Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:824

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.258.907/01 en 200.258.912/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Alimentatie. Zwarte inkomsten. Behoefte en aanvullende behoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.258.907/ 01 en 200.258.912/01

zaaknummer rechtbank: C/15/262563 / FA RK 17-4574

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.A. de Kroon-Comley te Utrecht,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.K.M. Thuijs te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2019 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 3 mei 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 6 februari 2019.

2.2

De vrouw heeft op 27 juni 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 7 augustus 2019 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 oktober 2019 met bijlagen (producties 13-24), ingekomen op 3 oktober 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 oktober 2019 met bijlagen (P tot en met X), ingekomen op 8 oktober 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 oktober 2019 met bijlagen (aangepaste productie U, alsmede Y en Z), ingekomen op dezelfde dag.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2002 in de gemeente [X] met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 februari 2019 op 6 mei 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [datum] 2002 te [geboorteplaats] . [de minderjarige] is woonachtig bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 6 februari 2019 is, voor zover thans van belang, bepaald dat:

de man telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] :

- € 767,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, tot de datum van levering van de echtelijke woning;

- € 652,- per maand met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, doch niet eerder dan met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

de man telkens bij vooruitbetaling dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud:

- € 1.100,- bruto per maand met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, tot de datum van levering van de echtelijke woning;

- € 995,- bruto per maand met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, doch niet eerder dan met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Voorts heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap gelast op de wijze zoals onder rechtsoverweging 2.6. van de bestreden beschikking is overwogen. Voor zover in hoger beroep van belang stelt de rechtbank onder rechtsoverweging 2.6. onder “Ad h) de leningen van de ouders van de vrouw” het volgende vast: “(…) dat de door de vrouw gestelde lening van haar ouders van € 15.000, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet is komen vast te staan. (…) De schuld aan de ouders van de vrouw bedroeg op de peildatum € 5.652,55. (…), zodat resteert € 5.306,80. Ieder van partijen is gehouden de helft van laatstgenoemd bedrag (derhalve € 2.653,40) voor zijn/haar rekening te nemen; de man dient dus € 2.653,40 te voldoen aan de vrouw”.

Het verzoek van de man te bepalen dat hij gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap, dan wel dat hij een vergoedingsvordering op de vrouw heeft, ter zake van een letselschade-uitkering heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking afgewezen.

4.2

De man verzoekt in principaal appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:

I. de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 270,-- per maand aan de vrouw verschuldigd is;

II. het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud wordt afgewezen;

III. het verzoek van de vrouw tot terugbetaling door de man van de helft van de lening van haar ouders ten behoeve van het levensonderhoud van [de minderjarige] en haarzelf in de periode 17 april 2017 tot en met 8 september 2017 wordt afgewezen;

IV. de man gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap ter hoogte van € 10.000.-, dan wel te bepalen dat hij een vergoedingsvordering op de vrouw heeft ter grootte van € 5.000,-.

De vrouw verzoekt in principaal appel – samengevat – de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3

De vrouw verzoekt in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de schuld aan de ouders van de vrouw ad € 15.000,- en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man mede is gehouden deze huwelijkse schuld af te lossen tot een bedrag van € 7.500,- dan wel tot een nader door het hof in goede justitie nader te bepalen bedrag.

De man verzoekt de vrouw in haar incidentele appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

5.1

De man heeft in principaal hoger beroep drie grieven ingediend. Grief 1 ziet op de kinder- en partneralimentatie, grief 2 op de lening(en) van de ouders van de vrouw en grief 3 op de letselschade-uitkering. De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven ingediend. Grief 1 ziet op de zorgkorting, grief 2 op de lening van de ouders van de vrouw voor de verbouwing van de woning.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen het hof bij journaalbericht van 11 november 2019 bericht dat zij – samengevat – overeenstemming hebben bereikt over de geschilpunten betreffende de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap, dat de man zijn verzoek ten aanzien van de smartengelduitkering intrekt en dat beide partijen hun verzoeken ten aanzien van de leningen van de ouders van de vrouw intrekken. Om die reden behoeven de grieven 2 en 3 van de man en grief 2 van de vrouw geen behandeling meer.

Grief 1 van de man en grief 1 van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2

Tussen partijen is thans nog in geschil de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens behandelen.

Kinderalimentatie

5.3

De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige] berekend op € 741,- per maand in 2017 en, geïndexeerd naar 2019, op € 767,- per maand. Daarbij is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen (NBI) aan de zijde van de man van € 4.174,- per maand en aan de zijde van de vrouw van € 683,- per maand. De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw niet in staat was bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] , maar dat de man volledig in staat was te voorzien in de behoefte van [de minderjarige] . Tot de datum van levering van de echtelijke woning is geen rekening gehouden met een zorgkortingspercentage en vanaf die datum is rekening gehouden met een zorgkorting van 15% en is de kinderbijdrage dientengevolge vastgesteld op € 652,- per maand.

5.4

De man voert aan dat de rechtbank bij het bepalen van de omvang van zijn inkomsten ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrag van € 1.500,- netto per maand aan inkomsten als stukadoor binnen de onderneming van zijn broer. Er is alleen sprake van inkomsten uit zijn dienstverband bij de KLM. De man heeft rugklachten en is fysiek niet in staat stukadoorswerkzaamheden te verrichten. Tussen 2010 en 2014 heeft hij nog enkele jaren voor de broer van de vrouw gewerkt, maar vanaf 2014 was ook dat fysiek niet meer mogelijk. De man helpt zijn broer af en toe binnen diens bedrijf met wat lichtere klusjes op zijn vrije dagen, maar daarbij is geen sprake van stukadoorswerkzaamheden en hij ontvangt hiervoor geen betaling. De appberichten en het schriftje dat de vrouw heeft overgelegd, hebben betrekking op deze werkzaamheden. In het schriftje staat informatie over inmeten van ruimtes en offertes, geen urenregistratie van door hem gewerkte uren. De man werkt bij KLM in ploegendienst. Hij kan gelet op zijn rooster zijn broer ook niet vaak of vaker helpen. De uitgaven van partijen wijzen evenmin erop dat zij de beschikking hadden over een gezinsinkomen van bijna € 5.000,- per maand. Partijen deden relatief goedkope aankopen, bijvoorbeeld bij IKEA, en kochten witgoed op afbetaling. Ook is sprake van leningen. Alle kosten van de huishouding, waaronder de vaste lasten, de boodschappen en de benzinekosten, liepen via de bankrekeningen van partijen. Ook (zeer) kleine uitgaven werden gepind en partijen namen geld op bij een geldautomaat.

De man kan zich evenmin vinden in de overweging van de rechtbank dat hij, toen hij nog bij zijn zwager werkte (in de jaren 2001-2013), daar 20 uur per week werkte. Zijn extra inkomsten waren gering en bedroegen gemiddeld over deze periode € 490,- bruto per maand. Uitgaande van een nettoloon van € 22,50 per uur (bruto circa € 35,- per uur) komt dit neer op circa 3 à 3,5 uur per week.

5.5

De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht rekening heeft gehouden met extra inkomsten naast die uit het dienstverband bij de KLM. De man heeft van 2001 tot en met 2014 ook als glazenwasser bij haar broer gewerkt en in de laatste jaren stukadoorswerkzaamheden verricht bij zijn broer. De vrouw wijst op de door de man overgelegde stukken die op zijn letselschadezaak betrekking hebben, waarin – samengevat – staat geschreven dat de man ten tijde van het ongeluk in 2010 inkomsten als glazenwasser had. Ook na het ongeluk verrichtte de man deze werkzaamheden. Door zijn ploegendiensten bij de KLM kan de man flexibel veel uren maken. Ook meldde hij zich vaak ziek bij de KLM om grote klussen te kunnen uitvoeren. De stukadoorswerkzaamheden blijken uit de klusboekjes, waarin de klussen en de prijsafspraken werden bijgehouden, en de appberichten tussen partijen. De inkomsten uit deze werkzaamheden werden besteed aan kosten die contant kunnen worden betaald, zoals merkkleding, sieraden, parfum, horloges, Playstations, computers, weekendjes weg e.d.

5.6

Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling dat bij de man niet alleen sprake is van inkomsten uit dienstverband bij de KLM, maar ook van inkomsten als stukadoor in het bedrijf van zijn broer, gewezen op het schriftje, waaruit zij gedeeltes heeft overgelegd, en appberichten tussen partijen. Volgens de man betreft het de administratie van zijn broer. Hij deed de inmeetwerkzaamheden ten behoeve van de begroting van een klus, waarna zijn broer offertes maakte. Deze verklaring van de man is echter niet geloofwaardig in het licht van de appberichten die de vrouw heeft overgelegd. Uit deze berichten kan opgemaakt worden dat de man ook andere werkzaamheden verricht. Zo stuurt de vrouw op 30 augustus 2016 om 15.03 een berichtje aan de man: “moet dat allemaal betegeld worden”, waarop de man antwoordt: “Ja hij gaat de badkamer tegelen” en vervolgens om 18.02 uur bericht: “Klaar we gaan op ruimen en de auto in laden.” Op 30 augustus 2016 bericht de man om 17.01 uur aan de vrouw: “we beginnen nu te spuiten. dat duurt ongeveer een uur. Daarna nog opruimen.” en vervolgens om 19.18 uur ”Joo we zijn klaar even afrekenen en snel naar huis.” Op 9 november 2016 bericht de man om 17.28: “Ga jullie maar eten ik kom later”, waarna de vrouw om 18.59 vraagt: “Joo hoe gaat ie daar”. De man reageert vervolgens om 19.04 uur: “Laatste tegel dan naar huis”. Ook uit de appberichten over januari 2017 kan worden opgemaakt dat de man aan het werk is. Op 26 januari 2017 vraagt de vrouw om 14.07 uur: “(…) hoe gaat het daar” waarna de man om 14.08 uur reageert: “Gaat lekker bijna klaar laatste keer messen”.

Voorts kan uit het verslag van [de minderjarige] over zijn stage bij de broer van de man, in samenhang met het in eerste aanleg als productie 9 door de vrouw overgelegde overzicht over de werkzaamheden van de man, dat door de man niet, althans onvoldoende is betwist, worden opgemaakt dat de man voor zijn broer werkt. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat daarvan nu geen sprake meer is. Het hof gaat ook voorbij aan zijn stelling dat hij door rugproblemen niet in staat is (stukadoors)werkzaamheden te verrichten. Immers, dat hij in 2008 en 2009 aan zijn hernia is geopereerd en in 2010 een brommerongeval heeft gekregen, betekent niet dat hij deze werkzaamheden thans niet zou kunnen verrichten. De hiervoor aangehaalde appberichten wijzen immers uit dat hij nog steeds werkzaamheden verricht. Daarbij komt dat de man zelf in 2015 aan zijn letselschadejurist schrijft dat hij niets mankeert aan zijn rug en dat hij is hersteld van de uitstulping van een tussenwervelschijf. Uit de door de man overgelegde brieven van de bedrijfsarts i.o. bij de KLM en de fysiotherapeut volgt evenmin dat de man thans niet in staat is (stukadoors)werkzaamheden te verrichten, aangezien in deze brieven wordt ingegaan op de klachten uit het verleden. Ook de verklaring van de heer [H] leidt niet tot een andere beslissing, omdat deze verklaring niet uitsluit dat de man elders werkzaamheden verricht. Uit de appberichten volgt voorts dat de man op verschillende tijdstippen aan het werk is. Zijn ploegendiensten bij de KLM stellen hem daartoe klaarblijkelijk in staat.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat niet aannemelijk is dat sprake is van zwarte inkomsten omdat partijen nog niet afgeloste leningen hebben. Het gaat hier immers om leningen uit 2006/2008 voor geringe bedragen, die volgens de vrouw zijn aangegaan voor een aankoop bij IKEA en BCC.

Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of en zo ja in welke mate de extra inkomsten zijn besteed aan luxe artikelen, zoals de vrouw heeft betoogd, maar de man heeft betwist.

Het hof zal dan ook rekening houden met inkomsten uit (stukadoors)werkzaamheden. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in de omvang van zijn (stukadoors)werkzaamheden, zal het hof deze schatten. De vrouw heeft geen onderbouwing gegeven van haar – door de man betwiste – stelling dat hij 60 uur per maand voor het bedrijf van zijn broer werkt. Gelet op de omstandigheid dat de man een fulltime baan bij de KLM heeft, acht het hof een aanvullende werkbelasting van 15 uur per week erg hoog. Aan de andere kant acht het hof het niet aannemelijk dat de man zijn werkzaamheden voor zijn zwager zou opgeven, wanneer hij bij zijn broer minder zou gaan verdienen. Uit de overgelegde aangiftes over de jaren 2002 tot en met 2013 volgt dat de man gemiddeld € 6.380,- per jaar bruto verdiende bij zijn zwager. Het hof zal gelet op het voorgaande de inkomsten uit de aanvullende werkzaamheden begroten op € 6.000,- netto per jaar.

Tussen partijen is niet in geschil dat het fiscaal loon van de man uit hoofde van zijn dienstverband bij de KLM € 46.511,- bedroeg. Uitgaande van voormelde inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedroeg zijn NBI in 2017 € 3.174,- per maand.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige] geen rekening moet worden gehouden met inkomsten aan de kant van de vrouw. Voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift was bij de vrouw immers sprake van inkomsten uit arbeid dan wel een WW-uitkering. Dat zij wellicht net op het moment van indiening geen inkomen had, maakt niet dat het daarvoor verdiende inkomen geen invloed heeft gehad op de behoefte van [de minderjarige] . Het hof zal voor het NBI van de vrouw in 2017 uitgaan van het door de rechtbank berekende bedrag van € 683,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen bedraagt derhalve € 3.857,- per maand.

De behoefte van [de minderjarige] volgens de tabel “Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen” van juli 2017 bedraagt op grond van het voorgaande (afgerond) € 571,- per maand. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt zijn behoefte € 591,- per maand.

5.7

Het hof dient vervolgens te beoordelen in welke mate ieder van partijen dient bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige] . Evenals de rechtbank zal het hof de draagkracht vaststellen volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2019, aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 950)].

De vrouw heeft gesteld dat zij geen inkomen heeft en niet kan bijdragen in de kosten van [de minderjarige] . Tot de zomer van 2015 werkte zij een paar uur per week als cateringmedewerkster. Vervolgens heeft zij van augustus 2015 tot en met april 2017 een WW-uitkering ontvangen. Na een korte periode gewerkt te hebben, heeft zij weer een WW-uitkering ontvangen. Deze is per oktober 2018 beëindigd. Vervolgens heeft zij enkele maanden schoonmaakwerkzaamheden in het bedrijf van haar broer verricht, maar sinds april 2019 is zij werkloos. De man meent dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met een inkomen van € 15.000,- bruto per jaar. Tijdens het huwelijk heeft zij altijd gewerkt en [de minderjarige] is bijna volwassen.

Gelet op het feit dat de vrouw tijdens het huwelijk heeft gewerkt, haar leeftijd en de huidige arbeidsmarkt, is het hof van oordeel dat de vrouw redelijkerwijs in staat moet worden geacht inkomsten te verwerven gelijk aan haar inkomen in het verleden. De man heeft verschillende aangiftes inkomstenbelasting overgelegd, waaruit blijkt dat de vrouw over de jaren 2002 tot en met 2009 en 2012 tot en met 2014 gemiddeld een bruto inkomen van € 8.642,- had. Voorts is gebleken dat de vrouw voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure een WW-uitkering van € 667,40 bruto per maand ontving. Het hof zal daarom uitgaan van een inkomen van € 700,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Omdat de vrouw ook met dit inkomen uit arbeid (in het geval geen partneralimentatie wordt betaald) in aanmerking zou komen voor een aanvullende bijstandsuitkering, zal geen bijdrageplicht aan de zijde van de vrouw worden vastgesteld.

Aan de zijde van de man gaat het hof voor wat betreft het inkomen bij de KLM uit van het fiscaal loon over 2018 van € 47.189,-. Rekening houdend met zijn netto inkomsten uit stukadoorswerkzaamheden van € 6.000,- netto per jaar en zijn aanspraak op algemene heffingskorting en arbeidskorting, bedraag zijn NBI € 3.268,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 937,- per maand. Hij kan volledig voorzien in de behoefte van [de minderjarige] .

5.8

De vrouw heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met 15% zorgkorting omdat de man nauwelijks met [de minderjarige] contact heeft. Volgens de man ziet hij [de minderjarige] één keer per twee weken.

Het hof zal rekening houden met een zorgkorting van 5%, nu in ieder geval vaststaat dat de man minder dan één dag per week de zorg voor [de minderjarige] heeft, hetgeen neerkomt op € 30,- (5% van de behoefte van € 591,-). De door de man te betalen bijdrage zal worden vastgesteld op € 561,-.

5.9

In zijn brief van 2 oktober 2019 verzoekt de man vanaf september 2019, althans vanaf [datum] 2020, de datum waarop [de minderjarige] 18 jaar wordt, rekening te houden met eigen inkomsten van [de minderjarige] van € 500,- per maand. Het hof zal dit verzoek afwijzen. De behoeftigheid van de kinderen speelt geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van ouders. Zij zijn onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen – deels – in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te werken (artikel 1:392 lid 2 BW voor minderjarige kinderen en artikel 1:395a BW voor jongmeerderjarige kinderen). Weliswaar wordt onder omstandigheden rekening gehouden met (een deel van het) eigen inkomsten van een kind bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder maar daartoe ziet het hof in dit geval geen aanleiding, alleen al niet omdat [de minderjarige] nog minderjarig is en niet met zekerheid vastgesteld kan worden dat [de minderjarige] op de datum waarop hij 18 jaar wordt nog eigen inkomsten heeft en, zo ja, hoeveel.

Partneralimentatie

5.10

De man betwist dat de behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld aan de hand van de Hofnorm. Hoewel hij deze stelling niet heeft onderbouwd en de Hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen, in beginsel een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf geeft die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zal het hof in het onderhavige geval de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van de door haar in hoger beroep overgelegde behoeftelijst, die is voorzien van onderliggende stukken. Uitgaande van deze lijst bedraagt haar behoefte € 1.816,73 per maand. Hierbij is nog geen rekening gehouden met boodschappen, kosten voor persoonlijke verzorging, vakantie e.d., aldus de vrouw. Zij is van mening dat de rechtbank haar behoefte terecht heeft vastgesteld op tenminste € 2.470,- per maand, gelijk aan 60% van het gezinsinkomen. Hoewel de vrouw spreekt over een bruto maandbedrag, begrijpt het hof dat zij een netto maandbedrag bedoelt, aangezien het bedrag van € 2.470,- is afgeleid van het door de rechtbank berekende netto beschikbare gezinsinkomen van € 4.116,- per maand.

De man heeft de opgevoerde kosten voor huur, boodschappen, brandstofkosten, strandhuisje en huisdieren betwist. Het hof acht de opgevoerde huur van € 967,- niet onredelijk hoog. Deze is vrijwel gelijk aan het bedrag aan huur dat aan de zijde van de man wordt meegenomen. Met uitzondering van de boodschappen acht het hof de overige door de vrouw opgevoerde, maar door de man betwiste lasten, voldoende onderbouwd, gelet op de in het geding gebrachte stukken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw met haar huidige inkomsten niet alle opgevoerde kosten kan bestrijden. Dat doet echter niet af aan het feit dat wel sprake kan zijn van kosten die tijdens het huwelijk werden gemaakt en deel uitmaken van de huwelijksgerelateerde behoefte. De man heeft niet betwist dat partijen tijdens het huwelijk de beschikking hadden over een auto en een strandhuisje en dat sprake was van huisdieren. Het hof zal bij gebreke aan een nadere onderbouwing door de vrouw met een bedrag van € 300,- per maand rekening houden voor de kosten van boodschappen, persoonlijke verzorging en vakantie. De totale netto maandelijkse behoefte van de vrouw bedraagt aldus (afgerond) € 2.117,-.

5.11

De man heeft voorts betoogd dat de vrouw in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Zoals het hof in r.o. 5.7 heeft overwogen, moet de vrouw redelijkerwijs in staat worden geacht € 700,- (bruto) per maand aan inkomsten te verwerven. Haar resterende bruto behoefte bedraagt in dat geval € 2.763,- per maand, geïndexeerd naar 2019 € 2.861,-.

5.12

Wat betreft de draagkracht van de man gaat het hof voor het inkomen bij de KLM uit van het fiscaal loon over 2018 van € 47.189,- en zijn inkomsten uit stukadoorswerkzaamheden van € 6.000,- netto per jaar. Aan de lastenkant wordt rekening gehouden met € 1.000,- per maand aan huur, € 145,- per maand aan premie ziektekosten, € 32,- per maand eigen risico en € 561,- per maand aan kinderalimentatie en € 30,- zorgkosten. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de man over de maanden mei en juni 2019 € 154,- per maand heeft betaald aan premie levensverzekering.

Het voorgaande brengt mee dat de man vanaf de datum van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand tot en met 30 juni 2019 een draagkracht van € 180,- per maand heeft en met ingang van 1 juli 2019 een draagkracht van € 326,- per maand.

5.13

Het hof zal de draagkracht- en behoefteberekeningen aan de beschikking hechten.

Slotsom

5.14

Op grond van het voorgaande zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepalen op € 561,- per maand met ingang van 6 mei 2019 en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 180,- per maand met ingang van 6 mei 2019 tot en met 30 juni 2019 en op € 326,- per maand met ingang van 1 juli 2019.

Omdat deze bijdragen lager zijn dan de door de rechtbank vastgestelde bijdragen, dient onderzocht te worden of aan de zijde van de vrouw een verplichting tot terugbetaling van hetgeen zij teveel aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen in redelijkheid kan worden aanvaard. In dit kader overweegt het hof dat de vrouw ter zitting heeft verklaard nauwelijks enig saldo op een bankrekening te hebben. Uit productie U en de aangepaste productie U van de zijde van de vrouw volgt echter dat een bedrag van € 35.122,99 voor beide partijen door de notaris in depot wordt gehouden. Het hof acht de vrouw dan ook in staat tot terugbetaling van de door haar teveel ontvangen bedragen.

6 De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 561,- (zegge: vijfhonderd eenenzestig euro) per maand dient te betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 1 juli 2019 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen € 180,- (zegge: honderdtachtig euro) (bruto) per maand en met ingang van 1 juli 2019 € 326,- (zegge: driehonderd zesentwintig euro) (bruto) per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. H.A. van den Berg en mr. C.M.J. Peters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Baauw als griffier, en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.