Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:833

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.267.129/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:9453
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing: bekrachtiging bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.267.129/01

zaaknummer rechtbank: C/15/292113/ JU RK 19-1512

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake

1.) [de moeder]

verder te noemen: de moeder

en

2.) [de vader] ,

verder te noemen: de vader,

beide wonende te [woonplaats] ,

verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M. van der Weide te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de hierna te noemen minderjarige [A] (hierna: [kind A] ),

- de hierna te noemen minderjarige [B] (hierna: [kind B] ),

- de hierna te noemen minderjarige [C] (hierna: [kind C] ),

- de hierna te noemen minderjarige [D] (hierna: [kind D] ).

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) van 13 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De ouders zijn op 4 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

13 augustus 2019.

2.2

De GI heeft op 22 november 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een mailbericht van [de pleegmoeder] , zijnde de pleegmoeder van [kind C] en [kind D] van

11 december 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de ouders van 8 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 9 januari 2020;

- een brief van de zijde van de pleegouders van 9 januari 2020, ingekomen op 10 januari 2020;

- een faxbericht van de zijde van de ouders van 13 januari 2020;

- een faxbericht van de zijde van de ouders van 14 januari 2020;

- een faxbericht van de zijde van de ouders van 14 januari 2020 met bijlage.

2.4

De voorzitter heeft op 14 januari 2020 met [kind B] en [kind A] gesproken. Tevens heeft de voorzitter op diezelfde datum telefonisch met [kind D] en [kind C] gesproken. Van de inhoud van deze gesprekken is op de mondelinge behandeling zakelijk verslag gedaan.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop.

De pleegouders van [kind C] en [kind D] zijn, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

2.6

Naar aanleiding van het telefonische kindgesprek met [kind C] heeft de voorzitter op

26 februari 2020 nader met haar in persoon gesproken in het gerechtsgebouw te Breda. Van dat gesprek is een zakelijk verslag opgemaakt dat aan de ouders en de GI is verzonden. Zij zijn in de gelegenheid gesteld binnen een week daarop te reageren.

2.7

Van de zijde van de ouders is bij journaalbericht van 5 maart 2020 een reactie op bovengenoemd verslag ingekomen.

Het hof heeft van de zijde van de GI geen reactie op het verslag ontvangen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn – voor zover hier van belang – geboren:

- [kind A] , [in] 2002 te [geboorteplaats] ;

- [kind B] , [in] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [kind C] , [in] 2007 te [geboorteplaats] en

- [kind D] , [in] 2010 te [geboorteplaats]

(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Zij hebben ook nog twee meerderjarige kinderen, te weten [de meerderjarige E] en [de meerderjarige F] .

3.2

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 augustus 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 4 maart 2017. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot

4 maart 2020.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind A] in een kamertrainingscentrum, [kind B] in een gezinshuis en [kind C] en [kind D] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13 augustus 2019 tot uiterlijk 4 maart 2020.

4.2

De ouders verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de ouders in het door hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Door de omstandigheid dat nog een nader kindgesprek met [kind C] moest plaatsvinden is de termijn waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen was verleend inmiddels verstreken. Volgens vaste rechtspraak betekent dit echter niet dat de ouders geen belang meer hebben bij een beoordeling van hun hoger beroep. Aan het hof ligt daarom ter beoordeling voor of de gronden voor het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of die gronden gedurende de looptijd van de machtiging aanwezig zijn gebleven.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.3

De ouders stellen zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft verleend. Daartoe voeren zij onder meer het navolgende aan. Het beeld dat de moeder door de zorg voor haar meerderjarige, ernstig zieke dochter [de meerderjarige E] afwezig is geweest voor de andere kinderen en de vader daarnaast niet volledig beschikbaar was, is niet juist. De vader was en is ondanks zijn medische toestand volledig beschikbaar voor de kinderen en de moeder was slechts verminderd beschikbaar. Daarnaast hebben de ouders meegewerkt aan de ingezette hulpverlening en is veel hulpverlening niet van de grond gekomen door personeelstekort en wisseling van gezinsvoogden. Het gezin heeft bovendien geen specialistische hulp ontvangen. De ouders erkennen dat er sprake is van kindeigen problematiek, maar stellen dat de uithuisplaatsing enkel averechts werkt. Het gaan om een hecht gezin en de uithuisplaatsing is voor iedereen traumatisch geweest. Het laten voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing is schadelijk voor de kinderen en niet in hun belang. De ouders kunnen de kinderen wel degelijk de structuur, rust en regelmaat bieden die zij nodig hebben. De zorgen die er zijn, kunnen worden ondervangen. De ouders zijn bereid om in samenspraak met de GI voorwaarden op te stellen waar zij aan moeten voldoen voor terugplaatsing en daaraan mee te werken. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing al noodzakelijk was ten tijde van de bestreden beschikking, is die noodzaak daarna weggevallen aangezien [de meerderjarige E] klaar is met haar medische behandeling.

Subsidiair wordt verzocht om de kinderen zoveel mogelijk in het netwerk van het gezin te plaatsen. De ouders doen in dat kader een beroep op artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het opgroeien van de kinderen in het brede verband van de ‘extended family’ maakt een minder zware inbreuk op de bescherming van hun gezinsleven dan het geval is bij plaatsing in een neutraal pleeggezin. [kind B] zou bij zijn opa en oma in [plaats 1] kunnen verblijven in plaats van in het gezinshuis waar hij nu verblijft en [kind A] zou bij zijn oom in [plaats 2] kunnen verblijven.

5.4

De GI stelt zich op het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op goede gronden is verleend. Daartoe is onder meer het navolgende aangevoerd.

Er waren al jaren grote zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en er is veel en intensieve hulpverlening ingezet in de thuissituatie, welke helaas niet tot verbetering heeft geleid. Door de ziekte van [de meerderjarige E] - die maakte dat moeder meer afwezig was in de thuissituatie - spraken ouders elkaar steeds vaker tegen en kwamen er steeds meer zorgen aan het licht. Naast de problematiek van ieder kind afzonderlijk, laten de kinderen ook signalen van parentificatie zien. De ouders zijn niet in staat om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen te doen afnemen. De leerbaarheid is beperkt gebleken en intensieve inzet van vele zorginstanties heeft er niet aan bij kunnen dragen om het veiligheidscijfer voldoende te maken. De hulpverlening heeft een plafond bereikt. Het klopt dat er een wisseling is geweest van gezinsvoogd, maar dit was om te bezien of de samenwerking tussen de ouders en de GI verbeterd kon worden. De ouders willen het beste voor hun kinderen en hebben zichtbaar veel liefde voor hen, maar het lukt hen niet om nauw bij de kinderen aan te sluiten hetgeen ervoor zorgt dat de kinderen niet toekomen aan een groei in hun ontwikkeling. De kinderen ontwikkelen zich momenteel goed op de plekken waar ze nu verblijven. Gezien wordt dat de kinderen in contact met ouders weer terugvallen in oud gedrag.

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de raad maken alle vier de kinderen sinds de uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling door, terwijl de gezinsdynamiek onveranderd is gebleven. De raad acht het in het belang van de kinderen dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is het volgende gebleken. Er is al jaren sprake van onrust en spanningen in de thuissituatie van de kinderen vanwege problemen van en tussen de ouders. Voor alle kinderen geldt dat er sprake is van een zorgelijke schoolontwikkeling. Er is veel schoolverzuim. Daarnaast laten alle kinderen individuele zorgen zien in hun ontwikkeling.

[kind A] laat opstandig en zelfbepalend gedrag zien en loopt weg als hij hiermee geconfronteerd wordt. De ouders lijken hem de hand boven het hoofd te houden maar hebben ook geen zicht op waar hij is. Dit is zorgelijk omdat hij beïnvloedbaar is en in het verleden in aanraking is geweest met justitie. [kind A] heeft een chronische nieraandoening waarvoor hij onder medische controle staat.

[kind B] is door het schoolverzuim in ernstige mate achteruit gegaan in zijn ontwikkeling, terwijl hij functioneert op normaal begaafd niveau. Hij is ongemotiveerd en krijgt onvoldoende structuur en positieve aandacht. Er is geen zicht op zijn vrijetijdsbesteding. [kind B] heeft een verkleinde blaas waardoor hij regelmatig in bed plast.

[kind C] heeft een verstandelijke beperking. Zij had al sinds het begin van het schooljaar 2018/2019 geen school of dagbesteding, in verband met angsten. Die angsten lijken in stand te worden gehouden of zelfs te worden versterkt door de ouders.

Bij [kind D] is sprake van ADHD waarvoor hij medicatie krijgt, die niet goed is afgestemd vanwege het ontbreken van psychiatrisch toezicht. Hij laat grenzeloos, zelfbepalend en manipulatief gedrag zien. Hij heeft geen structuur en een verstoord eet- en slaappatroon en de ouders houden hem klein.

De vader is door gezondheidsproblemen (onder meer een longziekte) minder beschikbaar voor de kinderen, waardoor er veel op de moeder aankomt die een overbelaste indruk maakt. De draaglast is structureel groter dan de draagkracht in het gezin. In 2018 is er intensieve begeleiding vanuit Koel en Co in het gezin gekomen met als doel het bouwen van een web rondom het gezinssysteem om ervoor te zorgen dat de kinderen toekomen aan een goede en veilige ontwikkeling. Vanuit Koel en Co wordt diverse hulpverlening ingezet voor de kinderen en de ouders, echter niet met het gewenste resultaat. De ouders zijn niet in staat om de kinderen te begrenzen en aan te sluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van de kinderen. Zij belasten de kinderen met volwassenenzaken. Er worden signalen van parentificatie gezien. Als begin 2019 oudste dochter [de meerderjarige E] ernstig ziek blijkt, is de moeder vanaf dat moment 100% beschikbaar voor haar, waardoor er geen ouder volledig beschikbaar is voor de andere kinderen. Gezien wordt dat [kind C] in de ochtenden haar broertje [kind D] moet klaarmaken voor school en ook de zorg heeft voor het kind van haar oudste broer nu de moeder niet aanwezig is in de thuissituatie. De GI verzoekt een uithuisplaatsing voor de kinderen, welke uithuisplaatsing door de kinderrechter bij de bestreden beschikking is uitgesproken.

[kind A] verblijft sindsdien bij Vast en Verder, een woontrainingsprogramma voor dak- en thuisloze jongeren. [kind A] heeft het daar niet naar zijn zin en er wordt volgens de GI verder gezocht naar een passende plek voor hem. Hij volgt een traject bij Straatgeluid waar hij vrijwel altijd komt opdagen en heeft een goede band met zijn coach. Hij start zeer binnenkort met een opleiding.

[kind B] is geplaatst in een gezinshuis in [plaats 3] . Hij krijgt daar regels en structuur en gaat naar een speciale school.

[kind C] en [kind D] zijn samen in een pleeggezin geplaatst. Uit een brief van de pleegouders van [kind C] en [kind D] van 9 januari 2020 blijkt dat beide kinderen grote sprongen maken in hun ontwikkeling sinds de uithuisplaatsing. Waar [kind C] vlak na de uithuisplaatsing niet in staat was om te spelen, haar broertje corrigeerde als hij plezier had en de zorg voor hem op zich nam, zichzelf niet verzorgde en met de radio aan sliep, is zij nu veranderd in een vrolijk meisje dat graag naar school gaat en daar goed functioneert. Ze komt op voor zichzelf. [kind D] was vlak na de uithuisplaatsing angstig en wist niet hoe hij moest slapen. Hij was erg claimend en kon zichzelf niet wassen. Inmiddels gaat hij naar school en laat hij minder onaangepast gedrag en meer tekenen van groei zien. Hij heeft nu een normaal eet- en slaapritme. Volgens de GI blijkt uit zeer recent onderzoek dat hij een licht verstandelijke beperking heeft en dat zijn sociaal emotionele ontwikkeling past bij een leeftijd van 6 tot 18 maanden.

5.7

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ten tijde van afgifte van de bestreden beschikking bij ieder van de kinderen was voldaan aan de wettelijke gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Er waren immers al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders, er was sprake van ernstige gedragsproblematiek bij de kinderen en langdurige inzet van verschillende hulpverleningsvormen bood weinig tot geen resultaat. De kinderrechter heeft de machtiging op 13 augustus 2019 dan ook terecht verleend. Het hof is voorts van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing gedurende de looptijd van de machtiging onverkort aanwezig zijn gebleven. Uit het voorgaande volgt dat de kinderen ieder belast zijn met persoonlijke problematiek en daarvoor speciale zorg nodig hebben. Gebleken is dat alle kinderen het - naar omstandigheden - goed doen op de plekken waar zij nu verblijven. [kind B] , [kind C] en [kind D] hebben baat bij de duidelijkheid, structuur en grenzen die hun daar worden geboden. [kind A] plukt duidelijk de vruchten van zijn traject bij Straatgeluid [kind B] , [kind C] en [kind D] volgen onderwijs en [kind A] zal starten met een opleiding en volgt nu vijf dagen in de week een traject bij Straatgeluid.

Het is het hof gebleken dat de ouders heel veel van hun kinderen houden en dat zij allen een hecht gezin vormen en elkaar erg missen in de huidige situatie. Echter, naar het oordeel van het hof is gebleken dat de ouders ondanks langdurige en intensieve hulpverlening niet in staat om de kinderen de zorg te geven die zij gelet op hun specifieke problematiek nodig hebben. Het lukt de ouders niet om nauw bij de kinderen aan te sluiten en ze belasten de kinderen met volwassenenproblematiek, hetgeen ervoor zorgt dat de kinderen niet toekomen aan een groei in hun ontwikkeling. De signalen van parentificatie zijn ook aan de voorzitter tijdens de kindgesprekken gebleken; de kinderen maken zich grote zorgen over hun ouders. Het hof is dan ook van oordeel dat het primaire verzoek van de ouders dient te worden afgewezen en de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

Ten aanzien van subsidiaire verzoek van de ouders om de kinderen zoveel mogelijk in het netwerk te plaatsen - waarbij de ouders verzoeken om [kind B] bij zijn opa en oma in [plaats 1] te plaatsen en [kind A] bij zijn oom in [plaats 2] - en in dat kader het beroep van de ouders op artikel 8 EVRM, overweegt het hof dat uit het voorgaande volgt dat de plaatsing van [kind B] in het gezinshuis alsmede de plaatsing van [kind A] bij het kamertrainingscentrum van Vast en Verder noodzakelijk zijn in het belang van hun verzorging en opvoeding. Die plaatsingen leveren dan ook geen strijd op met artikel 8 EVRM. Het subsidiaire verzoek van de ouders zal daarom eveneens te worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, A.N. van de Beek en J.A. van Keulen, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.