Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:834

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.267.450/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verlenging OTS alsnog afgewezen. Kinderen wijzen al geruime tijd iedere vorm van contact met hun moeder categorisch af. Het risico dat de kinderen daarvan later een of meer ontwikkelingsproblemen zullen ondervinden, brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat in dit stadium kan worden gesproken van een ernstige en concrete bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. In aanmerking genomen dat het thans goed gaat met de kinderen en zij zich goed ontwikkelen, is niet voldaan aan de hoge eisen die aan oplegging van een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.267.450/01

zaaknummer rechtbank: C/13/669380 / JE RK 19-640

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.S. Bodha te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt de minderjarigen:

- [A] (hierna te noemen: [kind A] );

- [B] (hierna te noemen: [kind B] ).

Voorts is als belanghebbende aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T.A. Bruins te Overveen.

Als informant is aangemerkt:

- Altra, gevestigd te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 11 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 30 augustus 2019.

2.2

De moeder heeft op 22 november 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen:

- een brief van de zijde van de GI van 16 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 21 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [kind A] gesproken.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 31 januari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door een collega van de gezinsmanager;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader (hierna te noemen: de ouders) zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [kind A] , [in] 2006;

- [kind B] , [in] 2009 (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader.

3.2

Bij beschikking van 4 september 2018 zijn de kinderen op verzoek van de moeder onder toezicht gesteld van de GI tot 4 september 2019.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van de kinderen op dienovereenkomstig verzoek van de GI verlengd tot 4 september 2020.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.

4.3

De moeder verzoekt het in hoger beroep door de vader verzochte af te wijzen en, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 260, eerste lid, in verband met artikel 255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De vader stelt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet aanwezig zijn en dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling derhalve ten onrechte heeft verlengd.

Hij voert aan dat [kind A] en [kind B] het weliswaar moeilijk hebben gehad met de scheiding van hun ouders, maar dat zij hun leven inmiddels weer hebben opgepakt. Ze doen het beiden goed op school. Sport speelt een belangrijke rol in hun leven en ook op dat gebied presteren zij goed. Door de school, de huisarts en andere onafhankelijke bronnen zijn geen kindsignalen gemeld. Ook de vader zou liever willen dat er contact tussen de jongens en hun moeder is, maar daarvoor is op dit moment geen ruimte. De kinderen hebben rust nodig. Ook Altra heeft dat geconcludeerd na een intensieve maandenlange begeleiding van zowel de ouders als de kinderen, waarbij ruim vijftien gesprekken zijn gevoerd. Altra heeft onder meer de ouders geadviseerd zich samen aan te melden voor systeemtherapie en de kinderen de ruimte en de rust te geven om te herstellen waarna zij middels therapie of door aan te sluiten bij de systeemtherapie van hun ouders weer contact kunnen opbouwen met hun moeder. De vader is bang dat wanneer de kinderen in het kader van een ondertoezichtstelling gedwongen worden om mee te werken aan een traumabehandeling, dan wel gedwongen worden om contact met hun moeder te hebben zoals Arkin heeft aangegeven, dit een averechtse uitwerking op hen zal hebben.

De vader wijst er bovendien op dat hoewel de kinderen al per 4 september 2018 onder toezicht zijn gesteld, het nog vele maanden heeft geduurd voordat er een gezinsmanager werd aangesteld. Het enkele feit dat de GI gedurende de eerste ondertoezichtstellingsperiode niets heeft gedaan pleit al tegen een verlenging. Ook na de bestreden beschikking van 30 augustus 2019 is er nog steeds geen actie door de GI ondernomen. Blijkbaar is de GI er zelf ook niet van overtuigd dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen.

Het feit dat de traumaverwerking voor de kinderen niet van de grond is gekomen, de kinderen nog steeds elke vorm van contact met hun moeder afwijzen en dat dit in de toekomst wellicht schadelijk kan zijn voor hun ontwikkeling, vormt onvoldoende grond voor een ondertoezichtstelling, aldus de vader.

5.3

De moeder voert aan dat de vader de kinderen veelvuldig heeft betrokken bij de breuk tussen de ouders, waardoor de kinderen totaal overstuur zijn geraakt. Zo werd de vader woedend toen hij hoorde dat de moeder niet meer met hem verder wilde. Hij heeft de kinderen vervolgens verteld dat de moeder niet meer met hen verder wilde, omdat zij een vriend heeft in [plaats] . Toen de moeder de persoon die zij in [plaats] had ontmoet op Schiphol ging ophalen op 23 juni 2018, stond de vader met [kind A] ineens voor haar neus. Dit incident heeft veel indruk gemaakt op [kind A] . Vanaf dat moment is er niet of nauwelijks meer contact geweest tussen de moeder en de kinderen. De vader heeft de kinderen meegezogen in zijn verdriet over de beëindiging van de relatie en dat is schadelijk voor de kinderen. Hij is niet bereid tot enige toenadering en reageert niet op handreikingen van de moeder. De rechtbank heeft terecht overwogen dat gebleken is dat de strijd tussen de ouders dermate is verhard dat de kinderen niet de ruimte voelen om hun emoties te laten zien en zich open te stellen voor hulpverlening en dat traumaverwerking niet van de grond komt.

De rechtbank, de Raad en de GI constateren dat sprake is van oudervervreemding c.q. ouderverstoting. Volgens de moeder is begeleiding en sturing vanuit een ondertoezichtstelling noodzakelijk, omdat de voor de kinderen noodzakelijke hulp zonder een ondertoezichtstelling niet wordt gegeven.

5.4

De GI voert aan dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog altijd aanwezig zijn. De situatie betreffende [kind A] en [kind B] is nog altijd onveranderd en zij hebben nog steeds geen contact met hun moeder. Zij hebben recent, op 15 januari 2020, in een gesprek met de gezinsmanager aangegeven hun moeder niet te willen zien. Voor de kinderen betekent het dat zij nog altijd worden bedreigd in hun ontwikkeling vanwege de ouderverstoting die op latere leeftijd ervoor kan zorgen dat ze onder andere problemen hebben met zelfvertrouwen, zelfbeeld en relaties alsmede algemene problemen met sociaal- emotionele- en identiteitsontwikkeling en ontwikkeling van psychische problemen en persoonlijkheidsstoornissen. Anders dan de vader, is de GI van mening dat [kind A] en [kind B] wel degelijk zorgelijk gedrag laten zien ten aanzien van het contact en de relatie met en de afwijzing van de moeder. Zorgelijk is de blijvende boosheid van [kind A] en [kind B] richting hun moeder. Bespreking van contactherstel met [kind A] levert ook een heftige fysieke reactie bij hem op. De GI heeft de indruk dat [kind A] en [kind B] niet de emotionele toestemming van de vader ervaren om met de moeder om te gaan. Het is anders niet te verklaren dat de kinderen hun moeder afwijzen en verstoten, terwijl zij zolang voor hen gezorgd heeft en een band met hen opgebouwd moet hebben.

Het gezin is aangemeld bij het centrum voor relationele therapie van Arkin. De GI betreurt dat zij lang op de wachtlijst van Jeugdbescherming hebben gestaan en nu ook weer bij Arkin, maar ziet de aanpak van Arkin met betrekking tot contactherstel en de systeemtherapie als de best passende hulpvorm voor dit gezin. Het intakegesprek staat op 3 februari 2020 gepland. De GI acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk omdat contactherstel tussen de moeder en de kinderen mogelijkerwijs geforceerd moet worden waarbij een juridisch kader noodzakelijk zal zijn. De GI heeft er geen vertrouwen in dat de ouders het traject bij Arkin ook zonder een ondertoezichtstelling zullen oppakken.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel, waarvan de toepassing een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind betekent. Volgens vaste jurisprudentie is niet uitgesloten dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen oplevert voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar verwachting zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de oplegging van de maatregel hoge eisen worden gesteld.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende. De ouders zijn medio 2018 uit elkaar gegaan. Er is sindsdien sprake van heftige echtscheidingsproblematiek tussen hen. [kind A] en [kind B] waren daar erg verdrietig over. Zij willen al geruime tijd op geen enkele wijze contact hebben met hun moeder, die voorheen altijd voor hen heeft gezorgd. Zij zijn boos op haar en voelen zich door haar afgewezen en in de steek gelaten. Duidelijk is dat de vader de oorzaak van de echtscheiding bij de moeder legt.

De ondertoezichtstelling van de kinderen dateert van 4 september 2018. In afwachting van de aanstelling van een gezinsmanager, zijn de ouders door de Gemeente [woonplaats] verwezen naar Altra voor het traject Ouderschap Blijft en voor traumaverwerking voor de kinderen. Eerst is door Altra geïnvesteerd in het vertrouwen van [kind A] en [kind B] . Hoewel dat deels is gelukt, hebben de kinderen geen traumaverwerkingstraject kunnen starten, omdat de strijd tussen de ouders is verhard; het lukt de ouders niet uit de strijd en de verwijten te blijven en elkaar te vertrouwen in het ouderschap. Hoewel ouders het beiden eens zijn dat de kinderen contact moeten hebben met beide ouders, lukt het hen niet de voorwaarden te creëren voor de kinderen om dit mogelijk te maken, aldus Altra in haar (eind)verslag van juni 2019. Altra adviseert de ouders om:

- de zakelijke geschillen met betrekking tot de scheiding zo snel mogelijk af te handelen en geen nieuwe juridische procedures te starten;

- beiden psychologische en/of emotionele ondersteuning te vragen bij een instantie;

- zich samen aan te melden voor systeemtherapie om zo samen het verleden een plek te kunnen geven;

- [kind A] en [kind B] de ruimte en rust te geven om te herstellen waarna zij middels therapie of door aan te sluiten bij de systeemtherapie van ouders weer contact kunnen opbouwen met de moeder.

Na de ondertoezichtstelling van de kinderen begin september 2018, is pas begin juli 2019 een gezinsmanager aangesteld, die vervolgens weer is vervangen door een andere gezinsmanager. Deze laatste heeft op 15 januari 2020 met [kind A] en [kind B] gesproken, waarbij zij haar te kennen hebben gegeven geen contact te willen hebben met hun moeder. [kind A] heeft dit ook tijdens het kindgesprek aan de voorzitter van het hof kenbaar gemaakt.

Het gaat met de kinderen goed op school volgens het op 25 november 2019 bijgewerkte gezinsplan van de GI en de informatie ter zitting in hoger beroep. Blijkens de informatie van de school over het vorig schooljaar is [kind B] betrokken bij de les en heeft hij een goede werkhouding. Hij heeft vrienden in de klas, is een zeer goede voetballer (onlangs toegelaten tot de jeugdopleiding van Ajax) en kan goed samenwerken met zijn klasgenoten. Zijn schoolresultaten zijn goed. Net na de scheiding van de ouders heeft hij lagere cito-scores gehaald, maar vervolgens is hij weer naar hoge resultaten gegroeid. [kind A] heeft medio vorig jaar de brugklas van het tweetalig VWO met een goed rapport afgerond. Ook hij heeft vrienden en hij basketbalt op hoog niveau. School merkt in zijn gedrag weinig van de lastige thuissituatie.

5.6

Het feit dat [kind A] en [kind B] al geruime tijd iedere vorm van contact met hun moeder categorisch afwijzen, acht het hof zonder meer zorgelijk. Dat geldt zeker nu de moeder hen voorheen altijd heeft verzorgd en opgevoed. Het risico dat de kinderen daarvan later een of meer ontwikkelingsproblemen zullen ondervinden zoals de GI aanvoert (zie 5.4), brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat in dit stadium kan worden gesproken van een ernstige en concrete bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Uitgaande van de volgens vaste jurisprudentie geldende maatstaf (zie 5.5 eerste alinea), is de omstandigheid dat zich dergelijke problemen op latere leeftijd bij de kinderen mogelijk kunnen voordoen, daarvoor niet voldoende. Dat is evenmin het geval als de omstandigheden van het onderhavige geval, in het bijzonder de echtscheidingsproblematiek van de ouders, het verdriet daarover van de kinderen en hun gevoelens jegens hun moeder, in aanmerking worden genomen. De stelling van de GI dat sprake is van ouderverstoting c.q. oudervervreemding wordt niet door een officiële diagnose onderbouwd, zodat niet vaststaat of hiervan daadwerkelijk sprake is.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het thans goed gaat met de kinderen en zij zich goed ontwikkelen, is niet voldaan aan de hoge eisen die aan oplegging van een ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling worden gesteld. Ten tijde van het opleggen van deze maatregel in september 2018 was dat wellicht anders, toen het vooruitzicht van omgang met de moeder zelfs hevige fysieke reacties bij de kinderen, in elk geval [kind A] , veroorzaakte. Die situatie was ten tijde van de bestreden (verlengings) beschikking niet meer aan de orde zoals uit de stukken blijkt en de voorzitter van het hof tijdens het kindgesprek zelf heeft kunnen constateren. Gebleken is dat de kinderen een zeer turbulente tijd hebben beleefd na de scheiding medio 2018, maar dat zij zich nu in rustiger vaarwater bevinden en zijn gekalmeerd. Op school gaat het goed met hen, zowel cognitief als sociaal, en ook in de sport zijn ze (zeer) succesvol. Over de verzorgings- en opvoedingssituatie bij de vader bestaan op zichzelf geen zorgen en ook overigens zijn geen kindsignalen die oplegging van de maatregel in dit stadium rechtvaardigen, naar voren gekomen. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling niet aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking en dat ook thans niet zijn. Dit betekent dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal afwijzen.

5.7

Dat laat onverlet de verantwoordelijkheid van beide ouders om te bewerkstelligen dat hun ernstig verstoorde onderlinge verhouding wordt genormaliseerd, teneinde zo de voorwaarden te creëren voor onbelast contact tussen de kinderen en ieder van beide ouders, en in het bijzonder contactherstel met de moeder. De sleutel daarvoor ligt in de eerste en belangrijkste plaats bij de ouders. Van groot belang is dat de ouders het advies van Altra zullen opvolgen en zich (onder meer) volledig zullen inzetten voor het traject bij Arkin, dan wel een andere hulpverleningsinstantie. Beide ouders hebben ter zitting toegezegd aan dit traject hun medewerking te zullen verlenen, ook als de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst af het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind A] en [kind B] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A. van Haeringen en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.