Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:809

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
200.260.205/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:2075
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huurrecht voormalig echtelijke woning. Belangenafweging. Verdeling inboedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.260.205/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/652830 FARK 18-5198

Beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. el Aqde te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2019 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 23 mei 2019 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking van 27 maart 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 31 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 22 januari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door mr. M. Ahmadi, advocaat te Rotterdam.

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Voor de vrouw is mevrouw H. Manneke opgetreden als tolk in de Spaanse taal.

2.4.

Ter zitting heeft de advocaat van de man, met instemming van de vrouw, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn gehuwd [in] 2015 te [plaats B] , Marokko. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Spaanse nationaliteit. Niet in geschil is dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

Het huwelijk is op 26 september 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 maart 2019.

Uit het huwelijk zijn geboren:

- [kind A] , [in] 2016;

- [kind B] , [in] 2017 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

De kinderen verblijven bij de vrouw.

3.2.

De voormalig echtelijke woning is een huurwoning aan de [adres] , [plaats A] (hierna ook: de voormalig echtelijke woning).

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarnaast is, voor zover thans van belang, bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] , [plaats A] , met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hadden beiden verzocht het huurrecht van de woning toegewezen te krijgen. Voorts is het verzoek van de man tot verdeling van de inboedel afgewezen.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat hij huurder zal zijn van de voormalig echtelijke woning met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dat de inboedel van de echtelijke woning bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, een en ander in onderling overleg tussen partijen.

4.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

In hoger beroep zijn aan de orde het huurrecht van de voormalig echtelijke woning en het verzoek van de man tot verdeling van de inboedel.

Huurrecht voormalig echtelijke woning

5.2.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw huurder zal zijn van de voormalig echtelijke woning. Volgens de man heeft de rechtbank bij de belangenafweging ten onrechte het belang van de vrouw laten prevaleren boven het belang van de man. De man kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet bij familie verblijven. Omdat hij niet langer bij zijn moeder kon verblijven, is hij dakloos geworden en heeft hij korte tijd een zwervend bestaan geleid. Zijn uitkering is vier maanden opgeschort. Met ingang van 29 april 2019 heeft hij een postadres bij het Leger des Heils, maar zijn uitkering is nog niet hervat. De man stelt dat hij de huur van de woning is blijven betalen tot zijn uitkering werd opgeschort. Volgens hem is een huurachterstand ontstaan omdat de vrouw de huur niet betaalt. De man acht het redelijk dat (het huurrecht van) de woning aan hem wordt toebedeeld, omdat hij na zijn vertrek de vaste lasten is blijven voldoen. Daarnaast komt de vrouw met de kinderen eerder in aanmerking voor urgentie dan hijzelf. Het enkele feit dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben betekent niet dat het belang van de vrouw dient te prevaleren. De kinderen zijn zo jong dat niet gesteld kan worden dat zij gewend zijn aan de woning, aldus de man.

De man heeft hier ter zitting in hoger beroep het volgende aan toegevoegd. Hij verblijft nog steeds bij het Leger des Heils. Hij is met hulp van het Leger des Heils op zoek naar een andere woning en hij staat ingeschreven bij Woningnet. Het gaat naar verwachting ongeveer twee jaar duren voordat hij een woning heeft. Hij slaapt in het weekend wel eens bij zijn moeder, maar hij kan daar niet wonen omdat zijn moeder dan gekort wordt op haar uitkering. Hij kan ook niet bij andere familie of vrienden wonen.

5.3.

De vrouw is van mening dat de rechtbank op goede gronden de belangen van kinderen en de vrouw heeft laten prevaleren boven het belang van de man bij toewijzing van het huurrecht. Aan de man is bij beschikking van 18 mei 2018 een huisverbod opgelegd. Het huwelijk van partijen werd gekenmerkt door bedreigingen en huiselijk geweld. De vrouw heeft geen familie in Nederland bij wie zij kan verblijven. De man heeft familie en een uitgebreid netwerk in [plaats A] . De vrouw betwist dat hij dakloos zou zijn geweest. Uit de stukken van de man blijkt ook niet dat zijn uitkering om die reden is opgeschort. Kennelijk is de man inmiddels in aanmerking gekomen voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Er moet vanuit gegaan worden dat hij nog steeds opvang geniet. De vrouw betwist voorts dat de man de huurpenningen in de periode van mei 2018 tot het einde van zijn uitkering heeft voldaan. De man heeft de vrouw achtergelaten met een huurachterstand. Zij heeft een betalingsregeling getroffen met de verhuurder en betaalt al vijf maanden zelf de huur.

De vrouw heeft hier ter zitting in hoger beroep het volgende aan toegevoegd. Zij heeft een bijstandsuitkering en werkt als vrijwilliger. De oudste dochter van partijen gaat naar het Kabouterhuis en de jongste dochter gaat naar de crèche. De vrouw wil graag met de kinderen in het huis blijven wonen, zij heeft hier heel hard voor gewerkt. Zij heeft geen netwerk en geen andere plaats waar zij met de kinderen kan wonen. Toen zij in september 2018 met de kinderen terugkwam uit Spanje was het huis helemaal leeggehaald. Dit is de reden geweest voor de uithuisplaatsing van de kinderen. Een voorwaarde voor terugplaatsing was dat de woning weer bewoonbaar was. Zij heeft dit met ondersteuning van de stichting Home Empowerment voor elkaar gekregen. Deze organisatie heeft haar ook geholpen bij het inlopen van de huurachterstand. De man betaalde de huur niet en omdat de (toen nog) gezamenlijke uitkering van partijen op de rekening van de man werd gestort kon de vrouw de huur niet betalen. De helft van deze achterstand is inmiddels door de vrouw afgelost. Zij lost maandelijks af en zij is in staat de huur te betalen, zoals zij thans ook doet.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Beide partijen hebben een belang bij toewijzing van het huurrecht van de voormalig echtelijke woning. Na afweging van de wederzijdse belangen van partijen is het hof met de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij verkrijging van het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Partijen hebben samen twee dochters van respectievelijk twee en drie jaar oud. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw die de dagelijkse zorg voor hen draagt. De kinderen zijn de afgelopen periode meerdere malen geconfronteerd met onrust en wijzigingen in hun opvoedsituatie, waaronder een korte uithuisplaatsing eind 2018. Het hof acht het in hun belang dat zij met hun moeder in de voor hen vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Daar komt bij dat de vrouw geen familie of vrienden heeft in Nederland bij wie zij met de kinderen kan verblijven.

Het voorgaande betekent dat het hof het verzoek van de man in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.

De inboedel

5.5.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot verdeling van de inboedel heeft afgewezen. Hij stelt dat hij voor en tijdens het huwelijk de inboedelgoederen heeft aangekocht. Hij heeft ter onderbouwing drie getuigenverklaringen overgelegd. Hij heeft een lijst opgesteld van verschillende inboedelgoederen die hij stelt voor en tijdens het huwelijk te hebben aangeschaft. Hij heeft daarbij zes bonnen overgelegd, uit de jaren 2011 tot en met 2017.

Volgens de man bleek in augustus 2018, toen de vrouw naar Spanje was vertrokken, dat zij inboedelgoederen mee had genomen. De rechtbank heeft zonder enig bewijs de stelling van de vrouw aangenomen dat de huidige inboedel bestaat uit tweedehands goederen, die zij met behulp van maatschappelijk werk heeft aangeschaft. Volgens de man had de rechtbank bij gebrek aan bewijs moeten bepalen dat de bestaande inboedel bij helfte tussen hen verdeeld dient te worden.

5.6.

De vrouw is het ook op dit punt eens met de beslissing van de rechtbank. Zij betwist dat zij de inboedel meegenomen zou hebben. Zij is in augustus 2018 met toestemming van de man met de kinderen naar haar moeder in Spanje gegaan. De man heeft toen echter aangifte van kinderontvoering gedaan. De vrouw kwam op 17 september 2018 terug uit Spanje. Toen bleek het huis leeg te zijn. Zij is naar de buurvrouw gegaan waar zij met de kinderen heeft gegeten en geslapen. Het voorgaande blijkt ook uit de beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van 24 september 2018 en het overgelegde raadsrapport. De inboedel was dus feitelijk al verdeeld zonder dat de vrouw aanspraak heeft gemaakt op haar helft, aldus de vrouw.

5.7.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man tot verdeling van de inboedel onvoldoende concreet is: niet duidelijk is welke inboedelgoederen verdeeld dienen te worden, tegen welke waarde en aan wie. Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap 18 juli 2018 is (de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding). Uit de door de man opgestelde lijst van door hem aangekochte inboedelgoederen, de overgelegde bonnen en getuigenverklaringen blijkt niet waar de inboedel op de peildatum uit bestond. Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat de man, mede gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat er thans nog inboedel aanwezig is die verdeeld dient te worden. Het hof overweegt in dit verband dat uit het raadsrapport in het dossier blijkt dat op 17 september 2018, toen de vrouw met de kinderen terugkeerde uit Spanje, het huis volledig leeg was, dat er geen spullen en geen bedden waren. Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen en de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.

5.8.

Het hof ziet, gelet op de aard van de procedure, onvoldoende aanleiding de man in de proceskosten te veroordelen, zoals door de vrouw is verzocht. Het hof zal deze kosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. W.K. van Duren, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.