Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:814

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.269.705/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:7760
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder niet, althans onvoldoende in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.269.705/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/285865 / FA RK 19-1350

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 (bij vervroeging) inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.E. Post te Heerhugowaard,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn mede aangemerkt:

- de minderjarige [X] (hierna te noemen: [de minderjarige] );

- de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de GI);

- [Y] , de pleegmoeder van [de minderjarige] (hierna te noemen: de pleegmoeder).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 11 september 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 22 november 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 11 september 2019.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de raad van 11 december 2019, ingekomen op 12 december 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 23 december 2019 met bijlage, ingekomen per faxbericht op 23 december 2019.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. A. Leibbrand, waarnemend voor mr. Post;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers;

- de GI, vertegenwoordigd door de waarnemend gezinsvoogd;

- de pleegmoeder.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Verzoekster is de moeder van [de minderjarige] , geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] . De vader, [Z] , heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefende alleen het gezag uit over [de minderjarige] . Sinds de datum van de bestreden beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, oefent de GI het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Sinds zijn geboorte stond [de minderjarige] onder toezicht van de GI en was hij op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst.

3.3

[de minderjarige] verblijft sinds 3 november 2017 in het huidige pleeggezin.

3.4

Verzoekster is tevens de moeder van:

- [kind A] , geboren [in] 2003 (hierna: [kind A] );

- [kind B] , geboren [in] 2005 (hierna: [kind B] );

- [kind C] , geboren [in] 2014 (hierna: [kind C] );

- [kind D] , geboren [in] 2016 (hierna: [kind D] );

- [kind E] , geboren [in] 2019 (hierna: [kind E] ).

De moeder oefende tot de gezagsbeëindiging op 11 augustus 2017 alleen het gezag uit over [kind A] , [kind B] , [kind C] en [kind D] . [kind E] staat sinds zijn geboorte onder toezicht van de GI en verblijft middels een machtiging uithuisplaatsing in hetzelfde pleeggezin als [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, op daartoe strekkend verzoek van de raad, het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en is de GI benoemd tot voogd over [de minderjarige] .

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder alsnog af te wijzen.

4.3

De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 lid 1, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2

De moeder betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar ouderlijk gezag over [de minderjarige] heeft beëindigd, waartoe zij het volgende aanvoert. In eerste aanleg is de moeder niet in de gelegenheid gesteld om haar standpunt kenbaar te maken. Zij kan thans instemmen met de huidige plaatsing van [de minderjarige] en zal zich refereren bij jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Zij werkt samen met de pleegouders en het lukt om onderling afspraken te maken over de bezoekregeling. Onder deze omstandigheden heeft [de minderjarige] zekerheid over zijn opvoedperspectief en kan worden volstaan met een lichtere maatregel, waardoor de moeder gezaghebbende ouder kan blijven. Zij wenst betrokken te blijven bij de (beslissingen over de) verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , aldus de moeder.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder meegedeeld voorafgaand aan de zitting geen contact meer te hebben gekregen met de moeder.

5.3

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en heeft – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Het is [de minderjarige] en de moeder gegund dat ze betrokken zijn in elkaars leven. Dit vraagt echter wel inzet van de moeder. Een gezaghebbende ouder heeft de verantwoordelijkheid om geïnformeerde beslissingen te nemen over een kind. Omdat de moeder zeer regelmatig niet beschikbaar en niet bereikbaar is, kan het gezag over [de minderjarige] niet bij haar liggen. Gelet op de complexiteit van de situatie vindt de raad het wenselijk dat de GI als onafhankelijke instantie de voogdij uitoefent. De raad neemt daarbij in aanmerking dat de samenwerking tussen de pleegmoeder en de GI goed verloopt.

5.4

De GI heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld zich ernstig zorgen te maken over de moeder. Sinds september 2019 heeft de moeder [de minderjarige] niet meer bezocht in het pleeggezin en in december 2019 heeft de GI voor het laatst contact met haar gehad. Het is de bedoeling dat de moeder en [de minderjarige] elkaar eenmaal per twee maanden zien. Daarnaast mag de moeder altijd contact opnemen met de pleegouders voor een tussentijds bezoekmoment. Momenteel wordt onderzocht wat precies met [de minderjarige] aan de hand is, omdat de traumabehandeling onvoldoende resultaat heeft.

5.5

De pleegmoeder heeft ter zitting in hoger beroep gemeld dat het wisselend gaat met [de minderjarige] . Hij ervaart veel onrust, slaapt slecht en kan moeilijk prikkels verwerken. Hij heeft veel last van licht, geluid en geur. [de minderjarige] is zeer gebaat bij structuur en zo weinig mogelijk vreemden in huis. De traumabehandeling zorgde voor veel extra prikkels, waardoor [de minderjarige] steeds dagen van slag was. Hij is nu aangemeld voor onderzoek of sprake is van hersenbeschadiging in de vorm van foetaal alcohol syndroom (FAS). Ook gaat hij in maart een paar minuten wennen op een daghulpplek met één-op-één begeleiding. [de minderjarige] is een betrokken grote broer voor zijn jongste broertje, die ook in het pleeggezin woont. De pleegmoeder stuurt nog steeds elke drie weken foto’s naar de moeder, maar deze heeft de moeder voor het laatst eind december 2019 bekeken.

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is ten aanzien van de moeder gebleken van aanhoudend huiselijk geweld met haar (ex)partner, alcohol- en drugsgebruik, financiële problemen en pedagogisch onverantwoord gedrag. Al voor de geboorte van [de minderjarige] is het gezag van de moeder over haar vier oudste kinderen beëindigd. Als ongeboren baby is [de minderjarige] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Uit de informatie van de GI is gebleken, dat het zeer moeilijk is om in contact te komen met de moeder, die zich zorg mijdend opstelt. Tussen [de minderjarige] en zijn vader is geen enkel contact. Gebleken is dat [de minderjarige] zeer specifieke opvoedbehoeften heeft en mogelijk sprake is van hersenbeschadiging als gevolg van de onveiligheid bij de moeder waaraan hij tijdens de zwangerschap is blootgesteld. Tot slot is gebleken dat de moeder sinds september 2019 de omgangsafspraken niet meer nakomt. Op dit moment is het niet mogelijk om contact met de moeder te krijgen en is niet duidelijk waar zij verblijft.

5.7

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder niet, althans onvoldoende in staat is om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat een thuisplaatsing van [de minderjarige] feitelijk niet meer aan de orde is en dat zijn perspectief bij de pleegouders ligt. Gelet hierop en gezien de duur van de uithuisplaatsing, waarbij hij al vanaf zijn geboorte uit huis is geplaatst en in het huidige pleeggezin opgroeit sinds hij drie weken oud is, moet worden geoordeeld dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is dan in beginsel niet langer de geëigende maatregel, aangezien hierbij de onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduurt. Aan het belang van [de minderjarige] bij continuïteit van de opvoedingssituatie dient onder de huidige omstandigheden zwaarwegende betekenis te worden toegekend. [de minderjarige] woont vrijwel zijn hele leven in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin, waar zijn jongste broertje inmiddels ook woont, en is gehecht aan de pleegouders. [de minderjarige] heeft specifieke opvoedbehoeften en is gebaat bij de structuur van het pleeggezin. Ook is de samenwerking tussen de pleegouders en de GI goed. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat onder deze omstandigheden wordt onderzocht hoe hij zich verder kan ontwikkelen. Gelet op de afwezigheid en onbereikbaarheid van de moeder, kan niet worden uitgesloten dat niet alleen nu maar ook in de toekomst moeilijkheden ten aanzien van de uitoefening van het gezag kunnen optreden. Voorkomen moet worden dat dit risico zich voordoet. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van [de minderjarige] dat de stabiliteit in de huidige opvoedsituatie behouden blijft, dat onzekerheid over zijn toekomstperspectief wordt weggenomen en dat duidelijk wordt wie de opvoedbeslissingen over hem neemt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de moeder om betrokken te blijven bij de gezagsbeslissingen over [de minderjarige] . Hetgeen namens de moeder in hoger beroep is aangevoerd, brengt in dit oordeel geen verandering. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de gronden van artikel 1:266 lid 1, aanhef en onder a BW is voldaan.

5.8

Tot slot overweegt het hof dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de band tussen de moeder en [de minderjarige] wordt verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige] heeft. De moeder blijft recht houden op informatie over de ontwikkeling [de minderjarige] en op contact met hem. Zij blijft altijd de moeder van [de minderjarige] en heeft als zodanig een belangrijke rol in zijn leven.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Hoogland, A.R. Sturhoofd en J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.