komen. Naar aanleiding van de ingezette spoedhulp van Altra worden drie vervolgtrajecten geadviseerd: intensieve ambulante begeleiding, EMDR therapie voor de kinderen en Signs of Safety (waaronder Words and Pictures). De kinderen verblijven nu samen met de moeder op een opvangplek en gaan sinds begin januari weer naar (een andere) school. Wanneer zij op een veilige manier kunnen terugkeren naar de echtelijke woning, wat tot nu toe niet mogelijk is gebleken vanwege de wisselende houding van de vader, kunnen zij ook altijd weer bij hun oude school terecht. De omgang tussen de vader en de kinderen kan snel worden opgestart, maar het is belangrijk om in de gaten te houden dat geen volwassen zaken met de kinderen worden besproken. Daarom is de voorwaarde gesteld dat de vader tijdens de omgang met de kinderen Nederlands spreekt en rustig blijft, aldus de GI.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat al jarenlang hulpverlening bij het gezin is betrokken, waaronder de GI sinds oktober 2016, in verband met aanhoudende meldingen van verbaal en fysiek huiselijk geweld in het bijzijn van de kinderen. Uit een screening van Mentrum komt naar voren dat bij de vader vermoedens zijn van paranoïde problemen, wanen, alcohol- en cannabismisbruik. Nadat de vader na afloop van (opnieuw) een tijdelijk huisverbod heeft gezegd terug naar huis te keren en de kinderen mee naar het buitenland te nemen, heeft de raad met spoed een onderzoek ingesteld. Hieruit is gebleken dat de kinderen een angstige indruk maken, getraumatiseerd lijken te zijn en worden belast met de voortdurende spanningen en escalaties tussen de ouders. Sinds 10 oktober 2019 staan de kinderen onder toezicht van de GI. Gebleken is dat de moeder vervolgens met de kinderen naar een opvangplek is gegaan en stappen heeft gezet om de echtscheiding in gang te zetten. Er hebben twee bezoeken tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden, waarna de omgang is stopgezet omdat de vader zich niet aan de veiligheidsafspraken hield. Sindsdien is er enkel telefonisch contact.

5.7

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat (nog steeds) sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Vanwege langdurig verbaal en fysiek huiselijk geweld tussen de ouders zijn de kinderen opgegroeid in een onveilige thuissituatie. Er bestaan grote zorgen over de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling van de kinderen, nu en op de langere termijn. Ondanks de jarenlange betrokkenheid van de hulpverlening blijven de zorgen bestaan. Voorts is het hof van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is, nu gebleken is dat voornamelijk de vader de zorg die in verband met het wegnemen van de voormelde ontwikkelingsbedreigingen noodzakelijk is, onvoldoende accepteert. De kinderen hebben veel meegemaakt en het is belangrijk dat dit nader wordt onderzocht en dat behandeling wordt opgestart. Zij missen daarnaast hun vader, vriendjes en oude school. Het hof ziet dan ook, net als de GI, de moeder en de raad, de noodzaak en het belang van omgang tussen de man en de kinderen. Om te zorgen dat de omgang op een voor de kinderen veilige manier kan verlopen en zij niet worden belast met volwassenenproblematiek, heeft de GI voorwaarden gesteld. Met de GI acht het hof het belangrijk dat de man deze voorwaarden, waaronder het spreken van de Nederlandse taal tijdens de omgang, naleeft. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man goed Nederlands spreekt. Bovendien is door de GI meegedeeld dat de omgang op zeer korte termijn kan worden gecontinueerd als de man bereid is zich aan de voorwaarden te houden. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam gebleken dat de man hiertoe niet bereid zal zijn in een uitsluitend vrijwillig kader. Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Hoogland, A.R. Sturhoofd en J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.